Conclusie
1.Inleiding
onderdeel 2met het kader omtrent art. 80(1) Btw-richtlijn [4] . Dat onderdeel vormt een inleiding op
onderdeel 3, dat gaat over de vraag of in situaties als de onderhavige sprake kan zijn van misbruik van recht, althans of één van de tegengestelde rechtsopvattingen van de gerechtshoven hieromtrent juist is. Tot slot ga ik in
onderdeel 4in op de vraag of de verkapte dividenden ook buiten misbruik van recht kunnen worden gerekend tot de vergoeding voor de leveringen van de auto’s. Daarbij merk ik op dat de zaak met zaaknummer 25/00176 alleen gaat over het leerstuk van misbruik van recht, en mogelijk ook nog – indien het voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie aan de orde komt – over de vraag of het verkapt dividend moet worden gerekend tot de vergoeding voor de levering van de auto (al nodigt de Staatssecretaris de Hoge Raad ook uit ambtshalve te oordelen dat art. 3(3)a Wet OB van toepassing is, omdat geen sprake is van een levering onder bezwarende titel).
Weald Leasingen (de voorgeschiedenis van) art. 80(1) Btw-richtlijn af dat het hanteren van een abnormaal lage vergoeding kan leiden tot misbruik van recht (3.18-3.37). Voor zover het gerechtshof ’s-Hertogenbosch aan zijn beslissing ten grondslag legt dat het hanteren van een lage vergoeding op zichzelf bezien niet tot misbruik van recht kan leiden, toetst het naar mijn inzicht de bij hem voorliggende zaken te beperkt, omdat niet slechts sprake is van het hanteren van een te lage vergoeding (3.38-3.40). Voor het overige kan uit het arrest
Gemeente Woerden Ivan de Hoge Raad niet worden afgeleid dat het hanteren van een te lage vergoeding categorisch is uitgesloten als handeling die tot misbruik van recht kan leiden; zou dat wel uit dat arrest kunnen worden afgeleid, dan geldt dat die rechtsopvatting onjuist is (3.39-3.55). Ik concludeer vervolgens dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat het niet uitmaakt dat Nederland geen algemene op art. 80(1) Btw-richtlijn gebaseerde bepaling in de nationale wetgeving heeft opgenomen (3.56-3.63). Verder is rechtens onjuist het betoog dat, indien de wetgever een bepaalde mogelijkheid heeft onderkend en desondanks de wettekst niet aanpast, het instrument misbruik van recht niet mag worden toegepast indien de belastingplichtige van die mogelijkheid gebruikmaakt (3.64-3.67). Bovendien is van zo’n situatie in dit geval geen sprake (3.68-3.69). Ik kom daarom tot de conclusie dat het in rekening brengen van een abnormaal lage vergoeding een gedraging is die buiten redelijke twijfel volgens zowel het Hof van Justitie (blijkens
Weald Leasing), als de Uniewetgever (zie richtlijn 2006/69/EG) als de nationale wetgever (wetsvoorstel 30 061) tot mogelijk misbruik van de Unierechtelijke en nationale bepalingen omtrent de btw kan leiden. Wat betreft de invulling van het begrip ‘abnormaal lage waarde’ kom ik tot de conclusie dat daarvan al vrij snel sprake is indien een vergoeding onder de marktwaarde wordt gehanteerd die verder economisch niet verklaarbaar is (3.73). Wat misbruik van recht betreft concludeer ik tot slot dat de methode van redres die het gerechtshof Amsterdam heeft gehanteerd (correctie van de maatstaf van heffing) goed bruikbaar is in zaken als de onderhavige, en niet verder gaat dan noodzakelijk (3.74-3.82).
2.Kader art. 80 Btw Pro-richtlijn
Balkan and Sea Properties [8] van het Hof van Justitie gaat over art. 80(1) Btw-richtlijn. Dat arrest betreft niet het leerstuk van misbruik van recht en het verwijst ook niet naar arresten omtrent misbruik van recht.
Balkan and Sea Propertiesover een Bulgaarse ‘normale waarde’-bepaling die, anders dan in art. 80(1) Btw-richtlijn, niet als voorwaarde kende dat de afnemer van de prestatie geen of een beperkt recht op aftrek heeft. De vraag is of die bepaling verenigbaar is met de Btw-richtlijn.
Högkullenuiteen aan de hand van een voorbeeld: [11]
Balkan and Sea Properties.Onder meer uit de in 2.8 weergegeven vooropstelling volgt volgens het Hof van Justitie dat de in art. 80(1) Btw-richtlijn “neergelegde toepassingsvoorwaarden uitputtend zijn geregeld en dat een nationale wettelijke regeling dus niet op grond van deze bepaling kan vaststellen dat de maatstaf van heffing de normale waarde van de handeling is in gevallen die niet in deze bepaling zijn opgesomd, met name wanneer de dienstverrichter, de leverancier of de afnemer recht op volledige btw-aftrek heeft”. [12]
Orfey Balgariavolgt overigens dat een lidstaat ook niet voorbij kan gaan aan de voorwaarde dat het moet gaan om (kortgezegd) gelieerde partijen. [13]
algemene‘normale waarde’-bepaling’. Dit doe ik omdat de Nederlandse omzetbelastingwetgeving in specifieke gevallen wel het hanteren van de ‘normale waarde’ voorschrijft (zie art. 8(4) Wet OB). In de onderhavige zaken gaat het echter niet om één van die gevallen. Wanneer ik dus hierna schrijf dat Nederland geen (algemene) ‘normale waarde’-bepaling heeft ingevoerd, bedoel ik in wezen steeds een bepaling zoals die bij wetsvoorstel 30 061 was voorgesteld, maar niet is ingevoerd.
Halifax [27] (3.8) geweest. Daarin heeft het Hof van Justitie voor het eerst expliciet bevestigd dat het verbod van misbruik van recht ook voor de btw geldt. Ik kom hierna nog op
Halifaxterug. Naar aanleiding van
Halifaxheeft de wetgever besloten de ontwikkelingen in de jurisprudentie af te wachten alvorens te beslissen of de ‘normale waarde’-bepaling nog noodzakelijk was. Daarbij heeft hij opgemerkt dat van
Halifaxen het niet-intrekken van het wetsvoorstel een zekere preventieve werking zal (blijven) uitgaan. [28] Uiteindelijk is het wetsvoorstel ingetrokken omdat het “door de ontwikkeling in de Europese en Nederlandse jurisprudentie omtrent de toepassing van het leerstuk «misbruik van recht» niet meer nodig is voor het dragende deel dat ziet op de bestrijding van de in dit voorstel beoogde constructies. De Belastingdienst kan dit leerstuk «misbruik van recht» inmiddels als een meer gericht middel inzetten ter bestrijding van de in de toelichting bij het wetsvoorstel beschreven btw-constructies”. [29]
3.Misbruik van recht bij hanteren abnormaal lage vergoeding
Uitspraken gerechtshoven Amsterdam en ’s-Hertogenbosch
Altun. [34] Het Hof vervolgt:
Cussens: [36]
Halifaxoverweegt het Hof van Justitie dat de (thans [37] ) Unieregeling niet zo ruim mag worden toegepast dat zij misbruiken van ondernemers zou dekken, “dat wil zeggen transacties die niet zijn verricht in het kader van normale handelstransacties, maar uitsluitend met het doel om de door het gemeenschapsrecht toegekende voordelen onverschuldigd te verkrijgen”. [38] In dat arrest bevestigt het Hof van Justitie dat dat beginsel ook geldt op het gebied van de btw. [39] Indien de belastingplichtige kan kiezen tussen twee handelingen, verplicht de Btw-richtlijn hem niet die handeling te kiezen waarvoor de hoogste btw is verschuldigd; hij heeft het recht om zijn activiteit zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft. [40]
Halifaxheeft het Hof van Justitie het als volgt verwoord, beginnend met het objectieve element: [43]
Halifaxaf dat het moet gaan om een samenstel van transacties, omdat in dat arrest ‘transacties’ in het meervoud wordt gebruikt (punten 4.12 en 4.14 van de betreffende bestreden uitspraken).
Nordcurrentvan het Hof van Justitie volgt dat ook een enkele stap kunstmatig kan zijn (daarvoor is dus niet steeds een meervoudigheid nodig). [53] Ook heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in voorkomende gevallen een enkele handeling wellicht niet tot misbruik kan leiden, maar in samenhang bezien met andere handelingen wel [54] ; dat impliceert dat een enkele handeling wel tot misbruik zou kunnen leiden. Tot slot kan het gebruik van de term ‘transacties’ in
Halifaxmogelijk verklaard worden doordat het in die zaak inderdaad ging om een meervoudigheid van handelingen [55] ; die omstandigheid betekent niet dat slechts bij een meervoudigheid van handelingen sprake kan zijn van misbruik van recht.
Weald Leasing [56] van het Hof van Justitie. Ook is aan de orde of het toepassen van het leerstuk van misbruik van recht afstuit op de omstandigheid dat Nederland bewust geen op art. 80(1) Btw-richtlijn gebaseerde algemene ‘normale waarde’-bepaling in de nationale wetgeving heeft opgenomen. Die laatste vraag moet vanuit twee perspectieven worden bezien: of het ontbreken van zo’n bepaling betekent dat er geen grondslag is voor toepassing van het leerstuk van misbruik van recht, en of toepassing van dat leerstuk afstuit op de grond dat de wetgever het mogelijke misbruik wel onder ogen heeft gezien, maar heeft nagelaten een antimisbruikmaatregel te treffen. Tot slot ga ik nog in op de vraag hoe, als sprake is van misbruik van recht, dat misbruik kan worden geredresseerd. Dat dient ook gelijk als brug naar het laatste onderwerp in deze conclusie: of een vergoeding kan worden geherdefinieerd of aangepast buiten situaties van misbruik van recht.
Weald Leasing. In
Weald Leasinggaat het om een moedermaatschappij en twee dochtermaatschappijen (waaronder Weald Leasing). De moedermaatschappij en de andere dochtermaatschappij konden bij de aankoop van bedrijfsmiddelen slechts 1% van de btw over die aankoop in aftrek brengen. Weald Leasing kocht daarom bedrijfsmiddelen in, en sloot een leaseovereenkomst met de vennootschap Suas. Suas was in handen van de btw-adviseur van de groep en zijn echtgenote en maakte niet deel uit van de groep waartoe Weald Leasing behoorde. Suas sloot vervolgens een subleaseovereenkomst voor de bedrijfsmiddelen met de moedermaatschappij of de andere dochtermaatschappij. Daarmee konden laatstgenoemde maatschappijen voorkomen dat zij de bedrijfsmiddelen die zij nodig hadden, rechtstreeks moesten kopen en in één keer het gehele bedrag van niet-aftrekbare btw over die aankopen moesten betalen. Met deze transacties werd beoogd het tijdstip waarop de groep belasting verschuldigd zou zijn uit te stellen door de verdeling en spreiding van dat bedrag. [57]
Weald Leasingniet in geschil.
ordid not reflect any economic reality”. In het Frans is het dan wel weer ‘et’ en in het Duits is het ook ‘und’. [61]
open market value), en de ontvanger van de prestatie niet alle voorbelasting in aftrek kan brengen op die prestatie, de mogelijkheid biedt te bepalen dat voor de waarde van de levering of dienst moet worden uitgegaan van de normale waarde ervan. Blijkens
Weald Leasing [63] is deze bepaling gebaseerd op art. 27 Zesde Pro richtlijn (vergelijk ook 2.14).
Weald Leasingziet op tijdvakken in de periode 2000-2004. Schedule 6, § 1, bij de VAT Act 1994 daarentegen was gebaseerd op een goedkeuring ex art. 27 Zesde Pro richtlijn uit 1987 [64] die middels bijlage II bij richtlijn 2006/69/EG is ingetrokken. Dat heeft er overigens niet toe geleid dat Schedule 6, § 1, bij de VAT Act 1994 is komen te vervallen. [65] Het lijkt er dus eerder op dat – voor zover relevant – art. 80(1) Btw-richtlijn is ontleend aan de Britse regeling. De Britse regeling heeft dan een nieuw fundament gekregen in art. 11A(6) Zesde richtlijn, thans art. 80(1) Btw-richtlijn, zij het in de tijdvakken na de tijdvakken die aan de orde waren in
Weald Leasing(vgl. ook art. 80(3) Btw-richtlijn). Vergelijk in dit kader ook wat de Nederlandse wetgever opmerkt over de grondslag van de voorgestelde Nederlandse ‘normale waarde’-bepaling (2.14).
Weald Leasing. Ik ontleed de in 3.22 geciteerde overwegingen. In punt 39 krijgt de verwijzende rechter de opdracht om vast te stellen of de contractvoorwaarden in strijd zijn met de bepalingen van de Zesde richtlijn en van de nationale wettelijke regeling tot omzetting van deze richtlijn, hetgeen met name het geval zou zijn wat de vaststelling van de leasevergoeding betreft, indien zou blijken dat deze abnormaal laag is en niet beantwoordt aan enige economische realiteit. Dat betekent dat het Hof van Justitie de mogelijkheid onderkent dat een abnormaal lage leasevergoeding een contractvoorwaarde is die in strijd is met de bepalingen van de Zesde richtlijn en de nationale wettelijke regeling.
Weald Leasingis in zoverre dus tweeledig. Met dat perspectief zijn de twee verschillen die het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ziet tussen
Weald Leasingen de onderhavige zaken onvoldoende dragend voor zijn oordeel dat uit dat arrest niet kan worden afgeleid dat een abnormaal lage vergoeding op zichzelf beschouwd misbruik van recht kan opleveren.
Weald Leasing“het belastingvoordeel mogelijk werd door het tussenschuiven van een niet-gelieerde vennootschap, terwijl in de onderhavige zaak de lage prijs ter beoordeling staat”, is ook niet juist. In
Weald Leasingstond ook de lage prijs – zelfstandig – ter beoordeling als factor die mogelijk kon leiden tot strijd met de bepalingen van de Zesde richtlijn en van de nationale wettelijke regeling. [66]
Weald Leasingoordeelt dat “de omstandigheid dat sprake is van een abnormaal lage vergoeding, anders dan belanghebbende betoogt, wel degelijk [kan] leiden tot de bevinding dat sprake is van een zuiver kunstmatige constructie en aanleiding [kan] zijn om te oordelen dat misbruik van recht wordt gemaakt”.
Weald Leasing, waar hij meent dat het misbruik is gelegen in het hanteren van een abnormaal lage vergoeding (voetnoten niet overgenomen): [67]
Weald Leasinggaat Soltysik uit in zijn annotatie bij de bestreden uitspraak van het gerechtshof Amsterdam, waarin hij ook wijst op de uitspraken van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (voetnoten niet overgenomen): [68]
Weald Leasingdat arrest kennelijk zo gelezen dat enkel het hanteren van een te lage vergoeding misbruik kan vormen: [69]
Weald Leasingvan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wordt in de literatuur ook wel gedeeld. Tromp merkt bijvoorbeeld op dat “in het arrest Weald Leasing het belastingvoordeel enkel mogelijk is door het tussenschuiven van een niet-gelieerde vennootschap. De btw-ontwijkingsstructuur in het arrest Weald Leasing is dus een combinatie van een lageprijsmodel en een tussenschuifmodel, die moet worden behandeld als het archetype van het tussenschuifmodel”. [71]
datde wetgever een constructie als misbruik bestempelt, vormt juist de aanleiding om zo’n bepaling in te voeren. Met zo’n bepaling kan er namelijk geen twijfel meer bestaan over de vraag of de wetgever misbruik aanwezig acht. Een specifieke antimisbruikbepaling kan bijvoorbeeld – met het oog op de werklast van de inspecteur – gewenst zijn als veelvuldig gebruik van die constructie wordt gemaakt en/of er grote belastingbedragen mee gemoeid zijn. In dat verband is ook van belang dat een antimisbruikbepaling een bewijsrechtelijk voordeel voor de inspecteur in het leven kan roepen. Met de antimisbruikbepaling kunnen de omstandigheden waaronder misbruik wordt aangenomen worden geobjectiveerd en daarmee de bewijslast voor de inspecteur verlichten. [72]
nietper definitie tot gevolg dat de locus van het misbruik verschuift van de misbruikte bepaling naar de antimisbruikbepaling. Of, in andere woorden: het invoeren van een antimisbruikbepaling betekent niet dat geen misbruik meer kan worden gemaakt van de misbruikte bepaling. De antimisbruikbepaling kan óók worden misbruikt of ontweken, maar dat staat in zekere zin los van het ‘misbruik in primo’ waartegen de antimisbruikbepaling zich richt. Er is dan ook niet slechts sprake van misbruik indien ook de antimisbruikbepaling wordt ontweken. Zo dient mijns inziens ook
Weald Leasingte worden gelezen. Kennelijk meende de wetgever van het Verenigd Koninkrijk (en later de Uniewetgever, 2.5) dat het hanteren van een abnormaal lage waarde in gelieerde verhoudingen, waarbij de afnemer geen of een beperkt recht op aftrek heeft, tot belastingfraude of -ontwijking kon leiden. Op die grond is de antimisbruikbepaling Schedule 6, § 1, bij de VAT Act 1994 geïntroduceerd. De handeling die tot rechtsmisbruik kan leiden, is dus het hanteren van een abnormaal lage waarde; dáártegen richt zich de antimisbruikbepaling. Die antimisbruikbepaling kan óók worden gefrustreerd – mogelijk door het tussenschuiven van een niet-gelieerde vennootschap – en het belastingvoordeel in
Weald Leasingkon inderdaad alleen worden behaald door het ontwijken van die bepaling, maar het eigenlijke misbruik is het hanteren van een abnormaal lage waarde (zie ook het citaat van A-G Mazák in 3.31).
Weald Leasingen de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Mogelijk moet die laatste uitspraak genuanceerder worden gelezen, namelijk dat het enkel hanteren van een abnormaal lage vergoeding nog niet tot misbruik van recht leidt. Nauw gelezen is dat niet onjuist; het leerstuk van misbruik van recht kent bijvoorbeeld nog een subjectief vereiste, dus er kan geen misbruik van recht worden aangenomen
enkel en alleenomdat een lage vergoeding wordt gehanteerd. Misbruik van recht kent immers een objectief en een subjectief vereiste, maar zie bijvoorbeeld ook
Balkan and Sea Properties(2.8), waarin het Hof van Justitie overweegt dat geen sprake kan zijn van belastingontwijking als beide bij de transactie betrokken partijen een volledig recht op aftrek hebben. Echter, dat geen misbruik van recht kan worden aangenomen enkel en alleen omdat een lage vergoeding wordt gehanteerd is, staat er niet aan in de weg dat wel degelijk uit
Weald Leasingvolgt dat het hanteren van een lage vergoeding een handeling is die tot misbruik van recht kan leiden.
Weald Leasingniet volgt dat het overweegt dat een abnormaal lage vergoeding “op zichzelf beschouwd” misbruik van recht kan opleveren.
Balkan and Sea Properties– relevante en mee te wegen, althans in ieder geval te onderzoeken, omstandigheid is. Bovendien gaat het om gelieerde partijen. Alleen al om die redenen kan het feitencomplex in de onderhavige zaken niet zo beperkt worden opgevat dat enkel en alleen sprake is van het hanteren van een abnormaal lage vergoeding. Met andere woorden, “de enkele omstandigheid dat de levering van de auto heeft plaatsgevonden tegen een vergoeding die belangrijk lager was dan de werkelijke waarde van de auto” is dus niet de enkele omstandigheid. Het oordeel dat die omstandigheid op zichzelf bezien onvoldoende is voor het aannemen van misbruik van recht is dus een te beperkte toets en kan daarom niet dragend zijn om in de voorliggende zaken geen misbruik van recht aan te nemen.
Gemeente Woerden I [73] van de Hoge Raad, zijnde het arrest vóór verwijzing naar het Hof van Justitie in die zaak. In
Gemeente Woerden Iheeft het gerechtshof Amsterdam ten overvloede geoordeeld dat sprake is van misbruik van recht, tegen welk oordeel één van de middelen van de belanghebbende zich richtte. De Hoge Raad gaat voor de volledigheid ook op deze vraag in, en overweegt onder meer dat het enkele feit dat de leveringen hebben plaatsgevonden tegen een vergoeding die (belangrijk) lager was dan de kostprijzen van de gebouwen niet voldoende is voor het aannemen van misbruik van recht (cursivering van mij):
Het enkele feit dat de leveringen hebben plaatsgevonden tegen een vergoeding die (belangrijk) lager was dan de kostprijzen van de gebouwen is – mede gelet op het arrest Commissie/Frankrijk – niet voldoende voor het aannemen van misbruik van recht.Daaraan doet niet af dat belanghebbende en de Stichting ook ervoor hadden kunnen kiezen dat belanghebbende de gebouwen aan de Stichting zou verhuren (zoals aanvankelijk de bedoeling was; zie hiervoor in 2.1.5) dan wel dat de Stichting de opdracht tot de bouw zou geven waarbij deze mede met subsidies van belanghebbende gefinancierd zou worden, in welke beide gevallen niet alle ter zake van de oplevering van de gebouwen in rekening gebrachte omzetbelasting voor aftrek in aanmerking was gekomen. Indien zich verschillende reële mogelijkheden (in dit geval verhuur, subsidiëring of verkoop) voordoen kan de belastingplichtige niet worden verweten dat hij kiest voor de mogelijkheid die hem een btw-voordeel biedt (vgl. HvJ 22 december 2010, Weald Leasing Ltd, C-103/09, ECLI:EU:C:2010:804, BNB 2011/203, en HvJ 22 december 2010, RBS Deutschland, C-277/09, ECLI:EU:C:2010:810), BNB 2011/213.
Commissie/Frankrijk [74] af dat het enkele feit dat de leveringen hebben plaatsgevonden tegen een vergoeding die (belangrijk) lager was dan de kostprijzen van de gebouwen niet voldoende is voor het aannemen van misbruik van recht.
Gemeente Woerden Ite kunnen afleiden dat is uitgesloten dat het hanteren van een lage vergoeding een handeling vormt die tot misbruik kan leiden, is dat mijns inziens ten onrechte. Ten eerste merk ik op dat het mogelijk is dat de Hoge Raad enkel bedoelt dat geen misbruik van recht kan worden aangenomen
enkel en alleenomdat een lage vergoeding wordt gehanteerd. Voor die lezing spreekt dat de Hoge Raad eerst oordeelt dat “onder deze omstandigheden” zich geen misbruik van recht heeft voorgedaan; hij vervolgt dat “het enkele feit dat de leveringen hebben plaatsgevonden tegen een vergoeding die (belangrijk) lager was dan de kostprijzen van de gebouwen is – mede gelet op het arrest Commissie/Frankrijk – niet voldoende voor het aannemen van misbruik van recht”. Als dit inderdaad de juiste lezing is van
Gemeente Woerden I, dan verwijs ik naar hetgeen ik in 3.38-3.40 schrijf: het is juist dat geen misbruik van recht kan worden aangenomen enkel en alleen omdat een lage vergoeding wordt gehanteerd, maar niettemin is het hanteren van een lage vergoeding een handeling die tot misbruik van recht kan leiden.
Gemeente Woerden Iwel heeft bedoeld de regel te formuleren dat het hanteren van een abnormaal lage vergoeding niet een handeling is die tot misbruik van recht kan leiden, dan is mijn tweede kanttekening dat die regel niet in overeenstemming zou zijn met
Weald Leasing.
Commissie/Frankrijk. Ter herinnering: die zaak gaat over een Franse beperking van het recht op aftrek voor ondernemingen die onroerende goederen verhuren die zij hebben verworven of doen bouwen, wanneer de inkomsten uit de verhuur van die onroerende goederen minder bedragen dan een vijftiende van de waarde van die goederen. Die regeling was in strijd met de Zesde richtlijn, die niet een dergelijke afwijking toestond. De regeling was volgens de Franse regering vooral bedoeld voor gevallen waarin de plaatselijke overheden onroerend goed tegen lage prijzen verhuren aan verenigingen met een sociaal doel of aan ondernemingen die zich op hun grondgebied komen vestigen. Indien in die gevallen een volledige en onmiddellijke aftrek mogelijk zou zijn, dan zouden de plaatselijke overheden door dit soort praktijken in feite subsidies kunnen verlenen die voor een deel door de staat worden gedragen. Voor die gevallen geldt echter de herzieningsregeling, indien de verhuur op grond van de berekende huurprijs als vrijgevigheid moet worden beschouwd, en niet als een economische activiteit. De Franse regering heeft verder nog de noodzaak tot het voorkomen van belastingfraude aangevoerd, maar voor dergelijke maatregelen moest Frankrijk volgens het Hof van Justitie de procedure van art. 27 Zesde Pro richtlijn volgen.
Halifaxexpliciet de toepassing van het leerstuk van misbruik van recht aangaande de btw bevestigd. Het roept wel de vraag op hoe de Hoge Raad reeds in
Commissie/Frankrijkdaaromtrent een overweging heeft kunnen lezen. Wellicht dat de onwenselijke situatie die de Franse regering met de kwestieuze regeling wilde bestrijden als een soort lageprijsstructuur kan worden aangemerkt. Het Hof van Justitie zit echter eerder op de lijn dat in zo’n geval de in rekening gebrachte tegenprestatie dusdanig gering is dat deze als vrijgevigheid moet worden beschouwd. Dat is een ander leerstuk – misbruik van recht kan immers ook aan de orde zijn bij een vergoeding die niet onder de grens van vrijgevigheid duikt.
Commissie/Frankrijkin een eerdere conclusie (i.e. niet bij
Gemeente Woerden I) zo gelezen “dat een (te) lage huurprijs niet mocht leiden tot een beperking van de aftrek van voorbelasting, ook al was dat bedoeld om belastingfraude tegen te gaan”. [75] Zij zag deze lezing bevestigd in het arrest
Campsa [76] van het Hof van Justitie. Ik ga eerst in op dat arrest en leg daarom uit waarom ik beide arresten anders lees.
Commissie/Frankrijken
Campsaaf dat enkel het hanteren van een te lage waarde niet voldoende is om misbruik van recht aan te nemen (voetnoten niet overgenomen): [79]
Commissie/Frankrijk, over een ‘normale waarde’-bepaling en heeft in zoverre dus meer betrekking op de onderhavige materie; als we Schedule 6, § 1, bij de VAT Act 1994, art. 11A(6) Zesde richtlijn en art. 80(1) Btw-richtlijn als antimisbruikbepalingen bestempelen, lijkt het me voor de gedachtevorming redelijk daaronder ook art. 79(5) van de Spaanse btw-wet te scharen. Evenwel gaat
Campsa, net als
Commissie/Frankrijk(voor zover zij overlappen qua materie), eigenlijk over een procedurele kwestie betreffende het invoeren van een antimisbruikmaatregel. In beide zaken komt het erop neer dat als de lidstaat een maatregel wilde invoeren wegens het gevaar van misbruik of fraude, hij daarvoor de procedure van art. 27 Zesde Pro richtlijn had moeten volgen. De vraag of een maatregel Unierechtelijke grondslag heeft – ook al gaat het om een antimisbruikmaatregel – is echt een andere dan de vraag of in een specifiek geval sprake is van misbruik van recht.
Commissie/Frankrijken
Campsa(waar de Hoge Raad niet naar verwijst in
Gemeente Woerden I, maar dat wel in het verlengde van
Commissie/Frankrijkligt) af te leiden dat het hanteren van een lage waarde geen handeling is die kan leiden tot misbruik van recht wanneer uit
Weald Leasing– dat wél gaat over misbruik van recht – duidelijk het tegendeel volgt.
Commissie/Frankrijkin
Gemeente Woerden I(voetnoot niet overgenomen): [80]
Commissie/Frankrijk; CE] volgt dat het aftrekrecht niet mag worden beperkt met betrekking tot verworven of gebouwde onroerende goederen, als de jaarlijkse huurinkomsten minder bedragen dan een vijftiende van de waarde van die goederen. In het Gemeente Borsele-arrest verduidelijkt het HvJ onder verwijzing naar het Commissie/Frankrijk-arrest dat, indien de prijs van het geleverde goed lager is dan de kostprijs, de aftrek niet naar evenredigheid van het verschil tussen die prijs en de kostprijs kan worden beperkt, ook al is deze prijs aanzienlijk lager dan de kostprijs, zolang deze maar niet louter symbolisch is. Het HvJ rept met geen woord over misbruik in die twee arresten en ook in alle btw-arresten over misbruik van recht wordt het arrest Commissie/Frankrijk niet genoemd. Ik vraag mij dan ook af of uit dit arrest mede kan worden afgeleid dat het leveren van een onroerende zaak tegen een vergoeding die (belangrijk) lager is dan de kostprijs van die zaak, niet voldoende is voor het aannemen van misbruik van recht. Als deze rechtsvraag wederom bij de Hoge Raad terechtkomt en hij komt toe aan de beantwoording van die vraag, zou hij bij het HvJ te rade moeten gaan. Uit het vorenstaande volgt namelijk dat het antwoord op die rechtsvraag mijns inziens niet duidelijk uit de jurisprudentie van het HvJ kan worden afgeleid.”
Gemeente Woerden Ials rechtsopvatting heeft gehad dat het hanteren van een abnormaal lage vergoeding categorisch niet een handeling is die tot misbruik van recht kan leiden, noch dat de Hoge Raad dat heeft geoordeeld. Eerder geeft het oordeel dat de enkele omstandigheid dat een abnormaal lage vergoeding wordt gehanteerd niet kan leiden tot misbruik van recht blijk van een te beperkte opvatting van het geschil. Echter, indien het gerechtshof wel die categorische uitsluiting voor ogen had, dan geldt dat ofwel het gerechtshof
Gemeente Woerden Ionjuist leest, dan wel dat de Hoge Raad
Commissie/Frankrijken
Weald Leasingniet juist uitlegt. [81]
Weald Leasingaan de orde waren de nationale Britse regeling wel zo’n algemene ‘normale waarde’-bepaling kende, maar dat art. 11A(6) Zesde richtlijn toen nog niet bestond.
Italmodaheeft geoordeeld dat, indien het nationale recht geen bepaling of beginsel kent op grond waarvan rechtsmisbruik is verboden (en die in overeenstemming met het Unierecht is uit te leggen), die omstandigheid er niet aan in de weg staat dat de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties een voordeel ontleend aan een in de – thans – Btw-richtlijn neergelegd recht weigeren in het geval van – onder meer – misbruik van recht. [83] Die situatie onderscheidt het Hof van Justitie van het direct inroepen van verplichtingen uit een richtlijn door een lidstaat tegenover particulieren: [84]
Cussens.In dat arrest wordt overigens ook bevestigd dat uit de omstandigheid dat de situatie in
Italmodaover fraude ging, niet kan worden afgeleid dat deze rechtspraak uitsluitend van toepassing zou zijn op dergelijke gevallen en niet op gevallen van misbruik. [85] Verder kan uit deze jurisprudentie worden afgeleid dat het weigeren van een recht dat is ontleend aan het Unierecht bij rechtsmisbruik voortkomt uit het niet voldoen aan de objectieve voorwaarden ervan, en dat zulks niet gelijk staat aan het opleggen van een (aanvullende) verplichting. Daarom is het ook logisch dat voor toepassing van het leerstuk van misbruik van Unierecht geen “uitdrukkelijke autorisatie”, nationale bepaling of nationaal beginsel is vereist. Dat is overigens ten aanzien van Nederland niet een probleem, omdat Nederland wel een nationaalrechtelijk beginsel van misbruik van recht kent dat in voorkomende gevallen in overeenstemming met het Unierecht moet worden uitgelegd. [86]
N Luxembourg 1 e.a. [87] Dat arrest gaat niet over de btw, maar bevat wel uitgebreide uiteenzettingen omtrent het leerstuk van misbruik van recht in het Unierecht (er wordt ook wel naar onder meer
Halifax,
Italmodaen
Cussensverwezen). Zie onder meer de volgende overwegingen van het Hof van Justitie:
Weald Leasing, waarin het Hof van Justitie overweegt dat het hanteren van een abnormaal lage prijs een contractvoorwaarde is die in strijd kan komen met de bepalingen van de Zesde richtlijn. De invoering van art. 11A(6) Zesde richtlijn, thans art. 80(1) Btw-richtlijn, benadrukt dat de Uniewetgever – waar het gaat om leveringen en diensten tussen gelieerde partijen, en de afnemer geen of een beperkt recht op aftrek heeft (2.5) – die opvatting is toebedeeld (zie ook 2.8). [89]
.Deze regels strekken er niet toe om aan degene die een onroerende zaak gaat verkrijgen de mogelijkheid te bieden de ter zake van die verkrijging verschuldigde overdrachtsbelasting naar believen te verijdelen. Daarom verzetten doel en strekking van artikel 2 en Pro artikel 3, lid 1, letter b, van de Wet BRV zich tegen toepassing van de laatstbedoelde bepaling in een geval als het onderhavige, waarin een geregistreerd partnerschap naar de bedoeling van partijen is aangegaan voor een zo korte periode dat de door de wet aan dit partnerschap verbonden plichten geen reële praktische betekenis konden hebben. Hierin onderscheidt het onderhavige geval zich van de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 14 april 1993, nr. 27 789, BNB 1993/201, waarin een gemeenschap van goederen ontstond tijdens het huwelijk van de betrokkenen, en er geen aanwijzing bestond dat dit huwelijk slechts was aangegaan om overdrachtsbelasting te vermijden.
Aan het andersluidende oordeel van het Hof ligt kennelijk de opvatting ten grondslag dat indien kenbaar is dat constructies kunnen worden opgezet om een (vrijstellende) regeling van toepassing te laten zijn, het achterwege blijven van een wettelijke regeling ter bestrijding daarvan eraan in de weg staat dat het ontgaan van de geldende wetgeving door middel van die constructies wordt bestreden met een beroep op het leerstuk van wetsontduiking. Deze opvatting is onjuist(vgl. HR 10 juli 2009, nr. 43 363, LJN BJ2006, BNB 2009/237).
Weald Leasing), als de Uniewetgever (zie richtlijn 2006/69/EG) als de nationale wetgever (wetsvoorstel 30 061) tot mogelijk misbruik van de Unierechtelijke en nationale bepalingen omtrent de btw kan leiden. [103] Voor de toepassing van dat leerstuk is niet vereist dat sprake is van een samenstel van transacties. Aan die toepassing staat niet in de weg dat Nederland geen algemene, op art. 80(1) Btw-richtlijn gebaseerde ‘normale waarde’-bepaling heeft ingevoerd.
Weald Leasing: [104]
Weald Leasingwordt gebruikt). [105] Aldus is al vrij snel sprake van een abnormaal lage vergoeding indien een vergoeding onder de marktwaarde wordt gehanteerd die verder economisch niet verklaarbaar is. Dat sluit ook aan bij hoe de ‘normale waarde’ in art. 72 Btw Pro-richtljin is gedefinieerd:
Cussenslaat zien dat dit proces van herdefiniëring zo eenvoudig kan zijn als het elimineren van de kunstmatige transacties in de gekozen structuur. In die zaak was de verkoop van vakantiewoningen (de niet-kunstmatige transacties) naar Iers recht niet meer vrijgesteld na het wegdenken van de kunstmatige transacties (een U-bocht) met een aan de belastingplichtigen gelieerd lichaam:
Halifaxlijkt het Hof van Justitie eveneens op eliminatie van kunstmatige transacties aan te sturen. In die zaak mondt de eliminatie uit in een weigering van het recht op aftrek van voorbelasting onder aftrek van verschuldigde belastingbedragen voor de geëlimineerde transacties:
Weald Leasingnoemt het Hof van Justitie aanpassing van abnormale contractvoorwaarden (substitutie) als alternatieve wijze van herdefiniëren:
UP CAFFEgeeft het Hof van Justitie als voorbeeld dat de vennootschap waarvan de oprichting misbruik zou opleveren, wordt onderworpen aan de btw die van toepassing zou zijn geweest indien er geen sprake was van een dergelijk misbruik, en voorts dat deze vennootschap, indien aan de voorwaarden is voldaan, recht heeft op aftrek van de over de activiteit die zij uitoefent verschuldigde of betaalde voorbelasting. [107]
Gemeente Middelharnis [108] ging het om het doen bouwen van een schoolgebouw door de gemeente, die het vervolgens voor een lage prijs (15% van de stichtingskosten) verkocht aan een stichting. De stichting heeft het gebouw terugverhuurd aan de gemeente. Het gerechtshof ’s-Gravenhage achtte misbruik van recht aanwezig; de Hoge Raad oordeelde dat het gerechtshof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, en dat het overigens een feitelijk en niet onbegrijpelijk oordeel betreft. Wat het redres van het misbruik van recht betreft, kiest het gerechtshof voor het terugdraaien van de levering van de gemeente aan de stichting. Volgens Van Doesum was het aanpassen van de waarde echter een minder vergaande methode van herdefiniëren (voetnoten niet overgenomen): [109]
Weald Leasingen het is kennelijk ook de voorkeursmethode van de Uniewetgever in gevallen als de onderhavige (zie art. 80(1) Btw-richtlijn). De methode gaat mijns inziens ook niet verder dan noodzakelijk.
Verkapt dividend als tegenprestatie; aanpassen maatstaf van heffing buiten misbruik van recht
Misbruik van recht of bepaling van de economische feiten?
magbeslissen over de bestemming van de winst; daaromtrent is in dit geval niets bekend.
ookzijn weerslag in het vermogen van de aandeelhouder, maar dat is eigenlijk meer een gevolg van de transactie tussen de aandeelhouder en de belanghebbende dan dat het een onderdeel daarvan vormt.
Balkan and Sea Propertiesvolgt dat uitzonderingen op dat beginsel – bijvoorbeeld art. 80(1) Btw-richtlijn – strikt moeten worden uitgelegd. [116]
Fenix International [118] van het Hof van Justitie af dat, indien geen sprake is van misbruik van recht, de contractuele bepalingen leidend zijn voor de heffing van omzetbelasting indien partijen uitvoering hebben gegeven aan de contractuele bepalingen en vaststaat dat schijnhandelingen noch fraude aan de orde zijn. Dat arrest is al deels in de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam geciteerd (4.2) dus ik neem hier alleen nog overweging 5.2.8 over (voetnoten niet overgenomen):
buitende rechtsrelatie en contracten tussen de onderhavige partijen (belanghebbende en de stichting), inderdaad slechts plaats zou kunnen zijn bij (bijvoorbeeld) herkwalificatie van handelingen vanwege misbruik van recht. Zij merkt echter op dat in btw-land veelvuldig van de contractvoorwaarden wordt afgeweken om de btw-gevolgen vast te stellen, zonder dat sprake is van fraude of misbruik van recht.
Hardinxveld-Giessendam IIvan de Hoge Raad [123] verdient in dit kader eerst de aandacht. In mijn conclusie voorafgaand aan dit arrest [124] zette ik onder meer uiteen dat uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt dat de contractuele afspraken tussen partijen moeten worden beoordeeld en uitgelegd in het licht van de uit de (thans) Btw-richtlijn voortvloeiende Unierechtelijke btw-begrippen. Niettemin is – zo leid ik af uit het arrest
Newey [125] van het Hof van Justitie – hetgeen tussen partijen is afgesproken het uitgangspunt bij het duiden van de aard van de prestatie, omdat zij normaliter de economische en commerciële realiteit van de handelingen weergeven. Daaraan kan – zo is mijn slotsom in die conclusie – slechts voorbij worden gegaan in het geval sprake is van misbruik van recht. In
Hardinxveld-Giessendam IIwas overigens niet in geschil dat geen sprake was van misbruik van recht.
Hardinxveld-Giessendam IIervan uitgaat dat in dat arrest met het leerstuk van de economische realiteit is afgeweken van de ‘juridische werkelijkheid’. Dat maakt overigens voor het punt dat hij in de geciteerde passage maakt niet zo veel uit. Ik meen dat dat punt zelfs algemener kan worden geformuleerd, namelijk dat indien een (denkelijk niet-symbolische, en ook niet anderszins niet in rechtstreeks verband met de prestatie staande) vergoeding is overeengekomen, de maatstaf van heffing niet met het leerstuk van economische realiteit mag worden bijgesteld buiten de daarvoor door de Uniewetgever en het Hof van Justitie geboden mogelijkheden, omdat dat in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, althans (mijns inziens) op het beginsel van de subjectieve waarde in de btw.