Conclusie
1.Inleiding
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
Op het moment dat ik met mijn gezicht in de richting van [A] stond zag ik rechts van de ingang op de openbare weg een rijspoor staan. Ik zag dat dit een bandenspoor betrof van een personenauto. Ik zag kort na het bandenspoor een krasspoor staan. Vermoedelijk heeft op dit punt de aanrijding plaatsgevonden. Rechts naast dit krasspoor lag een plas bloed. Ik begreep van de eenheden ter plaatse dat hier het slachtoffer had gelegen. (...) Op de plaats delict, op de parkeerplaats rechts bij [A] lag een spiegelkap. Deze spiegelkap is grijs van kleur en is vermoedelijk van de personenauto waarin de verdachte heeft gereden.
Ik ben dinsdag 16 augustus 2022 omstreeks negen uur ‘s avonds naar cafetaria/eettent [B] gegaan. Dit zit aan [a-straat] in [plaats] . We hadden met mijn vriendengroep afgesproken. (...)
Ik heb hem toen weggeduwd. Ik duwde hem in zijn rug weg van het terras. (...) [betrokkene 2] kwam naar mij toe om mij te helpen. Kennelijk zag [verdachte] dit en hij rende toen weg. We zijn weer terug op het terras gaan zitten.
(...)
Toen wij weer zaten was het rustig. Korte tijd later hoorde ik iemand zeggen dat [verdachte] er weer was. Ik draaide mij om en zag dat hij door iemand in een blauwe Opel werd afgezet. Hij liep naar een grijze Ford Focus toe. Ik denk dat het zijn auto was, want hij stapte achter het stuur. (...) Hij reed vervolgens weg. Toen kwam hij weer terug na 5 à 10 minuten. (...) Hij had zijn raam open en ik hoorde hem zeggen, wij allemaal trouwens, dat hij ons dood zou rijden. Ik hoorde dat hij hele hoge toeren maakte en steeds gas gaf. (...) Op dat moment riep hij naar mij dat hij wilde praten. Ik liep toen naar hem toe en hij reed een stukje verder. Echter toen ik bij hem was had hij zijn raam alweer dicht. Ik tikte tegen het raam, maar hij deed niet open. Ik zei toen: ‘je wil toch praten’, en probeerde het portier te openen. Die was dicht. Ik had de deurklink nog vast toen hij wegreed. Ik liep een heel klein stukje mee, maar liet gelijk de deurklink los. Ik zag toen dat hij verder reed. Ik bemerkte dat ik iets had laten vallen intussen. (...) Ik zocht er naar en zag het op straat liggen. Toen ik die spullen opraapte hoorde ik ineens gierende banden. (...) Ik hoorde ook de motor van de auto gieren. Ik weet niet precies meer wat er gebeurde, maar ik werd door de auto aangereden. Ik voelde een enorme pijn aan mijn linker onderbeen. Ik hoorde dat de auto doorreed. Ik zag toen dat mijn linkervoet aan mijn onderbeen slap hing. Het deed enorm veel pijn. Ik zag dat een bot uit mijn linker onderbeen stak. (...)
Ik zag dat [verdachte] vervolgens is weggerend over [a-straat] om [A] heen. (...) Ik zag dat hij vervolgens vijf minuten later terugkwam en richting zijn auto liep. Ik kan zijn auto omschrijven als een lichtgrijze Ford Focus station. (...)
Ik zag dat hij 2 minuten later terug het parkeerterrein op gereden kwam vanuit de [b-straat] . Ik zag dat hij stopte voor het terras waar wij op dat moment zaten. (...) Ik zag dat [aangever] opstond en richting de auto van [verdachte] liep. Ik hoorde dat het schelden vervolgens doorging en ik zag dat [verdachte] keihard wegreed en [aangever] achter de auto aanrende. Ik zag dat [aangever] stopte met rennen ter hoogte van de fietsenstalling van [A] . Ik zag vervolgens dat [verdachte] 360 graden zijn auto draaide in een rondje door constant naar rechts te sturen. (...)
het hof begrijpt: [aangever]), [betrokkene 1] , [getuige 5] , [getuige 3] , [getuige 7] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [getuige 7] bij caftaria [B] in [plaats] .
[verdachte] zat met twee andere mannen aan tafel. Een van de mannen sloeg hem vervolgens. [aangever] stond op en er ontstond ruzie tussen hem, [verdachte] en de andere onbekende man. (...) [verdachte] liep weg en de ruzie was toen klaar. Ik zag dat [verdachte] zijn auto, een grijze Ford, nog op de parkeerplaats stond. Ik verwachtte [verdachte] nog wel terug. Een kwartiertje later of zo kwam [verdachte] terug aangelopen. Hij stapte in zijn auto en riep met open raam richting ons. (...) [verdachte] reed daarna met hoge snelheid en piepende banden weg. (...) Nog voordat iedereen van het terras naar binnen was gegaan zag ik dat [verdachte] met zijn auto alweer terug was. (...) Hij stopte bij het terras van [B] en begon weer te roepen en te dreigen. (... )
(...)
A: (...) [aangever] liet toen iets vallen en toen wilde hij dat oppakken en op het moment dat hij het wilde oppakken reed [verdachte] met volle vaart op [aangever] af. Met piepende banden met 30-40 km/u op [aangever] af. [aangever] vloog een beetje in de lucht. [aangever] riep dat wij snel de ambulance moesten bellen. [verdachte] reed snel weg.
(…)
A: (...) Zijn scheenbeen stak uit, zijn bot net boven zijn enkel was kapot, stak uit. Door de huid heen.
Dat hij en zijn vrouw die avond daar kwamen aangereden omdat ze gehoord hadden dat er iets was voorgevallen. En op dat moment wordt er jongen daar afgezet bij zijn auto. Er wordt dan gezegd van: "Hé da’s die jongen die daarnet zo moeilijk aan het doen was”. Die jongen rijdt dan weg en komt vervolgens terug. Hij komt dan dreigend voor het terras staan en een beetje dreigen. Hij ziet dan dat een jongen er achter aan loopt. Hij kende die jongen persoonlijk niet, maar [getuige 6] zegt dat het de jongen is die even later overreden werd. Hij hoorde dan dat die jongen [aangever] heet. Die gast zit dan heel stoer met zijn auto te gassen en uit de dagen. En dan ineens maakt ie een soort van driezestig en rijdt hij op die [aangever] in.
Het scenario zoals dat door [aangever] is geschetst, inhoudende dat de verdachte hem als eerste had aangevallen en gedreigd zou hebben het terras op te rijden en bewust op hem zou zijn ingereden, wordt daarentegen enkel ondersteund door subjectief bewijs, te weten de door de verklaringen van getuigen die tot de groep van aangever behoren. Die verklaringen zijn tegenstrijdig aan het objectieve bewijs in het dossier en zijn derhalve niet betrouwbaar, aldus de verdediging.
Kortom, niet vastgesteld kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op het aanrijden van [aangever] .
3.Het eerste en het tweede middel
DE BOTSINGWat vaststaat is dat [aangever] en [verdachte] elkaar geraakt hebben. Wat de verdediging betreft, staat nog steeds niet vast wat er gebeurd is op het moment suprême. Door de rechtbank wordt er uitgegaan van twee scenario’s. Enerzijds verklaren [aangever] en zijn vriendengroep bij de politie dat [verdachte] bewust op [aangever] is ingereden en kort daarvoor ook al bedreigingen had geuit tegen [aangever] en zijn vriendengroep.
(aanvulling op pagina 8 van de pleitnota:)Op de verklaring van [getuige 6] wil ik nog nader ingaan want die is niet zo onafhankelijk als de advocaat-generaal vandaag zegt. Hij kent de personen op het terras. Misschien kent hij [aangever] niet persoonlijk, maar hij kent de overige personen wel. Uit het proces-verbaal van zijn verhoor door de rechter-commissaris volgt dat door [getuige 1] wordt gesproken over een jongen die heel vervelend was. Hij gebruikt in zijn verklaring ook termen als ‘gok ik’, ‘denk ik’ en ‘volgens mij’. Luisterend naar het requisitoir van de advocaat-generaal, dan wordt mijn cliënt juist verweten dat hij een keer heeft gezegd ‘volgens mij’, maar in dat proces-verbaal wordt constant niets anders gezegd door die getuige. Als het mijn client wordt verweten, dan geldt dat ook voor de getuige. De getuige weet niets meer zeker, zelfs niet of er sprake was van een paniekreactie. Het zou dus volgens [getuige 6] ook een paniekreactie van mijn client kunnen zijn geweest.
‘U houdt mij voor dat ik heb verklaard: de jongen rijdt weg en komt vervolgens terug voor het terras staan dreigen. U vraagt mij wat er daarna gebeurde. De verdachte rijdt weg, [aangever] loopt erachteraan en pakt de deur vast. De verdachte rijdt weg, maakt een bocht naar rechts waar [aangever] de deur los laat en achterblijft. De verdachte maakt een scherpe bocht en rijdt er volop in.’Ik lees daarin geen enkele twijfel en de verklaring is ook accuraat als we kijken naar camerabeelden.
Hoe de positie van het slachtoffer was op het moment van de impact vind ik uiteindelijk niet heel relevant omdat ik inderdaad gezien heb dat daar verschillende getuigen wisselend over verklaren. Het voertuig was in ieder geval een wapen, waarmee met grote snelheid is ingereden op een kwetsbare voetganger. Of het slachtoffer helemaal met zijn rug naar de auto toe stond of niet, vind ik niet van belang voor de bewezenverklaring, maar gelet op het pleidooi meen ik toch dat het op mijn weg ligt om een voorwaardelijke vordering aan het hof te doen. Indien uw hof zou vinden dat onvoldoende duidelijk is hoe de positie van het slachtoffer was op het moment van de impact, dan zou een forensisch medisch deskundige kunnen worden benoemd om zich uit te laten over de toedracht van het letsel. De aarzeling die ik heb benoemd betreft uitsluitend de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris en de verklaring van de verdachte. Ik heb ook willen zeggen dat ik verwonderd was over de opmerking van de verdachte tegen zijn broer dat die auto daar al een week stond. Dat maakt zijn verklaring wat mij betreft heel onbetrouwbaar. Ik heb heel duidelijk een splitsing gemaakt tussen het eerste incident op het terras en hetgeen daarna is voorgevallen. Ik handhaaf mijn vordering.”