Conclusie
Nummer23/05036
Inleiding
Het eerste middel
“4.2 Standpunt van de verdediging
eerste deelklachtbetreft, heeft het hof heeft blijkens de onder 2.3 opgenomen overwegingen uitgebreid gemotiveerd waarom het de verklaringen van de aangeefster – anders dan de verdediging – betrouwbaar acht. Daartoe heeft het ten aanzien van een groot aantal specifieke, door de verdediging aangehaalde onderwerpen uit de verklaring van de aangeefster tot uitdrukking gebracht dat (i) de verklaring van de aangeefster in overwegende mate consistent is, (ii) deze op verschillende punten steun vindt in ander bewijsmateriaal en dat (iii) van de door de verdediging aangehaalde inconsistenties geen sprake is dan wel dat deze niet maken dat de verklaring van de aangeefster op die punten onbetrouwbaar is. Ten aanzien van de overige door de verdediging aangehaalde onderwerpen waarop de verklaring van de aangeefster inconsistenties zou bevatten, heeft het hof overwogen dat deze van ondergeschikt belang zijn. Aan de uit art. 359 lid 2 Sv Pro voortvloeiende responsieplicht heeft het hof dan ook ruimschoots voldaan.
tweede deelklachtheeft het hof – aan wie de uitleg van het door de verdediging gevoerde verweer is voorbehouden – met betrekking tot het in de schriftuur genoemde verweer overwogen dat door de verdediging in de kern is betoogd dat van de aangeefster mede het initiatief is uitgegaan en dat de keuze voor prostitutiewerkzaamheden mede, al dan niet in samenspraak met de verdachte, door haar is gemaakt. Onder verwijzing naar de door het hof onder 2.3 weergegeven maatstaven, die onder meer inhouden dat voor een oogmerk van uitbuiting geen zelfstandig vereiste is dat het initiatief tot verlening van de seksuele diensten van de verdachte is uitgegaan, heeft het hof vervolgens geoordeeld dat dit standpunt van de verdediging aan de bewijsbaarheid van de tenlastegelegde feiten niet afdoet. Daarmee heeft het hof op genoemd verweer wel degelijk gerespondeerd. Het was daarbij niet gehouden om op alle details van de argumentatie van het verweer in te gaan.
Het tweede middel
8. Een proces-verbaal van bevindingen Van 17 maart 2020, in de wettelijk vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (bijlage 21 t/m 28).
4.e, School, 18 september 2019
(het hof begrijpt: [betrokkene 2] )vertelt (huilt hard) tegen zijn juf dat hij in de nacht soms uit zijn bed wordt gehaald en dan bij oma moet slapen. Hij zegt dat hij altijd verdrietig is thuis. [betrokkene 4] is altijd boos op mijn moeder, hij schreeuwt dan heel hard en mijn moeder huilt altijd. Ik kan daar niet van slapen elke avond.