Conclusie
advocaat: S.F. Sagel
advocaat: D. Rijpma
Beschikking volgens Professionele standaard ‘Schrijven’: geen afzonderlijke feitenvaststelling
2. Waar gaat deze zaak over?’ De daar opgenomen rov. 2.1 en 2.2 geven een korte aanduiding van de kern van het geschil, maar bevatten geen opsomming van de vaststaande feiten (de feiten waarover partijen het eens zijn). Hierna volgt het kopje ‘
3. Het oordeel van het hof’, waarbij het hof begint met een samenvatting van de beslissing (rov. 3.1). Vervolgens wordt in rov. 3.2-3.12 de beslissing gemotiveerd, waarbij per onderwerp de standpunten van partijen worden besproken en beoordeeld. In dat kader zijn per onderwerp feitelijke vaststellingen benoemd, verweven met de weergave van de partijstandpunten en de beoordeling van het hof. Bij die verspreid weergegeven feitelijke vaststellingen heeft het hof, eveneens in afwijking van wat gebruikelijk is, geen citaten opgenomen uit relevante producties, zoals bijvoorbeeld een medische rapportage of een brief van de werkgever aan de werknemer, ook niet bij de bespreking en beoordeling van de standpunten.
bestuurlijke omarming’, zoals op het intranet van de landelijke rechtspraak valt te lezen [1] – nog niet op rechtspraak.nl gepubliceerd. [2]
7.4. Weergave van de relevante feiten
- Ook de wet schrijft voor dat de uitspraak vermeldt ‘de gronden van de beslissing, waaronder de feiten waarop de beslissing berust’ (artikelen 230 lid 1, 353 lid 1, 287 lid 1, 362 Rv).
- (10)
- Aanbevolen wordt om de feiten op de volgende wijze te verwerken in de uitspraak:
- a.
- Neem aan het begin van de uitspraak de feiten op die nodig zijn om de essentie van het geschil te kunnen begrijpen. Feiten die voor het begrip van de essentie van het geschil niet van belang zijn, maar wel bij de beoordeling van de zaak, kunnen in latere overwegingen worden opgenomen.
- b.
- Om de uitspraak ook leesbaar te maken voor geïnteresseerden die de uitspraak uit de eerste aanleg niet kennen: neem de feiten die van belang zijn in de uitspraak zelf op en verwijs niet naar de uitspraak van de eerste aanleg.
- c.
- Neem niet automatisch de feitenvaststelling van de eerste rechter ongewijzigd over. Vaak zijn niet alle vastgestelde feiten van belang voor de beoordeling in hoger beroep. Het loont de moeite om te kijken of de feitenvaststelling beknopter of beter leesbaar geschreven kan worden. Daarnaast kan het in hoger beroep nodig zijn andere feiten vast te stellen. (…).
- Toelichting:
- In het 'klassieke' model van uitspraken worden alle feiten die van belang zijn voor de beslissing tot in detail opgenomen aan het begin van de uitspraak onder een apart kopje 'de feiten'. Aanbeveling 10a. geeft de ruimte om daarvan af te wijken. Als daarvoor wordt gekozen, kunnen de feiten aan het begin worden ingeleid met een zin als "In hoger beroep gaat het om het volgende", "Tussen partijen staat het volgende vast" of (na de korte aanduiding van de zaak, zie aanbeveling 8) "Meer in het bijzonder heeft zich het volgende afgespeeld". Aanbeveling 10a. voorkomt dat de lezer zich eerst door een grote hoeveelheid gedetailleerde feiten heen moet worstelen, terwijl nog niet duidelijk is waarom die allemaal van belang zijn, en dat hij later moet terugbladeren naar de opsomming van de feiten om de beoordeling helemaal te kunnen volgen. Het doel is dat de uitspraak meer leest als een logisch verhaal, waarin de feiten zijn opgenomen op de plek waar ze een functie hebben. Gevolg van deze aanbeveling is dat bij de indeling van de uitspraak niet meer een apart kopje 'de feiten' zal worden opgenomen: de opsomming aan het begin zal niet compleet zijn en een deel van de feiten zal zijn verwerkt in de overwegingen bij de motivering van de beslissing. Verwerking van meer gedetailleerde feiten bij de beoordeling van de zaak is geen probleem, als maar duidelijk is dat het gaat om feiten die tussen partijen vast staan en welke rol deze feiten spelen. Voor de professional kan een compleet feitenoverzicht aan het begin weliswaar nuttig zijn, maar dat weegt niet op tegen het afschrikwekkende effect ervan voor andere lezers.
- (11)
- Gebruik bij een opsomming van feiten indien mogelijk woorden die de verbanden tussen de feiten weergeven. Een chronologische weergave van de feiten zal in veel gevallen het beste te volgen zijn. Gebruik daarbij woorden die de chronologie beschrijven (zoals: daarna, vervolgens, een paar maanden later) of beperk data tot de essentie (jaar, maand) en vermeld niet de dag of de tijd, tenzij die ertoe doen.
- (12)
- Neem bij de feiten geen onnodige details op, zoals niet van belang zijnde kenteken- en polisnummers, namen, bedragen en data.
- Toelichting:
- Het is voor een goed begrip van de zaak en van de motivering van de beslissing vaak niet nodig om dit soort details op te nemen. Door die details toch te vermelden, belast de opsteller van de uitspraak de lezer met onnodige informatie die de uitspraak moeilijker leesbaar maakt en een goed zicht op de essentie belemmert. Voor het schrijven van een heldere uitspraak geldt: “judges of the world, declutter!”.
- (13)
- Vermijd onnodig lange citaten uit contracten, brieven, rapporten en dergelijke. Vat waar mogelijk samen. Indien een citaat nodig is, kan het de leesbaarheid ten goede komen als het citaat wordt voorafgegaan door een inleidende zin waaruit blijkt waar het citaat over gaat.
- Toelichting:
- De lezer heeft de neiging om lange citaten over te slaan en vaak zijn die ook niet nodig. Beperk citaten tot delen die essentieel zijn en zeggingskracht hebben, bijvoorbeeld één of twee alinea’s uit correspondentie of een contractsbepaling.
- (14)
- Neem afbeeldingen op in de uitspraak als dat de feiten kan verhelderen. Denk daarbij aan foto’s, plattegronden, schema’s, tekeningen etc.”
feitenvaststelling. Is het niet de hele hoeveelheid tekst van een rechterlijke uitspraak die afschrikwekkend is, zeker wanneer deze voor een deel bestaat uit formeel-juridische taal? Of misschien al het feit dat de rechter een beslissing neemt die een grote impact heeft op het leven van mensen? En zou een feitenvaststelling wellicht minder afschrikwekkend kunnen zijn, als zij in klare taal is geformuleerd?
Bekijk of in de uitspraak iets moet worden opgenomen om te bewerkstelligen dat die aansluit bij de bespreking van de zaak tijdens de zitting en dat partijen zich gehoord voelen.’
zondereen opsomming van de vaststaande feiten zouden kunnen. Een juridische vraag over de uitleg van een bepaald wetsartikel kan tot op zekere hoogte nog wel worden beantwoord los van een feitenvaststelling in het concrete geval. Als het echter gaat om de rechtsbeschermingsfunctie van het cassatieberoep, is het absoluut noodzakelijk om een duidelijk beeld van de vaststaande feiten te hebben. Dat geldt ook voor de beoordeling van motiveringsklachten. Tot die vaststaande feiten behoren ook de relevante passages uit de bijlagen die bij de processtukken zijn gevoegd (e-mails, brieven, contracten, algemene voorwaarden, enzovoort). Alleen dan kan een goed beeld worden verkregen van de feitelijke gang van zaken die ten grondslag ligt aan het geschil tussen partijen. Daarbij blijkt niet zelden dat ‘
the devil in the details’ zit; zonder een goed inzicht in die feitelijke details en de specifieke bijzonderheden van de concrete zaak, blijft het luchtfietsen. Met name ook de precieze chronologische opvolging van gebeurtenissen is daarbij vaak cruciaal. Is inderdaad eerst drie keer gewaarschuwd dat bepaald gedrag niet door de beugel kon? Hoeveel tijd zat er tussen de waarschuwingen? In welke bewoordingen waren de waarschuwingen gesteld? Hoe heeft de werknemer hier precies op gereageerd? Het antwoord op dergelijke vragen is onmiskenbaar van belang om te beoordelen of een ontslag gerechtvaardigd is. Een chronologisch feitenoverzicht is natuurlijk in vergelijkbare zin ook van belang in andere zaken.
dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken.’ [8]
2.De feiten
U heeft aangegeven de 2 uur per dag toch nog wat te zwaar te vinden. Nav het advies van de arbeidsdeskundige nl dat het belangrijkste is dat u in het arbeidsproces blijft, hebben we met elkaar besproken dat u deze week 1 uur per dag zeer lichte werkzaamheden zult doen ipv 2 uur per dag. Van hieruit gaan we iedere week weer rustig met een half uur per dag uitbreiden.
De reden van deze waarschuwingsbrief is het volgende;
27-01-2020 Hebben wij het nieuwe evaluatieverslag ontvangen van Spoor 2. Hieruit komt naar voren dat uw inzet niet verbeterd is, zelf verslechterd.
3.Procesverloop
4.Bespreking van het cassatiemiddel
verwijtbaar handelen in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW Pro?’ en bevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht.
3.8 (…) Werkneemster wijst er nog op dat haar handtherapeut rust voorschreef nadat een hand op 4 februari 2020 gespalkt was, maar bij de onder 3.6 vermelde spoedcontrole heeft de bedrijfsarts geoordeeld dat zij haar re-integratiewerkzaamheden kon voorzetten. Werkneemster behoorde intussen te weten dat het niet haar behandelaars zijn, maar dat het de bedrijfsarts is die beoordeelt of een werknemer -ondanks medische behandelingen- belastbaar is voor re-integratiewerkzaamheden.”
medische klachten / arbeidsongeschiktheid’ te bewijzen, zich slechts aldus verstaan dat het hof van mening is dat voor de beoordeling of een werknemer een verwijt treft (in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW Pro) van het feit dat hij de hem opgedragen re-integratiewerkzaamheden niet (langer) verricht (omdat hij meent daartoe medisch niet langer in staat te zijn), uitsluitend beslissend is of de door de werkgever ingeschakelde bedrijfsarts heeft beslist dat de werknemer (nog steeds) tot die werkzaamheden in staat is.
feitelijkin staat was om haar re-integratiewerkzaamheden voort te zetten (het bewijsaanbod van Werkneemster op dat punt is immers gepasseerd), en ongeacht (ii) wat de behandeld specialist van Werkneemster had geadviseerd omtrent de behandeling van haar peesschedeontsteking, het
enkele feitdat de bedrijfsarts nu eenmaal had beslist dat Werkneemster ondanks die ontsteking in staat was om haar re-integratiewerkzaamheden te verrichten, reeds meebracht (i) dat Werkneemster daarmee gehouden was die werkzaamheden te verrichten en (ii) dat Werkneemster dus een (ernstig) verwijt – in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW Pro – trof van het feit dat zij die werkzaamheden, in verband met die aandoening, niet langer verrichte.
haar arbeidsongeschiktheid’ – en daarmee dus ook haar arbeidsongeschiktheid op en na 30 januari 2020 ten gevolge van haar peesschedeontsteking – te bewijzen, alsmede met (c) de op het een en ander voortbouwende beslissing in rov. 3.10, tweede volzin, dat Werkneemster verwijtbaar heeft gehandeld door zonder deugdelijke grond haar re-integratieverplichtingen niet na te komen.
door de rechtervoor gehouden kan worden dat de werknemer ten tijde van die weigering daadwerkelijk (arbeids)geschikt was voor de hem opgedragen re-integratiewerkzaamheden (waarbij het oordeel van de bedrijfsarts op zichzelf niet doorslaggevend is) en waarbij heeft te gelden dat (ii) zelfs als van die geschiktheid sprake is, enige verwijtbaarheid aan de zijde van de werknemer alsnog geheel kan (blijken te) ontbreken wanneer de werknemer ten tijde van de weigering te goeder trouw afging op het oordeel van de hem behandelende arts of specialist dat hij maar beter niet kon werken.
De werknemer behoort immers niet voor de keuze te worden gesteld tussen enerzijds het volgen van het oordeel van de behandelend arts die de werknemerniettot werken in staat acht (met het risico dat zulk werkverzuim tot ontslag leidt), en anderzijds het niet volgen van het oordeel van de bedrijfsarts teneinde het risico op ontslag te voorkomen (met de daaraan verbonden gevaren voor zijn gezondheid).”
squeeze’ te worden gebracht, veroorzaakt door een verschil in opvatting tussen de verschillende betrokken medici, aldus de verdere toelichting. Betoogd wordt dat, ook indien geen sprake is van ontslag op staande voet maar van een ontbindingsverzoek, de feitenrechter moet onderzoeken of de werknemer op goede gronden heeft mogen besluiten om, tegen het advies van de bedrijfsarts in, niet langer re-integratiewerkzaamheden te verrichten. Als dat het geval is, dan heeft de werknemer een ‘deugdelijke grond’ om geen gevolg te geven aan de oproep van de bedrijfsarts tot het verrichten van bepaalde re-integratiewerkzaamheden. Daarmee ontvalt dan het verwijtbare karakter (in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW Pro) aan de weigering om re-integratiewerkzaamheden te verrichten, althans kleurt die vaststelling de mate van verwijtbaarheid in zeer belangrijke mate in het voordeel van de werknemer, aldus nog steeds de schriftelijke toelichting namens Werkneemster.
intussen behoorde te weten dat het de bedrijfsarts is die beoordeelt of een werknemer – ondanks medische behandelingen – belastbaar is voor re-integratiewerkzaamheden’, terwijl dat geen voldoende begrijpelijke weerlegging vormt van de essentiële stelling van Werkneemster dat zij redelijkerwijs heeft kunnen vertrouwen op het concrete advies van haar specialist om, gelet op de gediagnosticeerde peesschedeontsteking, met het oog op haar herstel vier weken rust te houden: dit enkele feit biedt ‘
geen begin van inzage’ waarom Werkneemster, in dit specifieke geval, niet te goeder trouw in afwijking van die regel / dat uitgangspunt mocht afgaan op het concrete advies van haar behandelend specialist, aldus deze klacht.
Kern van het verschil van opvatting tussen aan de ene kant Werkneemster en aan de andere kan de bedrijfsartsen en de arbeidsdeskundigen over wat er van Werkneemster in het kader van re-integratie verlangd kon worden is, dat Werkneemster klachtencontingent wilde opbouwen in plaats van tijdcontingent. Tijdcontingent opbouwen werd voor Werkneemster passend geacht gedurende de periode van re-integratie die is gericht op het activeren. Anders dan Werkneemster vindt het hof het niet onredelijk dat zij dagelijks aanwezig moest zijn om werkritme op te doen en te behouden.”
Hof: de bedrijfsarts heeft geen noodzaak gezien om de medische achtergrond nader te onderzoeken. Mevrouw kan en hoeft haar werk niet te doen, maar ze moet wel op de werkvloer verschijnen om bijvoorbeeld koffie te drinken.
Muskens[advocaat Werkneemster, A-G]: de bedrijfsarts is echter geen handspecialist. De handspecialist zegt dat mevrouw haar hand rust moet gunnen en niet mag belasten.
Hof: maar dan kan je alsnog naar werk komen om koffie te drinken, of een doekje op te vouwen met je andere hand.”
56. (…) Volgens de handtherapeut is in het algemeen een ontstekingsreactie [van] 4 tot 6 weken bij peesklachten heel normaal (productie 12). Het is dan, aldus de handtherapeut, niet verstandig om door te gaan met belastend werk. Daarom heeft hij Werkneemster destijds geadviseerd om ongeveer vier weken rust te houden en de pols niet te belasten (productie 13).”
Het staat vast dat Werkneemster vanaf 4 februari 2020 tot 5 maart 2020 is behandeld door de handtherapeut. Ook staat vast dat gedurende de periode dat er sprake is van een ontstekingsreactie bij peesklachten, het niet verstandig is om door te gaan met het belasten van de duim/pols (productie 12 bij het beroepschrift). (…)”
ernstig verwijtbaar gedrag in de zin van art. 7:673 lid 7 sub c BW Pro’ en bevat een voortbouwklacht (procesinleiding onder 23) en een motiveringsklacht (onder 24).
3.10 (…) Met de zesde en zevende grond komt Werkneemster daartegen op [tegen de kwalificatie ernstig verwijtbaar, A-G], maar het hof deelt de kwalificatie van de kantonrechter. Werkneemster heeft meer dan eens zonder redelijke grond geweigerd om de passende arbeid te verrichten, zelfs nadat zij op 10 mei 2019 van het UWV hoorde dat haar standpunt onjuist was.”
uitdrukkelijkberoepen op de feiten (i) dat zij op 30 januari 2020 een ‘
reële en duidelijke reden’ had om zich ziek te melden – waarvan zij ook nog eens bewijs heeft aangeboden – en (ii) dat zij van de behandelend specialist het advies had gekregen om haar hand een aantal weken niet te belasten. Door het onbesproken laten van deze disculperende of in elk geval in belangrijke mate verzachtende omstandigheden, heeft het hof zijn beslissing dat sprake is van
ernstigverwijtbaar gedrag onvoldoende gemotiveerd, aldus de steller van het middel, die er nog op wijst dat dit te meer klemt omdat de ziekmelding van Werkneemster van 30 januari 2020 de directe aanleiding is geweest voor de beslissing van Van Ekeris om het dienstverband te willen beëindigen.
Grief III’ zijn aangeduid (beroepschrift, par. 40): ‘
Ten onrechte heeft de kantonrechter voorts geoordeeld dat de inzet van Werkneemster ook bij de re-integratie naar ander werk te wensen overliet.’ In cassatie wijst Werkneemster erop dat zij gemotiveerd en onder verwijzing naar producties heeft gesteld dat zij
ten onrechtetwee waarschuwingen van Van Ekeris heeft gekregen voor tekortschietende inzet voor re-integratie in het tweede spoor (zie citaten uit deze waarschuwingen onder 2.18 en 2.20). In dit verband heeft Werkneemster er onder meer op gewezen dat zij begin februari 2020 nog een compliment had gekregen van haar re-integratie-adviseur voor wat betreft haar uitgebreide externe sollicitatieactiviteiten en dat Van Ekeris het externe re-integratiebureau ten onrechte heeft aangezet om haar verslag negatiever te formuleren dan het re-integratiebureau zelf voor ogen stond (zodat Van Ekeris dat verslag kon gebruiken om Werkneemster opnieuw een waarschuwing te kunnen geven en naar een beëindiging van het dienstverband toe te werken). Zie het beroepschrift, par. 41-50, waarnaar wordt verwezen in de procesinleiding onder 25.
Schending re-integratieverplichtingen zonder deugdelijke grond’ is ingegaan op de vraag of Werkneemster een verwijt treft van het schenden van haar re-integratieverplichtingen. Vervolgens heeft het hof in de eerste volzin van rov. 3.10, onder het tussenkopje ‘
Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Werkneemster’, overwogen dat ‘
daarmee’vaststaat dat de eerste vijf beroepsgronden ongegrond zijn. Klaarblijkelijk moet die vaststelling van het hof in rov. 3.10 zó worden begrepen dat ook de derde grief van Werkneemster (inzake haar re-integratie inspanningen in het tweede spoor, zie onder 4.24) in rov. 3.4-3.9 is behandeld door het hof, en ongegrond is bevonden. Het hof is echter enkel in rov. 3.6 uiterst beknopt ingegaan op de inspanningen van Werkneemster ten aanzien van de re-integratie in het tweede spoor: het betreft enkel de feitelijke vaststelling dat Werkneemster twee keer een waarschuwing van Van Ekeris heeft gekregen wegens tekortschietende inzet in het tweede spoor, aldus nog het middel.
ten onrechtezijn gegeven.
helemaal nietheeft uitgelaten over de tweede spoor re-integratie-inspanningen van Werkneemster, omdat het hof voor zijn oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar gedrag in de zin van art. 7:669 lid 3 sub e BW Pro / art. 7:673 lid 7 BW Pro voldoende heeft geacht dat vaststaat dat sprake is geweest van het verwijtbaar niet verrichten van re-integratiewerkzaamheden in het eerste spoor. In dat geval getuigt die lezing van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof dan klaarblijkelijk heeft miskend dat bij deze beoordelingen acht moet worden geslagen op alle omstandigheden van het geval die van invloed zijn op de verwijtbaarheid van de handelwijze van de werknemer. In een geval als hier aan de orde, zo wordt toegelicht, kan dit onder meer betekenen dat – wanneer een werknemer zich goed inzet voor re-integratie in het tweede spoor – daarvan kortgezegd een verzachtend/disculperend effect kan uitgaan. Anders gezegd: het hof is van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan door de aanwezigheid van een egrond/ernstig verwijtbaar gedrag aan te nemen enkel wegens schending van re-integratieverplichtingen in het eerste spoor, zonder daarbij aandacht te besteden aan de inzet van Werkneemster in het kader van het tweede spoor.
Woondroomzorg-beschikking van de Hoge Raad [24] en aan de hand van twee conclusies van het parket, [25] dat in het kader van de beoordeling van de egrond en bij het beoordelen van ernstig verwijtbaar handelen, acht dient te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval die van invloed (kunnen) zijn op de verwijtbaarheid van de handelwijze van de werknemer.
naasthet eerste spoor ook het tweede spoor werd ingezet. Het belang van deze overwegingen is er dan voornamelijk in gelegen dat het hof duidelijk maakt dat de continuering van de inspanningen in het eerste spoor vooral ten doel had dat Werkneemster werkritme op gang zou houden, zodat zij wellicht later in spoor 2 werkervaring zou kunnen opdoen, en dat Van Ekeris dit ook aan Werkneemster heeft uitgelegd. Dat maakt echter nog niet dat het hof ook eventuele gebreken in het tweede spoor aan de egrond en het ernstig verwijtbaar handelen ten grondslag zou hebben gelegd. In tegendeel: dat het hof geen verdere aandacht besteedt aan de stellingen van Werkneemster dat Van Ekeris haar ten onrechte twee waarschuwingen ten aanzien van haar inzet in spoor 2 heeft gegeven, wijst erop dat het hof het niet van belang heeft geacht of die waarschuwingen wel of niet terecht waren.
ernstigverwijtbaar handelen dat hierop voortbouwt. Zie ook rov. 3.10, waar in de laatste volzin is opgenomen: ‘
Werkneemster heeft meer dan eens zonder redelijke grond geweigerd om de passende arbeid te verrichten, zelfs nadat zij op 10 mei 2019 van het UWV hoorde dat haar standpunt onjuist was’ (tegen welk oordeel tevergeefs wordt opgekomen met onderdeel 2 van dit cassatieberoep).
Woondroomzorg-beschikking [26] volgt dat, bij het beoordelen of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen als bedoeld in art. 7:673 lid 7 sub c BW Pro (mijn onderstreping, AG):
de omstandigheden van het geval – waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer – slechts van belang voor zover deze van invloed zijn op de verwijtbaarheid van het handelen of nalaten van de werknemerdat tot het ontslag heeft geleid. De overige omstandigheden van het geval (dus omstandigheden die geen verband houden met de gedragingen van de werknemer die tot het ontslag hebben geleid, noch met de verwijtbaarheid van die gedragingen) zijn in dit verband niet van betekenis. (…)”
tweede spoor-inspanningen
nietheeft betrokken bij het oordeel dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen, strookt met deze regel, nu het oordeel ten aanzien van de egrond betrekking heeft op verwijtbare schendingen van de re-integratieverplichtingen in het
eerste spoor.
Woondroomzorg-beschikking Werkneemster in cassatie baten. Op die plaats oordeelde de Hoge Raad dat de werkneemster in die procedure terecht klaagde dat het hof bij de beoordeling van ernstige verwijtbaarheid niet, althans niet kenbaar, de feiten en omstandigheden in aanmerking heeft genomen die de werkneemster heeft aangevoerd ‘
ter ondersteuning van haar standpunt dat haar van die gedragingen geen verwijt kan worden gemaakt.’ In onze zaak heeft Werkneemster in feitelijke instanties echter niet het standpunt betrokken dat de door haar gestelde ‘
constructieve opstelling’ [27] in het tweede spoor van invloed kan zijn op de mate waarin haar een verwijt kan worden gemaakt van haar gebrek aan inspanningen in het eerste spoor, of dat van de door Werkneemster gestelde goede inzet in het tweede spoor ‘
een zodanig verzachtend / disculperend effect kan uitgaan’ dat geen sprake (meer) is van een voldragen egrond en/of ernstig verwijtbaar gedrag in de zin van art. 7:673 lid 7 sub c BW Pro.
Woondroomzorg-beschikking (verweerschrift, par. 3.3.2):
Dat betekent dat de rechter die van oordeel is dat bepaalde gedragingen voldoende zijn om het oordeel te dragen dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar gedrag als hier bedoeld, (logischerwijs) geen acht hoeft te slaan op hetgeen de werknemer aanvoert ten betoge dat hem van een ándere gedraging geen verwijt kan worden gemaakt. Indien de werknemer meent dat de argumenten betreffende die andere gedraging (ook) relevant zijn voor de verwijtbaarheid van de eerstbedoelde gedragingen, dan dient hij die argumenten ook in verband met die gedragingen naar voren te brengen. Dat heeft Werkneemster in deze zaak echter niet gedaan.”