Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
NJ1966, 281, m.nt. W.P.J. Pompe, was de verdachte in eerste aanleg vervolgd en veroordeeld voor artikel 26 WVW Pro (oud) en artikel 33 WVR Pro (oud). Het hoger beroep richtte zich slechts op één van die feiten. Naar het oordeel van het hof moesten die feiten gezien worden als het ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr Pro en stond de inmiddels onherroepelijk geworden veroordeling voor artikel 33 WVR Pro aan vervolging voor artikel 26 WVW Pro in de weg. Het Openbaar Ministerie werd om die reden niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad casseerde wegens onjuiste uitlegging van de woorden ‘andermaal vervolgen’ door het hof. Daaronder valt namelijk niet ‘voortzetting van een eenmaal aangevangen vervolging in hoger beroep’. [1]
3.Het tweede middel
medeplegenvan de gekwalificeerde doodslag. Meer specifiek houdt het de klacht in dat het oordeel van het hof dat de verdachte opzet heeft gehad op het tezamen en in vereniging doden van het slachtoffer en dat hij die doodslag in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten heeft gepleegd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is.
medeplegenvan (gekwalificeerde) doodslag. De figuur van het medeplegen zorgt ervoor dat een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit als hij niet zelf (als pleger) alle delictshandelingen of -bestanddelen heeft verwezenlijkt. [2] Voor een bewezenverklaring van medeplegen is vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking door de verdachte met één of meer anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. De kwalificatie medeplegen is alleen gerechtvaardigd als de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht was. De Hoge Raad geeft geen algemene regels over wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is dat gesproken mag worden van medeplegen. De beantwoording van die vraag dient plaats te vinden aan de hand van een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. [3] Als factoren waarmee de rechter bij de vorming van zijn oordeel rekening kan houden noemt de Hoge Raad “de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten”. [4]