Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
2.Een proces-verbaal aangifte van 6 januari 2020 (…).
verklaring van [benadeelde]:
het hof begrijpt: de verdachte) op mij afkomen. Hij wilde mij aanvallen. [verdachte] en ik kwamen in gevecht en kwamen op de grond terecht. Op het moment dat ik opstond, zag ik dat [verdachte] achter mij stond. Ik zag dat hij van dat rastahaar,
dreadlocks, had. Ik zag dat hij iets in zijn linkerhand vasthad en dat hij met zijn linkerhand een stekende beweging maakte naar mijn linkerzij. Ik voelde dat hij iets scherps in mijn zij prikte.
het hof begrijpt: de verdachte).
4.Een proces-verbaal van verhoor getuige van 5 januari 2020 (…).
verklaring van [getuige 1]:
dreadlocksde jongen die gestoken is aanvallen. Ik zag dat de lange jongen op de jongen die gestoken is sprong. Ik hoorde een harde schreeuw van de jongen die gestoken is.
5.Een proces-verbaal van verhoor getuige van 5 januari 2020 (…).
verklaring van [getuige 2]:
het hof begrijpt: [benadeelde] )had gestoken, hield [benadeelde] in een soort houdgreep. Ik zag vervolgens een mes in de hand van de jongen die [benadeelde] had gestoken. Ik zag de punt van het mes. Ik zag dat de kleur zilverkleurig was. De jongen die heeft gestoken was best wel lang. Zijn huidskleur was licht getint. Hij was de enige op het feest met
dreadlocks.
dreadlockshad.”
De tweede deelklacht komt er in de kern op neer dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is. Dit is, volgens de steller van het middel, gelegen in het feit dat het hof enerzijds “een andere betekenis” dan de raadsman aan de mededelingen van de aangever van
4januari toekent en vooral waarde hecht aan de verklaring van de aangever op
6januari, terwijl het hof anderzijds heeft overwogen dat juist alleen gebruik moest worden gemaakt van de verklaringen die kort na de gebeurtenissen zijn afgelegd.
De derde deelklacht behelst de klacht dat het oordeel van het hof omtrent de bruikbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbegrijpelijk is in het licht van datgene wat in hoger beroep is aangevoerd, te weten dat de getuige [getuige 2] (die het daadwerkelijke steken niet heeft waargenomen) heeft bevestigd dat zij na afloop “constant” met mensen heeft gesproken over wat er was gebeurd; dus voordat zij op 5 januari de voor het bewijs gebruikte verklaring heeft afgelegd. Daar komt bij dat het gebruik van die verklaring (onder meer inhoudende dat de jongen die heeft gestoken best wel lang was en de enige op het feest met dreadlocks was) niet is te rijmen met de overweging van het hof dat de getuige de verdachte niet méér probeerde te belasten (om de reden dat het een bekende drillrapper betreft) dan voortvloeit uit wat ze daadwerkelijk zelf heeft gezien, aldus de steller van het middel.
die heeft gestokenbest wel lang was en de enige op het feest met dreadlocks was – is niet méér belastend dan wat voortvloeit uit wat de getuige zelf heeft waargenomen (en behoeft geen trekken te hebben van het ‘interessant’ vinden om, om de reden dat het een bekende drillrapper betreft, de verdachte te beschuldigen). Een dergelijke verklaring is immers ook te geven als het daadwerkelijk steken niet zelf is waargenomen en los daarvan geeft de verklaring inzicht in de uiterlijke kernmerken van iemand die is betrokken bij de schermutseling en die op basis van c.q. in samenhang bezien met ander bewijs kan worden aangewezen als degene die heeft gestoken. Met aandacht voor omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de authenticiteit en betrouwbaarheid van het beschikbare bewijsmateriaal heeft het hof (uitdrukkelijk) de nodige behoedzaamheid betracht bij de beantwoording van de bewijsvraag. Het hof heeft daarbij ook inconsistenties en verschillen tussen verklaringen expliciet en op niet onbegrijpelijke wijze in zijn overwegingen besproken en beoordeeld. Tegen deze achtergrond en mede gelet op de afwezigheid van aanwijzingen dat een ander dan de verdachte zou hebben gestoken is het hof niet onbegrijpelijk tot een bewezenverklaring (van daderschap) gekomen. Het oordeel van het hof is ook toereikend gemotiveerd.