Conclusie
Nummer23/00844
Bewezenverklaring, bewijsvoering en proces-verbaal terechtzitting
Standpunt van de verdediging
verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat-generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven:
De verdachte antwoordt op vragen van de voorzitter:
De verdachte antwoordt op vragen van de oudste raadsheer:
De raadsman voert het woord tot verdediging:
Bespreking van het middel
twee deelklachtenover de motivering van de bewezenverklaring. De
eerste deelklachthoudt in dat de bewijsvoering te kort schiet omdat uit de uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte op het tijdstip dat het bedrag op zijn bankrekening werd bijgeschreven niet de beschikking heeft gehad over de bankpas en pas op de hoogte werd gesteld van de omstandigheid dat het geld eerder zeer kort op zijn bankrekening was bijgeschreven nadat het geldbedrag daarvan was afgehaald. Nu het hof ook niet zou hebben vastgesteld dat de verdachte op een andere wijze over zijn bankrekening heeft kunnen beschikken, zou de verdachte niet zelf de geldbedragen hebben verworven of voorhanden gehad ten tijde van de periode dat het geld op de bankrekening is gestort en daarop heeft gestaan. De enkele door het hof benoemde mogelijkheid tot het via internetbankieren zicht houden op de bankrekening zou onvoldoende zijn om van bewustzijn te kunnen spreken.
tweede deelklachthoudt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte niet heeft gehandeld met de van hem te verwachten in acht te nemen voorzichtigheid nu hij ‘zeer onachtzaam met zijn rekening omging en dat hij deze daarbij volledig ter beschikking stelde aan een relatief onbekende derde' te kort schiet, omdat uit het verhandelde ter zitting volgt dat de persoon aan wie de verdachte zijn bankpas heeft geleend al ongeveer 6 maanden in de pizzeria kwam en kennelijk dermate veel vertrouwen genoot van de eigenaar van de pizzeria dat de eigenaar hem ook zijn bankpas toevertrouwde. En dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard dat [betrokkene 1] een goede bekende van hem was en dat hij hem in die periode dagelijks in de pizzeria zag en dat verdachte hem vertrouwde.