Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De procedure en de beschikking van de penitentiaire kamer
hierna: PBC)en dat verdachte toen ook niet heeft meegewerkt. De situatie van zijn ex-vriendin lijkt van daarna, zodat dat argument toen niet heeft kunnen gelden.
Hoge Raad 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1200. Die zaak is met cliënts zaak te vergelijken. Ook in die zaak is de vordering afgewezen, omdat de noodzakelijkheid niet was gebleken. Ik verzoek u die lijn te volgen.
4. Afweging van belangen
in behoorlijke mateantwoord geven op de vragen in het PBC rapport. Hij is van oordeel dat bij beschikbaarheid van die gegevens bij de PBC rapporteurs, zij tot een duidelijke conclusie hadden kunnen komen over de aan- of afwezigheid van (kort gezegd) een stoornis en of dit doorwerkte ten tijde van het tenlastegelegde, Uit het voorgaande leidt het hof af dat de te verstrekken gegevens een substantiële toegevoegde waarde zullen hebben voor het nadere onderzoek naar de aan- of afwezigheid van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de eventuele toerekenbaarheid van het tenlastegelegde en het mogelijke recidivegevaar.
5.Slotsom
3.Het middel
NJ2022/384, m.nt. P.A.M. Mevis, opgenomen toetsingskader voor het toepassing geven aan art. 37a lid 7 Sr. In die beschikking is onder meer het volgende overwogen:
[A-G: het Besluit adviescommissie gegevensverstrekking weigerende observandi], heeft de wetgever willen voorzien in een met waarborgen omgeven regeling, waarin in specifieke gevallen het medisch beroepsgeheim kan worden doorbroken met als doel de rechter inzicht te geven in de vraag of tijdens het begaan van het feit bij de verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Lid 7 van die bepaling vereist onder meer dat de penitentiaire kamer van het hof machtiging verleent om, kort gezegd, de persoonsgegevens die de multidisciplinaire commissie heeft verkregen te gebruiken bij een op te stellen rapport of advies over de persoonlijkheid van de verdachte.