ECLI:NL:PHR:2026:272

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
25/01379
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 419 lid 3 RvArt. 22 RvArt. 843a RvArt. 81 ROArt. 356 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid aannemer voor gebreken bollenplaatvloeren in kantoorgebouw na instorting parkeergarage

Deze zaak betreft de aansprakelijkheid van ADS als aannemer jegens het Waterschap voor schade door gebreken in bollenplaatvloeren van een kantoorgebouw. Na de instorting van een parkeergarage met soortgelijke vloeren in 2017, liet het Waterschap onderzoeken uitvoeren en nam veiligheidsmaatregelen, waaronder ontruiming van werkplekken.

De rechtbank stelde vast dat sprake was van een gebrek, maar het hof wees de vorderingen af wegens overschrijding van de vervaltermijn van paragraaf 28 lid 2 UAV-GC. Het hof oordeelde dat geen sprake was van een ernstig gebrek, omdat het gebouw niet dreigt in te storten en niet ongeschikt is voor de bestemming, mede gelet op de genomen maatregelen.

De Hoge Raad bevestigt dat het Waterschap onvoldoende heeft bewezen dat sprake is van een ernstig gebrek binnen de betekenis van de UAV-GC. De deskundigenrapporten tonen wel gebreken, maar geen reëel instortingsgevaar. Het hof mocht ook rekening houden met het feit dat het gebouw ondanks beperkingen in gebruik is en dat de vervaltermijn contractueel niet is overschreden. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vorderingen van het Waterschap wegens overschrijding van de vervaltermijn niet-ontvankelijk zijn en wijst het cassatieberoep af.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01379
Zitting20 maart 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
Waterschap Rijn en IJssel
tegen
ADS Groep B.V.
Partijen worden hierna verkort aangeduid als het Waterschap respectievelijk ADS.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak betreft de aansprakelijkheid van ADS als aannemer jegens het Waterschap als opdrachtgever voor schade als gevolg van het gebruik van zogenaamde bollenplaatvoeren in een kantoorgebouw. Na de instorting in 2017 van een in aanbouw zijnde parkeergarage bij Eindhoven Airport, waar ook bollenplaatvloeren zijn gebruikt, heeft het Waterschap (de opdrachtgever) diverse onderzoeken laten uitvoeren naar de constructieve veiligheid van de vloeren van het kantoorgebouw en veiligheidsmaatregelen genomen. Het hof heeft de vorderingen van het Waterschap afgewezen op grond van de vervaltermijn van paragraaf 28 lid 2 UAV-GC.
1.2
De in het principaal cassatieberoep daartegen gerichte klachten van het Waterschap slagen mijns inziens geen van alle. Aan het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep van ADS kom ik niet toe. Mijns inziens kan de zaak door uw Raad met toepassing van art. 81 RO Pro worden afgedaan.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Het arrest van het hof van 14 januari 2025 [1] bevat geen afzonderlijke vaststelling van feiten. Onder 2 (onder het kopje ‘De kern van de zaak’) stelt het hof wel enkele feiten vast, maar die vaststelling is zeer summier en gaat spoedig over in een weergave van het geschil tussen partijen en het procesverloop. De rechtbank heeft in het vonnis van 15 maart 2023 wel afzonderlijk feiten vastgesteld. Het arrest van het hof vermeldt echter niet of het hof zich bij die vaststelling aansluit. Het is al eerder gezegd: [2] een aanpak als die van het hof is onder de maat, omdat zij niet past bij de rolverdeling tussen de rechter die over de feiten oordeelt en de cassatierechter. De Hoge Raad is op grond van art. 419 lid 3 Rv Pro gebonden aan hetgeen in de bestreden uitspraak omtrent de feiten is vastgesteld. De aanpak van het hof roept onduidelijkheid op over wat die door het hof vastgestelde feiten zijn en dus over wat dat is waaraan uw Raad gebonden is. Ik beweer niet dat het hof zijn arrest in de eerste plaats voor de Hoge Raad of mij als A-G zou schrijven. Natuurlijk schrijft het hof in de eerste plaats voor partijen, en het is heel goed mogelijk dat voor partijen een afzonderlijke feitenopsomming niet meteen belangrijk is (ik zeg opzettelijk ‘niet meteen’; vergelijk direct hierna). Een hof maakt echter wel ook deel uit van een systeem dat voorziet in de mogelijkheid van beroep in cassatie met de daarbij behorende rolverdeling tussen het hof als feitenrechter en de Hoge Raad als cassatierechter. Daarom zou een hof mijns inziens wel degelijk een voldoende duidelijke feitenvaststelling tot zijn verantwoordelijkheid moeten rekenen. Niet alleen ten behoeve van de Hoge Raad en mij als A-G, maar óók ten behoeve van partijen. Zodra een partij het instellen van beroep in cassatie overweegt, kan ook zij immers gemakkelijk hinder ervan ondervinden als niet aanstonds duidelijk is welke feiten door het hof zijn vastgesteld en wat dus de feitelijke grondslag in cassatie is.
2.2
Wat zijn de summiere feitelijke vaststellingen zoals die aan het arrest van het hof onder 2 ‘De kern van de zaak’ zijn te ontlenen? Die luiden als volgt:
(a) Het Waterschap heeft in 2007 een aanbesteding gehouden voor de bouw van zijn hoofdkantoor in Doetinchem. ADS deed de winnende aanbieding, waarna tussen partijen op 11 mei 2007 een aannemingsovereenkomst tot stand is gekomen. Bij de realisatie van het gebouw heeft ADS breedplaatvloeren aangelegd met gewichtsbesparende kunststof bollen van het type Bubbledeck (bollenplaatvloeren). Het gebouw is op 28 november 2008 opgeleverd.
(b) Na de instorting in 2017 van de in aanbouw zijnde parkeergarage bij Eindhoven Airport, waar ook bollenplaatvloeren waren aangebracht, is in opdracht van het Waterschap door Ingenieursbureau ABT een onderzoek ingesteld naar de constructieve veiligheid van de vloeren in het gebouw van het Waterschap. Dat heeft ertoe geleid dat begin 2018 rond de veertig werkplekken op de tweede en derde verdieping van de noordvleugel van het gebouw zijn ontruimd.
2.3
Zoals gezegd, de rechtbank heeft wel afzonderlijk feiten vastgesteld en die vaststelling is niet summier. Het hof heeft van de vaststelling door de rechtbank geen afstand genomen en daarom
veronderstelik – bij gebrek aan de vereiste duidelijkheid in het arrest van het hof – dat ook het hof van die feiten zal zijn uitgegaan. In de gedingstukken in cassatie vind ik geen aanwijzing dat partijen ervan uitgaan dat de feitelijke grondslag in cassatie een andere is. [3] De feiten zoals ik die op basis van mijn veronderstelling aan het vonnis van de rechtbank ontleen, zijn de volgende: [4]
Aanbesteding en gunning
(i) Het Waterschap heeft in 2007 een aanbesteding gehouden voor de nieuwbouw van het gebouw.
(ii) ADS heeft op de aanbesteding ingeschreven en deed de winnende aanbieding, waarna het ontwerp (het uitwerken van het definitief ontwerp plus tot een uitvoeringsontwerp) en de realisatie van het gebouw door het Waterschap aan ADS zijn gegund.
Contractuele bepalingen
(iii) De gunning heeft geleid tot een aannemingsovereenkomst tussen partijen d.d. 11 mei 2007 (hierna: ‘de overeenkomst’) waarop de UAV-GC 2005 (hierna: ‘UAV-GC’) van toepassing zijn, met uitzondering van die onderdelen die afwijkend zijn gedefinieerd in de overeenkomst. [5]
(iv) Op grond van artikel 4 van Pro de overeenkomst behoren bij de overeenkomst de volgende contractdocumenten:
1. De Vraagspecificatie, zijnde het Inschrijfdocument met (door partijen genoemde: dwingende bijlagen van 22 november 2006;
2. De Aanbieding van ADS van 27 februari 2007;
3. De memo ‘optimalisaties’ van het Waterschap van 11 mei 2007;
4. De Nota’s van Inlichtingen van het Waterschap;
5. De UAV-GC 2005;
6. De documenten als bedoeld in paragraaf 1 sub d UAV GC, voor zover die door het Waterschap ter kennis zijn gebracht van ADS.
(v) In de overeenkomst is het volgende bepaald:

Artikel 6 Ontwerpwerkzaamheden Pro
1. De Vraagspecificatie is dwingend uitgewerkt op het niveau van een definitief ontwerp plus.
2. In het kader van deze overeenkomst dient de Opdrachtnemer de volgende ontwerpwerkzaamheden te verrichten:
‒ Het uitwerken van het definitief ontwerp plus tot een uitvoeringsontwerp, onder andere bestaande uit het ontwerpen van detailoplossingen binnen de kaders van het definitief ontwerp plus en het vervaardigen van werktekeningen.’

Artikel 13 Bewijslast Pro in geval van gebreken of tekortkomingen
1. Indien na de feitelijke datum van oplevering een gebrek met betrekking tot het gehele Werk aan het licht komt, dient de Opdrachtnemer in afwijking van het bepaalde in § 28, lid 1, sub (a) UAV-GC 2005 te bewijzen dat die gebreken niet te wijten zijn aan zijn schuld, en dat zij evenmin krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komen.’
(vi) In de UAV-GC is het volgende bepaald:
‘Paragraaf 4 Verplichtingen van de Opdrachtnemer
1. De Opdrachtnemer is verplicht de Ontwerp- en Uitvoeringswerkzaamheden zodanig te verrichten dat het Werk op de in de Basisovereenkomst vastgelegde datum van oplevering voldoet aan de uit de Overeenkomst voorvloeiende eisen. Voldoet het Werk niet aan die eisen, dan is er sprake van een gebrek.’
‘Paragraaf 28 Aansprakelijkheid voor gebreken na de feitelijke datum van oplevering
1. Na de feitelijke datum van oplevering is de Opdrachtnemer niet meer aansprakelijk voor gebreken in het Werk of in enig onderdeel daarvan, tenzij:
a. die gebreken te wijten zijn aan zijn schuld, of krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komen, en bovendien
b. de Opdrachtgever voorafgaande aan de oplevering die gebreken niet heeft opgemerkt, en bovendien
c. de Opdrachtgever die gebreken op het tijdstip van de feitelijke datum van oplevering redelijkerwijs niet had moeten ontdekken.
2. De rechtsvordering uit hoofde van een gebrek waarvoor de Opdrachtnemer krachtens lid 1 aansprakelijk is, is niet ontvankelijk indien zij wordt ingesteld na verloop van:
a. vijf jaren na de in lid 1 bedoelde dag, of
b. tien jaren na de in lid 1 bedoelde dag, indien het Werk hetzij geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten hetzij het Werk ongeschikt is geraakt of ongeschikt dreigt te geraken voor de bestemming waarvoor het blijkens de Overeenkomst bedoeld is en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen.
3. (…)
4. Indien in de Vraagspecificatie een onderhoudstermijn is voorgeschreven, treedt voor de toepassing van deze paragraaf de dag na het verstrijken van die termijn in de plaats van de in lid 1 bedoelde dag.’
(vii) In Bijlage 1 behorende bij de overeenkomst is bepaald dat paragraaf 27 lid 2 UAV-GC, die betrekking heeft op de in paragraaf 28 lid 4 UAV-GC bedoelde onderhoudstermijn, vervalt en wordt vervangen door de volgende bepaling:
‘De onderhoudstermijn voor alle onderdelen bedraagt 12 maanden. De onderhoudstermijn gaat terstond in na de feitelijke datum van oplevering.’
(viii) Verder is in de UAV-GC nog het volgende bepaald:
‘Paragraaf 43 In gebreke blijven, onvermogen of overlijden van de Opdrachtnemer
2. Als de Opdrachtgever constateert dat de Opdrachtnemer de op hem rustende verplichtingen niet nakomt of niet zal nakomen en hem deswege in gebreke stelt, zal dat schriftelijk geschieden en zal de Opdrachtgever de Opdrachtnemer daarbij een redelijke termijn stellen om alsnog zijn verplichtingen na te komen (…).’
(ix) Bij het Inschrijfdocument zijn diverse ‘dwingende bijlagen’ opgenomen. In de dwingende bijlage onder '06.01 Vraagspecificatie Nieuwbouw' is het volgende bepaald:
‘De prestatie-eisen voor de hoofddraagconstructie zijn opgenomen in de documenten van [ingenieursbedrijf 1]. De bouwfysische prestatiespecificatie is opgenomen in de map van DGMR.’
(x) In de notitie van [ingenieursbedrijf 1] is het volgende bepaald over de prestatie- eisen voor de hoofddraagconstructie en de uitvoering van de verdiepingsvloeren:
‘2 Eisen met betrekking tot belastingen en vervormingen
Alle constructieve onderdelen van het gebouw dienen te voldoen aan de in het Bouwbesluit, alsmede de in de TGB 1990 (NEN6700-serie) gestelde eisen ten aanzien van belastingen en vervormingen.’
‘11 Verdiepingsvloeren en dakvloer
De verdiepingsvloeren dienen te worden uitgevoerd als een bollenplaatvloer (of gelijkwaardig) met een dikte van maximaal 340 mm. De onderzijde van de vloer wordt vlak uitgevoerd en de vloer wordt voorzien van betonkernactivering ten behoeve van de klimaatbeheersing.
Eisen ten aanzien van belastingen en vervormingen, alsmede gelijkmatig verdeelde veranderlijke vloerbelastingen volgen uit de in dit document omschreven “uitgangspunten voor de veranderlijke vloerbelastingen”, de TGB 1990 (NEN6700-serie).’
(xi) In de 4e Nota van Inlichtingen d.d. 14 februari 2007 (onder Wijzigingen en Aanvullingen op pagina 94 en 95) is paragraaf 28 lid 5 UAV-GC als volgt gewijzigd ten opzichte van hetgeen in dit lid was bepaald in de concept-basisovereenkomst:
‘28-5: de Opdrachtnemer zal garantie verlenen voor onderdelen van het werk. De minimale garantietermijnen voor bouwkundige onderdelen zijn vastgelegd in de prestatie-eisen bouwkundig B-18. De minimale garantietermijn voor alle overige onderdelen is 12 maanden. De onderdelen van het werk zullen aan de Opdrachtgever ter acceptatie worden voorgelegd. Deze garantie zal inhouden dat de garant zich verbindt om voor zijn rekening alle tijdens de garantieperiode optredende gebreken op eerste aanzegging van de Opdrachtgever zo spoedig mogelijk voor eigen rekening te herstellen. De Opdrachtnemer verstrekt de garantie namens de onderaannemer of leverancier aan de Opdrachtgever. Indien deze garantie niet door de onderaannemer of leverancier kan worden verstrekt, wordt een dienovereenkomstige garantie door de Opdrachtnemer verstrekt. Een op grond van deze paragraaf overeengekomen garantie geldt vanaf de realisatie of levering van het onderdeel tot aan oplevering en vanaf oplevering gedurende de periode die geldt voor dat onderdeel. Voor elke garantie zal gebruik worden gemaakt van de model garantieverklaring opgenomen in bijlage 6.14.’
(xii) In het document Prestatie-eisen bouwkundig B-18 d.d. 22 november 2006 van [architect] is het volgende bepaald (zie pagina 5):
‘GARANTIES
Voor de volgende onderdelen wordt een garantie verlangd die moet gelden vanaf het gereedkomen van het onderdeel tot aan de oplevering van het werk en in aansluiting daarop gedurende de vermelde periode.
Gedurende 10 jaar:
- fundering en draagconstructie
- (…)
- geprefabriceerde betonnen onderdelen
- (…)’
(xiii) ADS heeft op 16 december 2008 een garantieverklaring afgegeven die betrekking heeft op het gebouw en waarbij gebruikt is gemaakt van de modelgarantieverklaring die is opgenomen in bijlage 6.14 van het Inschrijfdocument. De tekst van deze garantie, waarvan de garantietermijn is aangevangen op 16 december 2008, luidt als volgt:
‘Naam garant:
Aan de Stegge Bouw en Werktuigbouw [6]
Aan wie de bepaling in bovengenoemd vraagspecificatie bekend zijn, verklaart hiermee ten overstaan van de opdrachtgever, Waterschap Rijn en IJssel, gevestigd te Doetinchem en haar rechtsopvolgers, dat zij alle gebreken, welke van het gereedkomen van het bovenomschreven onderdeel tot aan de oplevering, 28 november 2008, van het werk en in aansluiting daarop gedurende een periode van de in bijgevoegde lijst van 25 februari versie 4 aangegeven jaren aan dit onderdeel gegeven garantie die mochten voorkomen en kennelijk te wijten zijn aan minder goede hoedanigheid of gebrekkige uitvoering op eerste aanzegging van de opdrachtgever of haar rechtsopvolgers zo spoedig mogelijk en voor zijn rekening zal herstellen. Voor overige niet genoemde onderdelen geeft Aan de Stegge een projectgarantie van 12 maanden na oplevering.’
Oplevering / maatregelen vanwege bollenplaatvloeren / aansprakelijkstelling
(xiv) Het gebouw is op 28 november 2008 door ADS aan het Waterschap opgeleverd.
(xv) In het gebouw zijn breedplaatvloeren met gewichtsbesparende kunststof bollen van het type Bubbledeck toegepast.
(xvi) Na de instorting van de parkeergarage bij Eindhoven Airport in 2017 en het verschijnen van het Stappenplan 2017 heeft het Ingenieursbureau ABT B.V. (hierna te noemen: ‘ABT’) in opdracht van het Waterschap een beoordeling uitgevoerd van de constructieve veiligheid van de bollenplaatvloeren in het gebouw. Een eerste inventarisatie van ABT heeft ertoe geleid dat begin 2018 circa 46 werkplekken zijn ontruimd. Deze werkplekken bevonden zich op de tweede en derde verdieping van de noordvleugel van het gebouw.
(xvii) Het Waterschap heeft ADS bij brief van 22 januari 2018 [7] aansprakelijk gesteld voor de opgetreden verborgen gebreken ten aanzien van de toegepaste vloerconstructie in het gebouw. ADS heeft bij brief van 6 februari 2018 [8] aan het Waterschap laten weten dat zij wil meewerken om tot een werkbare oplossing te komen, zonder het (al dan niet bij voorbaat) erkennen van enige aansprakelijkheid.
Onderzoeken van ABT en [deskundige]
(xviii) ABT heeft haar bevindingen over de constructieve veiligheid van de vloeren van het gebouw vastgelegd in het rapport
‘Beoordeling constructieve veiligheid Bubbledeckvloer’van 1 maart 2018. Het onderzoek is door ABT uitgevoerd op grond van het Stappenplan 2017. ABT heeft geconcludeerd dat diverse koppelwapening niet voldoet aan het afkeurniveau uit NEN 8700 en dat als rekening wordt gehouden met de werkelijke belasting (die veelal lager is dan de ontwerpbelasting) een aantal vloerdelen niet voldoet aan het afkeurniveau of zelfs niet aan het allerlaagste veiligheidsniveau uit NEN 8700. Ook heeft ABT erop gewezen dat in de vloeren een grote hoeveelheid leidingen is opgenomen, terwijl ABT in de berekeningen niet heeft teruggevonden dat het effect hiervan op de vloer is beschouwd. ABT komt tot de volgende conclusies en aanbevelingen: [9]
‘Hoewel de vloeren al ongeveer 10 jaar naar behoren functioneren, kunnen wij op basis van een puur theoretische beschouwing volgens het informatiedocument van BZK [hiermee wordt het Stappenplan 2017 bedoeld], de veiligheid niet 100% garanderen.
Concluderend zijn
maatregelen noodzakelijkop de korte termijn voor de volgende onderdelen
• De rood omkaderde vloerdelen zoals aangegeven op de figuren in §10.1
Mogelijke maatregelen (in overleg met de constructeur zijn):
‒ Vloerdelen buiten gebruik stellen
‒ Vloerdelen (lokaal) onderstempelen
‒ Proefbelasten op korte termijn
Daarnaast wordt
nader onderzoek geadviseerd voor alle vloerenvan de 1e verdieping tot en met het dak, om het effect van de leidingen in de vloer te onderzoeken.’
(xix) Naar aanleiding van dit advies van ABT heeft het Waterschap aan ABT de opdracht gegeven om de invloed van leidingen en kanalen ter plaatse van plaatnaden nader te onderzoeken. Dit heeft geleid tot het rapport '
Problematiek leidingen'van 5 juli 2019. De conclusie van dit rapport luidt als volgt: [10]
‘De 2D DIANA modellen laten zien dat de capaciteit ter plekke van een naad met leidingen sterk gereduceerd wordt. (...) Dit is wat we nu zien in het 3D DIANA model. Hieruit blijkt dat bij een belastingfactor van circa 0,55 x UGT-belasting bezwijken wordt geïnitieerd. Door het optreden van normaaltrekspanningen in de interface tussen prefab schil en beton treedt onthechting op nabij de randen van het plaat element, maar vooral ook in de hoeken. De normaalspanningen en schuifspanningen vallen hier terug naar nul. Prefab schil en opstortbeton werken hierdoor niet goed meer samen. Het zijn nu vooral de tralieliggers nabij de naad die worden aangesproken en tot vloeien worden belast. Dit gaat gepaard met scheurvorming die ook achter de tralieliggers doorloopt. Dit terwijl de spanning in de wapening in de prefab schil als ook van de koppelstaven de vloeispanning niet bereikt. Bezwijken treedt uiteindelijk op doordat de tralieliggers tot breuk worden belast. Het uitgangspunt is dat zowel de verankering van de tralie in de schil én de sterkte van de hechtlas zodanig zijn dat de vloeispanning kan worden bereikt.
De resultaten van de 3D DIANA berekening kunnen zodoende gezien worden als een bevestiging van de Bubbledeckproblematiek. De conclusie dat de leidingen dicht bij een naad de capaciteit sterk verminderen wordt met name gebaseerd op de resultaten van de 2D berekeningen. Uitgangspunt is dat een koppelstaaf dan niet of nauwelijks aangesproken kan worden ter plaatse van de leiding. Zodra er dan onthechting bij een naad optreedt, zal de beperkte doorsnede boven de leiding vrijwel direct doorscheuren.’
(xx) Gelet op deze conclusies heeft ABT het Waterschap geadviseerd om versterkingsmaatregelen aan te brengen op locaties waar leidingen parallel aan de plaatnaden zijn gesitueerd.
(xxi) Na het verschijnen van de Rekenregels 2019 heeft ABT in opdracht van het Waterschap de constructieve veiligheid van de breedplaatvloeren opnieuw beoordeeld. Dit heeft geleid tot het rapport
'Beoordeling constructieve veiligheid Bubbledeckvloer Stappenplan 2019' van 21 augustus 2019. De conclusie van dit rapport luidt: [11]
‘Conclusie
In voorliggende rapportage is voor het kantoorpand van Waterschap Rijn en IJssel in Doetinchem bepaald welke naden niet voldoende capaciteit bezitten volgens het stappenplan 2019. Daarnaast zijn in de vloerconstructie leidingen opgenomen die het draagvermogen van de vloeren nadelig beïnvloeden en zorgen voor vroegtijdig bezwijken van de vloer ter plaatse van een voeg.
In dit rapport is onderscheid gemaakt tussen resultaten als gevolg van belastingen conform het oorspronkelijk ontwerp en belastingen volgens het wettelijk minimum (normwaarde). Voor beide gevallen is de conclusie dat een grote hoeveelheid naden niet voldoen aan het vereiste veiligheidsniveau. In Bijlage 8 en Bijlage 9 is aangegeven welke naden niet voldoen vanwege de breedplaatproblematiek en de leidingenproblematiek.
Benadrukt wordt dat de conclusie van dit rapport niet betekent dat er sprake is van acuut gevaar bij het huidige gebruik van het gebouw. Als gevolg van het stappenplan 2017 zijn al diverse werkplekken ontruimd en daarmee is voor de urgente locaties de belasting verlaagd. Ook geeft het delaminatieonderzoek zoals weergegeven in Bijlage 2 geen reden tot extra urgentie.’
(xxii) ABT heeft in deze rapportage ook opgemerkt dat de aanwezige bijlegwapening mogelijk een gunstige werking kan hebben. Het Waterschap heeft ABT vervolgens opdracht gegeven om dit aspect nader te onderzoeken. Dit heeft geresulteerd in het rapport
'Aanvullende analyse invloed doorgaande bijlegstaven'van 20 september 2019. De conclusie van dit rapport luidt: [12]
‘Voor het project Waterschap Rijn & IJssel is middels het programma DIANA een aanvullende analyse uitgevoerd om te bepalen of de aanwezigheid van extra doorgaande bijlegstaven op de plaat kan bijdragen aan de capaciteit van de vloer en daarmee het aantal kritische naden kan verminderen.
Op basis van de resultaten van de berekeningen kan geconcludeerd worden dat de doorgaande bijlegwapening een positieve bijdrage heeft op de momentcapaciteit. De aanwezigheid van de doorgaande bijlegwapening kan echter niet voorkomen dat onthechting van de prefab schil plaatsvindt en dat de tralieliggers worden aangesproken. Vloeien van de tralieliggers treedt nog steeds op voordat vloeien van overige wapening optreedt, echter dit zal afhankelijk van de hoeveelheid doorgaande bijlegstaven bij een significant hogere belasting zijn ten opzichte van de situatie zonder doorgaande bijlegstaven. Hoe meer bijlegstaven zijn toegevoegd, hoe hoger de stijfheid en de capaciteit van de constructie.
Hoewel niet van elke specifieke naad een apart model is gemaakt kan op basis van de resultaten van de huidige modellen in combinatie met engineering judgement in de optiek van ABT het volgende gesteld worden:
 Voor diverse (langsvoeg) naden op de 1e en 2e verdieping die in eerste instantie als kritisch werden beoordeeld volgens het stappenplan 2019 (zie overzichten [Ref. 01]), hoeven deze door de aanwezigheid van doorgaande bijlegstaven (met name met configuraties Ø12-333, Ø12-300 of Ø12-150) niet meer als kritisch te worden aangemerkt voor de situatie met veranderlijke belasting o.b.v. de normwaarde (2,5 kN/m2). Voor de situatie met veranderlijke belasting o.b.v. de ontwerpwaarde (4,0 kN/m2) kunnen minder naden als niet meer kritisch worden aangemerkt.
Dit leidt tot aangepaste plattegronden met minder kritische naden.’
(xxiii) ADS heeft de rapportages van ABT voorgelegd aan [deskundige] (hierna te noemen: ‘[deskundige]’). In april 2021 is een rapportage van [deskundige] verschenen, waarin [deskundige] erop wijst dat bollenplaatvloeren tot aan de instorting van de parkeergarage in Eindhoven gedurende meer dan 25 jaar zonder problemen internationaal zijn toegepast. Het ontwerp, alsmede de detailtekeningen en detailberekeningen wijken volgens [deskundige] niet af van hetgeen in die periode gebruikelijk was. Daarnaast stelt [deskundige] dat er geen scheuren, grote doorbuigingen of andere gebreken in de vloeren zijn geconstateerd. ADS heeft aan [deskundige] gevraagd om de vraag te beantwoorden of er een concreet risico bestaat op (dreigende) instorting van de vloeren. Bij de beantwoording van deze vraag heeft [deskundige] niet de Rekenregels 2019 gebruikt, maar een methode naar eigen inzicht. Het antwoord van [deskundige] luidt als volgt: [13]
‘Om deze vraag te kunnen beantwoorden heb ik de 1e verdieping doorgerekend en me met name geconcentreerd op de locaties die door ABT als rode Bubbledeck problemen zijn aangeduid. Mijn conclusie, naar aanleiding van onderstaand verslag, is dat er geen dreigend instortingsgevaar aanwezig is.’
(xxiv) [deskundige] heeft de belastingresultaten van de door hem beschouwde naden vergeleken met het afkeurniveau uit NEN 8700. Op basis daarvan trekt [deskundige] de conclusie dat alle beschouwde naden voldoen aan dit afkeurniveau, met uitzondering van één naad die over een lengte van 2 meter niet voldoet. Ook heeft [deskundige] zich op het standpunt gesteld dat ABT uitspraken doet over de invloed van de aanwezige leidingen, maar dat het antwoord op de vraag of de leidingen een rol spelen en welke invloed zij hebben samenhangt met hun feitelijke ligging in de vloerconstructie, waartoe nader onderzoek nodig is.
(xxv) Het Waterschap heeft de bevindingen van [deskundige] voorgelegd aan ABT, die daarop heeft gereageerd in een memo van 4 oktober 2021. De samenvatting van de bevindingen van ABT naar aanleiding van het rapport van [deskundige] luidt: [14]
‘Hoewel het Stappenplan 2019 als methode is aangewezen om vloeren te beoordelen, kiest [deskundige] voor een eigen berekeningsmethode. De resultaten van zijn berekeningen doen geen afbreuk aan de conclusies uit de onderzoeken van ABT. Hier en daar zijn kleine verschillen. In sommige gevallen is zijn methode conservatiever dan de methode zoals in het Stappenplan 2019 wordt beschreven en welke door ABT is gevolgd.
Het verschil zit in de wijze waarop de invloed van de doorgaande wapening is verdisconteerd. ABT heeft op basis van de DIANA analyse het volgende onderscheid gemaakt: Alle naden met doorgaande wapening Ø12-300 voldoen aan de normwaarde (afkeur) en hoeven niet versterkt te worden (althans niet i.v.m. breedplaatproblematiek). Alle naden met doorgaande wapening Ø12-300 voldoen niet aan de ontwerpwaarde. Deze naden worden verder niet met de gunstige invloed van de doorgaande wapening beschouwd.
Naden met een geringe overschrijding kunnen door ABT daarom als “te versterken” zijn aangemerkt. Terwijl door [deskundige], ondanks de conservatieve benadering wel een deel van de doorgaande wapening in rekening wordt gebracht. Deze naden kunnen dan net wel voldoen. Juist die naden die door [deskundige] zijn onderzocht betreffen alleen naden met doorgaande staven Ø12-300. Er kan dus inderdaad een verschil zijn ontstaan tussen de resultaten van [deskundige] en die van ABT voor de eerste verdiepingsvloer.
[deskundige] heeft echter slechts een beperkte hoeveelheid naden beschouwd. Hij heeft niet naar de overige verdiepingen zonder de doorgaande staven gekeken. Als de door [deskundige] gehanteerde methode consequent over alle naden wordt doorgezet, dan is zeer waarschijnlijk een groter deel van de naden kritisch en zullen ook met zijn berekeningsmethode aanzienlijk meer versterkingen nodig zijn.
Met betrekking tot de leidingenproblematiek constateert [deskundige] dat hier alleen na gedegen onderzoek een goede conclusie te trekken is. Dit onderschrijven wij, want de kort-door-de-bocht analyse van [deskundige] is niet correct. ABT heeft middels hoogwaardige berekeningen het gedrag van de vloer rond kanalen en leidingen beschouwd, en aangetoond dat deze het draagvermogen ter plaatse van de plaatnaden aanmerkelijk reduceren. Deze kennis is samen met de ligging van kanalen en grotere leidingconcentraties vertaald in de rapportage van de te versterken naden.’
(xxvi) Het Waterschap heeft ABT ook gevraagd of een rekenkundige exercitie afdoende is om vast te stellen of de vloeren in het gebouw wel of niet het in NEN 8700 vereiste veiligheidsniveau behalen en of proefbelasten volgens de Rekenregels 2019 een optie is. ABT beantwoordt deze vragen in haar memo als volgt: [15]
‘Met de toepassing van het Stappenplan 2019 wordt naar onze mening met voldoende aannemelijkheid onderbouwd dat de constructie wel of niet het in de norm vereiste veiligheidsniveau haalt.
Daarmee is geen absolute zekerheid gegeven dat de constructie in werkelijkheid niet sterker of juist minder sterk is. Het blijft een rekenkundige benadering, maar wel een benadering volgens de methode die in de wet (Bouwbesluit) is voorgeschreven, en die voor diezelfde wet dus geldt als afdoende bewijs.
Dankzij deze normen en regels is het niet noodzakelijk om iedere constructie proefondervindelijk te belasten om een uitspraak te doen over de draagkracht.
(…)
ABT heeft in 2018 de mogelijkheid om de draagkracht van de vloeren door proefbelasten aan te tonen onderzocht. Dat is toen gebeurd, omdat het Stappenplan 2017 dit als mogelijke methode noemde om op een alternatieve wijze de draagdracht van de vloer aan te tonen. Het Stappenplan 2017 verwees voor de systematiek hiervan naar NEN 8700. Met die systematiek hebben wij de mogelijkheid tot proefbelasten beschouwd. Als gevolg van de enorme verzwakkingen door grote luchtkanalen en leidingen in de vloer, hadden wij niet het vertrouwen dat de vloer zo sterk is dat deze veel hogere belasting zonder schade kan dragen. Integendeel, wij meenden dat de vloer door die kanalen en leidingen lokaal juist ernstig verzwakt is en dus minder draagvermogen heeft dan waarvoor zij is ontworpen. Zodoende was proefbelasten naar onze mening geen verstandige optie.
In het Stappenplan 2019 wordt eveneens de mogelijkheid van proefbelasting gegeven en in een aparte bijlage toegelicht, maar ook hier wordt verwezen naar dezelfde systematiek van NEN 8700. Er is dus in de wijze van uitvoeren van zo'n proefbelasting niets veranderd. Met het uitwerken van de toetsen volgens het Stappenplan 2019 is voor ons geen aanleiding ontstaan om nu wel tot de overtuiging te komen dat een proefbelasting tot een succesvol resultaat zou kunnen leiden. De uitkomsten van het Stappenplan 2019 laten juist zien dat er meer kritieke naden zijn dan voorheen in het onderzoek van 2017 zijn benoemd. Daarnaast is de leidingproblematiek, die los staat van ieder Stappenplan, onveranderd aanwezig gebleven.’
(xxvii) In een rapportage van 20 februari 2022 heeft [deskundige] gereageerd op enkele standpunten van ABT uit haar memo van 4 oktober 2021. [16] [deskundige] heeft onder meer de vraag opgeworpen met welke kennis ADS had moeten weten dat de vloer structurele fouten bevatte. Het voegdetail waarvan door ABT wordt aangegeven dat deze op basis van een rekenkundige analyse op basis van de Rekenregels 2019 niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet werd volgens [deskundige] namelijk al vele tientallen jaren toegepast.
(xxviii) In een memo van 8 september 2022 heeft ABT hierop als volgt gereageerd: [17]
‘Het bewuste detail van de koppelwapening werd oorspronkelijk alleen toegepast bij kleinere overspanningen van één richting overspannende vloeren. Bij deze vloeren werd alleen een voegnet of werden losse wapeningsstaven over de langsnaden van de platen gelegd om enige spreiding in breedterichting naar een naastgelegen plaat te verzorgen (haaks op de richting van de krachtswerking). De koppelwapening diende oorspronkelijk alleen als (secundaire) verdeelwapening.
Met de komst van de Bubbledeckvloeren zijn de overspanningen aanmerkelijk vergroot en worden de vloeren zodanig ontworpen dat zij hun krachten in twee richtingen afdragen. Hiermee is de functie van de koppelstaven verschoven van verdeelwapening naar hoofdwapening, die wezenlijk is voor de krachtswerking in de vloeren.
De Bubbledeckvloeren vormen een specialistisch product. De fabrikant heeft voorafgaand aan de introductie van dit vloersysteem uitgebreid onderzoek gedaan naar de krachtswerking. Hierbij is echter voor zover wij weten geen bijzondere aandacht besteed aan het bezwijkgedrag van de voeg met koppelwapening, ook al ging deze anders dan voorheen een rol van betekenis in de krachtswerking van een vloer spelen.
Materiaalgedrag en toegepaste mechanica waren in de tijd van de ontwikkeling van het product en in de tijd van het ontwerp van deze specifieke vloer niet anders dan zij nu zijn. Met andere woorden, ook met de kennis van toen had de krachtswerking van dit wezenlijke detail geanalyseerd kunnen worden. Dat had geleid tot een aanpassing van de detaillering. Die analyse is alleen toen niet uitgevoerd, en men is verdergegaan met het detail dat al jaren zo was toegepast, ook al was de functie van de koppelwapening wezenlijk belangrijker geworden. Het is juist op dit onderdeel dat de vloeren van het kantoorgebouw van het Waterschap Rijn en IJssel onvoldoende veilig zijn, en dus versterkt moeten worden.’
2.4
Bij inleidende dagvaarding van 26 november 2019 heeft het Waterschap onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat ADS aansprakelijk is voor de schade die het Waterschap lijdt als gevolg van de geconstateerde gebreken in de vloeren van het gebouw en veroordeling van ADS tot schadevergoeding nader op te maken bij staat.
2.5
Bij tussenvonnis van 15 maart 2023 [18] heeft de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, overwogen dat het Waterschap in beginsel heeft aangetoond dat er sprake is van een gebrek in de zin van paragraaf 4 lid 1 UAV-GC en dat bij de rechtbank behoefte bestaat aan onafhankelijke deskundige voorlichting wat betreft de vraag of sprake is van een ernstig gebrek als bedoeld in paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC. [19] De rechtbank heeft in verband met dit laatste partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten. Vervolgens heeft de rechtbank op verzoek van ADS bij tussenvonnis van 14 juni 2023 [20] tussentijds hoger beroep tegen het vonnis van 15 maart 2023 toegelaten.
2.6
ADS heeft vervolgens hoger beroep ingesteld bij het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden. ADS heeft tevens een exhibitie-incident opgeworpen op grond van art. 22 en Pro 843a Rv (oud). Het Waterschap heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Bij het tussenarrest van 16 januari 2024 [21] heeft het hof de incidentele vorderingen van ADS afgewezen. Bij eindarrest van 14 januari 2025 [22] heeft het hof Arnhem-Leeuwarden het tussenvonnis van 15 maart 2023 vernietigd, de zaak aan zich gehouden [23] en de vorderingen van het Waterschap afgewezen. De dragende overwegingen van het arrest van het hof laten zich als volgt samenvatten:
Het eindoordeel
a. Het hof zal uiteindelijk oordelen dat de vordering van het Waterschap moet worden afgewezen. (onder 3.1)
Uitgangspunten omtrent gebreken en aansprakelijkheid (bewijslast)
b. In de aannemingsovereenkomst is bepaald dat alle constructieve onderdelen van het gebouw dienen te voldoen aan de in het Bouwbesluit, alsmede de in de TGB 1990 (NEN 6700-serie) gestelde eisen ten aanzien van belastingen en vervormingen. (onder 3.2)
c. Op de aannemingsovereenkomst zijn de UAV-GC (2005) van toepassing. In paragraaf 4 lid 1 van die voorwaarden is ADS de verplichting opgelegd de ontwerp- en uitvoeringswerkzaamheden zodanig te verrichten dat het werk op de in de basisovereenkomst vastgelegde datum van oplevering voldoet aan de uit de overeenkomst voortvloeiende eisen. Voldoet het werk niet aan die eisen, dan is sprake van een gebrek. (onder 3.3)
d. AIs het pand eenmaal is opgeleverd, dan verschuift het risico voor gebreken naar de opdrachtgever: op grond van paragraaf 28 lid 1 juncto 4 UAV-GC (en de overeengekomen onderhoudstermijn) geldt dat ADS in beginsel niet meer aansprakelijk is voor gebreken in het werk of onderdelen daarvan na het verstrijken van een jaar vanaf de feitelijke datum van oplevering. (onder 3.4)
e. De opdrachtnemer (ADS) blijft desalniettemin na oplevering aansprakelijk voor gebreken als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
(a) de gebreken zijn te wijten aan haar schuld of komen krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening en
(b) de opdrachtgever (het Waterschap) heeft de gebreken voorafgaand aan de oplevering niet opgemerkt en had die gebreken op het tijdstip van de feitelijke datum van oplevering redelijkerwijs ook niet moeten ontdekken. (onder 3.5)
f. Op grond van paragraaf 28 lid 2 aanhef en onder a en b UAV-GC is een rechtsvordering van het Waterschap echter in sommige gevallen hoe dan ook ‘niet-ontvankelijk’ als deze is ingesteld uit hoofde van een gebrek waarvoor ADS aansprakelijk is. (onder 3.6)
g. De bewijslast is als volgt verdeeld:
(a) Het Waterschap moet onderbouwen (en zo nodig bewijzen) dat sprake is van een gebrek.
(b) Als een gebrek komt vast te staan, dan kan ADS bewijzen dat dit niet is te wijten aan haar schuld, en dat het evenmin krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt.
(c) Als een gebrek komt vast te staan, dan moet het Waterschap
ookbewijzen dat het gebouw (i) geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten of (ii) ongeschikt is geraakt dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het bedoeld is, en dat
dit laatsteslechts door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen of voorkomen. (onder 3.7)
De garantie
h. In aanvulling op paragraaf 28 UAV-GC zijn partijen een als vijfde lid van die paragraaf geformuleerde bepaling overeengekomen die inhoudt dat ADS gedurende 10 jaar garantie verleent voor de funderingen, de draagconstructie en geprefabriceerde betonnen onderdelen. Volgens het Waterschap is sprake van strijdige bepalingen en gaat de UAV-GC voor boven de door het Waterschap voorgeschreven garantieverklaring. Net zomin als de rechtbank volgt het hof het Waterschap in die redenering. Er is geen tegenstrijdigheid. (onder 3.9-3.11)
De bevindingen van de deskundigen: battle of experts
i. Een breedplaatvloer is een betonvloer die bestaat uit meerdere geprefabriceerde breedplaten van zelfverdichtend beton, met daarop zichtbare en doorlopende tralieliggers. Een bollenplaatvloer bevat minder beton en deze weegt aanzienlijk minder dan een traditionele breedplaatvloer. (onder 3.13-3.14).
j. Aan [ingenieursbedrijf 2] is de opdracht gegeven om te komen tot rekenregels voor het beoordelen van constructies van breedplaatvloeren. Dat heeft geleid tot een eerste stappenplan in 2017 en rekenregels die zijn opgenomen in een rapport van 20 mei 2019. Daarin is een nieuw stappenplan opgenomen. Beide partijen gaan uit van dat stappenplan en de daarin opgenomen rekenregels (Rekenregels 2019). (onder 3.15).
k. Als het stappenplan volledig wordt doorlopen, kan de uitkomst zijn dat maatregelen getroffen moeten worden omdat de constructie niet voldoet aan de eisen van NEN 8700 voor bestaande bouw. Die maatregelen kunnen bestaan uit het aanpassen van de belastingen of het versterken van de constructie. Bij vloeren waarbij niet aangetoond kan worden dat kan worden voldaan aan de veiligheid die NEN 8700 vereist, geeft [ingenieursbedrijf 2] in overweging een proefbelasting uit te voeren. Als de vloer bij de vooraf bepaalde grootte van de proefbelasting niet bezwijkt en/of geen schade vertoont die het draagvermogen kan beïnvloeden, kan de vloer alsnog worden beschouwd als voldoende veilig volgens NEN 8700. (onder 3.16)
l. Uit een rapport van [ingenieursbedrijf 2] uit 2019 volgt onder meer dat als een breedplaatvloer niet geheel voldoet aan de eisen volgens NEN 8700, dit niet wil zeggen dat de beschouwde breedplaatvloer op het punt van bezwijken staat. Net als bij de eisen voor nieuwbouw gaat NEN 8700 namelijk uit van veiligheidsmarges. (onder 3.17)
m. De conclusies in een rapport van ABT van 1 maart 2018 zijn dat de koppelwapening niet voldoet aan het afkeurniveau uit NEN 8700 en dat als rekening wordt gehouden met de werkelijke belasting (die veelal lager is dan de ontwerpbelasting) een aantal vloerdelen niet voldoet aan het afkeurniveau of zelfs niet aan het allerlaagste veiligheidsniveau uit NEN 8700. (onder 3.18)
n. ABT acht in 2018 op ‘korte termijn’ maatregelen nodig, zoals buitengebruikstelling van vloerdelen, het onderstempelen van vloerdelen of proefbelastingen. Daarnaast wordt nader onderzoek geadviseerd. (onder 3.19)
o. Na het verschijnen van de Rekenregels 2019 heeft ABT in opdracht van het Waterschap op 21 augustus 2019 opnieuw gerapporteerd over de constructieve veiligheid van de breedplaatvloeren. In dit rapport is onderscheid gemaakt tussen resultaten als gevolg van belastingen conform het oorspronkelijk ontwerp en belastingen volgens het wettelijk minimum (de normwaarde). Voor beide gevallen is de conclusie van ABT dat een grote hoeveelheid naden niet voldoen aan het vereiste veiligheidsniveau. (onder 3.20)
p. ABT heeft in deze rapportage ook opgemerkt dat de aanwezige bijlegwapening mogelijk een gunstige werking kan hebben. Het Waterschap heeft vervolgens opdracht gegeven om dit aspect nader te onderzoeken. Dit heeft geresulteerd in een rapport van 20 september 2019. De conclusie daarvan luidt dat de doorgaande bijlegwapening een positieve bijdrage heeft op de momentcapaciteit. (onder 3.21)
q. ABT heeft in deze rapportage ook opgemerkt dat de aanwezige bijlegwapening mogelijk een gunstige werking kan hebben. Het Waterschap heeft vervolgens opdracht gegeven om dit aspect nader te onderzoeken. Dit heeft geresulteerd in een rapport van 20 september 2019. De conclusie daarvan luidt dat de doorgaande bijlegwapening een positieve bijdrage heeft op de momentcapaciteit. (onder 3.22)
r. Op deze bevindingen is op 4 oktober 2021 door ABT geantwoord dat de resultaten van deze berekeningen geen afbreuk doen aan de conclusies uit de onderzoeken van ABT. Hier en daar zijn kleine verschillen. In sommige gevallen is de methode van [deskundige] conservatiever dan de methode zoals in het Stappenplan 2019 wordt beschreven en welke door ABT is gevolgd. (onder 3.23)
s. Verder merkt ABT op dat met het uitwerken van de toetsen volgens het Stappenplan 2019 er geen aanleiding is ontstaan om nu wel tot de overtuiging te komen dat een proefbelasting tot een succesvol resultaat zou kunnen leiden. De uitkomsten van het Stappenplan 2019 laten juist zien dat er meer kritieke naden zijn dan voorheen in het onderzoek van 2017 zijn benoemd. (onder 3.24)
t. Op 20 februari 2022 heeft [deskundige] de vraag opgeworpen met welke kennis ADS had moeten weten dat de vloer structurele fouten bevatte. Het voegdetail waarvan door ABT wordt aangegeven dat deze op basis van een rekenkundige analyse op basis van de Rekenregels 2019 niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, werd volgens [deskundige] namelijk al vele tientallen jaren toegepast. (onder 3.25)
u. Op 8 september 2022 heeft ABT hierop gereageerd dat de vloeren van het kantoorgebouw op het gebied van de koppelwapening onvoldoende veilig zijn, en dus versterkt moeten worden. (onder 3.26)
Uitgangspunten bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gebrek (de stelplicht van het Waterschap)
v. Het verwijt van het Waterschap komt erop neer dat ADS bij de detaillering van de vloer een fout heeft gemaakt die tot gebruiksbeperkingen en instortingsgevaar heeft geleid. Daarbij gaat het allereerst om de gekozen constructie. Een tweede gebrek waar het Waterschap zich op beroept, betreft de zogenoemde leidingenproblematiek. (onder 3.27)
w. Het hof zal hierna eerst concluderen dat het zogenoemde ‘state-of-the-art-verweer’ van ADS steekhoudend is, maar ook dat desalniettemin sprake kan zijn van een gebrek. (onder 3.28-3.29)
Het state-of-the-art-verweer
x. Volgens ADS is niet sprake van een gebrekkige constructie die krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt. Daarbij gaat zij er net als het Waterschap vanuit dat het Waterschap voorafgaand aan de oplevering die gebreken niet heeft opgemerkt en op het tijdstip van de feitelijke datum van oplevering redelijkerwijs ook niet had moeten ontdekken. (onder 3.29)
y. Het gaat bij dit standpunt om de vraag of de gekozen constructie (dus afgezien van de leidingenproblematiek) op zichzelf voldoende veilig is, in die zin dat geen sprake was van een ernstig gebrek. (onder 3.30)
z. Het hof ziet aanleiding om hier te herhalen dat het op de weg van het Waterschap ligt te bewijzen dat sprake was van een gebrek. In dit specifieke geval wil dat zeggen: een ondeugdelijke constructie, gemeten naar de wettelijke normen, de stand der techniek en de binnen de professionele kring heersende inzichten ten tijde van het maken en uitvoeren van het ontwerp. Het Waterschap heeft hieraan onvoldoende invulling gegeven. De fabrikant heeft voorafgaand aan de introductie van dit vloersysteem uitgebreid onderzoek gedaan naar de krachtswerking. Nergens blijkt uit dat aannemers erop bedacht moesten zijn dat hierbij geen bijzondere aandacht is besteed aan het bezwijkgedrag van de voeg met koppelwapening. Integendeel, de deskundigen zijn het erover eens dat bollenplaatvloeren tot aan de instorting van de parkeergarage in Eindhoven gedurende meer dan 25 jaar zonder problemen internationaal zijn toegepast. Het ontwerp, de detailtekeningen en detailberekeningen van het gebouw wijken niet af van hetgeen in die periode gebruikelijk was. Volgens [deskundige] werd ook het voegdetail dat volgens ABT op basis van een rekenkundige analyse niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet, al tientallen jaren toegepast. (onder 3.31-3.33)
De NEN-norm
aa. Het feit dat de toegepaste constructie decennialang gemeengoed was en als veilig werd gezien, neemt niet weg dat een herbeoordeling na 2017 de conclusie rechtvaardigt dat dat onterecht was. (onder 3.34)
bb. Het Waterschap maakt ADS ook een tweede verwijt: los van het voorgaande heeft ABT er in het rapport van 1 maart 2018 op gewezen dat in de vloeren een grote hoeveelheid leidingen is opgenomen, terwijl ABT in de berekeningen niet heeft teruggevonden dat het effect ervan op de vloer is beschouwd. Het gaat hierbij in de ogen van het Waterschap om detaillering in de uitvoering die voor rekening en risico van ADS komt. Naar aanleiding van dit advies van ABT heeft het Waterschap die adviseur opdracht gegeven de invloed van leidingen en kanalen ter plaatse van plaatnaden nader te onderzoeken. Dit heeft geleid tot het rapport ‘Problematiek leidingen’ van 5 juli 2019. Gelet op de conclusies uit dit rapport heeft ABT geadviseerd om versterkingsmaatregelen aan te brengen op locaties waar leidingen parallel aan de plaatnaden zijn gesitueerd. (onder 3.35-3.36)
cc. [deskundige] heeft hiertegen ingebracht dat ABT uitspraken doet over de invloed van de aanwezige leidingen, maar dat het antwoord op de vraag of de leidingen een rol spelen en welke invloed zij hebben, samenhangt met hun feitelijke ligging in de vloerconstructie, waartoe nader onderzoek nodig is. ABT geeft aan dat zij middels hoogwaardige berekeningen het gedrag van de vloer rond kanalen en leidingen heeft beschouwd, en heeft aangetoond dat deze het draagvermogen ter plaatse van de plaatnaden aanmerkelijk reduceren. De verdere beoordeling van de gestelde gebreken laat het hof rusten, omdat hierna de conclusie zal worden getrokken dat voor toewijzing van de vordering van het Waterschap onvoldoende is dat die gebreken geheel of ten dele komen vast te staan. (onder 3.37-3.39)
De vraag of sprake is van ernstige gebreken

Inleiding
dd. Voor het geval dat van de hiervoor behandelde gebreken al sprake zou zijn, heeft ADS zich op het standpunt gesteld dat de rechtsvordering van het Waterschap uit hoofde van die gebreken niet-ontvankelijk is, omdat het gebouw niet geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten en ook niet ongeschikt is geraakt of dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is – terwijl niet is voldaan aan de voorwaarde dat dit slechts kan worden verholpen of voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. (onder 3.40)
ee. Volgens ADS is geen sprake van instortingsgevaar, en is een gebruiksbeperking geen ernstig gebrek. In dit geval is het gebouw bestemd voor de huisvesting van de personele organisatie van het Waterschap, vergaderruimten voor het bestuur en archief. Zolang deze bestemming kan worden vervuld, kan een ernstig gebrek niet aan de orde zijn, aldus ADS. (onder 3.41)
ff. Het Waterschap heeft de bevindingen van [ingenieursbedrijf 3] bestreden met rapporten van [ingenieursbedrijf 2] en ABT. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat het onverantwoord is een proefbelasting uit te voeren. [ingenieursbedrijf 2] baseert dat vooral op een kosten-batenanalyse. Ook zonder een dergelijk onderzoek staat volgens het Waterschap echter wel vast dat sprake is van (i) dreigende instorting van het gebouw en (ii) een gebruiksbelasting die alleen met aanzienlijke investeringen kan worden opgeheven. Daarom is de vordering volgens het Waterschap zonder nader onderzoek toewijsbaar. (onder 3.42)

Is sprake van instortingsgevaar?
gg. Het Waterschap baseert zich op de rekenkundige beoordelingen van ABT en [ingenieursbedrijf 2], die hebben gewezen op het risico van bros bezwijken (lees: plotseling instorten) van vloeren op de eerste drie verdiepingen als gevolg van delaminatie tot aan de tralieligger. Nu proefbelasten in de ogen van het Waterschap geen optie is, blijft alleen deze beoordeling over. (onder 3.43)
hh. Het hof volgt het Waterschap niet en licht dat hierna toe. Buiten de ingestorte parkeergarage in Eindhoven (waarbij specifieke problemen speelden die hier niet aan de orde zijn) zijn tot nu toe geen andere gebouwen met breedplaatvloeren gevonden waarbij in de praktijk sprake was van lokaal bezwijken of grote constructieve problemen. Volgens [deskundige] is er geen dreigend instortingsgevaar aanwezig en voldoen alle beschouwde naden aan het afkeurniveau, met uitzondering van één naad, die over een lengte van 2 meter niet voldoet. ABT constateert op 5 juli 2019 dat het gebouw bij ongewijzigd gebruik in de oranje categorie valt en daarmee veilig is. [ingenieursbedrijf 2] geeft aan dat het feit dat een breedplaatvloer niet voldoet aan de eisen volgens NEN 8700 niet wil zeggen dat de beschouwde breedplaatvloer op het punt van bezwijken staat. (onder 3.44-3.46).
ii. Het Waterschap zelf lijkt in de praktijk evenmin van enig instortingsgevaar uit te gaan: het pand is sinds de oplevering op enkele ingrepen en beperkingen na gewoon in gebruik genomen, en in de jaarverslagen die na het incident in Eindhoven zijn uitgegeven, wordt benadrukt dat uit de fysieke inspectie en berekeningen blijkt dat geen sprake is van een risico voor het pand als geheel. (onder 3.47).
jj. Op grond van wat hiervoor al is overwogen, staat ook een reëel gevaar van instorting van het nu ongebruikte deel van het gebouw bij de
beoogde belastingnog niet vast. Van dergelijke belasting is bovendien in de praktijk geen sprake. Met de genomen maatregelen is zelfs in de ogen van het Waterschap elk mogelijk instortingsgevaar ondervangen. Al met al is hiermee in ieder geval wel onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van instortingsgevaar. (onder 3.48-3.49).

Is het gebouw ongeschikt voor de bestemming waarvoor het bedoeld is, en kan dat ernstige gebrek alleen worden opgeheven door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen?
kk. Het Waterschap redeneert als volgt: in het Bouwbesluit artikel 2.7 en 2.8 is de NEN 8700 aangewezen om vast te stellen of een bestaande constructie wat betreft de constructieve veiligheid een te laag niveau heeft, zodat het gebruik daarvan niet langer verantwoord is. Indien het vereiste niveau niet wordt gehaald, moeten versterkende maatregelen getroffen worden of het gebruik van het gebouw moet worden gestaakt. (onder 3.50).
ll. Naar het oordeel van het hof is ook aan dit standpunt onvoldoende onderbouwing gegeven. Op zichzelf is denkbaar dat reële maatregelen die moeten worden getroffen om een rekenkundig risico op instorting te elimineren zodanig ingrijpend zijn, dat het pand niet meer als kantoorpand kan worden gebuikt. De praktijk is echter anders. Ook hier is dus onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een ernstig gebrek. (onder 3.51-3.52).
De conclusie
mm. Het hoger beroep van ADS slaagt, dat van het Waterschap niet. Dat leidt tot afwijzing van de vorderingen. Omdat het Waterschap in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof het tot betaling van de proceskosten in hoger beroep en bij de rechtbank veroordelen. (onder 3.53)
2.7
Bij procesinleiding van 12 april 2025 heeft het Waterschap tijdig principaal cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest van het hof van 14 januari 2025. ADS heeft verweer gevoerd in het principaal cassatieberoep en voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest van het hof van 16 januari 2024. In het incidenteel beroep heeft het Waterschap verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten ten aanzien van zowel het principaal cassatieberoep als het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep schriftelijk doen toelichten. Vervolgens heeft het Waterschap gerepliceerd en ADS gedupliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit vijf onderdelen. Het vierde onderdeel behelst enkel een voortbouwklacht.
3.2
Een opmerking vooraf. Het Waterschap heeft bij zijn schriftelijke toelichting een nieuwe productie overgelegd, namelijk een memo van ABT van 1 augustus 2025 betreffende aanvullend onderzoek naar doorbuigingen van verdiepingsvloeren van het kantoor van het Waterschap. Die productie behoort echter niet tot de stukken van het geding in de zin van art. 419 lid 2 Rv Pro. Bij de beoordeling van de klachten kan de nieuwe productie dus geen rol spelen. [24]
3.3
Het Waterschap heeft een verklaring voor recht gevorderd dat ADS aansprakelijk is voor de schade die het lijdt door de geconstateerde gebreken in de vloeren en veroordeling tot schadevergoeding nader op te maken bij staat. Als uitgangspunt is de opdrachtnemer (hier: ADS) op grond van paragraaf 4 lid 9 UAV-GC verantwoordelijk voor elk gebrek dat niet krachtens de wet, de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen aan het Waterschap kan worden toegerekend. Het hof heeft weliswaar overwegingen gewijd aan de vraag of het gebouw gebreken vertoont, maar heeft die vraag uiteindelijk niet definitief beantwoord (rechtsoverweging 3.39). De afwijzing van de vorderingen van het Waterschap berust dan ook niet op een oordeel van het hof omtrent de vraag of sprake is van een gebrek.
3.4
In plaats daarvan berust die afwijzing op het oordeel van het hof dat het beroep van ADS op de vervaltermijn van paragraaf 28 UAV-GC slaagt. Op grond van paragraaf 28 lid 2 aanhef en onder a UAV-GC is de rechtsvordering van het Waterschap niet-ontvankelijk als deze wordt ingesteld na verloop van vijf jaar na het verstrijken van de onderhoudstermijn. Voor
ernstigegebreken geldt op grond van lid 2 onder b een termijn van tien jaar, namelijk als het werk geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten (instortingscriterium) dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is (bestemmingscriterium), en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Volgens het hof doet geen van beide gevallen (instortingsgevaar; ongeschiktheid voor bestemming) zich voor, is dus niet sprake van een ernstig gebrek en moeten vanwege overschrijding van de vijfjaarstermijn de vorderingen van het Waterschap worden afgewezen.
3.5
Onderdeel 1richt zich tegen overwegingen van het hof met betrekking tot de vraag of sprake is van een gebrek. Dat onderdeel laat ik onbesproken. Zoals gezegd: daarop berust de afwijzing door het hof van de vorderingen van het Waterschap niet. [25] Bovendien kom ik hierna tot de conclusie dat de klachten die het Waterschap met de onderdelen 2 en 3 richt tegen hetgeen waarop die afwijzing wél berust, niet slagen. Ook onderdeel 5 slaagt niet.
3.6
Onderdelen 2 en 3richten zich rechtsoverwegingen 2.3, 3.6-3.7, 3.17-3.20 en 3.43-3.52 van het arrest van het hof. Ik haal volledigheidshalve ook rechtsoverwegingen 3.15 en 3.16 aan:

2. De kern van de zaak
(…)
2.3
Na de instorting in 2017 van de in aanbouw zijnde parkeergarage bij Eindhoven Airport, waar ook bollenplaatvloeren waren aangebracht, is in opdracht van het Waterschap door Ingenieursbureau ABT een onderzoek ingesteld naar de constructieve veiligheid van de vloeren in het gebouw van het Waterschap. Dat heeft ertoe geleid dat begin 2018 rond de veertig werkplekken op de tweede en derde verdieping van de noordvleugel van het gebouw zijn ontruimd. Het Waterschap heeft ADS op 22 januari 2018 aansprakelijk gesteld voor de schade die het gevolg is van een volgens haar gebrekkige vloer, en heeft op 14 mei 2019 het verzoek gedaan om te laten weten of ADS tot herstel bereid was. Daarop heeft ADS afwijzend gereageerd. Partijen zijn uiteindelijk wel in overleg getreden, maar zijn niet tot een minnelijke regeling gekomen. Daarna heeft het Waterschap ADS op 26 november 2019 gedagvaard.
(…)

3.De beoordeling van het hof

(…)
Uitgangspunten omtrent gebreken en aansprakelijkheid (bewijslast)
3.6
Op grond van paragraaf 28 lid 2 aanhef en onder a en b UAV-GC is een rechtsvordering van het Waterschap echter in sommige gevallen hoe dan ook ‘niet-ontvankelijk’ als deze is ingesteld uit hoofde van een gebrek waarvoor ADS aansprakelijk is. Voor het geval dat die rechtsvordering wordt ingesteld tussen vijf en tien jaar na het verstrijken van de onderhoudstermijn, is dat aan de orde als het werk niet (iia) geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten en evenmin (iib) ongeschikt is geraakt dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is, en dit slechts kan worden verholpen of kan worden voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Als een van deze situaties zich wel voordoet, spreken partijen over een ernstig gebrek.
3.7
De vraag is dan
welkepartij hier
watmoet stellen en zo nodig bewijzen. Bij de beantwoording van die vraag is het uitgangspunt dat het pand op 28 november 2008 feitelijk is opgeleverd, en dat het Waterschap een rechtsvordering heeft ingesteld na verloop van vijf jaar sinds het verstrijken van de onderhoudstermijn (twaalf maanden na de feitelijke oplevering), maar net binnen tien jaar (26 november 2019). De bewijslast is dan als volgt verdeeld.
a) Het Waterschap moet onderbouwen (en zo nodig bewijzen) dat sprake is van een gebrek. Komt dat niet vast te staan, dan is een beroep op de gebrekenregeling niet mogelijk;
b) ls een gebrek komt vast te staan, dan kan ADS bewijzen dat dit niet is te wijten aan haar schuld, en dat het evenmin krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor haar rekening komt. In overeenstemming met de wettelijke regeling (en in afwijking van de UAV-GC) zijn partijen deze bewijsregel expliciet overeengekomen [26] ;
c) Als een gebrek komt vast te staan, dan moet het Waterschap
ookbewijzen dat het gebouw (i) geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten of (ii) ongeschikt is geraakt dan wel ongeschikt dreigt te raken voor de bestemming waarvoor het bedoeld is, en dat
dit laatsteslechts door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kan worden verholpen of voorkomen.
(…)
De bevindingen van de deskundigen; battle of the experts
(…)
3.15
Het instorten van de garagevloer op Eindhoven Airport vormde voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aanleiding om te onderzoeken of bestaande bouwwerken met breedplaatvloeren voldoende veilig zijn. Daartoe is aan [ingenieursbedrijf 2] de opdracht gegeven om te komen tot rekenregels voor het beoordelen van constructies met dergelijke vloeren. Dat heeft geleid tot een eerste stappenplan in 2017 en rekenregels die zijn opgenomen in een rapport van 20 mei 2019. Daarin is een nieuw stappenplan opgenomen. Beide partijen gaan uit van dat stappenplan en de daarin opgenomen rekenregels (Rekenregels 2019).
3.16
Als het stappenplan volledig wordt doorlopen, kan de uitkomst zijn dat maatregelen getroffen moeten worden omdat de constructie niet voldoet aan de eisen van NEN 8700 voor bestaande bouw. Die maatregelen kunnen bestaan uit het aanpassen van de belastingen of het versterken van de constructie. Bij vloeren waarbij niet aangetoond kan worden dat kan worden voldaan aan de veiligheid die NEN 8700 vereist, geeft [ingenieursbedrijf 2] in overweging een proefbelasting uit te voeren. Als de vloer bij de vooraf bepaalde grootte van de proefbelasting niet bezwijkt en/of geen schade vertoont die het draagvermogen kan beïnvloeden, kan de vloer alsnog worden beschouwd als voldoende veilig volgens NEN 8700. [ingenieursbedrijf 2] veronderstelt hierbij wel dat hiermee niet de discussie is afgerond over de constructieve veiligheid van breedplaatvloeren en de manier waarop deze veiligheid kan worden beoordeeld. Nieuw verkregen onderzoeksresultaten en daarop gebaseerde nieuwe inzichten zullen naar verwachting in de toekomst aanpassing of vervanging van de Rekenregels 2019 tot gevolg hebben. Daarbij wordt verwezen naar onderzoek van TNO, dat een model heeft ontwikkeld waarmee het mogelijk is om tot oordeelsvorming te komen onder welke omstandigheden de vloeren als voldoende betrouwbaar gezien kunnen worden en onder welke omstandigheden dit niet het geval is. Dit model kan momenteel nog niet in de praktijk worden toegepast, omdat TNO voor de praktische toepassing ervan nog bezig is met de ontwikkeling van een stappenplan.
3.17
In het rapport uit 2019 staat verder onder meer het volgende:

Als een breedplaatvloer niet geheel aan de eisen volgens NEN 8700 voldoet, wil dit niet zeggen dat de beschouwde breedplaatvloer op het punt van bezwijken staat. Net als bij de eisen voor nieuwbouw gaat NEN 8700 namelijk uit van veiligheidsmarges. Ook speelt mee dat, buiten de ingestorte parkeergarage, er tot nu tot geen andere gebouwen met breedplaatvloeren zijn gevonden waarbij sprake is geweest van lokaal bezwijken of grote constructieve problemen. Dit laat onverlet dat breedplaatvloeren die niet voldoen aan het veiligheidsniveau uit NEN 8700 uiteindelijk dienen te worden versterkt of dat het gebruik van de vloeren moet worden aangepast.”
3.18
De eerste beoordeling van de constructieve veiligheid van de bollenplaatvloeren door ABT in opdracht van het Waterschap is uitgevoerd op grond van het Stappenplan 2017. De conclusies in een rapport van 1 maart 2018 zijn op dat moment dat de koppelwapening deels niet voldoet aan het afkeurniveau uit NEN 8700 en dat als rekening wordt gehouden met de werkelijke belasting (die veelal lager is dan de ontwerpbelasting) een aantal vloerdelen niet voldoet aan het afkeurniveau of zelfs niet aan het allerlaagste veiligheidsniveau uit NEN 8700:

Hoewel de vloeren al ongeveer 10 jaar naar behoren functioneren, kunnen wij op basis van een puur theoretische beschouwing volgens [het Stappenplan 2017] [27] , de veiligheid niet 100% garanderen.”
3.19
ABT acht in 2018 ‘op korte termijn’ maatregelen nodig, zoals buitengebruikstelling van vloerdelen, het onderstempelen van vloerdelen of proefbelastingen. Daarnaast wordt nader onderzoek geadviseerd. Dit advies heeft geresulteerd tot de in rechtsoverweging 2.3 al genoemde ontruiming van ronde de 40 werkplekken op de tweede en derde verdieping van de noordvleugel van het gebouw.
3.2
Na het verschijnen van de Rekenregels 2019 heeft ABT in opdracht van het Waterschap op 21 augustus 2019 opnieuw gerapporteerd over de constructieve veiligheid van de breedplaatvloeren. In dit rapport is onderscheid gemaakt tussen resultaten als gevolg van belastingen conform het oorspronkelijk ontwerp en belastingen volgens het wettelijk minimum (de normwaarde). Voor beide gevallen is de conclusie van ABT dat een grote hoeveelheid naden niet voldoen aan het vereiste veiligheidsniveau. Opnieuw wordt daarbij benadrukt dat dit niet betekent dat sprake is van acuut gevaar bij het huidige gebruik van het gebouw: “Als gevolg van het stappenplan 2017 zijn al diverse werkplekken ontruimd en daarmee is voor de urgente locaties de belasting verlaagd."
(…)
De vraag of sprake is van ernstige gebreken
(…)
-
Is sprake van instortingsgevaar?
3.43
Het Waterschap baseert zich op de rekenkundige beoordelingen van ABT en [ingenieursbedrijf 2], die hebben gewezen op het risico van bros bezwijken (lees: plotseling instorten) van vloeren op de eerste drie verdiepingen als gevolg van delaminatie tot aan de tralieligger. Nu proefbelasten in de ogen van het Waterschap geen optie is, blijft alleen deze beoordeling over. Die zijn echter wel verricht conform stappenplan 2019, en daaruit volgt dat het gebouw niet voldoet aan het afkeurniveau dat is vastgelegd in NEN 8700. In de ogen van de wetgever is daarmee sprake van een vanuit maatschappelijke veiligheid onacceptabele hoge kans dat het gebouw bezwijkt. Daarmee is volgens van het Waterschap voldaan is aan het criterium "dreigt in te storten" uit par. 28-2 onder b UAV-GC. Het gebouw wordt wel gebruikt, maar dat gebeurt in goed overleg met deskundigen, na het onderstempelen van vloerdelen en gedeeltelijke ontruiming.
3.44
Het hof volgt het Waterschap hierin niet en licht dat hierna toe.
3.45
Buiten de ingestorte parkeergarage in Eindhoven (waarbij specifieke problemen speelden die hier niet aan de orde zijn) zijn tot nu toe geen andere gebouwen met breedplaatvloeren gevonden waarbij in de praktijk sprake was van lokaal bezwijken of grote constructieve problemen. In de woorden van TNO: na decennia is sprake van bewezen sterkte van de gekozen constructie. Voor dit gebouw in het bijzonder geldt dat het met enige beperking al sinds de oplevering in 2008 in gebruik is, en dat al die jaren geen scheuren, grote doorbuigingen of andere gebreken in de vloeren zijn geconstateerd. Delaminatie vindt volgens [deskundige] bovendien altijd wel plaats, zonder dat dat de degelijkheid van de constructie hoeft aan te tasten. Al met al geven de bevindingen van de deskundigen – ook die van ABT – onvoldoende aanleiding tot zorg op dat punt. Weliswaar is verdedigbaar dat op basis van rekenkundige modellen de conclusie kan worden getrokken dat de vloer niet aan de thans geldende bouwvoorschriften voldoet, en ook al is daadwerkelijk sprake van delaminatie, daar staat tegenover dat geen enkele deskundige ervan lijkt uit te gaan dat instorting een realistisch scenario is.
3.46
[deskundige] is hierover het meest uitgesproken: volgens hem is geen dreigend instortingsgevaar aanwezig en voldoen alle beschouwde naden aan het afkeurniveau, met uitzondering van één naad, die over een lengte van 2 meter niet voldoet. Op 5 juli 2019 kwam ABT tot dezelfde conclusie: “Bij ongewijzigd gebruik valt de vloer in de oranje categorie en is daarmee veilig”. [ingenieursbedrijf 2] schrijft: “Als een breedplaatvloer niet geheel aan de eisen volgens NEN 8700 voldoet, wil dit niet zeggen dat de beschouwde breedplaatvloer op het punt van bezwijken staat”. Ook ABT benadrukt op 21 augustus 2019 nog dat de conclusie dat een grote hoeveelheid naden niet voldoet aan het vereiste veiligheidsniveau niet betekent dat sprake is van acuut gevaar bij het huidige gebruik van het gebouw.
3.47
Het Waterschap zelf lijkt in de praktijk evenmin van enig instortingsgevaar uit te gaan: het pand is sinds de oplevering op enkele ingrepen en beperkingen na gewoon in gebruik genomen, en in de jaarverslagen die na het incident in Eindhoven zijn uitgegeven, wordt benadrukt dat uit de fysieke inspectie en berekeningen blijkt dat geen sprake is van een risico voor het pand als geheel; “Wel zijn er in het pand enkele specifieke plekken die in theorie niet aan de geldende normen voldoen bij de huidige betasting. Dit wil niet zeggen dat deze plekken onveilig zijn: het pand heeft zich immers al 9 jaar bewezen!”
3.48
Op grond van wat hiervoor al is overwogen, staat ook een reëel gevaar van instorting van het nu ongebruikte deel van het gebouw bij de
beoogde belastingnog niet vast. Van dergelijke belasting is bovendien in de praktijk geen sprake. Met de genomen maatregelen is zelfs in de ogen van het Waterschap elk mogelijk instortingsgevaar ondervangen. Ter zitting is namelijk bevestigd dat de vloer van het deel dat nu is afgezet, in
onbelastestaat niet aan instortingsgevaar onderhevig is (het in gebruik genomen deel uiteraard ook niet). Dat neemt niet weg dat de maatregelen die ter voorkoming van problemen zijn genomen, wel hebben geleid tot beperking van de gebruiksmogelijkheden van het gebouw. Daarover hierna meer.
3.49
Al met al is hiermee in ieder geval wel onvoldoende aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van instortingsgevaar.’
3.7
Vooraf kort enkele opmerkingen over de UAC-GC en in het bijzonder de vervaltermijn van paragraaf 28.
3.8
De UAV (meest recent de UAV 2012, versie 2025) gelden als de meest gebruikte set algemene voorwaarden in Nederland voor aanneming van werk onder directievoering. [28] Partijen zijn echter niet de toepasselijkheid van de UAV maar die van de UAV-GC overeengekomen. De UAV-GC (meest recent de UAV-GC 2025) zijn door de opstellers bedoeld om te worden toegepast op bouwprojecten waar ontwerp en uitvoering samenkomen. [29]
3.9
Paragraaf 28 UAV-GC 2005, in hoge mate gelijk aan paragraaf 12 UAV 2012, ziet op de aansprakelijkheid van de opdrachtnemer voor gebreken na feitelijke oplevering of, indien er een onderhoudstermijn is overeengekomen (zoals hier), na afloop van de onderhoudstermijn.
3.1
Het uitgangspunt van paragraaf 28 lid 1 UAV-GC 2005 is dat de opdrachtnemer na de feitelijke datum van oplevering respectievelijk de onderhoudstermijn niet meer aansprakelijk is voor gebreken in het werk of enig onderdeel daarvan. Op dit uitgangspunt geldt volgens paragraaf 28 lid 1 een uitzondering onder drie cumulatieve voorwaarden. [30] Die voorwaarden zijn dat (a) sprake is van gebreken die te wijten zijn aan zijn schuld, of krachtens wet, rechtshandeling of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komen; (b) de opdrachtgever voorafgaand aan de oplevering die gebreken niet heeft opgemerkt; (c) de opdrachtgever die gebreken op het tijdstip van de feitelijke datum van oplevering redelijkerwijs niet had moeten ontdekken. Ik merk op dat partijen met betrekking tot voorwaarde (a) op de UAV-GC hebben gevarieerd met artikel 13 van Pro de overeenkomst, in de zin dat het aan de opdrachtnemer is om te bewijzen dat de gebreken niet te wijten zijn aan zijn schuld en evenmin voor zijn rekening komen (hiervoor 2.3 onder v). Het hof geeft zich hiervan rekenschap in rechtsoverweging 3.7 onder b.
3.11
Zoals hiervoor ‎3.4 reeds aangestipt, is op grond van paragraaf 28 lid 2 aanhef en onder a UAV-GC de rechtsvordering van de opdrachtnemer niet-ontvankelijk als deze wordt ingesteld na verloop van vijf jaar na het verstrijken van de onderhoudstermijn, met een uitzondering voor
ernstigegebreken in lid 2 onder b, waarvoor een tienjaarstermijn geldt. Ook de criteria voor ernstige gebreken stipte ik reeds aan: het werk dreigt geheel of gedeeltelijk in te storten (instortingscriterium), dan wel dreigt ongeschikt te raken voor de bestemming waarvoor het blijkens de overeenkomst bedoeld is (bestemmingscriterium), en dit kan slechts worden verholpen of voorkomen door het treffen van buitengewone en zeer kostbare voorzieningen.
3.12
Ik sprak van ‘vervaltermijnen’ en bedoel daarmee termijnen die door de opdrachtnemer kunnen worden ingeroepen en in dat geval tot contractuele niet-ontvankelijkheid van de opdrachtgever leiden. De toelichting op UAV-GC 2005 spreekt van ‘verjaringstermijnen’, maar dat klopt niet met de tekst van paragraaf 28. De literatuur gaat uit van contractuele processuele vervaltermijnen [31] en ook de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen (voorheen: Raad van Arbitrage voor de Bouw) doet dat. [32] Thans spreekt de toelichting op paragraaf 28b-1 UAV-GC 2025 wel ook over vervaltermijnen. Achtergrond van deze vervaltermijnen is de overtuiging bij de opstellers van de UAV en de UAV-GC dat de wettelijke verjaringstermijn van twintig jaar na oplevering van art. 7:761 lid 2 BW Pro niet past bij de huidige praktijk in Nederland en andere West-Europese landen. [33] De vervaltermijnen hebben tot gevolg dat aan die wettelijke verjaringstermijn niet meer wordt toegekomen.
3.13
In dit geval heeft het Waterschap een rechtsvordering ingesteld tussen de vijf en tien jaar na het verstrijken van de onderhoudstermijn en dus komt het erop aan of aan het instortings- dan wel het bestemmingscriterium is voldaan. Wanneer een van beide het geval is, is sprake van een ernstig gebrek en geldt de tienjaars- in plaats van de vijfjaarstermijn, met als gevolg dat de rechtsvordering van het Waterschap niet is vervallen.
3.14
Volgens de toelichting op de UAV-GC 2005 is het instortingscriterium ontleend aan art. 7A:1645 BW (oud). [34] Deze bepaling hield in dat als een gebouw, voor een bepaalde prijs aangenomen en afgemaakt, geheel of gedeeltelijk vergaat door een gebrek in de samenstelling, of zelfs uit hoofde van de ongeschiktheid van de grond, de bouwmeesters en aannemers daarvoor gedurende tien jaren aansprakelijk zijn. Volgens rechtspraak van de Raad van Arbitrage in Bouwgeschillen met betrekking tot art. 7A:1645 BW (oud) valt onder ‘vergaat’ mede ‘dreigen te vergaan’. [35]
3.15
Waar het instortingscriterium van paragraaf 28 lid 2 aanhef en onder b UAV-GC aansluit bij fysiek gevaar voor het gebouw, sluit het bestemmingscriterium van die bepaling aan bij het gebruik van het gebouw volgens de bestemming. Dat is een andere invalshoek en niet per se meer dan dat. In de toelichting bij UAV-GC 2005 en UAV-GC 2025 is te lezen dat indien is voldaan aan het instortingscriterium in de regel ook zal zijn voldaan aan het bestemmingscriterium, hoewel dit
niet altijdhet geval behoeft te zijn. [36]
3.16
Het slot van de bepaling van paragraaf 28 lid 2 onder b UAV-GC 2005 betreft eventuele voorzieningen om een potentieel ernstig gebrek te verhelpen en geeft een nadere invulling aan zowel het instortings- als het bestemmingscriterium. Ik citeer Chao Duivis, waar zij spreekt over een ernstig gebrek in de zin van paragraaf 12 lid 4 sub b UAV, zoals gezegd gelijk aan paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC: [37]
‘Wat constitueert een ernstig gebrek in de zin van par. 12 lid 4 onder b UAV 2012? Het gebrek kan op twee manieren ernstig zijn: er is sprake van (dreigende) instorting van het gehele werk of een deel ervan dan wel er is sprake van het (dreigend) ongeschikt raken voor de bestemming, waarvoor het blijkens de overeenkomst is bedoeld. In beide gevallen geldt als voorwaarde voor het zijn van een ernstig gebrek, dat het gebrek slechts kan worden verholpen of voorkomen door het treffen van zeer kostbare voorzieningen.’
3.17
Na deze opmerkingen kom ik toe aan de klachten van de onderdelen 2 en 3. Onderdeel 2 ziet op het oordeel van het hof met betrekking tot het instortingscriterium en onderdeel 3 op zijn oordeel met betrekking tot het bestemmingscriterium.
3.18
Mijns inziens kan geen van de klachten van deze onderdelen slagen. De overwegingen van het hof behoren bij uitstek tot het domein van de rechter die over de feiten oordeelt. Onbegrijpelijk zijn die overwegingen mijns inziens niet. Ik werk dit hieronder nader uit.
3.19
De subonderdelen 2.1, 2.2 en 2.3 richten zich tegen het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.46 dat geen enkele deskundige ervan lijkt uit te gaan dat instorting een realistisch scenario is.
3.2
De klacht van
subonderdeel 2.1voert aan dat de bevindingen van ABT waarnaar het hof in rechtsoverweging 3.46 verwijst, zien op de situatie waarin al maatregelen zijn genomen en op het huidig gebruik. De veronderstelling van de klacht is klaarblijkelijk dat het hof de vraag diende te beantwoorden of
zonder maatregelenvan instortingsgevaar sprake zou zijn.
3.21
Deze klacht kan niet slagen omdat het hof (in overeenstemming met de literatuur, hiervoor ‎3.16) uit is gegaan van een uitleg van paragraaf 28 lid 2 onder b UAV-GC volgens welke niet instortingsgevaar zonder meer in aanmerking komt, maar instortingsgevaar dat slechts kan worden verholpen door buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Uitgaande van die uitleg komt wel degelijk ook in aanmerking in hoeverre ná getroffen maatregelen instortingsgevaar bestaat. (Is dat niet het geval dan sluit dat weliswaar niet categorisch uit dat sprake is van een ernstig gebrek, maar dat veronderstelt dan dat de getroffen maatregelen buitengewone en zeer kostbare voorzieningen in de zin van de UAV-GC zijn en daarom moeten worden weggedacht, en trouwens ook nog dat niet met minder vergaande, niet-buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kon worden volstaan.)
3.22
Ik merk ten overvloede op dat het oordeel van het hof met betrekking tot het instortingscriterium op aanzienlijk meer berust dan op de bevindingen van ABT alleen. Belangrijk in de waardering van het hof dunkt mij in het bijzonder wat direct aan de aangevallen overweging voorafgaat, dus in rechtsoverweging 3.45. Buiten de ingestorte parkeergarage in Eindhoven (waarbij volgens het hof specifieke problemen speelden die hier niet aan de orde zijn) zijn tot nu toe geen andere gebouwen met breedplaatvloeren gevonden waarbij
in de praktijksprake was van lokaal bezwijken of grote constructieve gebreken. In plaats daarvan is na decennia sprake van bewezen sterkte van de gekozen constructie. Dat op basis van
rekenkundige modellende conclusie kan worden getrokken dat de vloer niet aan de thans geldende bouwvoorschriften voldoet, is voor het aannemen van instortingsgevaar onvoldoende. Wat het hof met betrekking tot het instortingscriterium overweegt, moet bovendien worden gelezen in verband met wat het in rechtsoverweging 3.7 onder c met betrekking tot de stelplicht en bewijslast had vooropgesteld: het is aan het Waterschap om te bewijzen dat het gebouw geheel of gedeeltelijk dreigt in te storten.
3.23
Subonderdeel 2.2kiest onder a hetzelfde perspectief als het voorgaande subonderdeel: uit de genomen maatregelen zou blijken dat instortingsgevaar bestaat. Die klacht stuit af op wat zojuist is gezegd.
3.24
Voor de klacht onder b geldt welbeschouwd hetzelfde. Het Waterschap beroept zich op zijn stelling dat volgens ABT en [ingenieursbedrijf 2] onverantwoord is om een proefbelasting uit te voeren. Volgens de klacht van het subonderdeel is het oordeel van het hof in het licht van die stelling onvoldoende gemotiveerd. Dat het hof de stelling onder ogen heeft gezien, blijkt uit rechtsoverweging 3.43. Waar het hof mocht uitgaan van de situatie na genomen maatregelen en de zaak op die grond heeft afgedaan, [38] behoefde het op de stelling niet meer in te gaan. In de gedachtegang van het hof is met de genomen maatregelen het instortingsgevaar geweken en resteert vervolgens alleen nog de vraag of de beperking van de gebruiksmogelijkheden van het gebouw die van die maatregelen het resultaat is, betekent dat het gebouw ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het is bedoeld (zie rechtsoverweging 3.48).
3.25
Volgens de klacht van
subonderdeel 2.3is het oordeel van het hof dat geen enkele deskundige ervan uit lijkt te gaan dat instorting een realistisch scenario is, ‘onjuist en onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd’. Het Waterschap verwijst naar zijn stelling in feitelijke aanleg dat [deskundige] enkel berekeningen heeft gemaakt met betrekking tot de eerste verdiepingsvloer.
3.26
Wat de stellers van het middel met ‘onjuist’ anders bedoelen dan met ‘onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd’ is mij niet duidelijk. Mij dunkt vanzelfsprekend dat het oordeel van het hof zuiver feitelijk van aard is en dus alleen voorwerp kan zijn van motiveringsklachten. De verwijzing in het subonderdeel naar art. 24 Rv Pro brengt mij niet op andere gedachten. Ook als waar zou zijn dat het hof een stelling van het Waterschap met betrekking tot het onderzoek van [deskundige] over het hoofd heeft gezien, betekent dit nog niet dat het hof de zaak heeft onderzocht op een andere feitelijke grondslag dan volgens hetgeen het Waterschap aan zijn vordering ten gronde heeft gelegd. Die feitelijke grondslag is in dit verband eenvoudig
instortingsgevaaren niet ook iedere individuele stelling waarmee die grondslag door het Waterschap is geadstrueerd.
3.27
Ook overigens treft het subonderdeel geen doel. De bedoelde beperking in het onderzoek van [deskundige] maakt de waardering van het hof dat volgens geen enkele deskundige instorting een realistisch scenario is, nog niet onvoldoende begrijpelijk. Het hof baseert zich immers ook op de bevindingen van [ingenieursbedrijf 2] en ABT, ook al zijn die minder uitgesproken. Ook los hiervan dunkt mij niet onbegrijpelijk dat het hof ondanks de bedoelde beperking de bevindingen van [deskundige] relevant heeft geacht, omdat (zoals de klacht ook terloops aanduidt) met betrekking tot de eerste verdiepingsvloer een combinatie met de leidingenproblematiek speelt en in de kennelijke gedachtegang van het hof daarom met betrekking tot die vloer de problematiek potentieel het ernstigst is. Ik wijs er in dit verband op dat ook volgens het onderzoek van ABT van 5 juli 2019 de resultaten en inzichten met betrekking tot de eerste verdieping maatgevend zijn en ook ‘geldig’ voor de overige vloeren van het gebouw. [39]
3.28
Subonderdeel 2.4richt zich tegen de overweging van het hof dat het Waterschap in de praktijk evenmin van enig instortingsgevaar lijkt uit te gaan, omdat het pand sinds de oplevering op enkele ingrepen en beperkingen na gewoon in gebruik is genomen en uit de jaarverslagen die na het incident in Eindhoven zijn uitgegeven, volgt dat geen sprake is van een risico voor het pand als geheel. De klacht wijst erop dat het hof heeft vastgesteld dat het Waterschap veiligheidsmaatregelen heeft genomen en betoogt dat daaruit volgt dat het Waterschap wel van instortingsgevaar is uitgegaan.
3.29
Deze klacht lijdt aan hetzelfde gebrek als de klachten van de subonderdelen 2.1 en 2.3. Bij de door het hof gegeven (gangbare) uitleg van paragraaf 28 lid 2 onder b komt wel degelijk in aanmerking dat
na getroffen maatregelenook volgens het Waterschap er geen instortingsgevaar resteert.
3.3
Subonderdeel 2.5richt zich tegen dezelfde overweging en voert aan dat het Waterschap geen deskundige is en dat hetgeen waar het Waterschap vanuit gaat dus niet iets kan zeggen over de vraag of objectief gezien sprake is van een dreigend instortingsgevaar.
3.31
De klacht faalt. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof bij de waardering van het instortingsgevaar (meer precies: van de vraag of het Waterschap heeft voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot het bestaan van instortingsgevaar)
medeheeft gelet op wat blijkt uit het handelen van het Waterschap in de praktijk. Daarbij heeft het hof klaarblijkelijk het oog op handelen van het Waterschap nádat deskundigen hun onderzoeken hadden uitgevoerd en daarover hadden gerapporteerd.
3.32
Subonderdeel 2.6veronderstelt weer dat het bestaan van instortingsgevaar moet worden beoordeeld zonder te letten op inmiddels genomen maatregelen. Ik verwijs naar wat naar aanleiding van de subonderdelen 2.1 en 2.2 is gezegd.
3.33
Subonderdeel 2.7klaagt dat het oordeel van het hof dat het Waterschap onvoldoende heeft aangevoerd om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van instortingsgevaar onjuist en onbegrijpelijk is. Het Waterschap heeft betoogd dat het criterium ‘dreigt in te storten’ uit paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC een waardering van de kans op instorting impliceert. Verder heeft het Waterschap betoogd dat de wetgever heeft bepaald en vastgelegd welke kans op bezwijken zij uit het oogpunt van menselijke veiligheid. Deze kans heeft zich vertaald in een in de NEN 8700 vastgelegd afkeurniveau. Voldoet een gebouw niet aan het afkeurniveau, dan is volgens het subonderdeel de kans op bezwijken dús te groot en is sprake van een als acuut aan te merken onveiligheid welke rechtvaardigt dat het bevoegd gezag ingrijpt indien de gebouweigenaar niet de benodigde maatregelen treft. Nu het gebouw van het Waterschap niet voldoet aan voornoemd afkeurniveau is dús sprake van een in de ogen van de wetgever vanuit maatschappelijke veiligheid onacceptabele hoge kans dat het gebouw bezwijkt. Dáármee is voldaan aan het criterium ‘dreigt in te storten’ uit paragraaf 28 lid 2 onder b UAV-GC. Het hof heeft volgens het subonderdeel niet (voldoende kenbaar) op dit betoog gerespondeerd. Volgens de klacht moet in cassatie (in ieder geval veronderstellenderwijs) worden uitgegaan van de juistheid van dit betoog. Dit betoog kan tot de conclusie leiden dat (i) het criterium ‘dreigt in te storten’ uit paragraaf 28 lid 2 onder b UAV-GC aldus moet worden uitgelegd dat daaraan is voldaan indien een gebouw niet voldoet aan een in NEN 8700 vastgelegd afkeurniveau en (ii) aan dit criterium is voldaan. Door niet op dit betoog in te gaan, miskent het hof volgens het subonderdeel voorts dat het op grond van art. 24 Rv Pro tot taak heeft al hetgeen te beoordelen wat een eisende partij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.
3.34
Het hof heeft de bedoelde stellingen van het Waterschap wel degelijk onder ogen gezien, zoals blijkt uit rechtsoverweging 3.43. Verder geldt weer dat de klachten van het subonderdeel er ten onrechte aan voorbij zien dat het hof mocht letten op de situatie na genomen maatregelen. In wat het hof over die situatie na getroffen maatregelen overweegt, ligt een voldoende gemotiveerde verwerping van de stelling besloten. Ten overvloede merk ik op dat niet bij voorbaat gegeven is dat de logica van de NEN-normen bepalend is voor de uitleg en toepassing van de vervaltermijn van paragraaf 28 lid 2 onder b UAV-GC. De deskundigen in deze zaak lijken er alle van uit te gaan dat de NEN-normen een rekenkundige benadering van de werkelijkheid bieden, die niet per se ook de echte werkelijkheid weerspiegelt. [40] Tegen die achtergrond mocht het hof óók letten op onder meer de werkelijkheid dat afgezien van de parkeergarage in Eindhoven
in de praktijkgeen sprake is geweest van lokaal bezwijken of grote constructieve gebreken in vergelijkbare vloeren (rechtsoverweging 3.45).
3.35
Subonderdeel2.8 bevat een voortbouwklacht die geen bespreking behoeft.
3.36
Ik kom nu toe aan
onderdeel 3.
3.37
Subonderdeel 3.1klaagt dat het oordeel van het hof dat
alleende omstandigheid dat enkele tientallen werkplekken niet in gebruik zijn, en enkele vloerdelen zijn onderstempeld niet de conclusie rechtvaardigt dat het gebouw ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het is bedoeld, onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Het Waterschap heeft in dit verband namelijk ook aangevoerd dat het gebouw op grond van het Bouwbesluit niet voldoet aan de voorgeschreven constructieve veiligheid en dus niet mag worden gebruikt, tenzij veiligheidsmaatregelen worden getroffen. De gebreken aan de vloer zorgen er, gelet op de publiekrechtelijke normen, dus voor dat het gebruik van het pand als kantoorpand op grond van de geldende regelgeving niet is toegestaan. Het hof is niet op deze stelling ingegaan. Volgens het subonderdeel moet in cassatie (in ieder geval veronderstellenderwijs) worden uitgegaan van de juistheid van dit betoog. Dit betoog kan bijdragen aan de conclusie dat het gebouw ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het volgens de aannemingsovereenkomst is bedoeld. Indien het hof van oordeel is dat het hiervoor aangehaalde betoog niet relevant is voor de beoordeling of het gebouw ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het volgens de aannemingsovereenkomst is bedoeld, dan is dat oordeel onjuist, althans onbegrijpelijk, omdat dit betoog daarvoor wel degelijk relevant is. Voor de uitleg van wat partijen over en weer zijn overeengekomen, kunnen namelijk alle feiten en omstandigheden van het geval relevant zijn. Onder meer de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of andere uitleg en het commerciële doel van de overeenkomst leveren hierbij gezichtspunten op die bij de uitleg moeten worden betrokken. Toepassing van deze gezichtspunten leidt volgens het subonderdeel tot het volgende:
a) Het is onaannemelijk dat partijen bedoeld hebben dat van ongeschiktheid van het gebouw voor de bestemming waarvoor het volgens de aannemingsovereenkomst is bedoeld geen sprake zou zijn als de constructie van het gebouw zodanig is dat (i) deze niet (geheel) voldoet aan de in het Bouwbesluit/publiekrechtelijke regelgeving voorgeschreven eisen omtrent constructieve veiligheid en (ii) (ongewijzigd) gebruik van het gebouw in strijd is met deze regelgeving.
b) Het doel van de aannemingsovereenkomst is onder meer dat ADS een gebouw zou opleveren dat qua constructieve veiligheid voldoet aan het Bouwbesluit en andere publiekrechtelijke regelgeving zodat het gebouw niet alleen feitelijk door het Waterschap kan worden gebruikt maar dat het gebruik ook in overeenstemming is met de publiekrechtelijke regelgeving over constructieve veiligheid.
Door niet op dit betoog in te gaan, miskent het hof voorts dat het op grond van art. 24 Rv Pro tot taak heeft al hetgeen te beoordelen wat een eisende partij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd.
3.38
Het subonderdeel kan mijns inziens niet slagen. Uit rechtsoverweging 3.50 blijkt dat het hof deze stellingen van het Waterschap onder ogen heeft gezien. Een voldoende gemotiveerde verwerping ervan ligt besloten in rechtsoverweging 3.51, waar het hof niet onbegrijpelijk zwaar laat wegen dat het gebouw met getroffen maatregelen al jarenlang in de praktijk functioneert als een kantoorgebouw. In dit verband is belangrijk om op te merken dat wat betreft reeds genomen maatregelen in het verband van het bestemmingscriterium iets vergelijkbaars geldt als met betrekking het instortingscriterium (hiervoor ‎3.21). Het hof is in overeenstemming met de literatuur uitgegaan van een uitleg van paragraaf 28 lid 2 onder b UAV-GC volgens welke niet een (dreigende) ongeschiktheid voor de bestemming zonder meer in aanmerking komt, maar een (dreigende) ongeschiktheid voor de bestemming die slechts kan worden verholpen door buitengewone en zeer kostbare voorzieningen. Anders dan het betoog van het Waterschap veronderstelt, komt daarom de situatie na getroffen maatregelen in aanmerking voor de beoordeling of het gebouw geschikt is om overeenkomstig de bestemming te gebruiken. [41] Op een en ander stuit het subonderdeel af.
3.39
Subonderdeel 3.2klaagt dat voor zover het oordeel van het hof in rechtsoverweging 3.51 dat niet is aangevoerd dat het gebruik – ook na 2017 – niet in overeenstemming is met de bestemming waarvoor het is gebouwd aldus moet worden begrepen dat het Waterschap niet heeft aangevoerd dat het gebouw op grond van publiekrechtelijke regelgeving niet mag worden gebruikt, dan is dat oordeel onbegrijpelijk gelet op de stellingen uit subonderdeel 3.1. Deze stellingen kunnen namelijk niet anders worden begrepen dan dat het Waterschap heeft aangevoerd dat het gebouw op grond van publiekrechtelijke regelgeving niet mag worden gebruikt.
3.4
Ook dit subonderdeel lijdt aan het euvel dat het eraan voorbijziet dat het hof mocht letten op het gebruik en toegestaan gebruik ná genomen maatregelen.
3.41
Subonderdeel 3.3lijkt ons een rechtsklacht te presenteren. Het hof zou hebben miskend dat inhoud van de contractuele bepaling van paragraaf 28 lid 2 onder b UAV-GC moeten worden vastgesteld aan de hand van hetgeen de betrokken partijen daaromtrent jegens elkaar hebben verklaard en over en weer uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en redelijkerwijze mochten afleiden (dus de
Haviltex-maatstaf). Het hof zou dit hebben miskend door niet op basis van de
Haviltex-maatstaf te beoordelen wat ongeschikt voor de overeengekomen bestemming’ inhoudt.
3.42
Op zichzelf lijkt mij juist dat de contractuele bepaling zoals die tussen het Waterschap als opdrachtgever en ADS als aannemer geldt, aan de hand van de
Haviltex-maatstaf moet worden uitgelegd. Daaraan doet niet af dat die bepaling een set algemene voorwaarden betreft en ook niet dat die algemene voorwaarden door derden zijn opgesteld en aan het publiek met een openbare toelichting zijn gepresenteerd, noch dat de tekst van die algemene voorwaarden in overeenkomsten tussen vele partijen worden gebruikt. Een en ander betekent namelijk nog niet dat bij de uitleg van het beding zoals dat tussen individuele partijen geldt eventuele tussen die individuele partijen gewisselde uitdrukkelijke en stilzwijgende wilsverklaringen en hun redelijke verwachtingen buiten beschouwing zouden mogen blijven. [42]
3.43
Ik kan echter niet inzien dat uit het arrest van het hof zou blijken dat dit door het hof is miskend. Het subonderdeel verwijst ook niet naar stellingen over tussen het Waterschap en ADS gewisselde verklaringen en redelijke verwachtingen met betrekking tot wat zij met paragraaf 28 lid 2 UAV-GC zijn overeengekomen. In plaats daarvan presenteert het subonderdeel ons een redenering die de wettelijke tekortkomingsregeling tot uitgangspunt neemt en erop neerkomt dat als de prestatie achterblijft bij wat de verbintenis vergt, meer in het bijzonder wat het Waterschap op grond van de aannemingsovereenkomst mocht verwachten, dáármee het werk ongeschikt is geraakt dan wel dreigt te raken voor de bestemming in de zin van paragraaf 28 lid 2 onder b UAV-GC. Die uitleg is niet overtuigend omdat zij het onderscheid tussen gebreken en ernstige gebreken uitwist en zo aan de vervaltermijnen van paragraaf 28 lid 2 UAV-GC hun zin ontneemt. Ten overvloede: ook als de uitleg die het Waterschap aan paragraaf 28 lid 2 UAV-GC geeft wel plausibel zóú zijn, zou dat onvoldoende zijn om te kunnen concluderen dat de uitleg van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.
3.44
Het subonderdeel vervolgt nog met motiveringsklachten, die echter geheel van hetzelfde laken een pak zijn. De uitleg van het hof is niet onbegrijpelijk en wordt dat ook niet alsnog als we óók de uitleg van het Waterschap als een mogelijkheid zouden kunnen zien. [43] (Dat mij dat laatste niet gelukt is, blijkt uit wat ik zojuist naar aanleiding van de rechtsklacht van het subonderdeel heb gezegd.)
3.45
Subonderdeel 3.4klaagt dat het hof een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC. Als uitgangspunt geldt namelijk dat als een pand de contractuele bestemming heeft om als kantoor te worden gebruikt, partijen ervan mogen uitgaan dat deze bestemming voor het gehele pand geldt. Het hof stelt geen omstandigheden vast die een uitzondering op dit uitgangspunt rechtvaardigen. Volgens de klacht valt niet (althans niet zonder nadere motivering) in te zien dat paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC aldus kan worden uitgelegd dat niet aan het criterium van deze paragraaf is voldaan op het moment dat een (aanzienlijk) gedeelte van het gebouw niet volgens de overeengekomen bestemming (kantoorruimte) kan worden gebruikt.
3.46
Mijns inziens is de uitleg van het hof volgens welke het bij het bestemmingscriterium gaat om de geschiktheid voor de bestemming van het gebouw als een geheel, allerminst onbegrijpelijk. Als in verband met noodzakelijke maatregelen een deel van het gebouw niet kan worden gebruikt, speelt de omvang van dat deel uiteraard mee voor de vraag of het gebouw als geheel nog wel volgens de bestemming kan worden gebruikt. Ook het hof is daar echter van uitgegaan. Het oordeel van het hof dat het niet kunnen gebruiken van enkele tientallen werkplekken en de onderstempeling van enkele vloerdelen onvoldoende is om te kunnen aannemen dat het gebouw niet overeenkomstig zijn bestemming kan worden gebruikt omdat immers in het gebouw honderden mensen werken en het Waterschap niet heeft aangevoerd dat die werknemers geen adequate werkplek kunnen vinden, enzovoort, berust op een waardering die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Het subonderdeel faalt.
3.47
Subonderdeel 3.5klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is indien het hof paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC uitlegt dat aan het bestemmingscriterium is voldaan op het moment dat een gedeelte van het gebouw niet als kantoor kan worden gebruikt. Het uitgangspunt in cassatie is dat de bestemming van het gebouw is om als kantoorpand te worden gebruikt. Ook staat in cassatie vast dat het Waterschap veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Daarmee staat vast dat het gebouw voor een gedeelte ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het bedoeld is. Het valt niet in te zien dat de omstandigheid dat het gebouw gedeeltelijk niet kan worden gebruikt de conclusie rechtvaardigt dat het gebouw ongeschikt is voor de bestemming waarvoor het is bedoeld.
3.48
Uit wat naar aanleiding van de voorgaande klachten is gezegd, volgt al wel waarom het subonderdeel moet falen. Niet onbegrijpelijk is dat het hof het bestemmingscriterium betreft op het gebouw als geheel. Ook komt de situatie na genomen maatregelen in aanmerking.
3.49
Het gelukt mij niet om in
subonderdeel 3.6iets anders te lezen dan een zuivere herhaling van zetten.
3.5
De voortbouwklachten van
onderdeel 4behoeven geen bespreking.
3.51
Onderdeel 5klaagt dat voor zover het hof de in het middel opgenomen stellingen uit eerste aanleg niet ambtshalve bij de beoordeling heeft betrokken, het uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof had op grond van de devolutieve werking deze stellingen ambtshalve in zijn oordeelsvorming moeten betrekken.
3.52
Uit het voorgaande volgt dat de bedoelde stellingen door het hof wel degelijk in de beoordeling zijn betrokken, maar voldoende gemotiveerd zijn verworpen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep

De voorwaarde waaronder het incidenteel cassatieberoep is ingesteld, namelijk dat ten minste één van de klachten in het principaal cassatieberoep slaagt, is niet vervuld.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 14 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:186. Overigens kende dit arrest oorspronkelijk de foutieve datum 14 januari 2024. De datum is door het hof in een herstelarrest na een verzoek van ADS op basis van art. 31 Rv Pro veranderd in 14 januari 2025. Zie Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 11 februari 2025, zaaknummer 200.331.601/01 (niet gepubliceerd).
2.A-G De Bock van 4 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:216, onder 1.1-1.12. Korter A-G Valk 30 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:122, onder 2.1.
3.Afgezien van een nieuwe productie door het Waterschap bij schriftelijke toelichting, waarover hierna 3.2.
4.Rb. Noord-Nederland (zittingsplaats Assen) 15 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1083, onder 3.1-3.30.
5.Zie voor de aannemingsovereenkomst dagvaarding, productie 1.
6.Oude naam huidige ADS,
7.Inleidende dagvaarding, productie 4.
8.Inleidende dagvaarding, productie 5.
9.Inleidende dagvaarding, productie 6, p. 25.
10.Inleidende dagvaarding, productie 10, p. 26-27.
11.Inleidende dagvaarding, productie 15, p. 30.
12.Inleidende dagvaarding, productie 13, p. 36.
13.Conclusie van antwoord, productie 5, p. 5.
14.Conclusie van repliek, productie 16, p. 10.
15.Conclusie van repliek, productie 16, p. 1-2.
16.Conclusie van dupliek, productie 10.
17.Pleitnota Waterschap 28 oktober 2022, productie 17, p. 1.
18.Rb. Noord-Nederland (zittingsplaats Assen) 15 maart 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:1083.
19.Het tussenvonnis vermeldt herhaaldelijk paragraaf 27 lid 2 sub b UAV-GC in de context van een ernstig gebrek. Kennelijk is bedoeld paragraaf 28 lid 2 sub b UAV-GC.
20.Rb. Noord-Nederland (zittingsplaats Assen) 14 juni 2023, zaaknummer C/19/135960/HA ZA 21-92 (niet gepubliceerd).
21.Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 16 januari 2024, zaaknummer 200.331.601/01 (niet gepubliceerd).
22.Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Leeuwarden) 14 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:186. In het oorspronkelijke arrest stond als datum 14 januari 2024. Bij een herstelarrest heeft het hof de datum veranderd in 14 januari 2025. Zie voetnoot 1.
23.Evocatie in de zin van art. 356 Rv Pro. Het hof zegt niet met zoveel woorden dat het de zaak aan zich houdt, maar het blijkt uit wat het doet.
24.Vergelijk B.T.M. van der Wiel & M.M. Stolp, in: Van der Wiel (red.),
25.Dat betekent op zichzelf (afgezien van het niet slagen van de onderdelen 3, 4 en 5) niet dat het Waterschap bij de klachten van onderdeel 1 geen belang heeft, want zou vernietiging moeten volgen dan hebben die klachten tot resultaat dat het hof na verwijzing niet gebonden is aan de overwegingen van het hof omtrent de vraag of sprake is van een gebrek. Mij dunkt dat ik in dat geval (wat zich mijns inziens niet voordoet) nog steeds reden heb om de klachten niet behandelen, omdat ik daarmee gemakkelijk het hof na verwijzing voor de voeten zou lopen.
26.Voetnoot in het origineel: Artikel 13 van Pro de aannemingsovereenkomst.
27.Invoeging conform het arrest van het hof,
28.S.J.H. Rutten,
29.S.J.H. Rutten,
30.Toelichting bij Model Basisovereenkomst en UAV-GC 2005, p. 80.
31.S.J.H. Rutten,
32.Zie bijvoorbeeld RvA (eerste aanleg) 26 februari 2019, nr. 36.298, onder 52-54; RvA (hoger beroep) 17 juni 2025, nr. 72.320, onder 38.
33.Toelichting bij Model Basisovereenkomst en UAV-GC 2005, p. 81; Toelichting bij Model Basisovereenkomst en UAV-GC 2025, p. 132 (paragraaf 28b UAV-GC).
34.Toelichting bij Model Basisovereenkomst en UAV-GC 2005, p. 81; Toelichting bij Model Basisovereenkomst en UAV-GC 2025, p. 133 (paragraaf 28b UAV-GC).
35.RvA (eerste aanleg) 17 februari 2009, nr. 28.707, onder 20; RvA (eerste aanleg) 5 februari 2010, nr. 30.203, onder 27; RvA (eerste aanleg) 3 oktober 2012, nr. 33.920, onder 45.
36.Toelichting bij Model Basisovereenkomst en UAV-GC 2005, p. 81; Toelichting bij Model Basisovereenkomst en UAV-GC 2025, p. 133 (paragraaf 28b UAV-GC).
37.M.A.B. Chao Duivis,
38.Of er een reëel gevaar van instorting bestond van het na de maatregelen ongebruikte deel van het gebouw indien uit wordt gegaan van de
39.Inleidende dagvaarding, productie 10, p. 6: ‘Van alle verdiepingsvloeren heeft verdieping 1 de grootste concentratie leidingen t.p.v. bovengenoemde locaties. Deze verdieping is daarom als maatgevend beschouwd. De verkregen resultaten en inzichten zijn daarom ook geldig voor de overige vloeren van het gebouw.’
40.Vergelijk bijvoorbeeld het memo van ABT (hiervoor 2.3 onder xxvi) en het rapport van [ingenieursbedrijf 2], door het hof aangehaald in rechtsoverwegingen 3.17 en (korter) 3.46.
41.Is dat het geval dan sluit dat weliswaar niet categorisch uit dat sprake is van een ernstig gebrek, maar dat veronderstelt dan dat de getroffen maatregelen buitengewone en zeer kostbare voorzieningen in de zin van de UAV-GC zijn en daarom moeten worden weggedacht, en bovendien dat niet met minder vergaande, niet-buitengewone en zeer kostbare voorzieningen kon worden volstaan.
42.Zie H.N. Schelhaas & W.L. Valk,
43.HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1078,