Conclusie
Inleiding
Het eerste middel
gym, een toegangshek, en
eenandere verbouwing aan
dewoning van de Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening (de tuin) aan de [a-straat 1] ,
1.Proces-verbaal relaas algemeen dossier:
(het Hof begrijpt: minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening)vanaf 2009 tot en met 2017 in twee regeerperiodes van de kabinetten […] en […] . Bij wet was voorgeschreven dat de minister degene was die bepaalde of en wie een commercieel terrein kreeg en ook eventuele verlengings- of wijzigingsaanvragen van de (optie op) erfpachtterreinen beoordeelde.
2.Proces-verbaal 1ste verhoor [getuige 1] :
3.Proces-verbaal 3e verhoor [getuige 1] :
4.Proces-verbaal 1ste verhoor verdachte [betrokkene 1] :
5.Proces-verbaal 9e verhoor verdachte [medeverdachte 1] :
6.Proces-verbaal 1ste verhoor [verdachte] :
7.Proces-verbaal 3e verhoor [verdachte] :
het Hof begrijpt: de overeenkomst aandelenoverdracht van 6 juli 2015, bijlage 13 bij het verhoor) staat dat de aandelen verkocht worden door [J] aan [K] ( [betrokkene 2] ) , maar dat hij moet betalen aan [L] .
het Hof begrijpt: [L] en [J]).
het Hof begrijpt: de leningsovereenkomst tussen [J] en [L]) staat dat de 2,4 miljoen op 31 december 2025 terugbetaald moet zijn.
(het Hof begrijpt: per week)op de loonlijst stond. Per week werkte ik 3 a 10 uur.
10.Proces-verbaal relaas zaaksdossier [verdachte] :
het Hof: e-mail van 31 augustus 2014, Beslagdossier, map 1, p. 21)aangetroffen betreffende een hekwerk. Deze email was gestuurd door [medeverdachte 1] naar het bedrijf [F] in Miami. In de e-mail stond dat een aanbetaling van USD 5000,- voor het laten maken van het hekwerk, via het bedrijf [H] overgemaakt zou worden. De tekeningen en afmetingen van het hekwerk waren als bijlagen bij de e-mail toegevoegd. Hierin werd geconstateerd dat de tekeningen van het hekwerk veel gelijkenis hadden met het hekwerk van [medeverdachte 1] zijn woning te [a-straat 1] .
11.Proces-verbaal 6e verhoor [verdachte] :
12.Proces-verbaal 10e verhoor verdachte [medeverdachte 1] :
13.Geschrift, zijnde een Ministerie Beschikking (optie) van 8 augustus 2014:
het Hof begrijpt: door minister van ROII, [medeverdachte 1]) en contractant (
het Hof begrijpt: [betrokkene 3] namens [C])
Feit 1: actieve omkoping
zodat [verdachte] deze kon kopen”, respectievelijk dat de gym bij [verdachte] thuis zou worden geplaatst, reeds omdat deze verklaringen niets inhouden over het eigenaarschap van de Vectra. Daarnaast zijn deze verklaringen afgelegd op een zodanig laat tijdstip in de procedure, en ook zo vaag, dat zij de indruk wekken te zijn afgelegd om, zonder in harde leugens te vervallen, de zaak toch zoveel mogelijk een wending te geven ten voordele van [medeverdachte 1] en [verdachte] . Reden waarom het Hof deze verklaringen onbetrouwbaar acht. Het Hof merkt de Vectra gym daarom aan als een gift van [verdachte] aan [medeverdachte 1] .
gym, terwijl ten laste is gelegd dat deze betaling is gedaan voor de aanleg/bouw van een
sportschool, niet heeft beraadslaagd op grond van de tenlastelegging. Bovendien kan uit de bewijsmiddelen slechts volgen dat is betaald voor de koop en levering van een apparaat, hetgeen niet onder de beschrijving
bouw van een gymkan worden geschaard.
het verstrekken, dan wel wijzigen van (opties op) commerciële erfpachtrechten door de Minister van Infrastuctuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening aan verdachte of aan een aan hem gelieerde vennootschap”, terwijl het Hof anderzijds zich heeft verenigd met hetgeen het Gerecht in eerste aanleg heeft overwogen/geoordeeld, te weten “dat
nietkan worden vastgesteld of de verdachte telkens giften heeft gedaan
met betrekking tot een concrete door de minister geleverde of te leveren tegenprestatie”.
voorafen omkoping
achteraf. De eerste variant wordt beschreven in art. 2:128 lid 1 aanhef Pro en onder a SrA. Voor deze variant is het voldoende dat een gift of belofte wordt gedaan dan wel een dienst wordt verleend of aangeboden met het oogmerk een ambtenaar te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen of na te laten. Of de ambtenaar deze tegenprestatie ook werkelijk levert, is irrelevant voor de strafbaarheid. Art. 2:128 SrA Pro betreft in zoverre een zuiver formeel (geformuleerd) delict. [3] Specifiek wat betreft deze variant van omkoping blijkt uit rechtspraak van de Hoge Raad, zoals het Hof terecht heeft overwogen, dat deze niet enkel ziet op de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte [4] enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, maar ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar om zo een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen. [5] De tweede variant van omkoping wordt beschreven in art. 2:128 lid 1 aanhef Pro en onder b SrA. Bij deze zogenoemde omkoping achteraf gaat het om een gift of belofte die wordt gedaan dan wel een dienst die wordt verleend of aangeboden ten gevolge of naar aanleiding van een eerder doen of nalaten van de ambtenaar in kwestie.
telkens een concrete giftkan worden gelinkt aan een
concrete geleverde of te leveren tegenprestatie, wel blijkt dat alle giften verband houden met het doel de minister te bewegen in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, iets te doen en naar aanleiding van hetgeen door deze minister in zijn bediening, in strijd met zijn plicht, is gedaan. Dit leidt het Hof af uit de omstandigheid dat de giften zijn gedaan in de periode waarin door de betreffende minister moest worden beslist op aanvragen en wijzigingsverzoeken die waren ingediend door de verdachte, terwijl die giften gezien hun aard en omvang redelijkerwijs niet kunnen worden aangemerkt als gebruikelijke giften tussen vrienden en de toewijzing van de aanvragen veel geld kon opbrengen en heeft opgebracht. Van de door de stellers van het middel gestelde innerlijke tegenstrijdigheid is bij deze lezing geen sprake.
kunnenzijn voor een bewezenverklaring in cassatie wordt ingegrepen. [7] Dat is in deze zaak niet het geval. Dat sommige data die voorkomen in de gewraakte bewijsmiddelen voor de bewezenverklaarde periode liggen, doet niet af aan het feit dat deze bewijsmiddelen in hun totaliteit bezien redengevend zijn voor de bewezenverklaarde omkoping.
werkelijkis voorgetrokken, dit niet relevant is voor de vraag of de verdachte heeft gehandeld met het
oogmerktot omkoping als bedoeld in art. 2:128 lid Pro 1, aanhef en onder a, SrA.
door middel van omkopingzijn verkregen.
[E]heeft niet de verdachte, maar een ander een optie/erfpacht aangevraagd. De verdachte heeft de aandelen pas gekocht en verkregen nadat het recht van erfpacht door de verkoper was verkregen.
[D]. Bovendien is onbetwist aangevoerd dat het optierecht wel is toegekend, maar dat daarbij de voorwaarde is gesteld dat van
[D]een bijdrage in de kosten van verplaatsing van de rioolleiding wordt verwacht en dat de rechter in een bodemprocedure heeft vastgesteld dat de overheid nalatig was geweest en dat aan
[D]een schadevergoeding toekwam.
[B]en
[A]; er zijn namelijk geen specifieke overwegingen gewijd aan de toekenning van deze vergunningen.
[C]is aangevoerd dat ieder bewijs voor omkoping ontbreekt, dat de verdachte al vele jaren bezig was met de omgeving van de cruiseterminal en in de ontwikkeling van het terrein een pioniersrol heeft vervuld. Hij heeft ook een haalbaarheidsstudie laten verrichten. Tussen het verlenen van het optierecht op 8 augustus 2014 en het tekenen van de erfpachtovereenkomst op 5 mei 2015 heeft [betrokkene 2] (namens
[K]) de verdachte een aanbod gedaan de aandelen van
[C]over te nemen. Het is ook deze [betrokkene 2] geweest die de legeskosten voor het verlenen van het recht van erfpacht heeft betaald en ervoor heeft gezorgd dat het recht van erfpacht niet alleen betrekking had op het perceel van 762 vierkante meter, maar ook op een perceel van 368 vierkante meter; bij het verkrijgen van dit laatste perceel had de verdachte geen aandeel. Volgens de stellers van het middel blijkt uit de bewijsvoering derhalve niet dat verdachte door de verkoop van
[C]een groot financieel voordeel heeft gehaald.
ten gevolgehebben gehad dat diverse aanvragen van de verdachte zijn geaccordeerd met
als gevolgdat hij zich aanzienlijk heeft verrijkt, is in zoverre ook niet van belang voor de bewezenverklaring; ook zonder het intreden van dit gevolg is immers sprake van een voltooide omkoping. Deze overweging ziet op de ernst van het feit, die later van belang is voor de strafoplegging. Dat de verdachte de aandelen van
[E]pas in een later stadium heeft verkregen (uit de pleitnota van de raadsvrouw van de verdachte maak ik op dat op 7 juli 2015 via een niet getekende
letter of intentafspraken zijn gemaakt over de overname van
[E]en dat op 17 november 2015 de holding van de verdachte de aandelen heeft gekocht), is ook niet van belang voor de bewezenverklaring. De afgifte van het erfpachtrecht heeft immers plaatsgevonden toen de verdachte de aandelen reeds in handen had (op 11 oktober 2017 om precies te zijn, zie bewijsmiddel 6) en is gevolgd op de reeks giften die de verdachte aan de minister heeft gedaan.
Het tweede middel
6 juli 2015tot en met 28 maart 2017 te Aruba , zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte een voorwerp, te weten een geldbedrag:
namelijkde (actieve) omkoping van de toenmalig Minister van Infrastructuur, Integratie en Ruimtelijke Ordening ( [medeverdachte 1] ) (genoemd onder feit 1),
te weten:
zalworden overgemaakt naar het in de bewezenverklaring genoemde rekeningnummer, maar niet dat dit ook werkelijk is gebeurd.
hij als gevolg daarvanerfpachtrechten voor [C] N.V. heeft verkregen die hij tegen een hoge winst heeft doorverkocht (via een aandelenoverdracht).
de aanvraagdateert van voor de bewezenverklaarde periode niets afdoet aan de bewezenverklaring van witwassen. Voor die bewezenverklaring is slechts van belang wanneer de verdachte het geldbedrag dat in relatie staat tot de
verleendeaanvraag, voorhanden heeft gehad.
zalworden overgemaakt naar het in de bewezenverklaring genoemde rekeningnummer, maar niet dat dit ook werkelijk is gebeurd. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat de stellers van het middel geen enkel argument aanvoeren waarom het Hof uit dit bewijsmiddel niet heeft mogen afleiden dat die overeengekomen betaling vervolgens daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Verder wijs ik erop dat uit de ter terechtzitting door de verdediging overgelegde pleitnota blijkt dat ook de verdediging aanneemt dat de bedragen door de verdachte zijn ontvangen. Erkend wordt immers dat het geld is gestort op een bankrekening van [L] , terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat dit een bedrijf van de verdachte is.
Slotsom