Conclusie
1.Inleiding
Weald Leasing [3] van het Hof van Justitie. Het bewustzijn van de abnormaal lage vergoeding leidt het Hof af uit de ingediende aangifte dividendbelasting. Het Hof redresseert het misbruik door de maatstaf van heffing te verhogen met het verschil tussen de verkoopprijs en de geschatte waarde van de auto.
Klacht 1richt zich tegen het oordeel dat het leerstuk van misbruik van recht kan worden toegepast in situaties waarin een lage vergoeding wordt gehanteerd, ondanks dat Nederland bewust geen gebruik heeft gemaakt van art. 80 Btw Pro-richtlijn.
Klacht 2richt zich tegen het oordeel dat een abnormaal lage vergoeding kan leiden tot het oordeel dat sprake is van misbruik van recht. Volgens de klacht is geen sprake van een samenstel van transacties en ook gaat het om een andere situatie dan in
Weald Leasingaan de orde was. Volgens
klacht 3gaat het Hof uit van een onjuiste rechtsopvatting bij het oordeel dat sprake is van een abnormaal lage vergoeding.
Klacht 4richt zich tegen het oordeel dat uit het indienen van een aangifte dividendbelasting blijkt dat de DGA en belanghebbende zich bewust zijn van een abnormaal lage vergoeding.
2.De feiten
3.Het geding in cassatie
Weald Leasing [12] . Dat verschil is gelegen in de omstandigheden dat het Verenigd Koninkrijk, in tegenstelling tot Nederland, wel ervoor heeft gekozen art. 80(1) Btw-richtlijn te implementeren, en in die zaak sprake was van het kunstmatig tussenschuiven van vennootschappen, terwijl in deze zaak sprake is van een eenvoudige koop- en verkoopovereenkomst. Ook betrekt het Hof ten onrechte feiten uit andere tijdvakken in zijn beslissing.
A Oy [16] en
Weald Leasing [17] volgt dat misbruik van recht kan worden aangenomen indien sprake is van een abnormaal lage vergoeding. Ook volgt de gekunstelde constructie uit de overige feiten en omstandigheden in deze zaak. De jurisprudentie van het Hof van Justitie biedt verder geen aanknopingspunt voor de opvatting dat het verbod op misbruik van recht zich beperkt tot situaties waarin op de een of andere manier een meervoudigheid in de door partijen verrichte handelingen is te herkennen. Dat alleen bij een samenstel van transacties sprake kan zijn van misbruik van recht, is dus onjuist; bovendien is ook in de onderhavige zaak sprake van een samenstel van handelingen.
4.Beoordeling van het middel
klacht 1zich op beroept, berust vanuit nationaal recht bezien op een onjuiste rechtsopvatting. Gezien de nadruk die het Hof van Justitie legt op de verplichting van lidstaten om misbruik van Unierecht tegen te gaan, ongeacht of het secundair Unierecht of het nationale recht daarvoor een specifieke antimisbruikbepaling kent dan wel deze is geïmplementeerd, acht ik buiten twijfel dat zulks ook vanuit Unierechtelijk perspectief geldt. Het is dus voor toepassing van het leerstuk van misbruik van recht niet relevant dat Nederland geen algemene op art. 80(1) Btw-richtlijn gebaseerde ‘normale waarde’-bepaling in de nationale wetgeving heeft opgenomen. Bovendien volgt uit de behandeling van het inmiddels ingetrokken wetsvoorstel met dossiernummer 30 061 (tot invoering van een algemene ‘normale waarde’-bepaling) juist dat ongewenste lageprijsconstructies met het rechtsinstrument misbruik van recht zullen worden bestreden. Als de wetgever geen antimisbruikmaatregel invoert omdat hij expliciet te kennen geeft een gedraging met het leerstuk van misbruik van recht te bestrijden, dan kan overduidelijk toepassing van dat leerstuk niet worden geblokkeerd met een beroep op de – rechtskundig niet juiste – ‘uitzondering’ dat de wetgever bewust geen antimisbruikmaatregel heeft ingevoerd.
Weald Leasing. Uit dat arrest volgt wel degelijk dat het hanteren van een abnormaal lage vergoeding kan leiden tot misbruik van recht. De in de klacht genoemde verschillen tussen
Weald Leasingen de onderhavige zaak berusten eveneens op een onjuiste lezing van dat arrest. Ook in het kader van klacht 2 herhaal ik dat het voor toepassing van het leerstuk van misbruik van recht niet relevant is dat Nederland geen algemene op art. 80(1) Btw-richtlijn gebaseerde ‘normale waarde’-bepaling in de nationale wetgeving heeft opgenomen. Voor zover de klacht het betoog omvat dat de wijze van redres van misbruik van het Hof (aanpassen van de maatstaf van heffing) niet juist zou zijn, faalt zij. In de Bijlage kom ik tot de conclusie dat deze methode goed bruikbaar is in zaken als de onderhavige, aansluit bij de methode die de Uniewetgever in art. 80(1) Btw-richtlijn voor dergelijke situaties voorschrijft en niet verder gaat dan noodzakelijk.
klacht 4betreft, verwijs ik naar mijn beoordeling van klacht 3. Een vergoeding van 75% van de boekwaarde (die mogelijk ook nog eens lager zou kunnen zijn dan de waarde in het economisch verkeer) zou nog steeds tot een abnormaal lage vergoeding kunnen leiden. Van een verkapt dividend is overigens pas sprake wanneer een bewuste bevoordeling aan de orde is; de op eigen initiatief ingediende aangifte dividendbelasting is daarom juist een sterke aanwijzing dat bewust een te lage vergoeding is gehanteerd.
5.Voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie
Wanneer dus de rechter, uitgaande van de vastgestelde feiten, constateert dat de wettelijke bepalingen die de grondslag vormen voor de beslechting van het geschil dat partijen verdeeld houdt, niet of anders moeten worden toegepast dan partijen voor ogen staat, schendt de rechter het bepaalde in artikel 8:69, lid 2, Awb niet indien hij voor de afdoening van het geschil die bepalingen rechtens juist toepast.
De in de gedingstukken van het hoger beroep vermelde stellingen van partijen hielden geen vaststaande feiten en omstandigheden in die dwingen tot de hiervoor in 2.5.2 weergegeven oordelen. Partijen hoefden, gelet op de intrekking door de Inspecteur van zijn desbetreffende stelling bij de Rechtbank, daarop ook niet bedacht te zijn.Het Hof is – zo bevestigen rechtsoverwegingen 5.12 tot en met 5.15 van zijn uitspraak – uit eigen beweging de voor toepassing van artikel 16, lid 1, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 1, lid 1, letter b, en lid 2, van het BUA benodigde feiten gaan vaststellen en heeft, uitgaande van die feiten, op grond van die bepalingen geoordeeld dat de gevraagde aftrek moet worden geweigerd. Zodoende is het Hof buiten de rechtsstrijd getreden.”