ECLI:NL:PHR:2026:241

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
24/04455
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 163 lid 6 Wegenverkeerswet 1994Art. 27 SrArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring poging tot doodslag met auto na conflicten op terras

Op 16 augustus 2022 ontstond een conflict tussen verdachte en meerdere personen op het terras van een cafetaria in een plaats. Verdachte werd aangevallen en vluchtte weg, maar keerde later terug naar zijn geparkeerde auto. Na wederzijdse provocaties reed verdachte met aanzienlijke snelheid op aangever in, waarbij hij hem raakte en ernstig letsel toebracht.

De rechtbank sprak verdachte vrij, maar het hof verklaarde hem schuldig aan poging tot doodslag en een verkeersovertreding, en legde een gevangenisstraf van vier jaar op met ontzegging van rijbevoegdheid. Het hof baseerde zich op verklaringen van aangever, getuigen en camerabeelden, en verwierp het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat de aanrijding een ongeluk was veroorzaakt door een trappende beweging van aangever.

De verdediging stelde in cassatie dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het alternatieve scenario en de kritiek op de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen waren verworpen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende heeft gerespondeerd op de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van de verdediging en dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor poging tot doodslag met de auto en verwerpt het cassatieberoep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04455
Zitting17 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 28 november 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002314-23) wegens 1. “poging tot doodslag” en 2. “overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek overeenkomst art. 27 Sr Pro, en ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van drie jaren. Het hof heeft daarnaast de gevangenneming van de verdachte bevolen en beslist over de inbeslaggenomen goederen en de vordering van de benadeelde partij, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B.M.C.F. de Groen, advocaat in Breda , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
1.3
De middelen, die blijkens hun inhoud slechts betrekking hebben op het onder 1 bewezenverklaarde, houden in dat het hof in strijd met artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte als feit 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 16 augustus 2022 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met aanmerkelijke snelheid in de richting van die [aangever] is gereden en is blijven rijden en vervolgens die [aangever] heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2022, dossierpagina’s 10 en 11, voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(pagina 10)Op 16 augustus 2022 waren wij, hoofdagent [verbalisant 2] en inspecteur [verbalisant 1] , belast met een dienst wijkzorg. (...) Omstreeks 21.55 uur kregen wij van het Operationeel Centrum het verzoek om te gaan naar [a-straat] te [plaats] . Wij hoorden dat hier een aanrijding had plaatsgevonden tussen een motorvoertuig en een persoon.
Omstreeks 22.05 uur kwamen wij ter plaatse aan [a-straat] te [plaats] . Wij zagen dat er op de parkeerplaats bij de fietsenstalling van [A] een man op de grond lag. (...) Wij zagen dat de man gewond was aan zijn linkerbeen. Wij zagen dat zijn verwonding een open beenbreuk betrof. (...) Wij hoorden meerdere mensen om ons heen zeggen dat de dader betrof: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] .
Wij hoorden van de omstanders dat het slachtoffer betrof: [aangever] , geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] .
Wij hoorden dat er sprake zou zijn geweest van een bewuste actie. De dader zou namelijk na een eerder conflict bewust hebben ingereden op het slachtoffer en is vervolgens doorgereden. Wij hoorden dat de dader zou rijden in een lichte grijze Ford Focus, model station.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 augustus 2022, dossierpagina 15, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 3] :Op 16 augustus 2022 omstreeks 22.00 uur was ik belast met de algemene verkeerssurveillance in het werkgebied Zeeland-West-Brabant. Omstreeks 22.05 uur kreeg ik de melding vanuit het Operationeel Centrum om te gaan naar [plaats] aan [a-straat] . Aldaar zou een opzettelijk verkeersongeval met letsel hebben plaatsgevonden. (..)
Op het moment dat ik met mijn gezicht in de richting van [A] stond zag ik rechts van de ingang op de openbare weg een rijspoor staan. Ik zag dat dit een bandenspoor betrof van een personenauto. Ik zag kort na het bandenspoor een krasspoor staan. Vermoedelijk heeft op dit punt de aanrijding plaatsgevonden. Rechts naast dit krasspoor lag een plas bloed. Ik begreep van de eenheden ter plaatse dat hier het slachtoffer had gelegen. (...) Op de plaats delict, op de parkeerplaats rechts bij [A] lag een spiegelkap. Deze spiegelkap is grijs van kleur en is vermoedelijk van de personenauto waarin de verdachte heeft gereden.
3. Het proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 18 augustus 2022, dossierpagina’s 34 tot en met 36, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever] :
(pagina 34)
De aangever verklaarde:
Ik ben dinsdag 16 augustus 2022 omstreeks negen uur ‘s avonds naar cafetaria/eettent [B] gegaan. Dit zit aan [a-straat] in [plaats] . We hadden met mijn vriendengroep afgesproken. (...)
We kwamen allemaal zo’n beetje gelijk aan bij [B] . (...) We zijn buiten op het terras gaan zitten. Op het terras zaten nog een paar mensen. Er zaten twee mannen aan een tafeltje. (...) Toen we met z'n allen op het terras zaten werd [betrokkene 1] gebeld. Ze vertelde dat werd lastig gevallen door een [voornaam verdachte] . (...)
We zijn toen met z’n allen weer terug naar [B] gegaan. Bij [B] zaten diezelfde twee mannen nog. Ook zat daar die [voornaam verdachte] . Ik herkende hem van de foto. (...)
(pagina 35)Op dat moment stond een van die mannen op en gaf [verdachte] een paar klappen met zijn platte handen. (...)
Ik heb hem toen weggeduwd. Ik duwde hem in zijn rug weg van het terras. (...) [betrokkene 2] kwam naar mij toe om mij te helpen. Kennelijk zag [verdachte] dit en hij rende toen weg. We zijn weer terug op het terras gaan zitten.
(...)
Toen wij weer zaten was het rustig. Korte tijd later hoorde ik iemand zeggen dat [verdachte] er weer was. Ik draaide mij om en zag dat hij door iemand in een blauwe Opel werd afgezet. Hij liep naar een grijze Ford Focus toe. Ik denk dat het zijn auto was, want hij stapte achter het stuur. (...) Hij reed vervolgens weg. Toen kwam hij weer terug na 5 à 10 minuten. (...) Hij had zijn raam open en ik hoorde hem zeggen, wij allemaal trouwens, dat hij ons dood zou rijden. Ik hoorde dat hij hele hoge toeren maakte en steeds gas gaf. (...) Op dat moment riep hij naar mij dat hij wilde praten. Ik liep toen naar hem toe en hij reed een stukje verder. Echter toen ik bij hem was had hij zijn raam alweer dicht. Ik tikte tegen het raam, maar hij deed niet open. Ik zei toen: ‘je wil toch praten’, en probeerde het portier te openen. Die was dicht. Ik had de deurklink nog vast toen hij wegreed. Ik liep een heel klein stukje mee, maar liet gelijk de deurklink los. Ik zag toen dat hij verder reed. Ik bemerkte dat ik iets had laten vallen intussen. (...) Ik zocht er naar en zag het op straat liggen. Toen ik die spullen opraapte hoorde ik ineens gierende banden. (...) Ik hoorde ook de motor van de auto gieren. Ik weet niet precies meer wat er gebeurde, maar ik werd door de auto aangereden. Ik voelde een enorme pijn aan mijn linker onderbeen. Ik hoorde dat de auto doorreed. Ik zag toen dat mijn linkervoet aan mijn onderbeen slap hing. Het deed enorm veel pijn. Ik zag dat een bot uit mijn linker onderbeen stak. (...)
(pagina 36)Ik doe hierbij aangifte van poging moord of doodslag. Ik heb echt de indruk dat hij mij dood wilde rijden. (...) Ik lig nu in het ziekenhuis. Ik ben geopereerd aan een dubbele beenbreuk en moet binnenkort nog een keer geopereerd worden.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 augustus 2022, dossierpagina's 39 en 40, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :
(pagina 39)Op 16 augustus 2022, omstreeks 21.30 uur, zat ik met meerdere vrienden op het terras van het café [B] . Ik zat hier onder andere met [aangever] , het latere slachtoffer. (...) Een tafel naast mij zat [verdachte] . Hij zat met twee andere personen aan tafel en ik zag en hoorde dat hij daar ruzie mee kreeg. (...)
Ik zag dat [verdachte] vervolgens is weggerend over [a-straat] om [A] heen. (...) Ik zag dat hij vervolgens vijf minuten later terugkwam en richting zijn auto liep. Ik kan zijn auto omschrijven als een lichtgrijze Ford Focus station. (...)
Ik zag dat hij 2 minuten later terug het parkeerterrein op gereden kwam vanuit de [b-straat] . Ik zag dat hij stopte voor het terras waar wij op dat moment zaten. (...) Ik zag dat [aangever] opstond en richting de auto van [verdachte] liep. Ik hoorde dat het schelden vervolgens doorging en ik zag dat [verdachte] keihard wegreed en [aangever] achter de auto aanrende. Ik zag dat [aangever] stopte met rennen ter hoogte van de fietsenstalling van [A] . Ik zag vervolgens dat [verdachte] 360 graden zijn auto draaide in een rondje door constant naar rechts te sturen. (...)
(pagina 40)
Ik zag dat de auto constant bleef rijden en niet stil heeft gestaan. Ik zag dat hij vanaf de zojuist beschreven positie inreed op [aangever] . (...) Ik zag dat [aangever] naar links probeerde te stappen om de auto te ontwijken en zag dat [verdachte] naar links stuurde om zeker te zijn dat hij [aangever] zou raken. Ik denk dat de snelheid tijdens de aanrijding rond de 40 à 50 kilometer per uur was. Ik zag dat de auto van [verdachte] [aangever] linksvoor raakte. (...) Ik ben toen naar [aangever] gelopen en zag dat hij zwaar gewond was aan zijn been. Ik ken [verdachte] van naam en gezicht.
5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 augustus 2022, dossierpagina’s 42 en 43, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :
(pagina 42)Op 16 augustus 2022 omstreeks 21.30 uur zat ik samen met [aangever] (
het hof begrijpt: [aangever]), [betrokkene 1] , [getuige 5] , [getuige 3] , [getuige 7] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [getuige 7] bij caftaria [B] in [plaats] .
[verdachte] was ook aanwezig in de cafetaria. Wij kennen [verdachte] omdat hij al eerder bedreigingen had geuit naar mensen uit onze vriendengroep. (...) Een andere klant in het cafetaria, waarvan ik niet weet wie hij is, pikte de bedreigingen niet. Deze man sprak [verdachte] hierop aan en sloeg [verdachte] een paar keer in het gezicht. [verdachte] rende de cafetaria uit. [aangever] en ik zijn achter [verdachte] aan gerend, de parkeerplaats [a-straat] op. (...) [verdachte] rende weg, langs [A] , links de hoek om. [verdachte] was toen uit mijn zicht.
Na ongeveer tien minuten kwam [verdachte] terug [a-straat] op en stapte in zijn voertuig. Dit betreft een grijze Ford station. Wij waren op dit moment weer bij de cafetaria. (...) [aangever] was het beu dat [verdachte] ons steeds uit bleef dagen door hier rond te rijden. [aangever] stond daarom op en begon achter de auto van [verdachte] aan te rennen. (...)
(pagina 43)
Vervolgens reed [verdachte] in op [aangever] en reed hem aan. Ik weet niet hoe hard [verdachte] ongeveer reed maar ik hoorde dat de banden van het voertuig hard piepten. (...)
6. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 16 augustus 2022, dossierpagina’s 46 en 47, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 3] :
(pagina 46)
Ik was vanavond 16 augustus 2022 samen met [aangever] en [betrokkene 1] bij [B] aan [a-straat] in [plaats] . Wij waren daar met een grotere groep en zaten buiten op het terras. (...) Ik zag toen dat [verdachte] op het terras bij [B] zat. Wij gingen, nog steeds met dezelfde groep en een paar anderen, op het terras zitten. (...)
[verdachte] zat met twee andere mannen aan tafel. Een van de mannen sloeg hem vervolgens. [aangever] stond op en er ontstond ruzie tussen hem, [verdachte] en de andere onbekende man. (...) [verdachte] liep weg en de ruzie was toen klaar. Ik zag dat [verdachte] zijn auto, een grijze Ford, nog op de parkeerplaats stond. Ik verwachtte [verdachte] nog wel terug. Een kwartiertje later of zo kwam [verdachte] terug aangelopen. Hij stapte in zijn auto en riep met open raam richting ons. (...) [verdachte] reed daarna met hoge snelheid en piepende banden weg. (...) Nog voordat iedereen van het terras naar binnen was gegaan zag ik dat [verdachte] met zijn auto alweer terug was. (...) Hij stopte bij het terras van [B] en begon weer te roepen en te dreigen. (... )
(pagina 47)
[aangever] naar [verdachte] waarop [verdachte] wegreed richting [A] . [aangever] liep achter [verdachte] aan. (...) Ik zag dat [verdachte] was gekeerd en met zijn auto op volle snelheid richting [aangever] reed en hem aanreed. (...) Ik hoorde een flinke klap. [aangever] schreeuwde dat hij pijn had en dat 112 gebeld moest worden. (...)
7. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 augustus 2022, dossierpagina’s 48 en 49, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 4] :
(pagina 48)
Op dinsdag 16 augustus 2022 waren wij onderweg naar [B] op [a-straat] in [plaats] . Op het terras zaten nog twee mannen. (...) Wij zijn toen met z'n allen terug naar [B] gegaan. (...)
(pagina 49)Dezelfde mannen die er eerst ook zaten, zaten nog aan tafel. Bij ze zat een derde man. Pas later kreeg ik in de gaten dat dit [verdachte] was. (...) Kort ervoor had [verdachte] een van die mannen bedreigd. (...) Op dat moment staat één van die mannen op en verkoopt hem een paar klappen. (...) Ik zie dat [aangever] achter hem aan gaat rennen. (...) Ik zie dat [verdachte] gelijk opstaat en verder weg rent. Iedereen komt dan weer terug en we gaan met z’n allen weer op het terras zitten. (...) Ik zie een kwartier of een half uur later dat er een donkerblauwe auto aan komt rijden. Deze stopt bij de parkeerplaats en ik zie dat [verdachte] uit die auto stapt. (...) Ik zie dat [verdachte] in die grijze station stapte. Ik zag toen dat het een Ford Focus was. (...) Ik hoorde dat [verdachte] dingen riep. (...) Maar ik zag dat hij gewoon wegreed. (...) Even later zie ik dat hij terugkomt. Hij parkeert zijn auto dan net voor het terras. (...) [aangever] loopt dan naar hem toe en slaat een keer op de ruit van het portier en pakt de klinkt vast. Deze zit echter op slot. Dan geeft [verdachte] een peut gas en rijdt de auto hard weg. [aangever] houdt dan nog even de klink vast, maar laat deze los. (...) Dan zie ik dat [verdachte] met zijn auto een 360 graden bocht maakt en dan hard op [aangever] in rijdt. Ik hoor de motor loeien en de banden piepen. (...) Ik hoorde de klap. (...) We rennen daarna met z’n allen naar [aangever] toe. Ik en nog enkele anderen hebben toen 112 gebeld.
8. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 1 september 2022, dossierpagina’s 53 tot en met 60, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 5] :
(pagina 53)V: Vertel mij alles wat u weet van het incident wat op 16 augustus 2022 is gebeurd?
(...)
(pagina 55)V: En toen?
A: (...) [aangever] liet toen iets vallen en toen wilde hij dat oppakken en op het moment dat hij het wilde oppakken reed [verdachte] met volle vaart op [aangever] af. Met piepende banden met 30-40 km/u op [aangever] af. [aangever] vloog een beetje in de lucht. [aangever] riep dat wij snel de ambulance moesten bellen. [verdachte] reed snel weg.
(…)
A: (...) Zijn scheenbeen stak uit, zijn bot net boven zijn enkel was kapot, stak uit. Door de huid heen.
9. Het proces-verbaal van bevindingen camerabeelden [a-straat] d.d. 16 augustus 2022 d.d. 25 augustus 2022, dossierpagina’s 70 tot en met 90, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :
(pagina 70)
Op 16 augustus 2022 omstreeks 21.40 uur vond er een poging doodslag plaats op [a-straat] in [plaats] .
Door de gemeente [plaats] is een openbare orde camera geplaatst op [a-straat] . De beelden zijn van de parkeerplaats voor [A] en [C] . De beelden van deze camera zijn door de gemeente [plaats] veilig gesteld en ter beschikking gesteld aan het onderzoeksteam.
De beelden zijn van 21:00:00 uur tot en met 21:59:59 uur.
(pagina 72)
21.11.27
Ford Focus komt aanrijden en parkeert op de parkeerplaats voor [C] .
(pagina 73)21.12.19 Bestuurder stapt uit en loopt naar het terras.
(pagina 74)21.12.41 De bestuurder gaat bij de twee mannen aan tafel zitten.
(pagina 76)De man in het gele T-shirt staat op en stapt op de man af die bij ze aan tafel zit (= bestuurder Ford Focus). Te zien is dat hij de bestuurder een paar klappen geeft. Dan staat de bestuurder op en loopt weg. Hij wordt dan achterna gezeten door twee andere personen. Van een persoon met een wit T-shirt en een schoudertas krijgt hij een paar klappen tegen zijn gezicht en lichaam. (...) Dan rennen drie personen achter de man aan (= bestuurder van de Ford Focus) beide uit beeld. Even later keren de drie personen terug en gaan op het terras zitten. De bestuurder van de Ford Focus komt niet meer in beeld.
(pagina 82)
21.40.03
Bestuurder Ford Focus komt als bijrijder aangereden in een blauw autootje en stapt ter hoogte van de geparkeerde Ford Focus uit. De bestuurder van het blauwe autootje rijdt gelijk door.
(pagina 83)
De bestuurder van de Ford Focus stapt in zijn auto en rijdt voor het terras weg richting de [b-straat] .
(pagina 84)
21.42.11
Ford Focus stopt voor het terras.
(pagina 85)
21.42.22
Ford Focus stopt heel kort een stukje verder. Mensen op het terras staan op.
21.42.25
Ford Focus stopt wederom weer heel kort een stukje verder.
(pagina 86)
21.42.32
Man met wit T-shirt rent vanaf het terras achter de Ford Focus aan. En komt rechts naast het voertuig. Beiden verdwijnen uit beeld.
(pagina 87)21.42.36 Na twee seconden komt de Ford Focus weer in beeld en maakt een 360 graden bocht en versnelt en raakt weer uit beeld.
10. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 oktober 2022, dossierpagina 68, voor zover inhoudende als relaas van de [verbalisant 4] :
Op 31 augustus 2022 werd door mij telefonisch contact opgenomen met [getuige 6] 26-02-1992. Door de aangever/slachtoffer was deze naam aan mij doorgegeven. [getuige 6] was een getuige die op 16 augustus 2022 later op de avond net voor de aanrijding op het terras van [B] aan [a-straat] in [plaats] aan kwam rijden. Hij zou het hele voorval ook hebben gezien.
[getuige 6] verklaarde het volgende:
Dat hij en zijn vrouw die avond daar kwamen aangereden omdat ze gehoord hadden dat er iets was voorgevallen. En op dat moment wordt er jongen daar afgezet bij zijn auto. Er wordt dan gezegd van: "Hé da’s die jongen die daarnet zo moeilijk aan het doen was”. Die jongen rijdt dan weg en komt vervolgens terug. Hij komt dan dreigend voor het terras staan en een beetje dreigen. Hij ziet dan dat een jongen er achter aan loopt. Hij kende die jongen persoonlijk niet, maar [getuige 6] zegt dat het de jongen is die even later overreden werd. Hij hoorde dan dat die jongen [aangever] heet. Die gast zit dan heel stoer met zijn auto te gassen en uit de dagen. En dan ineens maakt ie een soort van driezestig en rijdt hij op die [aangever] in.
11. Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] bij de rechter commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant d.d. 8 februari 2023, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 6] voornoemd:
U vraagt mij wat ik heb gezien en wanneer ik ter plaatse ben gekomen. (...) We komen daar aan en er zit een jongen op het terras die ik kende van vroeger. Hij heet [getuige 1] . Het was enkele minuten voor de aanrijding gebeurde. Ik hoorde dat er iets was gebeurd. Er werd gezegd dat de verdachte vervelend was, dat er iets was voorgevallen. Die jongens hadden ruzie met elkaar gehad. (...) Toen werd verdachte daar afgezet en hij stapte in een auto. Volgens mij kwam hij terug voor op een terras gereden en er werd wat heen en weer geprovoceerd. Dat was tussen verdachte en naar de mensen die op het terras zaten. (...) [aangever] ging er denk ik achteraan.
De rechter-commissaris merkt op dat op de beelden te zien is, dat nadat verdachte is afgezet hij bij het terras heeft gestaan, is weggereden en daarna is teruggekomen. Ik weet niet wat er werd gezegd. Wat ik net zei over dat provoceren dat was mogelijk op dat latere moment. (...) Ik denk dat [aangever] erachteraan liep. Dat is doorgegaan tot net voorbij [A] . Naar mijn idee reed hij weg, maakte hij een bocht terug en toen is hij op het slachtoffer ingereden. (...) U houdt mij voor dat op de camerabeelden te zien is dat ze beide uit beeld gaan: [aangever] liet daar de deur volgens mij los. Daar draaide verdachte om en is toen vol op [aangever] ingereden. (...) U vraagt mij of het naar mijn indruk opzettelijk was. Als je opzettelijk niet er op in wil rijden, dan stuur je wel ergens anders heen. Er was gelegenheid om een andere kant op te sturen. Het is moeilijk te zeggen hoe hard hij reed. (...) Hij nam de bocht met behoorlijke snelheid.
12. Een geschrift, te weten de geneeskundige verklaring d.d. 12 november 2022, waaruit volgt dat [aangever] een fractuur heeft opgelopen waarvoor hij op 17 augustus 2022 en 25 augustus 2022 een operatie heeft ondergaan.
2.3
Over het bewijs heeft het hof verder overwogen:
“De raadsman heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde. Daartoe heeft hij – op gronden als nader vermeld in de pleitnota, samengevat – aangevoerd dat het scenario dat door de verdediging is geschetst, inhoudende dat de verdachte kort voor de aanrijding zelf werd aangevallen door [aangever] en dat die [aangever] zijn agressie op het cruciale moment op de auto van de verdachte richtte en dat, hoewel de verdachte [aangever] nog heeft proberen te ontwijken, zij elkaar toch hebben geraakt, wordt ondersteund door overige objectieve bewijsmiddelen. De verdachte heeft geen opzet gehad op het aanrijden van [aangever] .
Het scenario zoals dat door [aangever] is geschetst, inhoudende dat de verdachte hem als eerste had aangevallen en gedreigd zou hebben het terras op te rijden en bewust op hem zou zijn ingereden, wordt daarentegen enkel ondersteund door subjectief bewijs, te weten de door de verklaringen van getuigen die tot de groep van aangever behoren. Die verklaringen zijn tegenstrijdig aan het objectieve bewijs in het dossier en zijn derhalve niet betrouwbaar, aldus de verdediging.
Kortom, niet vastgesteld kan worden dat de verdachte opzet heeft gehad op het aanrijden van [aangever] .
Ten aanzien van het namens de verdachte geschetste alternatieve scenario overweegt het hof als volgt.
Uit de stukken in het dossier, zoals die bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep aan de orde zijn gekomen, alsmede het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, is vast komen te staan dat op 16 augustus 2022, omstreeks 21.25 uur, een ruzie tussen de verdachte en twee onbekend gebleven mannen is ontstaan bij [B] te [plaats] . Later begon ook de groep van [aangever] , welke groep ook op het terras zat bij [B] , zich ermee te bemoeien. De verdachte is vervolgens weggegaan en weer teruggekomen om zijn auto, die nog op de parkeerplaats van [a-straat] geparkeerd stond, op te halen. Vervolgens is de verdachte weggereden van de parkeerplaats en korte tijd later weer teruggekeerd, naar eigen zeggen om op de door hem gebelde politie te wachten. De groep van [aangever] bevond zich op dat moment nog steeds op het terras van [B] . De verdachte is met zijn auto ter hoogte van en parallel aan het terras van [B] tot stilstand gekomen. Uit de verklaring van [getuige 6] blijkt dat zowel de verdachte als de groep van [aangever] aan het provoceren waren, waarna het conflict wederom is opgelaaid en [aangever] achter de auto van de verdachte aan is gerend. Op enig moment heeft de verdachte een 360-graden bocht gemaakt, is in de richting van [aangever] gereden en heeft vervolgens [aangever] geraakt met zijn auto. De verdachte is daarna direct doorgereden, en werd enige tijd later bij zijn broer thuis aangehouden.
Het incident op [a-straat] , waarbij de verdachte op [aangever] is ingereden, is grotendeels vastgelegd op camerabeelden. Deze camerabeelden bevestigen de gang van zaken zoals hiervoor is omschreven. Op deze camerabeelden is immers te zien dat de verdachte op het terras van [B] werd aangevallen door een man in een geel T-shirt, dat de verdachte vervolgens de parkeerplaats af is gerend, dat hij werd achtervolgd door een persoon – naar later is gebleken [aangever] – en dat [aangever] de verdachte heeft geslagen en geschopt. Op de camerabeelden is niet te zien dat de verdachte geweld heeft uitgeoefend naar [aangever] . Even later is te zien dat er een blauwe auto aan is komen rijden waar iemand, naar later blijkt de verdachte, uit is gestapt. De verdachte is vervolgens in zijn geparkeerde Ford Focus gestapt en het parkeerterrein af gereden. Kort daarna is de verdachte het parkeerterrein weer op gereden en tot stilstand gekomen ter hoogte van het terras van [B] . De auto stond op dat moment parallel aan het terras geparkeerd en niet, zoals [aangever] en andere getuigen hebben verklaard, met de neus richting het terras. Op de beelden is vervolgens te zien dat [aangever] richting het bestuurdersportier van de Ford Focus is gelopen. De verdachte is vervolgens verder gereden over het parkeerterrein, terwijl [aangever] achter de auto aan rende. Ook is te zien dat de verdachte vervolgens zo langzaam is gaan rijden dat hij door [aangever] in kon worden ingehaald. Vervolgens verdwijnen de Ford Focus en [aangever] uit het zicht van de camera’s, en is enkele momenten later de 360-gradendraai van de Ford Focus te zien.
Hoewel geen nader onderzoek is gedaan naar de snelheid waarmee de verdachte op [a-straat] op [aangever] is ingereden, kan naar het oordeel van het hof uit de tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen worden afgeleid dat die snelheid voor de situatie ter plaatse, te weten een parkeerplaats, hoog is geweest. Getuigen spreken over piepende banden, een gierende, ronkende dan wel loeiende motor, ‘een peut gas’ en een klap op het moment dat de verdachte [aangever] raakt met zijn auto. Het hof acht de verklaringen van de getuigen op dit specifieke punt betrouwbaar, nu de getuigen hun verklaring spontaan en kort na het incident hebben afgelegd. Zij zijn naar het oordeel van het hof dan ook niet in de gelegenheid geweest hun verklaringen op dit punt op elkaar af te stemmen.
Het hof trekt hieruit de conclusie dat het door de verdachte geschetste scenario niet aannemelijk is geworden en dat de verdachte doelbewust met aanmerkelijke snelheid in de richting van [aangever] is gereden en is blijven rijden en hem heeft geraakt. Het hof ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld.
Het hof kan uit de verklaringen van de verdachte diens directe opzet niet afleiden, nu hij feitelijk verklaard heeft dat de aanrijding een ongeluk en dus geen bewuste actie was. De vraag blijft over of er bij de verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg, in dit geval het intreden van de dood van [aangever] , is aanwezig wanneer de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden.
De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, of anders gezegd om een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is bovendien vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden en dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).
Uit de enkele omstandigheid dat die wetenschap bij de verdachte aanwezig is dan wel bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Van degene die weet heeft van de aanmerkelijke kans op het gevolg, maar die er (lichtvaardig) van uit is gegaan dat het gevolg niet zal intreden, kan wel gezegd worden dat hij met (grove) onachtzaamheid heeft gehandeld, en dus schuld heeft aan het ongeval, maar niet dat zijn opzet in voorwaardelijke vorm op dat gevolg gericht is geweest.
Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van [aangever] zal, indien de verklaringen van de verdachte of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg, in dit geval de dood van [aangever] , heeft aanvaard.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Voor de beoordeling van het (voorwaardelijk) opzet acht het hof drie momenten relevant. Het eerste moment was toen de verdachte, nadat hij door de man in het gele T-shirt en [aangever] was geslagen, wegging van de parkeerplaats. Het tweede moment was toen hij, nadat hij zich door een ander weer op de parkeerplaats had laten afzetten, in zijn auto stapte en wegreed van de parkeerplaats. In plaats van weg te blijven keerde hij korte tijd later weer terug en zette zijn auto voor het terras stil waarbij de verdachte en (de groep van) [aangever] over en weer aan het provoceren waren. Het laatste moment was toen [aangever] achter de auto van de verdachte aan rende en de verdachte, in plaats van extra gas te geven om aan [aangever] te ontkomen, langzamer ging rijden waardoor [aangever] de auto van de verdachte rennend in kon halen. In plaats van weg te rijden heeft de verdachte er vervolgens voor gekozen om met een aanzienlijke snelheid een 360-gradenbocht te maken en terug te rijden in de richting waar de verdachte kort daarvoor [aangever] had achtergelaten.
Het hof is van oordeel dat de verdachte, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [aangever] . Op alle drie de momenten had de verdachte ervoor kunnen kiezen niet terug te keren naar de parkeerplaats dan wel had hij er voor kunnen kiezen de parkeerplaats via een andere weg te verlaten dan hij heeft gedaan. De verdachte is in plaats daarvan met aanzienlijke snelheid op de aangever, die als voetganger een kwetsbare verkeersdeelnemer is, af gereden en heeft hem vervolgens met de auto geraakt. De verdachte heeft zijn auto aldus ingezet als wapen en het mogelijk zeer ernstige gevoIg voor Iief genomen.
Het hof verwerpt dus ook het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wegens het ontbreken van opzet bij de verdachte.
Resumerend acht het, hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag en het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”

3.Het eerste en het tweede middel

3.1
Het eerste en het tweede middel houden in dat het hof in strijd met artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten over de betrouwbaarheid van de afgelegde (getuigen)verklaringen en het geschetste alternatieve scenario.
3.2
De in de schriftuur geformuleerde klachten komen samengevat op het volgende neer. Anders dan de rechtbank – die de verdachte vrijsprak voor het onder 1 ten laste gelegde – heeft het hof bewezenverklaard dat de verdachte (kort gezegd) heeft gepoogd om [aangever] (hierna: [aangever] ) van het leven te beroven, door opzettelijk met zijn auto met aanmerkelijke snelheid op die [aangever] in te rijden. Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de aangifte van [aangever] en op de verklaringen van verschillende getuigen, die veelal onderdeel uitmaken van de vriendengroep van [aangever] . Volgens de steller van het middel heeft het hof daarbij nagelaten het door de verdediging geschetste alternatieve scenario (gemotiveerd) te verwerpen. Dit scenario houdt in dat het steeds [aangever] is geweest die geweld gebruikte tegen de verdachte en de confrontatie zocht met de auto van de verdachte, dat de verdachte [aangever] heeft willen ontwijken toen hij probeerde de parkeerplaats af te rijden, en dat de botsing is ontstaan doordat [aangever] een trappende/slaande beweging naar het voertuig heeft gemaakt. Het hof is – mede op grond van de getuigenverklaringen – uitgegaan van een ander scenario, namelijk een waarin de verdachte bewust de confrontatie met [aangever] heeft gezocht en opzettelijk op hem is ingereden. In hoger beroep is door de verdediging betoogd dat de verklaringen waarop dit scenario is gebaseerd niet betrouwbaar zijn, omdat zij onderlinge tegenstrijdigheden bevatten over de uitlatingen die de verdachte zou hebben gedaan en de wijze waarop [aangever] is aangereden. De middelen houden in dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op de kanttekeningen die door de verdediging zijn gemaakt bij de betrouwbaarheid van de (getuigen)verklaringen en op het door de verdediging naar voren gebrachte alternatieve scenario, dat volgens de verdediging steunt vindt in het letsel van [aangever] en de schade aan de auto. In cassatie wordt niet betwist dat tussen de verdachte en [aangever] voorafgaand aan de aanrijding een conflict was ontstaan, dat [aangever] achter de auto aanrende, dat de verdachte een 360-gradendraai met zijn auto heeft gemaakt en dat de auto in botsing is gekomen met [aangever] .
3.3
Op de terechtzitting in hoger beroep van 14 november 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in (zonder overneming van voetnoten):

DE BOTSINGWat vaststaat is dat [aangever] en [verdachte] elkaar geraakt hebben. Wat de verdediging betreft, staat nog steeds niet vast wat er gebeurd is op het moment suprême. Door de rechtbank wordt er uitgegaan van twee scenario’s. Enerzijds verklaren [aangever] en zijn vriendengroep bij de politie dat [verdachte] bewust op [aangever] is ingereden en kort daarvoor ook al bedreigingen had geuit tegen [aangever] en zijn vriendengroep.
Anderzijds wordt rekening gehouden met het scenario van [verdachte] . Hij verklaart vanaf meet af aan dat [aangever] op het cruciale moment zijn agressie richtte op zijn auto en hij kort daarvoor zelf ook al door [aangever] is aangevallen.
De aanraking tussen [aangever] en het voertuig is niet op de camerabeelden te zien en de getuigenverklaringen van diverse personen lopen uiteen en zijn tegenstrijdig met de objectieve bewijsmiddelen uit het dossier. De verdediging zal zich toespitsen op hetgeen wat volgens de verdediging logisch is op basis van het dossier. Er wordt derhalve gebruikgemaakt van logica op basis van stukken uit het dossier.
[verdachte] geeft aan dat hij weg wilde rijden van [aangever] , die hem op zijn beurt achterna rende. Hierbij spitst de verdediging zich toe op het moment enkele seconden voor de botsing. Al meerdere malen is voorgehouden, dat het [aangever] is die de confrontatie opzoekt en zelfs de portieren van het voertuig open wilde trekken. Het opzoeken van de confrontatie is zelfs eerder die avond gebleken toen [aangever] [verdachte] fysiek toetakelde, zo blijkt ook uit de camerabeelden. [aangever] blijft [verdachte] achtervolgen, waarbij [verdachte] niet van hem afkomt. Belangrijk is dat [aangever] eerder [verdachte] zelfs tot buiten [a-straat] heeft achtervolgt. Deze feiten zijn ook waar te nemen op de camerabeelden.
Op het moment dat zij beide uit beeld verdwijnen is [aangever] nog in de directe nabijheid van het voertuig. Aangezien [verdachte] geen botsing wenst met [aangever] , besluit hij om rechtsom een bocht te maken met daarbij direct een bocht terug het plein op. [verdachte] besluit een draai te maken om [aangever] af te schudden, zodat hij hem niet meer achterna kan komen. Hij denkt dat hij wellicht via de uitweg aan de zijde van [B] het plein kan verlaten. Eenmaal omgedraaid, ziet hij dat op het terras van [B] eenn grote groep staat met meerdere personen, die hem mogelijk – zoals al eerder op de avond – fysiek te lijf kunnen en willen gaan. Op de beelden is te zien dat de personen, die oorspronkelijk op het terras zaten, als een troep hyena’s richting de auto van [verdachte] zijn bewogen. Één van hen probeert zelfs in de buurt van het voertuig te komen. Om erger te voorkomen besluit [verdachte] een volledige draai te maken. Met het keren van zijn voertuig merkt [verdachte] op dat [aangever] zich bevindt rond de parkeerplaatsen te midden van [a-straat] en ter hoogte van het portier van de passagierszijde van zijn voertuig. [verdachte] rijdt om de parkeervakken heen, zodat hij alsnog links via [a-straat] kan vertrekken en daarbij langs [aangever] kan rijden. Deze handelingen verklaren ook de reden voor het maken van de 360 bocht.
Vervolgens probeert [aangever] na het nemen van de bocht een trappende/slaande beweging op het voertuig van [verdachte] te geven. Hij ( [verdachte] ) tracht middels een stuurbeweging naar links [aangever] nog te ontwijken, maar toch raken zij elkaar: Hierbij komt een barst rechtsonder in de voorruit bij het voertuig van [verdachte] alsmede breekt de spiegelkap van het voertuig.
BEWIJSWat de verdediging betreft is ondersteuning te vinden in het scenario van [verdachte] . In deze gaat het zelfs om objectief bewijs, waaronder de medische verklaringen van [aangever] , het aanvullend dossier waaruit letsel bij [verdachte] is waargenomen, de schade op het voertuig én de camerabeelden. Ter ondersteuning van het scenario van [aangever] is vooral subjectief bewijs in de vorm van getuigenverklaringen, afgelegd door zijn vrienden en kennissen. Hierbij verdient de opmerking dat de getuigenverklaringen tegenstrijdig zijn aan het objectief bewijs en derhalve niet betrouwbaar zijn.
GETUIGENIn het appelschriftuur van de officier van justitie wordt gesteld, dat de rechtbank een onjuiste afweging heeft gemaakt van het bewijs. Daarbij doelt de officier van justitie op de getuigenverklaringen in het dossier. Wat de verdediging betreft is de rechtbank Breda terecht terughoudend geweest in de waardering van deze bewijsmiddelen (in concreto de getuigenverklaringen). Ten eerste betreffen de getuigen de vrienden van [aangever] . In eerste instantie is dit gegeven niet voldoende om te spreken van betrouwbare of onbetrouwbare getuigen, maar komt dit gegeven - wat de verdediging betreft - vooral naar voren in de tegenstrijdigheden van de verklaringen.
In het dossier bevinden zich camerabeelden van een groot deel van het parkeerterrein en de aangrenzende winkels en straten. Daarop is het cruciale incident zelf niet te zien, maar wat er aan vooraf gegaan is grotendeels wel, inclusief een deel van de 360-graden draai. In samenhang met de overige inhoud van het dossier bevestigen die beelden een belangrijk en overgroot deel van het door [verdachte] geschetste scenario.
De getuigenverklaringen van [aangever] en zijn vrienden zijn in strijd met wat op de beelden te zien is. Zo is er geen geweld van [verdachte] tegen [aangever] op de beelden te zien. Integendeel, op de beelden is bijvoorbeeld wel te zien dat [verdachte] bij het wegrennen een (bier)flesje naar rechts weggooit en niet naar achteren waar [aangever] zich dan bevindt. Anders dan [aangever] en [getuige 2] verklaren.
Als [verdachte] enige tijd later zijn auto heeft opgehaald en heel kort daarna weer naar het parkeerterrein komt rijden, staat hij even stil ter hoogte van het terras. [verdachte] heeft op zitting in eerste aanleg toegelicht dat zijn motor toen uitviel, wat wordt ondersteund doordat op de camerabeelden te zien is dat de koplampen van zijn auto even lijken uit te gaan en dan weer op normale sterkte schijnen. Dat de neus van zijn auto richting het terras stond, zoals [aangever] en meerdere getuigen hebben verklaard, is niet waar. De auto staat parallel aan het terras. Op dat moment loopt [aangever] al naar het bestuurdersportier van de auto. [verdachte] rijdt dan verder over het parkeerterrein en [aangever] rent dan achter hem aan, waarna [aangever] en de auto van [verdachte] uit beeld verdwijnen en vervolgens de 360-gradendraai van de auto is te zien.
Op basis van de beelden stelt de rechtbank terecht vast dat het steeds [aangever] is geweest die geweld tegen [verdachte] gebruikte en de confrontatie met (de auto van) [verdachte] zocht voorafgaand aan het cruciale incident. Geweld door [verdachte] is op de beelden niet te zien. Daarnaast hebben [aangever] en getuigen uit zijn vriendengroep onderling tegenstrijdig verklaard over de beweerdelijke uitlatingen door [verdachte] en de wijze waarop [aangever] zou zijn aangereden. Bovendien heeft een aantal van hen - en ook [aangever] - bij de rechter-commissaris op onderdelen weer anders verklaard dan bij de politie.
Enkele voorbeelden hiervan zijn al reeds naar voren gebracht. Kort worden er een aantal verklaringen uitgelicht. [getuige 5] , die verklaart, dat [aangever] [verdachte] uit de auto wilde halen. Dit is anders dan bijvoorbeeld [aangever] en [getuige 2] verklaren. [getuige 1] , die verklaart dat er die avond niets over aanrijden is gezegd. Dit is anders dan bijvoorbeeld [aangever] en andere getuigen verklaren. [getuige 2] verklaart dat hij één klap heeft gezien uit zelfverdediging en verklaart dat [aangever] los moest komen van [verdachte] en vervolgens op het raam sloeg aan de bestuurderskant. Er viel TOEN iets uit [aangever] zijn tasje dat hij wilde oppakken. Dit klopt niet met de camerabeelden en de overige verklaringen. [getuige 7] , die bij de politie verklaart de aanrijding te hebben gezien, maar later bij de rechter-commissaris toch verklaart alles van [aangever] te hebben gehoord en de aanrijding zelf niet heeft gezien. [getuige 3] wenst na haar verklaring bij de politie niets meer te verklaren én [getuige 6] heeft achteraf alles minder goed gezien dan vooraf werd gedacht. Het is een kleine greep van tegenstrijdigheden in de verklaringen van [aangever] en zijn vriendengroep.
De bewijswaarde van de getuigen dient erg terughoudend te zijn, te meer, omdat zij ook een verklaring hebben afgelegd, die niet strookt met de objectieve bewijsmiddelen in deze zaak, waaronder de camerabeelden, de schade op het voertuig en het letsel van [aangever] .
Objectief bewijsDe waardering van het overige aanwezige bewijs is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een poging doodslag of zware mishandeling relevant. In de zaak van [verdachte] is het zelfs cruciaal. Het objectieve bewijs is in deze zaak van cruciaal belang en belangrijker nog, het is niet te veranderen, modificeren of aan te passen. Het zijn puur feitelijke aangelegenheden.
Het belangrijkste bewijsmiddel in het dossier zijn de camerabeelden. Hierop is haarfijn te zien hoe de situatie tot aan het daadwerkelijke incident verloopt. Sterker nog, het geeft een beeld van de avond, maar op deze manier kunnen ook bepaalde getuigenverklaringen worden afgewogen. Op de beelden zien we om 21:11 [verdachte] aankomen bij [B] en hij plaatsneemt aan een tafel waar twee oudere mannen zitten. Even later komt de groep van [aangever] op het terras zitten en blijft het enige tijd kalm. Vervolgens wordt [verdachte] om 21:25 aangevallen door de oudere man met het gele shirt. Wanneer de oudere man [verdachte] los lijkt te laten, gaat [aangever] zich ermee bemoeien en geeft [verdachte] meerdere klappen. Hierbij heeft [verdachte] [aangever] nimmer zien aankomen. De bemoeienis van [aangever] lijkt ook uit het niets te komen. Hoewel [verdachte] het op een lopen zet, blijft [aangever] hem achterna zitten en geeft hem meerdere trappen en klappen. Van enige zelfverdediging, waar [getuige 2] van spreekt, is niets te zien.
Er is in deze situatie slechts één agressor en dat is [aangever] , die wordt gesterkt door zijn groep. Het is zelfs [getuige 2] , die zich mengt in het gevecht door [verdachte] op te jagen, die moet rennen voor zijn eigen veiligheid.
Omstreeks 21:39 komt [verdachte] weer terug om zijn auto op te halen en rijdt om 21:40 langs het terras. Met de zijkant van het voertuig, passagierszijde, rijdt hij langs het terras van [B] . Op de beelden zien we dat de auto van [verdachte] zijdelings staat gepositioneerd met de passagierszijde richting het terras. Hierdoor is het voor hem op dat moment onmogelijk om het terras op te rijden, zoals meerdere getuigen wel beweren. Bij het vertrekken zien we weer diverse personen van hun stoel afkomen en achter de auto aan rennen. Twee minuten later komt [verdachte] terug, en blijft weer met de zijkant van het voertuig, maar dit keer de bestuurderszijde, langs het terras staan. Wederom gaat van deze houding en positionering geen dreiging uit. Sterker nog, we zien zelfs meerdere mensen opstaan om richting het voertuig van [verdachte] te bewegen. Verder zien we op de beelden dat [aangever] van zijn stoel komt, rent richting het voertuig van [verdachte] , die inmiddels al een rollende beweging maakt om weg te rijden, en tracht [aangever] het portier aan de bestuurderszijde van het voertuig te openen.
[verdachte] rijdt weg, waarbij [aangever] de auto blijft volgen. Een aantal meter verder stopt [aangever] . [verdachte] rijdt rustig verder en komt niet tot stilstand. Sterker nog, hij neemt verder afstand van de situatie. [aangever] ziet dat [verdachte] snelheid matigt en besluit wederom achter het voertuig aan te rennen. Hierbij is te zien dat [aangever] aan de passagierszijde van het voertuig eindigt alvorens het voertuig en hij uit beeld verdwijnen.
Diverse getuigen verklaren dat [aangever] iets uit zijn nektasje liet vallen, bukte om dit op te rapen en juist in die split second werd aangereden. [aangever] zou in een bukkende houding of net omhoogkomend langs achter zijn aangereden. Hierbij verklaren meerdere getuigen dat [aangever] linksvoor (bestuurderszijde) met het voertuig in aanraking is gekomen. Als dit scenario zou worden gevolgd, dan vallen een aantal zaken op. Hoewel de verdediging niet aannemelijk acht dat er iets uit de nektas van [aangever] is gevallen, omdat nimmer deze spullen op het plaats delict zijn gevonden, is de houding waarin [aangever] zich bevindt net voor de aanrijding opmerkelijk. Hij zou van achteren of van de zijkant worden aangereden, waarin hij gebukt staat: dat is het uitgangspunt van vrijwel alle getuigen. Dit gegeven is niet kloppend en niet aannemelijk. Wanneer men slechts naar het letsel en de waargenomen schade op het voertuig kijkt, is evident, dat het voertuig nimmer frontaal met de linkervoorzijde op [aangever] is ingereden.
Zoals eerder aangegeven, betreft de schade op het voertuig een barst in de voorruit helemaal rechtsonder aan de passagierszijde. Tevens is de spiegelkap aan de passagierszijde (rechts) kapot. Verder zijn er geen krassen, deuken of andere eigenaardigheden waargenomen aan het voertuig van [verdachte] . Sterker nog, het voertuig is tactisch onderzocht door de politie en zij vinden geen sporen op het voertuig, die in relatie met het ongeval zouden staan.
Indien we de theorie volgen, dat [aangever] in een bukkende houding frontaal is aangereden, was andersoortige schade op het voertuig waargenomen. In dat geval waren er op zijn minst sporen aangetroffen van een aanrijding. Bovendien was ook het letsel van [aangever] anders geweest. Uit het dossier blijkt dat [aangever] een gebroken been over heeft gehouden aan het incident. Bij een frontale botsing, waarbij hij al dan niet over de motorkap van het voertuig zou hebben ‘gevlogen’, was meer en zwaarder letsel het gevolg geweest, bijvoorbeeld letsel aan rug, ribben, organen, hoofd en armen. Ook in het geval dat [aangever] in een bukkende houding frontaal wordt aangereden, vliegt hij niet over de auto (verklaring [getuige 2] ), maar komt hij onder de auto.
Het letsel en de schade aan het voertuig matchen niet met het scenario, zoals geschetst is door [aangever] en enkele getuigen. Sommige getuigen bleken achteraf het incident niet eens te hebben gezien of niet alles goed te hebben gezien. Hoe betrouwbaar zijn deze getuigen dan werkelijk? Brengen zij niet een subjectief karakter? En belangrijker nog, maken zij het verhaal voor [verdachte] niet erger en zwakken zij de rol van [aangever] niet af?
De verdediging houdt het bij de feiten. De schade aan het voertuig van [verdachte] maakt duidelijk dat aan de zijkant, passagierszijde, de botsing is gebeurd. Het is meer dan aannemelijk dat de botsing tussen [aangever] en het voertuig ook op deze zone van het voertuig heeft plaatsgevonden. Het bevestigt - wat de verdediging betreft - het verhaal van [verdachte] , namelijk dat [aangever] een (trappende/slaande) beweging naar het voertuig maakt en [verdachte] hierbij hem heeft willen ontwijken. Hoe verklaren we anders de ontstane schade en het ontstane letsel? Gelet op deze feiten kan er slechts één conclusie getrokken worden, namelijk dat [verdachte] geen opzet heeft gehad op de aanrijding met [aangever] .
De intentie van [verdachte] is duidelijk geweest. Hij heeft nimmer [aangever] willen raken, maar juist willen ontwijken. In een soortgelijke zaak van de rechtbank Middelburg is ‘het ontwijken’ een omstandigheid waaruit blijkt dat niet bewust de aanmerkelijke kans wordt aanvaard.
Als er een ding is wat ik uw Gerechtshof vraag te onthouden, is dat we in het scenario, geschetst door [aangever] en zijn vrienden, andere resultaten zouden hebben. In dat geval was er ander letsel, in dat geval was er andere schade en in dat geval waren er meer sporen. In dit dossier is meer dan gerede twijfel over wat nu daadwerkelijk het letsel en de schade aan het voertuig heeft veroorzaakt, maar wat voor de verdediging als een paal boven water staat, is dat het scenario van [aangever] niet strookt met de objectieve bewijsmiddelen.
Bij gerede twijfel dient uw Gerechtshof net als de rechtbank in eerste aanleg terecht heeft gedaan vrij te spreken, hetgeen ik u ook ga vragen. Ik verzoek u derhalve het vonnis van de rechtbank Breda , uitgesproken op 1 augustus 2023, in stand te laten en cliënt vrij te spreken van de poging doodslag/zware mishandeling.
3.4
De raadsman van de verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 14 november 2024 in aanvulling op zijn pleitnota naar voren gebracht:

(aanvulling op pagina 8 van de pleitnota:)Op de verklaring van [getuige 6] wil ik nog nader ingaan want die is niet zo onafhankelijk als de advocaat-generaal vandaag zegt. Hij kent de personen op het terras. Misschien kent hij [aangever] niet persoonlijk, maar hij kent de overige personen wel. Uit het proces-verbaal van zijn verhoor door de rechter-commissaris volgt dat door [getuige 1] wordt gesproken over een jongen die heel vervelend was. Hij gebruikt in zijn verklaring ook termen als ‘gok ik’, ‘denk ik’ en ‘volgens mij’. Luisterend naar het requisitoir van de advocaat-generaal, dan wordt mijn cliënt juist verweten dat hij een keer heeft gezegd ‘volgens mij’, maar in dat proces-verbaal wordt constant niets anders gezegd door die getuige. Als het mijn client wordt verweten, dan geldt dat ook voor de getuige. De getuige weet niets meer zeker, zelfs niet of er sprake was van een paniekreactie. Het zou dus volgens [getuige 6] ook een paniekreactie van mijn client kunnen zijn geweest.
(…)
(aanvulling op pagina 10 van de pleitnota:)Bovendien lijkt de nektas van [aangever] op de foto’s dicht te zitten, zie pagina 17 en 18 van het einddossier.”
3.5
De advocaat-generaal heeft als volgt gerepliceerd:
“Ik heb in mijn requisitoir bewust niet alle getuigenverklaringen benoemd omdat ik ook heb gezien dat sommige getuigen wat vager zijn in hun verklaring. Ik heb alleen de gegevens uit de verklaringen van die getuigen benoemd die ondersteuning vinden in dossier. Ik wil benadrukken dat ik in de passages die ik heb aangehaald uit de verklaringen van [getuige 6] geen spoortje twijfel lees. Hij is heel duidelijk. Het gaat met name om pagina 3 van het proces-verbaal van verhoor van [getuige 6] door de rechter-commissaris inhoudende:
‘U houdt mij voor dat ik heb verklaard: de jongen rijdt weg en komt vervolgens terug voor het terras staan dreigen. U vraagt mij wat er daarna gebeurde. De verdachte rijdt weg, [aangever] loopt erachteraan en pakt de deur vast. De verdachte rijdt weg, maakt een bocht naar rechts waar [aangever] de deur los laat en achterblijft. De verdachte maakt een scherpe bocht en rijdt er volop in.’Ik lees daarin geen enkele twijfel en de verklaring is ook accuraat als we kijken naar camerabeelden.
Hoe de positie van het slachtoffer was op het moment van de impact vind ik uiteindelijk niet heel relevant omdat ik inderdaad gezien heb dat daar verschillende getuigen wisselend over verklaren. Het voertuig was in ieder geval een wapen, waarmee met grote snelheid is ingereden op een kwetsbare voetganger. Of het slachtoffer helemaal met zijn rug naar de auto toe stond of niet, vind ik niet van belang voor de bewezenverklaring, maar gelet op het pleidooi meen ik toch dat het op mijn weg ligt om een voorwaardelijke vordering aan het hof te doen. Indien uw hof zou vinden dat onvoldoende duidelijk is hoe de positie van het slachtoffer was op het moment van de impact, dan zou een forensisch medisch deskundige kunnen worden benoemd om zich uit te laten over de toedracht van het letsel. De aarzeling die ik heb benoemd betreft uitsluitend de verklaring van [getuige 1] bij de rechter-commissaris en de verklaring van de verdachte. Ik heb ook willen zeggen dat ik verwonderd was over de opmerking van de verdachte tegen zijn broer dat die auto daar al een week stond. Dat maakt zijn verklaring wat mij betreft heel onbetrouwbaar. Ik heb heel duidelijk een splitsing gemaakt tussen het eerste incident op het terras en hetgeen daarna is voorgevallen. Ik handhaaf mijn vordering.”
3.6
De raadsman dupliceert:
“Door de benadeelde partij werd mij gevraagd om het dossier logisch te benaderen en dat vraag ik ook aan hem. Ik ga daar verder niet op reageren, maar wel op hetgeen de advocaat-generaal betoogt. Ik begrijp waarom niet alle getuigenverklaringen door hem zijn benoemd. Ik durf verder te gaan dan dat door te zeggen dat die verklaringen meer zijn dan vaag, maar dat ze tegenstrijdig zijn. [getuige 7] verklaart eerst bij politie dat hij alles heeft gezien, maar later zegt zij dat zij niets gezien heeft maar het wel heeft gehoord. Dat doet iets met de betrouwbaarheid van die getuige en zo zijn er meer getuigen. [getuige 6] zou nu ineens wel betrouwbaar zijn en onafhankelijk. Ik heb bij mijn pleidooi duidelijk naar voren gebracht waarom er minder waarde aan die verklaring moet worden gehecht dan de advocaat-generaal nu doet. [getuige 6] kent de aangever misschien niet persoonlijk, maar hij wordt van tevoren wel duidelijk geïnformeerd over wat er is gebeurd. Op het moment van de botsing staat hij 30-35 meter vanaf de plaats van het incident, maar desondanks zegt hij dat er volop is ingereden op de aangever. Hij zegt dat het ook uit paniek kan zijn geweest, maar hoe zeker is hij dan van zijn zaak? Er zijn zoals de rechtbank overweegt inderdaad objectieve bewijsmiddelen die het verhaal van cliënt voor een groot deel bevestigen. Daarnaast zijn er ook objectieve bewijsmiddelen die zijn verhaal bevestigen zoals de schade aan het voertuig. Er was geen sprake van een frontale botsing met de voorzijde van het voertuig en het slachtoffer die op dat moment al dan niet gebukt stond. Het kan worden uitgesloten dat vanaf de voorzijde van de auto volop is ingereden op de aangever zoals [getuige 6] zegt. Er is namelijk uitsluitend schade aan de passagierszijde van het voertuig geconstateerd waar ook de spiegelkap zat en dat kan gewoon niet bij een frontale botsing.”
Beoordeling van de middelen
3.7
Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren. Dat is anders in een aantal specifiek gevallen, onder meer wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. De nadere motivering dient in zo’n geval in te houden dat het naar voren gebrachte maar door de rechter niet aanvaarde standpunt in de uitspraak beargumenteerd wordt weerlegd. Hoe ver deze motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. Die motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. De nadere motivering kan ook besloten liggen in de relevante bewijsmiddelen en/of in een aanvullende bewijsmotivering. [1]
3.8
Het hof heeft hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht kennelijk opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, inhoudende dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte [aangever] opzettelijk heeft aangereden. De verdediging heeft aan dat standpunt ten grondslag gelegd dat de verklaringen van de getuigen over het incident niet betrouwbaar zijn, en dat de verklaringen van [aangever] en de getuigen niet stroken met het technische bewijs (het letsel van [aangever] en de schade aan de auto). Het hof heeft vervolgens gemotiveerd uiteengezet waarom het van oordeel is dat wél sprake is van voldoende wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde poging tot doodslag. Uit die motivering blijkt dat het hof de (voor het bewijs gebezigde delen van de) verklaringen van de getuigen betrouwbaar acht, en het door de verdediging geschetste alternatieve scenario (waarin de verdachte zou hebben geprobeerd een trappende/slaande beweging van [aangever] te ontwijken) onaannemelijk.
3.9
Ten aanzien van de toedracht van de aanrijding heeft het hof het volgende vastgesteld. Op 16 augustus 2022 is in de avond bij [B] (een grillroom) een ruzie ontstaan tussen de verdachte en twee onbekend gebleven mannen, waarmee de groep van [aangever] zich op enig moment heeft bemoeid. De verdachte is vervolgens weggegaan en weer teruggekomen om zijn auto, die nog op de parkeerplaats bij [B] geparkeerd stond, op te halen. Daarop is de verdachte weggereden van de parkeerplaats en korte tijd later weer teruggekeerd, naar eigen zeggen om op de door hem gebelde politie te wachten. De verdachte is toen met zijn auto ter hoogte van het terras van [B] tot stilstand gekomen, waar zich op dat moment nog steeds de groep van [aangever] bevond. Door de verdachte en de groep van [aangever] werd over en weer geprovoceerd, waardoor het conflict opnieuw is opgelaaid. Vervolgens is [aangever] achter de auto van de verdachte aangerend. Op enig moment heeft de verdachte toen een 360-graden bocht gemaakt, is in de richting van [aangever] gereden en heeft die [aangever] geraakt met zijn auto.
3.1
Deze door het hof vastgestelde toedracht van de aanrijding vindt steun in de voor het bewijs gebezigde getuigenverklaringen en de verklaring van [aangever] . Hoewel deze verklaringen op onderdelen enige verschillen bevatten, schetsen zij over de toedracht van de aanrijding in grote lijnen eenzelfde beeld: de verdachte brengt zijn auto naast het terras tot stilstand, [aangever] rent wanneer de verdachte weer gaat rijden achter de auto aan (en probeert het portier van de auto open te maken), waarna de verdachte een 360-gradenbocht maakt en inrijdt op [aangever] . Deze gang van zaken – met uitzondering van de aanrijding zelf, die buiten beeld plaatsvindt – wordt bevestigd door de voor het bewijs gebruikte camerabeelden, die zijn beschreven in een proces-verbaal van bevindingen (bewijsmiddel 9). Uit de getuigenverklaringen leidt het hof verder af dat de snelheid waarmee de verdachte op [aangever] is ingereden, voor de situatie ter plaatse (een parkeerplaats) hoog was: de getuigen spreken over piepende banden, een gierende, ronkende dan wel loeiende motor, ‘een peut gas’ en een klap op het moment dat de verdachte [aangever] raakt met zijn auto. Het hof heeft overwogen de verklaringen van de getuigen op dit specifieke punt betrouwbaar te achten, nu de getuigen hun verklaringen spontaan en kort na het incident hebben afgelegd. Zij zijn, aldus het hof, dan ook niet in de gelegenheid geweest om hun verklaringen op dit punt op elkaar af te stemmen.
3.11
Ik meen dat het hof – in het licht van hetgeen ik onder 3.7 heb vooropgesteld – met voornoemde overwegingen voldoende heeft gerespondeerd op het door de verdediging ingenomen standpunt aangaande de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen. Daarbij acht ik van belang dat het hof de verklaringen van de getuigen voornamelijk heeft gebruikt om vaststellingen te doen over de toedracht van het ongeluk (die grotendeels bevestigd wordt door de camerabeelden) en over de snelheid waarmee de aanrijding heeft plaatsgevonden. Op deze punten verklaren de getuigen zoals gezegd op hoofdlijnen eenduidig. Het op de verklaring van [aangever] , getuigenverklaringen en camerabeelden gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte doelbewust met aanmerkelijke snelheid in de richting van [aangever] is gereden en is blijven rijden en hem heeft geraakt, vindt voldoende steun in de bewijsmiddelen en is niet onbegrijpelijk.
3.12
Dat de verdachte het opzet had om [aangever] aan te rijden, leidt het hof af uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen van de verdachte. Het hof stelt vast dat de verdachte op drie momenten de gelegenheid heeft gehad niet terug te keren naar het gedeelte van de parkeerplaats waar [aangever] en zijn groep zich bevonden en de parkeerplaats via een andere weg kon verlaten. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte in plaats daarvan met een aanzienlijke snelheid op [aangever] is afgereden en hem vervolgens met de auto heeft geraakt. De verdachte heeft daarmee zijn auto ingezet als wapen, en op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op de dood van [aangever] , aldus het hof.
3.13
In voornoemde overwegingen ligt besloten dat het hof het scenario dat door de verdediging naar voren is gebracht – namelijk dat de aanrijding is ontstaan doordat [aangever] richting de auto sloeg/trapte en de verdachte deze beweging niet meer kon ontwijken – niet aannemelijk acht. Het alternatieve scenario vindt ook geen verdere steun in het dossier; het technische bewijs dat door de verdediging ter onderbouwing van het alternatieve scenario wordt opgevoerd, dwingt niet tot de conclusie dat het letsel bij [aangever] en de schade aan de auto zijn ontstaan door het maken van een slaande of trappende beweging richting de auto. Het scenario dat de aanrijding is ontstaan door een slag/trap van [aangever] , wordt bovendien weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen: uit de verklaring van [aangever] (bewijsmiddel 3) en de verklaring van [getuige 5] (bewijsmiddel 8) volgt dat [aangever] iets liet vallen en wilde oppakken op het moment dat de auto versnelde en richting [aangever] reed. Een andere getuige, [getuige 1] , verklaart dat [aangever] probeerde de auto te ontwijken. Die omstandigheden laten zich niet rijmen met een scenario waarin [aangever] richting de auto sloeg/trapte. Het door de verdediging ingenomen standpunt, houdende een alternatief scenario, vindt voldoende weerlegging in de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverweging van het hof.
3.14
Beide middelen falen.

4.Slotsom

4.1
Het eerste en het tweede middel falen. Aangezien de middelen betrekking hebben op de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro niet voor de hand. [2]
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
2.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,