ECLI:NL:PHR:2025:855

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2025
Publicatiedatum
18 augustus 2025
Zaaknummer
23/01848
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor schuldwitwassen met betrekking tot bankrekening en beschikkingsmacht

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep van een verdachte die door het gerechtshof 's-Hertogenbosch is veroordeeld voor schuldwitwassen. De verdachte had haar bankpas en pincode afgegeven aan een derde, die beloofde een bedrag op haar rekening te storten. Het hof oordeelde dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld afkomstig was uit een misdrijf. De verdediging voerde aan dat de verdachte geen beschikkingsmacht had over het geld, omdat zij haar bankpas had afgegeven. Het hof verwierp dit verweer en stelde dat de verdachte, ondanks het ontbreken van de bankpas, nog steeds feitelijke zeggenschap had over het geld op haar rekening. De Hoge Raad bevestigde deze redenering en oordeelde dat de verdachte niet enkel naïef was, maar dat zij verwijtbare schuld had door haar bankgegevens aan een onbekende derde te verstrekken. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, waarbij ook opgemerkt wordt dat er een schending is van het recht op een redelijke termijn van berechting, aangezien er sinds het instellen van het cassatieberoep reeds twee jaren zijn verstreken.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/01848
Zitting9 september 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 april 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnummer 20-000324-22) wegens “schuldwitwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Het hof heeft verder beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak tegen [medeverdachte] (23/01838), waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat F.S. Baardman heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel bevat de klacht de bewezenverklaring van het ‘voorhanden hebben’ niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, althans dat de bewezenverklaring getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of dat het hof het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij in de periode van 16 december 2020 tot en met 17 december 2020, in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag (in totaal ongeveer € 7.900,22), voorhanden heeft gehad, terwijl zij redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.3
Het hof heeft het verweer van de verdediging waar het middel betrekking op heeft, als volgt samengevat en verworpen:
“iii. Beschikkingsmacht
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair vrijspraak bepleit. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte geen beschikkingsmacht had over het geldbedrag, noch dat zij wetenschap had van de aanwezigheid van het geldbedrag op haar rekening op relevante momenten. Daartoe is aangevoerd dat iemand niet kan beschikken over een geldbedrag als men geen wetenschap heeft van de aanwezigheid daarvan. Op het moment van inloggen op de App voor telebankieren was het gestorte geldbedrag alweer opgenomen van haar rekening. Na afgifte van de bankpas en pincode heeft de verdachte niet langer de beschikkingsmacht over haar bankrekening gehad. Daarnaast heeft zij niet via de App op haar telefoon kunnen beschikken over het tegoed: zij kon geen geld van haar rekening halen zonder pinpas en dubbele identificatie daarmee. Derhalve kan niet worden bewezen dat de verdachte het geldbedrag (als pleger of medepleger) voorhanden heeft gehad.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor het – als pleger – ‘voorhanden hebben’ van een voorwerp in de zin van artikel 420bis lid 1 Sr is vereist dat de verdachte het voorwerp (ten tijde van het begaan van het delict) opzettelijk aanwezig had. Dat houdt in dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het voorwerp, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de precieze eigenschappen en kenmerken van dat voorwerp (waaronder begrepen de precieze omvang van een geldbedrag) of tot de exacte locatie daarvan. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:570, rov. 2.4).
Anders dan de verdediging heeft bepleit, betekent het enkele feit dat de verdachte niet de beschikking had over haar pinpas niet dat zij geen beschikkingsmacht meer had over haar bankrekening. Er zijn immers ook andere manieren waarop de verdachte over het geldbedrag op haar bankrekening had kunnen beschikken, bijvoorbeeld door middel van internetbankieren. Voor het hof geldt vervolgens als uitgangspunt dat verondersteld mag worden, behalve in het geval van contra-indicaties die hier niet zijn gebleken, dat eenieder de beschikkingsmacht heeft over zijn eigen bankrekening en bovendien zicht heeft op wat er op zijn eigen bankrekening gebeurt. De verdachte is altijd rechthebbende van (het saldo op) haar bankrekening gebleven en heeft blijkens haar verklaring ook zicht gehouden op wat er met (het geld op) haar bankrekening gebeurde.
Door het afgeven van haar pinpas en pincode heeft de verdachte aldus het bedrag van € 7.900,22 op haar bankrekening voorhanden gekregen en gehad en heeft zij daarover ook kunnen beschikken, zodat het verweer wordt verworpen.”
2.4
In de toelichting op het middel wordt met twee argumenten betoogd dat het oordeel dat de verdachte het bewezen verklaarde geldbedrag voorhanden heeft gehad, niet zonder meer begrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is. Ten eerste wordt gesteld dat niet blijkt dat de verdachte wetenschap had van de mogelijkheid dat de bedragen op haar rekening zouden worden gestort, terwijl de bedragen op het moment dat zij erachter kwam reeds van de rekening waren opgenomen. Ten tweede wordt aangevoerd dat het zonder bankpas feitelijk onmogelijk was om daadwerkelijk te beschikken over de bedragen.
2.5
De stelling dat de verdachte niet wist dat er bedragen op haar rekening zouden worden gestort nadat zij haar pas en code aan een derde had gegeven, wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. Ik citeer het relevante gedeelte van de als bewijsmiddel 5 gebruikte verklaring van de verdachte waar dat uit blijkt:

p. 609
V: Nu blijkt je rekening valselijk te zijn gebruikt. Klopt het dat je je pinpas en pincode had afgegeven?
A: Ja.
Er is een jongen naar mij gekomen, buiten, niet bij mijn huis. Hij zou uit [plaats] komen, de naam ben ik vergeten. Het was een getinte jongen. Hij was lang. [betrokkene 1] zo uit mijn hoofd. Die kwam mijn pasje halen.
p. 610
V: Wat heeft deze persoon je verteld over wat hij/zij met je pas en code zou gaan doen?
A: Dat hij daar een bedrag op zou storten en dat ik dan een deel kreeg.”
2.6
Vervolgens is de vraag of de verdachte heeft kunnen beschikken over het geldbedrag, terwijl zij haar bankpas en bijbehorende pincode had afgegeven. De onderhavige zaak laat zich nagenoeg één-op-één vergelijken met een recent arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2025. [1] In die zaak had de verdachte ook zijn bankpas en pincode afgegeven aan een derde, zodat diegene geldbedragen – die afkomstig waren van telefoonfraude en die hij niet op zijn eigen rekening wilde ontvangen – kon laten storten op de rekening van de verdachte. Op de rekening van de verdachte hadden vier bijschrijvingen plaatsgevonden van in totaal € 9.958 die daarna vrijwel direct werden gevolgd door contante geldopnames.
2.7
Volgens de Hoge Raad getuigt het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel dat de verdachte het geldbedrag van in totaal € 9.958 ‘voorhanden heeft gehad’, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dit ook niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte tijdens de periode dat het geld op zijn bankrekening heeft gestaan niet de beschikking had over zijn bankpas, maakt dat volgens de Hoge Raad niet anders. Die omstandigheid brengt – aldus de Hoge Raad – niet met zich dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap heeft kunnen uitoefenen over het geld dat op zijn bankrekening was gestort.
2.8
Hiermee valt ook het doek voor het eerste middel in de onderhavige zaak. Anders dan de steller van het middel betoogt, betekent het feit dat de verdachte niet over haar bankpas kon beschikken, niet dat de verdachte geen feitelijke zeggenschap kon uitoefenen over het op haar bankrekening gestorte geldbedrag. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte haar bankpas en pincode heeft afgegeven aan een onbekende jongen en dat deze jongen haar heeft verteld dat er een bedrag op haar rekening gestort zou worden en dat zij dan een deel zou krijgen. Vervolgens is een geldbedrag van € 7.900,22 overgemaakt op haar rekening, waarna dit vrijwel direct in een aantal verschillende pintransacties contant is opgenomen. Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte het geldbedrag van € 7.900,22 voorhanden heeft gehad, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het verweer van de verdediging strekkende tot vrijspraak is daarmee toereikend gemotiveerd verworpen.
2.9
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig was.
3.2
De bewezenverklaring – zoals hiervoor onder 2.2 weergegeven – steunt op vijf bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest. Voor de bespreking van het middel is vooral de als bewijsmiddel 5 gebruikte verklaring van de verdachte relevant:
“5. Het proces-verbaal van verhoor d.d. 3 mei 2021 (p. 602-612), voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:
V = vraag verbalisant
A = antwoord verdachte
p. 606
Ik heb even via Snapchat contact gehad met een man. Hij wilde een samenwerking. En daarvoor had hij mijn bankpasje nodig, Op een gegeven moment zag ik in een keer dat er bedragen waren afgeschreven.
V: Wie was die man?
A: Ik heb alleen zijn naam en achternaam. Dat was [betrokkene 2] .
V: Om wat voor bedrag ging dat toen?
A: Ze hadden een bedrag van 7000 euro nog iets overgemaakt. En dat is toen zeg maar in delen opgenomen. En op het moment dat ik dat zag, toen is er ook nog 500 euro van mezelf ook opgenomen.
V: Dus als ik het goed begrijp is er 7000 op je rekening gestort, en daarna is dat, plus 500 euro van je eigen geld opgenomen?
A: Ja, dat klopt.
V: Op 16 december 2020 is er een bedrag van 7900,22 euro overgemaakt naar het [rekeningnummer] op naam van jou, [verdachte] . Met als omschrijving; Factuur […] Crediteuren […] . Zie het rekeningafschrift van benadeelde, bijlage 1.
V: Is dit de overboeking waarover je het had?
A: Ja dat is deze.
p. 607
V: Wij beschikken over een chatgesprek tussen jou en iemand die zich voor doet als [betrokkene 3] , zie bijlage 9. Wat kun je hierover vertellen?
A: Ik wist niet wat het allemaal inhield. Ik had als eerste met hem, [betrokkene 3] , gesprekken. Maar toch had ik niet echt een goed gevoel erbij. Dat heb ik aan de kant laten liggen. En toen kwam die [betrokkene 2] ertussen. En toen ben ik met die [betrokkene 2] in zee gegaan. Ik had het gevoel dat deze twee bij elkaar hoorden. [betrokkene 2] is een tussenpersoon van [betrokkene 3] .
V: Wie is [betrokkene 3] ?
A: Dat weet ik niet.
V: Hoe ben je met [betrokkene 3] in contact gekomen?
A: Via Snapchat toegevoegd.
p. 608
Toen met die [betrokkene 2] , dacht ik van dit klopt niet.
V: Wij lezen ook dat jij al een keer eerder hieraan mee gewerkt hebt, bij iemand genaamd [betrokkene 2] met de snapchat naam [snapchatnaam] . Wat kan je hier over verklaren?
A: Ja die naam was het.
V: In de chat lezen we ook dat je wilt afspreken met de persoon [betrokkene 3] . Wat kun je daarop zeggen?
A: Ja dat klopt.
V: Waarom wilde je afspreken?
A: Omdat ik het niet vertrouwde. Hij bleef maar doorgaan over die zakelijke samenwerking. Ik weet niet, ik vertrouwde het gewoon niet.
p.609
V: Nu blijkt je rekening valselijk te zijn gebruikt. Klopt het dat je je pinpas en pincode had afgegeven?
A: Ja.
Er is een jongen naar mij gekomen, buiten, niet bij mijn huis. Hij zou uit [plaats] komen, de naam ben ik vergeten. Het was een getinte jongen. Hij was lang. [betrokkene 1] zo uit mijn hoofd. Die kwam mijn pasje halen.
p. 610
V: Wat heeft deze persoon je verteld over wat hij/zij met je pas en code zou gaan doen?
A: Dat hij daar een bedrag op zou storten en dat ik dan een deel kreeg.
V: Heb jij nog toegang gehad tot je rekening na het afgeven van je bankpas?
A: Ja.
V: Op welke manier heb je toegang gehad?
A: Via telebankieren. Toen heb ik ook gezien dat dat gebeurd was en toen heb ik zelfde rekening geblokkeerd.”
3.3
Het hof heeft het verweer van de verdediging waar het voor de bespreking van dit middel over gaat, als volgt samengevat en verworpen:
“iv. Opzet- of schuldwitwassen
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verdachte enkel naïef is geweest en dat zij geen (voorwaardelijk) opzet had op het witwassen. Daartoe is - kort gezegd - aangevoerd dat gemaakte afspraken met een derde niet zijn aan te merken als bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op het voorhanden van een uit misdrijf afkomstig geldbedrag. De aard van de afspraak zou niet strafbaar zijn en het door de verdachte verrichte onderzoek is een contra-indicatie voor bewuste aanvaarding van die kans.
Het hof overweegt als volgt.
Met de verdediging, alhoewel op andere gronden, is het hof allereerst van oordeel dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat dat bij de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van het geldbedrag sprake is geweest van het (voorwaardelijk) opzet op het witwassen van het geldbedrag. Het hof zal haar daarvan dan ook vrijspreken.
Voor een bewezenverklaring van schuldwitwassen is vereist dat de pleger redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het voorwerp van enig misdrijf afkomstig is. Dit duidt op ‘grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid’. Daarvan is sprake indien de pleger bij enig nadenken over de hem bekende gegevens over het goed, had moeten vermoeden dat het voorwerp van enig misdrijf afkomstig was en hij zonder nader onderzoek niet had mogen handelen.
De raadsvrouw heeft met betrekking tot deze onvoorzichtigheid aangevoerd dat bij de verdachte het vertrouwen is gewekt dat de gebruikte ‘methode’ legaal was. Zij was in de samenwerking te goeder trouw en zij wilde juist niet bijdragen aan een schimmige constructie, hetgeen zou blijken uit het blokkeren van haar bankrekening en het door haar verrichte onderzoek naar de personen en de methode.
Ten overstaan van de politie heeft de verdachte verklaard dat zij via Snapchat contact heeft gehad met [betrokkene 2] met de Snapchatgebruikersnaam ‘ [snapchatnaam] ’. Deze man wilde een ‘samenwerking’, waarvoor hij haar bankpas en pincode nodig had. Voordat zij deze ‘samenwerking’ aanging, had zij via Snapchat gesprekken met ene [betrokkene 3] , maar daar had zij geen goed gevoel bij. Toen is zij later met [betrokkene 2] in zee gegaan. De verdachte zou hiervoor een deel van het gestorte geldbedrag ontvangen. Haar pinpas is opgehaald door [betrokkene 1] , een onbekende jongen uit [plaats] , die hem diezelfde dag weer terug zou brengen. Ze zag vervolgens dat er bedragen van haar bankrekening waren afgeschreven, waaronder een bedrag van € 500,00 van haar eigen vermogen. Toen (pas) heeft zij de bankpas geblokkeerd.
De verdachte heeft zich laten verleiden door criminelen om tegen een beloofde vergoeding haar bankpas en bijbehorende pincode aan een volstrekt onbekende derde ter beschikking te stellen, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat daar uiterst zorgvuldig en vertrouwelijk mee om moet worden gegaan in verband met de fraudegevoeligheid van het verstrekken van dergelijke gegevens. Aan de hand van de geschetste omstandigheden waaronder een en ander heeft plaatsgevonden en zoals deze zijn weergegeven in de gebezigde bewijsmiddelen, had de verdachte redelijkerwijs moeten vermoeden dat het geld dat op haar bankrekening is bijgeschreven en vervolgens is opgenomen van enig misdrijf afkomstig was. Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte niet enkel naïef was, maar dat sprake is van verwijtbare schuld van de verdachte in die zin dat zij onder de genoemde omstandigheden aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.”
3.4
In de toelichting op het middel wordt geklaagd over de vaststellingen van het hof dat de verdachte zich heeft laten verleiden tot het afgeven van haar bankpas en pincode tegen een beloofde vergoeding en dat de verdachte haar bankpas heeft meegegeven aan een volstrekt onbekende derde. Anders dan de steller van het middel meent, zijn die vaststellingen op grond van de voor het bewijs gebruikte verklaring van de verdachte niet onbegrijpelijk.
3.5
Het hof heeft daarnaast uitgelegd waarom er sprake was van verwijtbare schuld van de verdachte. Het onder deze feiten en omstandigheden ter beschikking stellen van een bankrekening om door een derde een geldbedrag op te laten storten, terwijl de eigenaar van die bankrekening een deel van dat bedrag is beloofd, is voldoende grond voor het oordeel dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er met het op haar bankrekening bijgeschreven en vervolgens opgenomen geldbedrag iets mis was en dat het naar alle waarschijnlijkheid van misdrijf afkomstig was. Het oordeel van het hof dat de verdachte niet enkel naïef is geweest, maar dat sprake is van verwijtbare schuld, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het verweer van de verdediging op dit punt is daarmee ook toereikend gemotiveerd verworpen.
3.6
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.1
Ambtshalve merk ik op dat er sinds het instellen van het cassatieberoep reeds twee jaren verstreken. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Gelet op de door het hof opgelegde taakstraf van vijftig uren kan de Hoge Raad volstaan met de constatering van dat verzuim. [2]
4.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 10 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:871.
2.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.