ECLI:NL:PHR:2025:967

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2025
Publicatiedatum
5 september 2025
Zaaknummer
24/00628
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Conclusie van de Procureur-Generaal over mishandeling en vordering benadeelde partij

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1970, veroordeeld door het gerechtshof Amsterdam voor mishandeling op 20 februari 2024. De verdachte kreeg een voorwaardelijke geldboete van €750 en een proeftijd van twee jaar. Daarnaast werd er een schadevergoedingsmaatregel opgelegd aan de verdachte. Het cassatieberoep is ingesteld door de advocaat S.W.M. Stevens, die twee middelen van cassatie heeft voorgesteld. Het eerste middel betreft de motivering van de bewezenverklaring, waarbij de verdachte beschuldigd wordt van het mishandelen van de benadeelde partij op 8 september 2021 in Heerhugowaard. De bewezenverklaring steunt op verschillende bewijsmiddelen, waaronder aangiften en getuigenverklaringen. Het hof heeft geoordeeld dat er voldoende bewijs is voor de lezing van de aangeefster, ondanks de verdediging die stelt dat er geen fysiek contact is geweest. Het tweede middel richt zich tegen de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met name de zorg- en reiskosten. Het hof heeft geoordeeld dat de benadeelde partij schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit en heeft de vordering toegewezen. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep, waarbij beide middelen falen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00628
Zitting9 september 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 20 februari 2024 door het gerechtshof Amsterdam wegens “mishandeling” veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 750, subsidiair 15 dagen hechtenis en met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat S.W.M. Stevens heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring en het tweede middel gaat over de vordering van de benadeelde partij.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel bevat een aantal klachten over de motivering van de bewezenverklaring.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op 8 september 2021 te Heerhugowaard [benadeelde] heeft mishandeld door:
- [benadeelde] te slaan/stompen tegen het gezicht/hoofd,
- [benadeelde] te schoppen tegen het lichaam en te stampen op de enkel.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal aangifte van 13 september 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , pagina’s 3-5 van het doorgenummerde dossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van aangever
[benadeelde]:
Op 8 september 2021 te Heerhugowaard liep [verdachte] (
het hof begrijpt hier en hierna: de verdachte) naar mij toe en ik voelde een harde vuistslag op mijn gezicht. Ik voelde gelijk pijn. Door deze harde vuistslag viel ik op de grond. Ik voelde dat [verdachte] weer twee vuistslagen op mijn gezicht gaf. Ik voelde dat [verdachte] met kracht tegen mijn lichaam schopte en dat [verdachte] op mijn enkel stampte. Ik had blauwe plekken op mijn been, arm, borst, voet en gezicht.
Opmerking verbalisant: aangever laat mij een grote blauwe plek op haar borst en bovenbeen zien.
2. Een geschrift, zijnde een geneeskundige verklaring van [getuige 1] van 22 september 2021, pagina 8 van het doorgenummerde dossier.
Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Medische informatie betreffende
[benadeelde] ,
Geboren [geboortedatum] 1970
Omschrijving letsel: enkele bloeduitstortingen bovenarm/linker bovenbeen. Kneuzing linkerenkel + linker grote teen. Schaafwonden onderdelen li.
3. Een proces-verbaal getuigenverhoor van 7 december 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , pagina's 9-10 van het doorgenummerde dossier.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven als verklaring van
[getuige 2]:
Op 8 september 2021 zat ik in mijn achtertuin en ik hoorde dat mijn buurvrouw [benadeelde] (
het hof begrijpt hier en hierna: de aangeefster) thuiskwam. Ik hoorde dat ze uitstapte en ik hoorde een auto open- en dichtgaan. Ik hoorde daarna direct: “Klets, klets, klets”. Ik hoorde [benadeelde] zeggen: “Wat heb ik gedaan? Wat heb ik gedaan? Wat is er? Ze klonk paniekerig en geschrokken. Ik hoorde toen een andere vrouwenstem zeggen: “Je bent gewoon een vuile kankerhoer, teringtrut.” Daarna hoorde ik nog de woorden: “Ik heb je mails gelezen.””
2.4
De advocaat-generaal heeft op de zitting aangegeven dat het een ingewikkelde zaak betreft, waarin twee lezingen tegenover elkaar staan die beide waar kunnen zijn. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep daarom tot vrijspraak gerekwireerd.
2.5
De verdediging heeft op de zitting het volgende aangevoerd:
“Deze zaak loopt al enige tijd. Het is de verklaring van de aangeefster die lijnrecht tegenover de verklaring van mijn cliënte staat. Mijn cliënte heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van fysiek contact. Mijn cliënte heeft de aangeefster wel aangesproken, maar zij is goed in staat haar agressie te beteugelen.
De politierechter vond het feit wel wettig en overtuigend bewezen omdat hij in het verhaal van de aangeefster meer aanknopingspunten zag, waaronder de letselverklaring en de vermeende gemoedstoestand waarin de aangeefster werd .aangetroffen. Uit het dossier volgt dat de aangeefster alleen bloeduitstortingen had op haar bovenbeen, maar niet in haar gezicht. Mijn cliënte heeft daarvoor een verklaring gegeven, namelijk dat zij is gevallen in de bosjes. De politie spreekt over blauwe plekken, maar blauwe plekken kunnen meer oorzaken hebben en de foto’s zijn van een latere datum Het incident heeft plaatsgevonden op een snikhete dag, in de middag. [getuige 2] heeft weliswaar ‘klets klets klets’ gehoord maar zij woont op afstand van waar het incident heeft plaatsgevonden. Om dat inzichtelijk te maken heb ik de plattegrond overgelegd. Bovendien waren de tuinen afgesloten waardoor [getuige 2] niets kon zien.
Onder aan de streep betreft het een één-op-één situatie. Ik sluit mij dan ook aan bij het requisitoir van de advocaat-generaal en verzoek het hof mijn cliënte vrij te spreken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. In dat kader moet de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.”
2.6
In afwijking van het standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging is het hof wel tot een bewezenverklaring gekomen. Het hof heeft het volgende overwogen:
“Anders dan de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat er voldoende steunbewijs is voor de lezing van de aangeefster. Het hof is van oordeel dat het tijdens de aangifte geconstateerde en in de letselverklaring omschreven letsel beter past bij een mishandeling dan een val in de bosjes. Daarbij komt dat de aangeefster verklaard over slagen in haar gezicht, hetgeen steun vindt in de verklaring van de getuige die de ‘klets’geluiden heeft gehoord en dat de aangeefster direct daarna ‘paniekerig en geschrokken’ klonk. Het hof overweegt dat de ‘klets’geluiden geassocieerd kunnen worden met slagen in het gezicht. Het hof heeft bovendien geen redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster. Gelet op bovenstaande en in onderling verband bezien, komt het hof het tot een bewezenverklaring.”
2.7
In de eerste plaats betoogt de steller van het middel dat de overweging van het hof geen verwijzing bevat naar een wettig bewijsmiddel waaraan het hof heeft ontleend dat het in de bewijsmiddelen beschreven letsel beter past bij een mishandeling dan bij een val in de bosjes. Bovendien zou dat oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk zijn.
2.8
Anders dan de steller van het middel meent, hoeft het oordeel van het hof dat het beschreven letsel ‘beter past’ bij een mishandeling dan bij een val in de bosjes niet aan een specifiek bewijsmiddel te zijn ontleend. Het gaat hier immers om een conclusie van feitelijke aard die het hof in zijn bewijsoverweging heeft getrokken naar aanleiding van de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. [1] Dergelijke conclusies of gevolgtrekkingen hoeven niet uit een bewijsmiddel te blijken.
2.9
Uit de als bewijsmiddel 2 gebruikte letselbeschrijving blijkt dat bij de aangeefster enkele bloeduitstortingen op haar bovenarm en linker bovenbeen, een kneuzing aan de linkerenkel en de grote teen en schaafwonden op onderdelen van het lichaam zijn aangetroffen. Het oordeel van het hof dat dit letsel beter past bij een mishandeling dan bij een val in de bosjes, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat het hof – anders dan in de toelichting op het middel wordt verondersteld – niet heeft geoordeeld dat een val het beschreven letsel niet kan veroorzaken, maar slechts dat dit letsel ‘beter past’ bij een mishandeling.
2.1
In de tweede plaats wordt aangevoerd dat het oordeel van het hof dat de lezing van de aangeefster voldoende wordt ondersteund door ander bewijsmateriaal, ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is. In dat verband wijst de steller van het middel ook op een tegenstrijdigheid in de aangifte (bewijsmiddel 1) en de getuigenverklaring (bewijsmiddel 3).
2.11
Uit de aangifte blijkt dat de aangeefster een harde vuistslag op haar gezicht voelde, dat zij toen op de grond is gevallen en daarna nog twee vuistslagen op haar gezicht kreeg. Uit de als bewijsmiddel 3 gebruikte getuigenverklaring volgt dat de getuige een auto open- en dicht hoorde gaan en “daarna direct: “Klets, klets, klets””. Die bewijsmiddelen zijn in mijn ogen niet tegenstrijdig. Als de getuigenverklaring nauwkeurig wordt gelezen, dan heeft de getuige niet verklaard dat zij – zoals de steller van het middel meent – “direct driemaal ‘klets’” hoorde, maar dat zij driemaal ‘klets’ hoorde
directnadat de auto was open- en dichtgegaan. In zoverre sluit de verklaring van de getuige dus niet uit dat er enige tijd heeft gezeten tussen de ‘kletsen’. Maar zelfs als het woord ‘direct’ wel op de door de getuige gehoorde ‘kletsen’ zou slaan, dan vind ik het te ver gaan om hier een tegenstrijdigheid aan te nemen. De gang van zaken zoals in de aangifte beschreven – één keer slaan, op de grond vallen en vervolgens nog twee keer slaan – kan immers nooit meer dan luttele seconden hebben geduurd en zou daarmee ook voldoende aansluiten bij een verklaring van de getuige die ertoe strekt dat zij direct driemaal “klets” heeft gehoord.
2.12
Het hof heeft overwogen dat de door de getuige gehoorde ‘klets’geluiden kunnen worden geassocieerd met slagen in het gezicht. Daarnaast blijkt uit de verklaring dat de getuige heeft gehoord dat de verdachte – in mijn eigen woorden – flink tekeer ging tegen de aangeefster en dat de aangeefster “paniekerig en geschrokken” klonk. Dat het hof heeft geoordeeld dat deze getuigenverklaring de lezing van de aangeefster ondersteunt, is niet onbegrijpelijk. Bezien in samenhang met de eveneens niet onbegrijpelijke vaststelling van het hof dat het letsel van de aangeefster beter past bij een mishandeling dan bij een val in de bosjes, is het oordeel dat de verklaring van de aangeefster voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal om tot een bewezenverklaring te komen, niet onbegrijpelijk. De bewezenverklaring is dus toereikend gemotiveerd en dat geldt ook voor de verwerping van het verweer strekkende tot vrijspraak van de verdediging.
2.13
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het middel richt zich tegen de toewijzing van de vordering benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in dat verband. Het klaagt in het bijzonder over de toewijzing van zorgkosten en reiskosten van en naar de fysiotherapeut, omdat uit het schadevergoedingsformulier en de bijbehorende documenten niet kan blijken dat het schade betreft die het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit.
3.2
Bij de stukken bevindt zich een ‘Verzoek tot Schadevergoeding’ van de benadeelde partij met toelichting en bijlagen. Volgens dit formulier vordert de benadeelde partij vergoeding van in totaal € 595,26 aan materiële schade, bestaande uit € 80 voor een “Nieuw montuur bril”, € 284,04 voor “Eigen risico/eigen bijdrage zorgkosten 2021” en € 231,22 voor “Reiskosten”.
3.3
De steller van het middel richt zich slechts tegen de toewijzing van de zorgkosten en van de reiskosten naar de fysiotherapeut.
3.4
De bij het verzoek tot schadevergoeding gevoegde toelichting houdt onder meer in:

Eigen risico 2021 €284,04
Benadeelde heeft kosten moeten maken voor haar medische behandeling, fysiotherapie en geestelijke gezondheidszorg. In
bijlage 5, het zorgkostenoverzicht, is opgesomd welke bedragen er in rekening zijn gebracht en waar benadeelde nog zelf kosten voor heeft moeten maken. Uit het overzicht blijkt dat er een bedrag van €230,55 niet is vergoed volgens de voorwaarden. Benadeelde heeft een verplicht eigen risico moeten betalen van € 22,55 plus een bedrag van € 30,94 wat voor haar eigen rekening is gekomen. Gezamenlijk komen deze kosten uit op een bedrag van (230,55 + 22,55 + 30,94) €284,04. Benadeelde vordert deze kosten ad. €284,04.”
3.5
Een van de bijlagen bij het verzoek tot schadevergoeding betreft een verklaring van de fysiotherapeut. Die houdt het volgende in:
“Ik heb bovenstaande patient onder behandeling gekregen op 4-10-2021, 4 weken voorafgaand aan de intake geeft patiënt aan dat ze mishandeld is door een andere vrouw.
De patiënt geeft in de anamnese aan dat ze daardoor niet goed kan functioneren, ze is hier erg emotioneel onder en geeft aan dat ze heel vaak emotioneel is.
Ze is op het moment van de intake niet aan het werk dat lukt door de fysieke en de emotionele schade die er is niet.
Uit het fysiotherapeutisch onderzoek komt naar voren dat haar bovenlichaam verminderd beweeglijk is dat er veel triggerpoints zijn in de bovenrug en schouder regio.
De behandeling bestaat uit het verbeteren van de beweeglijkheid van de bovenrug en schoudergordel. De therapeut bestaat uit mobiliseren en Dry needling trigger point therapie ontspanningoefeningen.
De behandeling is nog altijd gaande en nodig om verder herstel te bespoedigen.
Patient is ten tijde van onze behandeling bij een emdr (traumatherapeut).
Er is wel verbetering in haar situatie ze knapt langzaam op.
Nu geeft de patiënt nog steeds pijn aan op de plekken waar de mishandeling heeft plaatsgevonden en zijn er veel emotionele spanningen, ze is vaak emotioneel.
Het plan van aanpak is om de behandeling nog te continueren en in te zetten op ontspanningsoefenigen en mobilsierende technieken en verminderen van de spierspanning door Dry needling en trigger point therapie.”
3.6
Een andere bijlage betreft een “overzicht zorgkosten over periode 1 september 2021 tot en met 31 december 2021”. Uit dat overzicht volgt onder de kopjes “Niet vergoed volgens voorwaarden”, “verplicht eigen risico” en “voor eigen rekening” een totaalbedrag van € 284,04.
3.7
Het hof heeft over de vordering van de benadeelde partij het volgende overwogen:
“De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.345,26, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit:
a. nieuw montuur bril € 80,00
b. eigen risico zorgkosten 2021 € 284,04
c. reiskosten (naar fysiotherapie en huispsycholoog) € 231,22
d. immateriële schade € 750,00
De vordering is bij het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de materiële kostenposten a), b) en c) geheel toegewezen, dit betreft € 595,26. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de politierechter een bedrag van € 750,00 toegewezen.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat in geval van vrijspraak de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. In geval van een veroordeling refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van de materiële kostenposten a), b) en c)
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De materiële kostenposten zullen, nu dit door de verdediging niet is betwist en het hof deze posten niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, worden toegewezen.”
3.8
Hetgeen in de cassatieschriftuur wordt aangevoerd is een feitelijke betwisting van het verband tussen bepaalde opgevoerde kostenposten en het bewezenverklaarde feit en het ontbreken van stukken met betrekking tot de onderbouwing van bepaalde zorgkosten.
3.9
De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij ten overstaan van het hof gerefereerd aan het oordeel van het hof en de gestelde materiële kosten niet betwist.
3.1
Het middel miskent dat niet voor het eerst in cassatie een beroep kan worden gedaan op feiten en omstandigheden die niet eerder zijn aangevoerd noch door het hof zijn vastgesteld.
3.11
De toewijzing van de vordering van de benadeelde partij getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Ook de schadevergoedingsmaatregel kan in stand blijven.
3.12
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3530, rov. 3.3 en HR 27 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC7900,