Conclusie
Inleiding
Het cassatiemiddel
De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van het hof
Nadere bewijsoverweging
fifty fiftyhadden gedaan en ze dan gewoon € 125.000,- de man zouden hebben gehad.
fifty fiftyhadden kunnen delen. Het ging over een zeer aanzienlijk bedrag, van € 125.000,- per persoon.
Het verweer van de verdediging
Dossier Atlantic 2
Ik heb tegen mijn baas gezegd dat ik het niet prettig meer vind om bij [B] te werken, vanwege die rotzooi. Ik word regelmatig aangesproken door vreemde mensen die mij aanspreken wat voor werk ik doe en of ik ze het terrein op mee wil nemen. (...) er is mij zelfs geld geboden door mensen die mij aanspreken. Of je nu wel of niet toehapt je komt gewoon niet van die mensen af. Ik heb aan mijn baas gevraagd of ik niet naar het management van [B] moet gaan want ik word er doodziek van.”
U vraagt mij of ik eind november 2016 een telefoontje van [verdachte] heb gehad (...) [verdachte] wilde niet meer voor [B] werken, want daar stonden koekenbakkers bij zijn auto. Daar ging dat telefoontje over. Hij wilde het liefst ergens anders werken. (...) [betrokkene 7] is mijn collega. Ja, hij weet ook van dat telefoontje van [verdachte] . (...) Ik heb dat telefoontje van [verdachte] ontvangen. U vraagt mij of [verdachte] daarna nog bij [B] te werk is gesteld. Dat zou ik niet durven zeggen. Als iemand vraagt om liever niet meer bij een bepaald bedrijf te werk gesteld te worden, gaan wij proberen dat ook niet meer te doen.”
U vraagt mij of mij een telefoongesprek van [verdachte] bijstaat, waarin hij zegt dat hij niet meer bij [B] wilde werken. Dat klopt. (...) dan moet ik van het telefoongesprek hebben gehoord op de 23ste of 24ste november. (...) In zo ’n telefoongesprek vertelde [betrokkene 8] mij over dat telefoontje van [verdachte] . U vraagt mij waarom [verdachte] niet meer bij [B] wilde werken. Dat was omdat er elke keer koekenbakkers bij zijn auto stonden, hij was dat zat. U vraagt mij of [verdachte] zijn werkzaamheden nog heeft afgemaakt. Hij heeft zich ergens in december 2016 ziek gemeld. (...) U vraagt mij of het mogelijk is dat als er een medewerker heeft gezegd ergens niet meer te willen werken, hij dan toch nog bij het betreffende bedrijf te werk wordt gesteld. Dat kan, maar dat gebeurt meestal niet, want het werkt averechts.”
U vraagt mij of [verdachte] regelde dat ik op een bepaalde dag moest werken. Nee, daar had hij geen inspraak over. Hij mocht blij zijn als hij zelf werd ingehuurd. (...) U vraagt mij wat [verdachte] heeft verteld over dat hij het niet meer fijn vond bij [B] . Hij werd weleens ‘s avonds ingehuurd en heeft mij weleens verteld dat veel mensen aan hem vroegen of hij iets voor hen wilde doen. Hij vertelde mij dat hij zich daarom niet meer fijn voelde bij [B] . Hij heeft zich volgens mij toen ook expres ergens anders laten inhuren of een tijdje in de ziektewet gezeten. Andere collega’s vonden het ook niet meer fijn. De baas van [B] wist ook dat er dit soort figuren rondhingen. (...) U vraagt mij wie er bepaalde wie er ingehuurd werd. Hij heet [betrokkene 9] of [...] , die bepaalde de inroostering. Hij was onze meerdere bij [B] . Hij bepaalde wie, wanneer en waar werkte.”
U vraagt mij of [verdachte] zeggenschap had over wie, wanneer werkte. Nee. De voorman plant dat in. U vraagt mij of [verdachte] dus niet heeft geregeld dat ik op 31 december 2016 aan het werk was op de [c-straat] . Nee, dan heeft hij niet gedaan. Ik was daar als zzp’er werkzaam. (...) U zegt mij dat u in het dossier hebt gelezen dat ik op 24 december 2016 een afspraak heb gemaakt hij de McDonald’s in [plaats] . [verdachte] heeft mij gewaarschuwd daar niet meer heen te gaan, naar het overslagbedrijf [B] . Hij zei dat tegen mij, omdat er rare figuren bij de auto’s stonden daar. Mensen die reden in een auto van [betrokkene 8] werden aangesproken door rare figuren. (...) U zegt mij dat [verdachte] wordt verweten dat hij mij zou hebben geregeld om te helpen op die 31 december 2016. Dat is niet waar. Ik was zzp‘er, dus ik pakte al het werk aan dat ik kon krijgen. [verdachte] ging daar niet over.”
V: Hoe wordt het geregeld dat je bij [B] kan werken? A: Zij bellen mijn baas [betrokkene 8] . Ik regel dat niet, dat regelt [betrokkene 8] . V: Komt het weleens voor dat je zelf regelt dat je moet gaan werken bij [B] BV? A: Nee, ik bepaal dat zelf niet. Ik krijg een berichtje van mijn baas waar ik heen moet.”
U vraagt mij of ik iets met [verdachte] heb afgesproken over deze lading bananen. Ik heb [verdachte] daar nooit over gesproken. (...) U vraagt mij of ik [verdachte] wel eens heb gesproken over de invoer van cocaïne. Nee, nooit.”
U vraagt mij of ik er met [verdachte] over heb gesproken. Nee, hij hoort hier helemaal niet bij. Ik snap niet waarom hij nog binnen zit.”
De bespreking van het cassatiemiddel
voorafgaandaan de daadwerkelijke invoer van de verdovende middelen en hij geen uitvoeringshandelingen heeft verricht op de dag van de aankomst van de cocaïnelevering zelf of daarna.
feit 1eerder met medeplichtigheid in verband zijn te brengen. [9] In zoverre is het middel naar mijn mening terecht voorgesteld.
feit 2naar mijn inzicht wél voldoende grond vormt voor zijn oordeel dat de verdachte welbewust en in nauwe en bewuste samenwerking met zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voorbereidingshandelingen heeft verricht die waren gericht op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een partij cocaïne (art. 10a Opiumwet) én met betrekking tot de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 uit ’s hofs kwalificatie blijkt dat sprake is van eendaadse samenloop. [10] Als een feit in meer dan één strafbepaling valt, dan wordt ingevolge het bepaalde in art. 55 lid 1 Sr Pro slechts één van die bepalingen toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Dat zou in het onderhavige geval met de kwalificatie van het hof inzake de feiten 1 en 2 het “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod” zijn (art. 2A jis art. 1 lid 4 en Pro art. 10 lid 5 Opiumwet Pro). Overtreding van dit verbod wordt bedreigd met, voor zover hier van belang, een gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren. Indien dit feit uit de kwalificatie wordt weggedacht, hetgeen ik hierboven heb betoogd impliceert, blijft staan het opzettelijk handelen in strijd met een in art. 10a Opiumwet gegeven verbod (dat kort gezegd op voorbereidingshandelingen ziet). Het strafmaximum dat in dat verband geldt, is in art. 10a lid 1 Opiumwet gesteld op zes jaren. De gevangenisstraf die het hof aan de verdachte heeft opgelegd bedraagt 51 maanden en ligt aldus onder dat strafmaximum van zes jaren, zelfs indien daarbij tevens de veroordeling voor de feiten 3 en 4 betrokken wordt. Evenwel valt naar mijn inzicht niet uit te sluiten dat het hof tot een lagere strafoplegging zou zijn gekomen wanneer de verdachte zou zijn vrijgesproken ter zake van feit 1, nu op dit feit een aanzienlijk hoger strafmaximum van toepassing is dan op de resterende feiten 2 tot en met 4. Alles overziend komt het mij dan ook voor dat in dit geval de zaak dient te worden teruggewezen, opdat het hof in staat wordt gesteld zich opnieuw uit te laten over de strafoplegging.
Slotsom