Conclusie
Eigen risico zorgverzekering
zie bijlage 5 voor overzicht VGZ). Benadeelde heeft al een deel van haar eigen risico verbruikt (
zie bijlage 6 voor stand eigen risico) en wil het overige gedeelte graag verhalen op verdachte.”
Vorderingen van de benadeelde partijen
Art. 51f lid 1Sv:
NJ2019/379, m.nt. Vellinga heeft de Hoge Raad belangrijke beschouwingen gewijd aan (de beoordeling van) de vordering van de benadeelde partij. De volgende overwegingen daaruit zijn voor de beoordeling van het middel in het bijzonder van belang (hier met weglating van de voetnoten):
immateriëleschade van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] afgewezen, omdat naar het oordeel van het hof hetgeen door de benadeelde partijen is aangevoerd onvoldoende toereikend is om te kunnen spreken van een ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ in de zin van art. 6:106 onder Pro b BW en in het licht van vaste jurisprudentie. Met deze vaste jurisprudentie heeft het hof kennelijk het oog op de rechtspraak van de Hoge Raad te dezen, zoals uiteengezet in het hierboven aangehaalde arrest van HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
NJ2019/379 en HR 29 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:1024,
NJ2021/284, m.nt. Lindenbergh. Blijkens die rechtspraak is voor toekenning van een vergoeding van
immateriëleschade als gevolg van onrechtmatig handelen in geval van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in van art. 6:106 onder Pro b BW vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk
letselkan worden vastgesteld. Volgens het hof hebben de benadeelde partijen met hun vordering wat betreft de gestelde immateriële schade niet aan dit vereiste voldaan, terwijl daarnaast in dit kader zo’n aantasting in de persoon ook niet reeds uit de aard en de ernst van de normschending zelf volgt. Aldus is het hof tot zijn oordeel gekomen dat een wettelijke grondslag voor vergoeding van de gevorderde immateriële schade ontbreekt, zodat de posten ‘immateriële schade’ van de benadeelde partijen door het hof zijn afgewezen.
immateriëleschade dient te worden afgewezen, het “niet zonder meer begrijpelijk [is] te achten dat het Hof dan wel de vorderingen van de benadeelde partijen tot materiële schadevergoeding, voor zover die zien op kosten van geestelijke gezondheidszorg, heeft toegewezen”.
immateriëleschade bij ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 onder Pro b BW (geheel en al) ook van toepassing zou zijn op het (andere) geval waarin sprake is van een gestelde post aan
materiëleschade die in de vorm van kosten aan geestelijke hulp rechtstreeks is geleden door het bewezenverklaarde handelen van een verdachte. Kennelijk heeft het hof geoordeeld dat er (wel) voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de bedoelde materiële schade om de vorderingen in zoverre toe te wijzen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, waarbij ik in aanmerking neem dat ter terechtzitting van het hof op dit punt geen (inhoudelijk) verweer is gevoerd – de vorderingen van de benadeelde partijen zijn als gezegd niet (gemotiveerd) betwist.