Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Overwegingen naar aanleiding van het eerste middel
Eerste Boek van het Wetboek van Strafvordering.
4.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een klaagschrift van een klager tegen het beslag op zijn scooter. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het klaagschrift niet-ontvankelijk omdat de klager niet bij de raadkamerbehandeling was verschenen.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van art. 23 lid 2 Sv Pro de klager had moeten worden opgeroepen voor de raadkamerbehandeling. Uit de stukken blijkt dat deze oproeping niet heeft plaatsgevonden, wat een wezenlijk verzuim is dat leidt tot nietigheid van het onderzoek.
Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor een nieuwe behandeling van het klaagschrift.
Daarnaast geeft de Hoge Raad een uitgebreide toelichting op de bevoegdheid van het openbaar ministerie om machtigingen tot vernietiging van in beslag genomen voorwerpen te verlenen, waarbij ook mandaatverlening aan andere bij het parket werkzame ambtenaren onder voorwaarden mogelijk is.
De beschikking is gegeven door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken in een openbare terechtzitting op 18 juni 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens het niet oproepen van de klager en wijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.