Conclusie
[werknemer]respectievelijk
DEME.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
UWV) heeft aan [werknemer] een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (
WIA,meer specifiek een loongerelateerde WGA-uitkering) toegekend per 26 januari 2019 (104 weken na de eerste ziektedag).
Wanneer wordt een verandering van de belastbaarheid verwacht”). Per e-mailbericht van 14 oktober 2022 heeft [werknemer] laten weten dat hij alleen een formulier wenste te ondertekenen met de vraag wat de FML is. [werknemer] heeft daaraan toegevoegd dat dat ook is wat is afgesproken en dat de andere vraag al door [bedrijfsarts] is beantwoord.
vonnis) onder meer dat de loonopschorting door DEME is gebaseerd op het algemene opschortingsrecht (art. 6:52 BW Pro en art. 6:262 BW Pro). [werknemer] heeft ten onrechte geweigerd een medisch machtigingsformulier te ondertekenen voor het onderzoek van Ergatis (FML en prognose), omdat een FML op 29 augustus 2022 was overeengekomen en de vraag om in te stemmen met de prognosevraag een redelijk voorschrift in de zin van art. 7:660a BW is. De vorderingen van [werknemer] werden afgewezen, met uitzondering van de vordering tot betaling van achterstallig loon over de maand december 2021.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onder Amet een inleiding waarin onder meer een aantal klachten worden samengevat.
Onder B(1 t/m 15) staan klachten over de feitenvaststelling.
Onder Cvolgen klachten gericht tegen het oordeel over de loonvordering voor de periode vanaf 5 augustus 2022 (rov. 3.12 t/m rov. 3.28). Onderdeel C is verdeeld in drie subonderdelen (I t/m III), waarin wordt geklaagd over onder meer miskenning van de bewijslastverdeling van art. 7:628 BW Pro BW én van het wettelijk stelsel van ziekteverzuim en re-integratie.
De derde grief faalt voor het overige, nu de door [werknemer] opgesomde feiten ofwel geen onbetwiste feiten zijn, ofwel niet van belang zijn voor het oordeel.”
Onder 1klaagt het middel over
rov. 3.1.2. Het hof laat ten onrechte onbesproken dat [werknemer] zijn werkzaamheden niet uitsluitend op een schip verrichtte. Mijns inziens ziet de klacht eraan voorbij dat het hof dit punt bespreekt in rov. 3.20 nu partijen over dit punt van mening verschillen. [werknemer] richt ook klachten tegen
rov. 3.20, maar anders dan hij kennelijk veronderstelt, laat het hof in deze overweging in het midden of de functie van surveyor een functie is die ook vanuit kantoor kan worden uitgeoefend. Het hof beslist wél dat [werknemer] vanwege zijn beperkingen ongeschikt is voor het eigen werk, waar dat ook wordt verricht.
Onder 2keert het middel zich eerst tegen
rov. 3.1.3. Het hof had moeten vermelden dat het gaat om een bedrijfsongeval en dat [werknemer] van een ondeugdelijke trap is gevallen. Ik merk op dat dit kwalificaties zijn die niet goed passen in een feitenvaststelling [11] en dat deze stelling bovendien door DEME is betwist. [12] In
rov. 3.1.4en
rov. 3.1.9zou voorts sprake zijn van verschrijvingen. Het percentage in rov. 3.1.4 moet 77,18% zijn (niet 77,80%), zo blijkt uit productie 8 bij de inleidende dagvaarding. Verder zijn de percentages in beide overwegingen gebaseerd op een werkweek van 73,63 uur, aldus [werknemer] . Dat mag zo zijn, maar het belang bij cassatie op dit punt ontbreekt.
Onder 3valt het middel
rov. 3.1.5aan. Geklaagd wordt dat de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige omstreeks mei 2019 meenden dat [werknemer] wel geschikt was voor het eigen werk, al dan niet in aangepaste vorm. Ik stel vast dat dit is gesteld in de memorie van grieven zijdens [werknemer] onder 13, maar niet blijkt uit productie 102 waarnaar ter adstructie daarvan wordt verwezen (beslissing van 27 mei 2019 van het UWV op de ontslagaanvraag van DEME). De weergave door het hof is daarom niet onbegrijpelijk.
Onder 4betoogt [werknemer] dat het oordeel in
rov. 3.1.6, dat de werkzaamheden van [werknemer] op het project in Terneuzen zijn gestaakt omdat zijn toegevoegde waarde gering was, niet strookt met wat [werknemer] daarover heeft gesteld in memorie van grieven onder 15-16, onder verwijzing naar producties 87-88. Anders dan [werknemer] meent, levert dit geen betwisting op van de
matevan toegevoegde waarde op het project
op het moment vanoverplaatsing. [13] De vaststelling van het hof is in dit licht dus niet onbegrijpelijk en ook niet in strijd met art. 149 Rv Pro. Overigens zie ik ook niet het belang van het wegvallen van deze passage voor de uitkomst van deze procedure.
Onder 5neemt het middel
rov. 3.1.10 en 3.1.11in het vizier. Het hof heeft een aantal passages uit de beslissing van het UWV van 12 juli 2021 om de ontslagaanvraag van DEME te weigeren (productie 30, p. 4-5), ten onrechte niet opgenomen. Uit die passages zou blijken dat het UWV niet het standpunt van DEME volgt dat het eigen werk in het algemeen aan boord van een schip plaatsvindt. Ik wijs erop dat het hof dit geschilpunt over de mogelijkheid van het uitvoeren van het eigen werk in het midden laat in rov. 3.20 (zie hiervóór de bespreking van de klachten onder 1). Het opnemen van deze passage zou in dit licht niets zou toevoegen.
Onder 6keert het middel zich tegen
rov. 3.1.16. De klacht komt erop neer dat [werknemer] weliswaar heeft ingestemd met het voorstel van DEME om de bedrijfsarts te verzoeken een nieuwe FML te maken, maar dat in zijn ogen – achteraf – is gebleken dat zijn instemming op een verkeerde voorstelling van zaken was gebaseerd. Dit is de visie van [werknemer] , die door DEME is betwist (memorie van antwoord onder 80-81), en die anders dan het feit dát uit de e-mail van instemming blijkt (“
Ik ga akkoord met jullie voorstel.”, productie 47), niet in de feitenvaststelling thuishoort.
Onder 7 en 8neemt het middel
rov. 3.1.17en
rov. 3.1.18op de korrel. Dit zijn citaten uit e-mails van [bedrijfsarts] . [werknemer] betoogt dat het hof ook andere berichten van [bedrijfsarts] had moeten opnemen. Bij de klacht bestaat geen belang omdat de bedoelde citaten geen gevolgen (kunnen) hebben op de uitkomst van de procedure.
Onder 9maakt [werknemer] zijn ongenoegen kenbaar over
rov. 3.1.20 en 3.1.21. Het hof zou onbesproken laten dat hij het rapport van [bedrijfsarts] op 25 februari 2022 aan DEME per e-mail aan DEME heeft verstuurd. Dat doet het hof niet, getuige de laatste zin van rov. 3.1.21.
Onder 10is gericht tegen
rov. 3.1.22.
Ten eerstezouden daarin méér (of andere) berichten van [bedrijfsarts] moeten worden opgenomen. De klacht miskent dat deze andere citaten niet van belang zijn voor het (eind)oordeel en bovendien zijn begrepen in de algemene ‘discussie’ met onder andere [bedrijfsarts] waaraan het hof refereert.
Ten tweedewordt vooruit gelopen op klachten uit onderdeel C.II. Die klachten bespreek ik later in de conclusie.
Ten derdezou onjuist en onbegrijpelijk zijn dat [werknemer] de machtiging zou hebben ingetrokken en DEME nadien meermaals heeft gevraagd een nieuwe machtiging te ondertekenen. Het betoog dat volgt, gaat erover
waaromdat in de ogen van [werknemer] zo gelopen is. Dat doet niet af aan het feit dát de machtiging door [werknemer] is ingetrokken en daarna om een nieuwe machtiging is gevraagd.
Ten vierdewordt geklaagd over een mogelijke lezing van de laatste twee zinnen van rov. 3.1.22. Indien daaruit het oordeel volgt dat DEME één en ander
terechtheeft gesteld, dan is dat oordeel onjuist en onbegrijpelijk. Deze klacht mist feitelijke grondslag omdat in die laatste twee zin van rov. 3.1.22 niet staat en daar ook niet uit volgt wat [werknemer] denkt daar in te kunnen lezen.
Onder 11staat
rov. 3.1.26centraal. Het gespreksverslag waarvan het hof passages overneemt, klopt volgens [werknemer] niet, zoals hij reeds in de inleidende dagvaarding onder 118 heeft gesteld. Die betwisting maakt mijns inziens niet dat het hof niet in de feitenvaststelling kan overnemen wat in het verslag staat. Dát het in het verslag staat, ontkent [werknemer] niet.
Onder 12valt het middel het oordeel in
rov. 3.1.27aan dat namens DEME een aan de wensen van [werknemer] aangepast machtigingsformulier aan zijn advocaat is verstuurd. Het hof zou miskennen dat het machtigingsformulier ondeugdelijk was, omdat erin stond dat een partij die het dossier van [werknemer] niet zou hebben, dat toch moest overdragen. De klacht faalt omdat dit betoog niet afdoet aan de vaststelling van het hof.
Onder 13staat
rov. 3.1.30in de schijnwerpers. De daar opgenomen periode (januari 2022 t/m 4 augustus 2022), zou gelet op de conclusie van antwoord onder 85, moeten zijn: oktober 2021 t/m 4 augustus 2022. [14] Wat van deze kennelijke verschrijving ook zij, het belang bij cassatie ontbreekt nu het (eind)oordeel van het hof hierop niet steunt.
Onder 14betoogt [werknemer] het niet eens te zijn met
rov. 3.1.32. Daar is een citaat uit een gespreksverslag opgenomen. Het hof zou hiermee miskennen dat [werknemer] de juistheid van (een deel van) het citaat heeft betwist. Opnieuw volg ik het middel niet. Die betwisting maakt niet dat het hof niet in de feitenvaststelling kan overnemen wat in het verslag staat. Dát het in het verslag staat, ontkent [werknemer] niet.
Onder 15staat een voortbouwklacht. Deze behoeft geen bespreking.
Loonstop: 5 augustus 2022 (tot einde arbeidsovereenkomst)). Het onderdeel begint met een samenvatting van deze overwegingen en dan volgen de klachten in de subonderdelen I t/m III.
tenzij het geheel of gedeeltelijk niet verrichten van de overeengekomen arbeid in redelijkheid voor rekening van de werknemer behoort te komen.”
rov. 3.12 t/m 3.27de hiervoor bedoelde verdeling van de stelplicht en bewijslast heeft miskend. Als het hof dat niet heeft miskend, dan is het oordeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd.
hoogtevan het door [werknemer] gevorderde loon (rov. 3.16), [20] beslist het hof dat het stagneren van de re-integratie en het feit dat [werknemer] thans geen (passende) arbeid verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid voor zijn rekening moeten komen. Het hof volgt hiermee het betoog van DEME (zoals kort weergeven in rov. 3.14) en werkt dat oordeel verder uit door het bespreken van een juridisch kader (rov. 3.18-3.19) en de omstandigheden (rov. 3.20 t/m 3.26) die in de ogen van het hof tot de conclusie leiden dat [werknemer] geen recht heeft op loon over de periode vanaf 5 augustus 2022 (rov. 3.27). Bij het bespreken van de omstandigheden gaat het hof mee met de interpretatie en uitleg die DEME geeft aan de omstandigheden zoals die over en weer zijn aangevoerd in de gedingstukken. Daarmee is ook geoordeeld dat DEME voldoende heeft gesteld en dat het hof niet meegaat met de betwistingen en interpretaties van de omstandigheden die [werknemer] te berde heeft gebracht. [21] Op één punt oordeelt het hof overigens uitdrukkelijk dat [werknemer] ‘zulks onvoldoende heeft weersproken’ (rov. 3.20 in fine). De rechtsklacht faalt dus. Waarom deze overwegingen van het hof onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk zouden zijn, licht het middel niet toe en valt overigens ook niet in te zien.
onder 1eindigt met de mededeling dat ‘één en ander’
onder 2nader wordt uitgewerkt. Uit het vorenstaande volgt al dat de klachten over de verdeling van de stelplicht en bewijslast (eveneens) in deze uitwerking falen. Ook de overige klachten treffen geen doel. Ik licht dat toe:
onder ‘Ad (1)’gaan uit van een verkeerde lezing van rov. 3.20. Het hof laat daar in het midden of het eigen werk van [werknemer] ook op kantoor kan worden uitgeoefend. Het oordeelt alleen dat [werknemer] ongeschikt is voor het eigen werk (waar dat ook moet worden uitgevoerd) vanwege zijn beperkingen zoals vastgesteld in keuringen en onderzoeken. De stellingen die [werknemer] opsomt (p. 11-12 procesinleiding, onder a t/m d), zijn in cassatietechnische zin niet essentieel voor dit wél gegeven oordeel. [22] Voorts gaat het betoog gericht tegen het uitgangspunt van het hof dat [werknemer] niet aan boord van een schip zijn eigen functie kan uitoefenen (p. 12 procesinleiding, onderaan), uit van de veronderstelling dat het voor die vaststelling van belang is of de functie ook op kantoor kan worden uitgeoefend. Dat is het niet. Bovendien is de lezing van [werknemer] van rov. 3.16 onjuist. Het hof oordeelt daar alleen dat [werknemer] geen juiste basis heeft gebruikt bij de berekening van de hoogte van zijn vordering. Hij had rekening moeten houden met zijn restverdiencapaciteit en de daarbij passende beloning.
onder ‘Ad (2) (3) en (4)’zijn in de kern gebaseerd op stellingen (in de procesinleiding genummerd 1 t/m 6) die [werknemer] heeft ingenomen over de relatie en de communicatie tussen DEME en de bedrijfsarts. Wat daar ook van zij, de klachten gaan daarmee voorbij aan wat het hof heeft geoordeeld in rov. 3.21 t/m rov. 3.24. Dat oordeel houdt het volgende in. DEME heeft advies aan de bedrijfsarts gevraagd en gekregen. [werknemer] was het niet eens met het advies en meende geschikt te zijn voor zijn eigen arbeid in de vorm van een kantoorfunctie. De re-integratie stagneerde of dreigde te stagneren, mede omdat de bedrijfsarts stelde geen
nadereadviezen te kunnen of willen geven. De reden hiervoor is volgens het hof niet van belang (“
wat daar overigens van zij”). De belastbaarheid van [werknemer] en mogelijkheden om arbeid te verrichten waren in geschil, maar moesten voor re-integratie wel in kaart worden gebracht. Daar komt bij dat belastbaarheid aan verandering onderhevig is. In dit licht was het zonder meer redelijk om voor te stellen een externe bedrijfsgeneeskundige in te schakelen. [werknemer] heeft daarmee ook ingestemd. Met dit oordeel, dat ook gezien de stellingen van [werknemer] niet onbegrijpelijk is, heeft het hof alle door [werknemer] in de procesinleiding opgesomde argumenten verworpen, en met name niet relevant geacht. Zoals DEME in haar schriftelijke toelichting onder 4.41 opmerkt, is de kern van het oordeel dat de re-integratie stagneerde of dreigde te stagneren. [werknemer] was het niet eens met het advies en de bedrijfsarts wilde niet nader adviseren. Dit wordt allemaal door [werknemer] niet (kenbaar) bestreden.
onder ‘Ad (5) en (6)’zijn gebaseerd op de lezing van het arrest dat het hof heeft geoordeeld dat [werknemer] onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek (‘rechtsfeit 5’). Dat oordeel als zodanig is echter in het arrest niet te vinden. Wel beschrijft het hof gebeurtenissen voorafgaand aan het onderzoek, waaraan [werknemer] (uiteindelijk)
heeftmeegewerkt (slotzin van rov. 3.25). Vervolgens is het rapport dat naar aanleiding van dat onderzoek is opgesteld – door toedoen van [werknemer] – niet bij DEME beland (rov. 3.26). [werknemer] is het met dit rapport niet eens, zoals wordt beaamd in de procesinleiding (onder meer p. 16, onder 9). Daarom is het niet tot het aanbieden door DEME van nieuwe passende werkzaamheden gekomen (slotzin rov. 3.26). Dit wél gegeven oordeel wordt door [werknemer] met zijn betoog niet, althans onvoldoende kenbaar, aangevallen.
rov. 3.15 t/m 3.27niet, althans onvoldoende kenbaar, toepast de in rov. 3.18 omschreven plicht van DEME volgend uit art. 7:658a BW. Voor zover hier relevant luiden de bestreden overwegingen, alsmede rov. 3.6, als volgt:
De werkgever kan bij re-integratie behalve van de diensten van de bedrijfsarts gebruik maken van derden, zoals een re-integratiebedrijf of arbeidsdeskundige.Werknemer moet meewerken aan re-integratie als dat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht.
De re-integratieverplichting van de werkgever houdt onder meer in dat hij maatregelen treft en aanwijzingen verstrekt als redelijkerwijs nodig is, opdat de werknemer in staat wordt gesteld passende arbeid te verrichten.Onder passende arbeid wordt in dit verband verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevraagd.
De corresponderende verplichtingen van de werknemer staat in art. 7:660a BW.
Het betreft hier voorschriften en maatregelen die ertoe kunnen leiden dat de werknemer zijn eigen arbeid weer hervat of andere passende arbeid gaat verrichten.[werknemer] heeft dat naar het oordeel van het hof onvoldoende gedaan.
Voor onderzoek naar de mogelijkheden van het aanpassen van de eigen functie of mogelijkheden binnen de organisatie van DEME moest immers onderzoek verricht worden naar de belastbaarheid en de bekwaamheden van [werknemer] , zulks in relatie tot mogelijke functies binnen DEME.In het licht van de geschetste situatie acht het hof de instructie aan [werknemer] daaraan mee te werken zonder meer redelijk. [werknemer] heeft daar bovendien verschillende malen mee ingestemd, onder meer bij e-mail van 10 februari 2022.
Het doel van DEME om daarmee een antwoord te krijgen op de vraag of het eigen werk passend te maken is, dan wel andere passende werkzaamheden aanwezig zijn in (of buiten) de organisatie, strookt met de verplichtingen die zij als werkgever heeft. DEME kan geen passende functies binnen de organisatie aanbieden of een andere functie aanpassen, als zij geen inzicht heeft in hetgeen waartoe [werknemer] in staat is, zeker niet als partijen onverminderd twisten over belastbaarheid en mogelijkheden, [werknemer] het ook niet eens is met de bevindingen van de bedrijfsarts en vasthoudt aan zijn (eigen visie van) eigen arbeid.
actueelbeeld nodig heeft van de belastbaarheid en bekwaamheden van [werknemer] als werknemer. Inzicht hierin was nodig voor DEME om de mogelijkheden van het aanpassen van de eigen functie of mogelijkheden binnen (of buiten) de organisatie te onderzoeken. Alle klachten van [werknemer] stuiten af op dit juiste, begrijpelijke en voldoende gemotiveerde oordeel. Anders dan [werknemer] (veronder)stelt (zie met name p. 20 procesinleiding, vierde alinea), hoefde DEME niet af te gaan op wat [werknemer] zegt dat hij kan en ook niet op de vraag of er een onvoldoende actuele beoordeling van zijn belastbaarheid is gemaakt. Het belastbaarheidsonderzoek is een maatregel/aanwijzing bedoeld in art. 7:658a lid 2 BW die – in ieder geval in de onderhavige door het hof uitvoerig beschreven situatie – voor DEME als werkgever nodig is om jegens [werknemer] te (kunnen) voldoen aan de in het eerste lid van deze wetsbepaling bedoelde re-integratieverplichtingen.
rov. 3.16en
rov. 3.20(procesinleiding, p. 20 bovenaan en p. 21 derde alinea) falen. Met de vaststelling dat [werknemer] geen tewerkstelling in passende arbeid heeft gevorderd noch een aanbod daartoe heeft gedaan (rov. 3.16), miskent het hof niet de re-integratieverplichtingen van DEME, waaraan naar het oordeel van het hof pas voldaan kan worden als het hiervoor bedoelde actuele beeld van belastbaarheid en bekwaamheden bestaat. Het oordeel van het hof dat niet in geschil is dat het aanpassen van het eigen werk aan boord van een schip niet mogelijk is/was (rov. 3.20), gaat niet onderuit omdat [werknemer] dit gemotiveerd heeft betwist
in de procedure bij het UWV( [werknemer] wijst op productie 30, p. 3) en ook niet omdat [werknemer] heeft gesteld dat hij ‘deze werkzaamheden’ heeft uitgevoerd aan boord van het schip de Flintstone in december 2020. Het hof heeft – onbestreden in cassatie – in rov. 3.1.8 vastgesteld dat de werkzaamheden aan boord van de Flintstone, zijn eigen functie, niet passend bleken.
Arbowet), miskennen. Op grond van die bepaling is – kort gezegd – de werkgever verplicht om een bedrijfsarts in te schakelen voor onder meer ziekteverzuimbegeleiding en arbeidsintegratie. [23] Ook bij het vormgeven van re-integratie is de werkgever verplicht zich te laten adviseren door de bedrijfsarts. [24] In rov. 3.22 en 3.23 miskent het hof volgens [werknemer] dat het op art. 14 Arbowet Pro gebaseerde stelsel waarborgen biedt tegen een ‘shoppende’ werkgever die buiten het traject om zijn gelijk probeert te halen. De arbeidsongeschikte werknemer verdient als zwakkere partij bescherming. Dat de werkgever hervattingsmogelijkheden moet blijven onderzoeken (rov. 3.24) doet hieraan niet af.
rov. 3.26miskennen dat hij dat recht zeker heeft ten aanzien van een andere deskundige dan de gecontracteerde bedrijfsarts. Het blokkeren van het rapport van Ergatis is dan ook een recht dat hem toekomt, zodat het niet-werken niet op basis hiervan voor rekening en risico van hem kan komen, aldus [werknemer] . De klacht faalt. Ik stel voorop dat art. 14 lid 7 Arbowet Pro voor de bedrijfsarts juist een uitzondering maakt op het blokkaderecht van art. 7:457 BW Pro, in die zin dat de bedrijfsarts informatie mag doorgeven over de werknemer aan de werkgever om diens verplichting tot loondoorbetaling vast te kunnen stellen en om te kunnen voldoen aan de re-integratieverplichting. [25] Verder is niet duidelijk waarom het vermeende blokkaderecht op grond van de Arbowet, ook zou gelden in de onderhavige situatie. Wat daar ook van zij, zelfs indien [werknemer] wél een blokkaderecht zou hebben vis-à-vis Ergatis, dan betekent dat nog steeds
nietdat het uitoefenen van een dergelijk recht niet zou kunnen meewegen om te bepalen of [werknemer] gevolg geeft aan redelijke voorschriften als bedoeld in art. 7:660a, lid 1 en onder a, BW. [26]
subonderdeel II.3als
onderdeel IIIbevatten alleen voortbouwklachten. Deze falen in het kielzog van alle voorgaande klachten van [werknemer] .