ECLI:NL:PHR:2026:242
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over kwalificatie afvalstof en overschrijding redelijke termijn in Wabo-overtreding
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens opzettelijke overtreding van voorschriften uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met betrekking tot de opslag van afvalstoffen in IBC’s. Het hof kwalificeerde de in de IBC’s aanwezige vloeistof, bestaande uit water met blusschuim, als afvalstof, omdat de verdachte zich daarvan zou hebben ontdaan zonder dat sprake was van nuttige toepassing.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het water met blusschuim een afvalstof was, omdat hij het doel had de stoffen te hergebruiken en dus geen voornemen had zich ervan te ontdoen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven en dat het feit dat de vloeistof in IBC’s werd opgeslagen zonder dat er daadwerkelijk iets mee gebeurde, voldoende is om het als afvalstof te kwalificeren.
Daarnaast klaagt de verdachte terecht over de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, waardoor de Hoge Raad ambtshalve strafvermindering toepast. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest van het hof, vermindering van de opgelegde taakstraf en verwerping van het beroep voor het overige.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt deels het arrest van het hof en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn, terwijl het oordeel over de kwalificatie van de vloeistof als afvalstof wordt bevestigd.