Conclusie
Nummer 23/00494
Inleiding
Het eerste middel
Bewijsoverwegingen
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 57 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het bewerken van 15,260 gram cocaïne in een speciaal ingerichte loods. Het hof stelde vast dat de verdachte samen met medeverdachten ruim vijf uur aanwezig was tijdens het bewerkingsproces, waarbij onder meer een DNA-spoor van de verdachte op een flesje drinken werd aangetroffen. De verdachte gaf geen aannemelijke verklaring voor haar aanwezigheid en handelingen in de loods, waardoor het hof de nauwe samenwerking en medeplegen aannam.
De verdediging voerde in cassatie aan dat het bewijs onvoldoende was voor de betrokkenheid van de verdachte bij alle aangetroffen cocaïne en dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met persoonlijke omstandigheden en de strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde dat het bewijs en de motivering van het hof toereikend en begrijpelijk waren en dat het hof terecht een straf binnen de LOVS-oriëntatiepunten oplegde, waarbij rekening werd gehouden met eerdere veroordeling in Spanje en het bestaan van een organisatie.
Wel werd vastgesteld dat de redelijke termijn in hoger beroep met circa 15 maanden was overschreden zonder toerekening aan de verdediging. Daarom adviseerde de Procureur-Generaal de straf te matigen met drie maanden. De Hoge Raad volgde dit advies en verwierp het cassatieberoep voor het overige, waarmee de straf werd bevestigd op 57 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.
Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 57 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van bewerken cocaïne, met strafmatiging vanwege overschrijding redelijke termijn.