Conclusie
3.Het verloop van de zaak
Feiten
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een beklag van de klager tegen de rechtbank Amsterdam over de teruggave van inbeslaggenomen contante geldbedragen en drie mobiele telefoons. Op 24 oktober 2022 werden deze voorwerpen in beslag genomen op grond van art. 94 lid 1 Sv Pro. De klager werd geïnformeerd dat de zaak geseponeerd was en diende een klaagschrift in voor teruggave van de voorwerpen.
De rechtbank verklaarde het beklag gegrond en gelastte de teruggave van een geldbedrag van € 385,-, omdat zij op basis van informatie van het Openbaar Ministerie (OM) aannam dat de overige voorwerpen al waren teruggegeven. De behandeling vond schriftelijk plaats zonder zitting, omdat partijen het eens waren. Later bleek echter dat het OM onjuist had geïnformeerd: enkele geldbedragen waren nog niet teruggegeven en de telefoons waren overgedragen aan Israëlische autoriteiten.
De Hoge Raad oordeelt dat het niet oproepen van de klager en het ontbreken van een openbare zitting in strijd is met art. 23 lid 2 Sv Pro en art. 552a lid 7 Sv, wat leidt tot nietigheid van het onderzoek. Tevens is het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk vanwege de onjuiste feitenbasis. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor een correcte behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor nieuwe behandeling.