Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
veronderstelik – bij gebrek aan de vereiste duidelijkheid in het arrest van het hof – dat ook het hof van die feiten zal zijn uitgegaan. In de gedingstukken in cassatie vind ik geen aanwijzing dat partijen ervan uitgaan dat de feitelijke grondslag in cassatie een andere is. [3] De feiten zoals ik die op basis van mijn veronderstelling aan het vonnis van de rechtbank ontleen, zijn de volgende: [4]
‘Beoordeling constructieve veiligheid Bubbledeckvloer’van 1 maart 2018. Het onderzoek is door ABT uitgevoerd op grond van het Stappenplan 2017. ABT heeft geconcludeerd dat diverse koppelwapening niet voldoet aan het afkeurniveau uit NEN 8700 en dat als rekening wordt gehouden met de werkelijke belasting (die veelal lager is dan de ontwerpbelasting) een aantal vloerdelen niet voldoet aan het afkeurniveau of zelfs niet aan het allerlaagste veiligheidsniveau uit NEN 8700. Ook heeft ABT erop gewezen dat in de vloeren een grote hoeveelheid leidingen is opgenomen, terwijl ABT in de berekeningen niet heeft teruggevonden dat het effect hiervan op de vloer is beschouwd. ABT komt tot de volgende conclusies en aanbevelingen: [9]
maatregelen noodzakelijkop de korte termijn voor de volgende onderdelen
nader onderzoek geadviseerd voor alle vloerenvan de 1e verdieping tot en met het dak, om het effect van de leidingen in de vloer te onderzoeken.’
Problematiek leidingen'van 5 juli 2019. De conclusie van dit rapport luidt als volgt: [10]
'Beoordeling constructieve veiligheid Bubbledeckvloer Stappenplan 2019' van 21 augustus 2019. De conclusie van dit rapport luidt: [11]
'Aanvullende analyse invloed doorgaande bijlegstaven'van 20 september 2019. De conclusie van dit rapport luidt: [12]
ookbewijzen dat het gebouw (i) geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten of (ii) ongeschikt is geraakt dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het bedoeld is, en dat
dit laatsteslechts door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen of voorkomen. (onder 3.7)
Inleiding
Is sprake van instortingsgevaar?
beoogde belastingnog niet vast. Van dergelijke belasting is bovendien in de praktijk geen sprake. Met de genomen maatregelen is zelfs in de ogen van het Waterschap elk mogelijk instortingsgevaar ondervangen. Al met al is hiermee in ieder geval wel onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van instortingsgevaar. (onder 3.48-3.49).
Is het gebouw ongeschikt voor de bestemming waarvoor het bedoeld is, en kan dat ernstige gebrek alleen worden opgeheven door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen?
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
ernstigegebreken geldt op grond van lid 2 onder b een termijn van tien jaar, namelijk als het werk geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten (instortingscriterium) dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is (bestemmingscriterium), en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Volgens het hof doet geen van beide gevallen (instortingsgevaar; ongeschiktheid voor bestemming) zich voor, is dus niet sprake van een ernstig gebrek en moeten vanwege overschrijding van de vijfjaarstermijn de vorderingen van het Waterschap worden afgewezen.
2. De kern van de zaak
3.De beoordeling van het hof
welkepartij hier
watmoet stellen en zo nodig bewijzen. Bij de beantwoording van die vraag is het uitgangspunt dat het pand op 28 november 2008 feitelijk is opgeleverd, en dat het Waterschap een rechtsvordering heeft ingesteld na verloop van vijf jaar sinds het verstrijken van de onderhoudstermijn (twaalf maanden na de feitelijke oplevering), maar net binnen tien jaar (26 november 2019). De bewijslast is dan als volgt verdeeld.
ookbewijzen dat het gebouw (i) geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten of (ii) ongeschikt is geraakt dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het bedoeld is, en dat
dit laatsteslechts door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen of voorkomen.
Als een breedplaatvloer niet geheel aan de eisen volgens NEN 8700 voldoet, wil dit niet zeggen dat de beschouwde breedplaatvloer op het punt van bezwijken staat. Net als bij de eisen voor nieuwbouw gaat NEN 8700 namelijk uit van veiligheidsmarges. Ook speelt mee dat, buiten de ingestorte parkeergarage, er tot nu tot geen andere gebouwen met breedplaatvloeren zijn gevonden waarbij sprake is geweest van lokaal bezwijken of grote constructieve problemen. Dit laat onverlet dat breedplaatvloeren die niet voldoen aan het veiligheidsniveau uit NEN 8700 uiteindelijk dienen te worden versterkt of dat het gebruik van de vloeren moet worden aangepast.”
Hoewel de vloeren al ongeveer 10 jaar naar behoren functioneren, kunnen wij op basis van een puur theoretische beschouwing volgens [het Stappenplan 2017] [27] , de veiligheid niet 100% garanderen.”
Is sprake van instortingsgevaar?
beoogde belastingnog niet vast. Van dergelijke belasting is bovendien in de praktijk geen sprake. Met de genomen maatregelen is zelfs in de ogen van het Waterschap elk mogelijk instortingsgevaar ondervangen. Ter zitting is namelijk bevestigd dat de vloer van het deel dat nu is afgezet, in
onbelastestaat niet aan instortingsgevaar onderhevig is (het in gebruik genomen deel uiteraard ook niet). Dat neemt niet weg dat de maatregelen die ter voorkoming van problemen zijn genomen, wel hebben geleid tot beperking van de gebruiksmogelijkheden van het gebouw. Daarover hierna meer.
ernstigegebreken in lid 2 onder b, waarvoor een tienjaarstermijn geldt. Ook de criteria voor ernstige gebreken stipte ik reeds aan: het werk dreigt geheel of gedeeltelijk in te storten (instortingscriterium), dan wel dreigt ongeschikt te raken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is (bestemmingscriterium), en dit kan slechts worden verholpen of voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen.
niet altijdhet geval behoeft te zijn. [36]
subonderdeel 2.1voert aan dat de bevindingen van ABT waarnaar het hof in rechtsoverweging 3.46 verwijst, zien op de situatie waarin al maatregelen zijn genomen en op het huidig gebruik. De veronderstelling van de klacht is klaarblijkelijk dat het hof de vraag diende te beantwoorden of
zonder maatregelenvan instortingsgevaar sprake zou zijn.
in de praktijksprake was van lokaal bezwijken of grote constructieve gebreken. In plaats daarvan is na decennia sprake van bewezen sterkte van de gekozen constructie. Dat op basis van
rekenkundige modellende conclusie kan worden getrokken dat de vloer niet aan de thans geldende bouwvoorschriften voldoet, is voor het aannemen van instortingsgevaar onvoldoende. Wat het hof met betrekking tot het instortingscriterium overweegt, moet bovendien worden gelezen in verband met wat het in rechtsoverweging 3.7 onder c met betrekking tot de stelplicht en bewijslast had vooropgesteld: het is aan het Waterschap om te bewijzen dat het gebouw geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten.
subonderdeel 2.3is het oordeel van het hof dat geen enkele deskundige ervan uit lijkt te gaan dat instorting een realistisch scenario is, ‘onjuist en onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd’. Het Waterschap verwijst naar zijn stelling in feitelijke aanleg dat [deskundige] enkel berekeningen heeft gemaakt met betrekking tot de eerste verdiepingsvloer.
instortingsgevaaren niet ook iedere individuele stelling waarmee die grondslag door het Waterschap is geadstrueerd.
na getroffen maatregelenook volgens het Waterschap er geen instortingsgevaar resteert.
medeheeft gelet op wat blijkt uit het handelen van het Waterschap in de praktijk. Daarbij heeft het hof klaarblijkelijk het oog op handelen van het Waterschap nádat deskundigen hun onderzoeken hadden uitgevoerd en daarover hadden gerapporteerd.
in de praktijkgeen sprake is geweest van lokaal bezwijken of grote constructieve gebreken in vergelijkbare vloeren (rechtsoverweging 3.45).
onderdeel 3.
alleende omstandigheid dat enkele tientallen werkplekken niet in gebruik zijn, en enkele vloerdelen zijn onderstempeld niet de conclusie rechtvaardigt dat het gebouw ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het is bedoeld, onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Het Waterschap heeft in dit verband namelijk ook aangevoerd dat het gebouw op grond van het Bouwbesluit niet voldoet aan de voorgeschreven constructieve veiligheid en dus niet mag worden gebruikt, tenzij veiligheidsmaatregelen worden getroffen. De gebreken aan de vloer zorgen er, gelet op de publiekrechtelijke normen, dus voor dat het gebruik van het pand als kantoorpand op grond van de geldende regelgeving niet is toegestaan. Het hof is niet op deze stelling ingegaan. Volgens het subonderdeel moet in cassatie (in ieder geval veronderstellenderwijs) worden uitgegaan van de juistheid van dit betoog. Dit betoog kan bijdragen aan de conclusie dat het gebouw ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het volgens de aannemingsovereenkomst is bedoeld. Indien het hof van oordeel is dat het hiervoor aangehaalde betoog niet relevant is voor de beoordeling of het gebouw ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het volgens de aannemingsovereenkomst is bedoeld, dan is dat oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat dit betoog daarvoor wel degelijk relevant is. Voor de uitleg van wat partijen over en weer zijn overeengekomen, kunnen namelijk alle feiten en omstandigheden van het geval relevant zijn. Onder meer de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of andere uitleg en het commerciële doel van de overeenkomst leveren hierbij gezichtspunten op die bij de uitleg moeten worden betrokken. Toepassing van deze gezichtspunten leidt volgens het subonderdeel tot het volgende:
Haviltex-maatstaf). Het hof zou dit hebben miskend door niet op basis van de
Haviltex-maatstaf te beoordelen wat ongeschikt voor de overeengekomen bestemming’ inhoudt.
Haviltex-maatstaf moet worden uitgelegd. Daaraan doet niet af dat die bepaling een set algemene voorwaarden betreft en ook niet dat die algemene voorwaarden door derden zijn opgesteld en aan het publiek met een openbare toelichting zijn gepresenteerd, noch dat de tekst van die algemene voorwaarden in overeenkomsten tussen vele partijen worden gebruikt. Een en ander betekent namelijk nog niet dat bij de uitleg van het beding zoals dat tussen individuele partijen geldt eventuele tussen die individuele partijen gewisselde uitdrukkelijke en stilzwijgende wilsverklaringen en hun redelijke verwachtingen buiten beschouwing zouden mogen blijven. [42]
subonderdeel 3.6iets anders te lezen dan een zuivere herhaling van zetten.
onderdeel 4behoeven geen bespreking.