Conclusie
.De kennisgevingen vermelden onder meer dat de referentienummers van de handelsvergunningen voor de exportlanden nog zullen worden verstrekt “as soon as publicly available, in accordance with Article 5(5)(e) of Regulation (EC) No 469/2009 (as amended)”.
voor de Uniemarkt(na afloop van het ABC) voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling uit hoofde van art. 5 lid 2 sub a onder Pro iii en iv van de ABC-Vo (hierna ook: de EU-stockpile-vrijstelling of kortweg de EU-voorraadvrijstelling). SB heeft bij brief van 8 november 2023 toegezegd dat zij voor 24 januari 2024 geen biosimilar producten zal vervaardigen die bestemd zijn voor de Europese markt [3] .
de exclusieve rechten van certificaathouders (…) wat de Uniemarkt betreft” en “
de bescherming die het certificaat in de Unie biedt” blijkt dat de P-Vo er, anders dan Janssen stelt, niet toe strekt de ABC-houder in staat te stellen om te controleren of IE-rechten die in derde landen van kracht zijn, worden gerespecteerd. De P-Vo neemt alleen de belangen van de ABC-houder bij handhaving van het ABC op de Uniemarkt in aanmerking.
division”) van producten naar de Uniemarkt zou zonder handelsvergunning levensgroot zijn. De bepaling dat het referentienummer van de handelsvergunning moet worden opgegeven “
zodra dit publiek beschikbaar is” is volgens Janssen dan ook uitsluitend opgenomen voor het geval er wel al een handelsvergunning is verleend, maar het referentienummer nog niet is gepubliceerd. Janssen wijst er verder op dat productie voor export voordat een handelsvergunning is verkregen, het aanleggen van een voorraad noodzakelijk maakt. Dat laatste is volgens haar niet toegestaan onder de productie-voor-export-vrijstelling. Ook hierin ziet zij een aanwijzing dat voor een geldig beroep op de productie-voor-export-vrijstelling een handelsvergunning moet zijn verkregen.
the Presidency”) van de Raad van de Europese Unie bij het eerste gewijzigde voorstel van 4 oktober 2018 vermeldde hierover, voor zover relevant (onderstreping hof) (voetnoot 8 in het arrest: Zie https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-12514-2018-INIT/en/pdf.):
exportniet was toegestaan als het referentienummer niet was opgegeven. Anders dan Janssen stelt kan uit het gebruik van het woord “
obtained” in de zin “
Instead, the maker must now provide the reference number of the corresponding marketing authorisation (or equivalent) obtained in the third country of export in respect of a given medicinal product, so that the country in question is identifiable” niet worden afgeleid dat het de bedoeling van de Uniewetgever was om de kennisgeving/productie niet toe te staan zolang er geen handelsvergunning was. Het referentienummer is logischerwijs alleen bekend als er een vergunning is. Dat betekent, mede gelet op de mogelijkheid om het referentienummer later te verstrekken, niet dat er al een handelsvergunning moet zijn verkregen als de kennisgeving wordt gedaan/de productie wordt aangevangen. Alle scenario’s die in het citaat worden geschetst zien immers op de vraag vanaf welk moment kan worden gestart met de
export(en dus niet: vanaf welk moment de kennisgeving kan worden gedaan en/of kan worden gestart met de productie).
Day-1 entry” buiten de EU mogelijk te maken. Omdat het faciliteren van of betrokken zijn bij buitenlandse inbreuken onrechtmatig is, meent Janssen dat alleen productie voor export naar landen waar geen bescherming bestaat voldoet aan de voor een uitzondering op de rechten van de ABC-houder noodzakelijke legitimiteit en proportionaliteit. Verder stelt Janssen dat productie voor landen waar nog IE-rechten gelden noodzakelijkerwijs zou leiden tot het aanleggen van een voorraad voor export (in afwachting van het vrijvallen van die rechten), hetgeen volgens Janssen verboden is. Voor de onderhavige zaak betekent dit volgens Janssen dat SB geen geldig beroep op de productie-voor-export-vrijstelling kon doen, aangezien de door haar beoogde landen van export ten tijde van de aanvang van de productie niet rechtenvrij waren.
Day-1 entry” in de EU. Artikel 5 lid 2 sub a onder Pro ii van de ABC-Vo stelt voor export slechts de voor feitelijke uitvoer strikt noodzakelijke handelingen vrij. Daaronder valt niet het aanleggen van een voorraad voor “
Day-1 entry” in derde landen.
Day-1 entry” in de EU. Voor een (bredere) vrijstelling voor het aanleggen van een voorraad ten behoeve van “
Day-1 entry” buiten de EU is geen basis te vinden in de wetsgeschiedenis.
Day-1 entry” buiten de EU bestaat niet; een vervaardiger kan exporteren zodra hij een handelsvergunning heeft.
Day-1 entry” mogelijk te maken voor buiten de EU. Zij verwijst in dit verband naar het doel van de P-Vo om de mondiale concurrentiepositie van vervaardigers in de EU te verbeteren. Om daadwerkelijk op de mondiale markten te kunnen concurreren is het volgens SB bij generieke en biosimilaire geneesmiddelen noodzakelijk om die markten als één van de eersten te betreden (het ‘first mover effect’). SB stelt dat dit alleen kan als de vervaardigers een voorraad kunnen opbouwen. Uit het feit dat “
Day-1 entry” voor landen buiten de EU niet expliciet is genoemd, kan volgens SB niet worden afgeleid dat het niet de bedoeling was om “
Day-1 entry” buiten de EU mogelijk te maken. Een verklaring daarvoor is dat er mondiaal geen eensluidende “
Day-1” is; de “
Day-1 entry data” kunnen voor alle landen verschillend zijn. SB wijst er verder op dat de P-Vo geen maximale termijn stelt aan het door artikel 5 lid 2 sub a onder Pro ii P-Vo mogelijk gemaakte “
tijdelijk in voorraad hebben”. Volgens SB heeft de voorzieningenrechter dit begrip terecht uitgelegd als het aanhouden van een voorraad voor een periode die gebruikelijk is binnen een normale bedrijfsvoering.
het tijdelijk in voorraad hebben” van producten daaronder valt. Deze overweging bepaalt onder meer (…):
het tijdelijk in voorraad hebben” op een manier die strikt noodzakelijk is voor de feitelijke uitvoer. Dit is niet uitgewerkt in de tekst van de ABC-Vo of de overwegingen P-Vo.
Day-1 entry” op de markt van het beoogde exportland. Het hof licht dit als volgt toe.
Impact Assessment” van de Europese Commissie van 28 mei 2018 betreffende de P-Vo onderbouwd dat voor een effectieve concurrentie op de mondiale markt van biosimilaire geneesmiddelen het “
first mover effect”, en daarmee “
Day-1 entry” van essentieel belang is. Het hof wijst met name op:
Impact Assessment” bij het voorstel voor de P-Vo van 28 mei 2018 (voetnoot 13 in het arrest: Zie eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/PDF/?uri=CELEX:52018SC0240.), waarin onder meer staat (onderstreping hof):
(…)
The market for generics and biosimilars ishighly competitive with a strong ‘first mover’ effect (i.e. a clear advantage for the first mover) both in the export and EU markets.
first mover effect” en dus van “
Day-1 Entry” tegenover deze onderbouwing onvoldoende bestreden. Zij heeft ter zitting slechts aangevoerd dat de hierboven weergegeven passage in “
Table 8” terloops en ondoordacht is gemaakt aangezien er geen “
global day-1” is en dat de Commissie niet de Uniewetgever is. Daarmee heeft zij het bestaan van het betreffende marktmechanisme en het door SB onderbouwde belang van vervaardigers van biosimilaire geneesmiddelen bij een vroege markttoetreding echter nog niet ontkracht. Het hof gaat er dan ook vanuit dat “
Day-1 entry” voor een effectieve concurrentie op de mondiale markt van biosimilaire geneesmiddelen van essentieel belang is.
Day-1 entry” te bewerkstelligen en daarmee daadwerkelijk te concurreren met vervaardigers buiten de EU. Het strookt dus met de bedoeling van de Uniewetgever om vervaardigers in de EU toe te staan om ook voor export een zodanige voorraad aan te houden dat zij de beoogde exportmarkt op “
Day-1” kunnen betreden.
Day-1 entry” en “
stockpiling” bij de totstandkoming van de P-Vo alleen is gebruikt in de context van de EU-stockpile-vrijstelling, niet. Niet valt in te zien dat de Uniewetgever de mogelijkheid van een “
Day-1 entry” voor de concurrentiepositie van vervaardigers voor de Uniemarkt wel van belang achtte, maar voor de markten in derde landen niet. Het is onlogisch dat SB in de visie van Janssen wel al een “
stockpile” mocht aanleggen voor “
Day-1 entry” in de EU, maar niet voor, bijvoorbeeld, het VK.
Day-1 entry” op de mondiale markt niet bestaat, omdat er geen mondiale “
Day-1” is, respectievelijk omdat de markt in derde landen al vrij toegankelijk is voor elke partij die zijn product daar wil verkopen en over de desbetreffende vergunning beschikt, faalt eveneens. Ook in derde landen kunnen IE-rechten bestaan die toetreding tot de markt beletten. Als die rechten aflopen, geldt voor de markt van het betreffende derde land een “
Day-1”.
first mover effect” gebruik kan maken. SB had volgens Janssen eerder een handelsvergunning moeten aanvragen. Dit argument gaat eraan voorbij dat voor een geldig beroep op de productie-voor-export-vrijstelling niet vereist is dat al een handelsvergunning is verkregen (zie r.o. 6.21). De specifieke casus in de onderhavige zaak doet ook niet af aan de hierboven gegeven systematische uitleg van de uitzondering.
Day-1 entry” in overeenstemming is met de doeleinden van de P-Vo. Er is dus geen strijd met overweging 11 van de P-Vo. Om dezelfde reden faalt het argument van Janssen dat met het toestaan van een voorraad voor export in strijd met artikel 52 van Pro het EU-Handvest productie wordt toegelaten op een grotere schaal dan door de Uniewetgever voorzien.
Day-1 entry” op de markt van het beoogde exportland.
3.Inleiding
travaux préparatoires. De waarde daarvan is omstreden in het Unierecht [13] . Het is nogal eens problematisch om aan de hand van de
travauxvast te stellen wat de daadwerkelijke bedoeling van de Uniewetgever is geweest: ‘de’ Uniewetgever bestaat namelijk uit de Commissie, de Raad en het Parlement gezamenlijk, zodat voorzichtigheid past bij het hanteren van bijvoorbeeld een Commissie-uiting of uitleg, als die verder niet herkenbaar terugkomt in de uiteindelijke tekst van de regeling [14] . Een ander bezwaar is dat de
travaux,naarmate deze uit een grijzer verleden stammen (totstandkoming van Uniewetgeving kan soms lang duren), een verstarrende uitwerking kunnen hebben, waarmee wordt belet dat EU-regelgeving en de interpretatie daarvan meebeweegt met de tijd. Ook wordt gesignaleerd dat niet alle
travaux préparatoiresmet dezelfde zorgvuldigheid en precisie lijken te zijn samengesteld [15] . Het HvJEU toont zich in het algemeen terughoudend bij het toekennen van (doorslaggevende) betekenis aan
travaux préparatoires,zeker wanneer deze niet publiek beschikbaar zijn [16] . Toch is te zien dat het HvJEU hier regelmatig een blik op werpt [17] . Ook in enkele uitspraken over de uitleg van de ABC-Vo is zichtbaar dat het HvJEU mede acht slaat op de totstandkomingsgeschiedenis van deze verordening, zij het alleen in ondersteunende zin [18] .
“een ontheffing van de SPC-verplichting te introduceren om het mondiale concurrentievermogen van de Europese sector van generieke en biosimilaire geneesmiddelen te vergroten” [20] .Na inwerkingtreding van de oorspronkelijke ABC-Vo werd een enorme groei gezien in de productie van generieke en biosimilaire geneesmiddelen en de werkzame bestanddelen daarvan, vooral in landen buiten de EU zonder of met al vervallen bescherming (considerans P-Vo 3). De ABC-Vo voorzag niet in enige uitzondering op de verleende bescherming, zodat het voor EU-producenten niet mogelijk was om generieke en biosimilaire geneesmiddelen in de EU te vervaardigen voor export, of voor onmiddellijke toetreding tot de EU-markt na verval van het ABC (considerans P-Vo 4).
de vervaardiging van een product, of een geneesmiddel dat dit product bevat, met het oog op uitvoer naar derde landen; of
een aanverwante handeling die strikt noodzakelijk is voor de onder i) bedoelde vervaardiging, in de Unie, of voor de feitelijke uitvoer; of
voor geneesmiddelen die naar derde landen worden uitgevoerd, het referentienummer van de vergunning voor het in de handel brengen of van het equivalent van een dergelijke vergunning in elk derde land van uitvoer, zodra dit publiek beschikbaar is.
nietvereist dat de beoogde exportlanden op het moment van de kennisgeving al vrij van IE-rechten moeten zijn, en dat
evenmin vereistis dat de vervaardiger op dat moment al over een MA-nummer beschikt. De High Court (England & Wales) heeft in dezelfde zin geoordeeld over de parallelle SPC-regelgeving daar. Maar Landgericht München heeft afwijkend geoordeeld: het exportland moet wél (IE-)rechtenvrij zijn en de producent moet op het moment van kennisgeving wel al een handelsvergunning hebben. Het Engelse vonnis bespreekt ook een appel van een Belgische bewijsbeslagkwestie waarin expliciet in afwijkende zin van de Münchense zaak is geoordeeld. Ik kom hierop nog terug bij de kwestie of hierover prejudiciële vragen zouden moeten worden gesteld in deze zaak. Kennelijk wordt er tussen Janssen en met SB gelieerde partijen ook geprocedeerd in Denemarken. SB heeft bij s.t. 11.2 vier lijvige legal opinions overgelegd uit die procedure, waaronder één in het Deens (sic!) die “ter kennisneming door Uw Raad en de Procureur-Generaal” zijn overgelegd – maar zonder dat daar concrete argumentatie aan is ontleend door SB, zodat ik die opinions terzijde heb gelegd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
a-contrario-redenering met betrekking tot de voorraadaanlegging voor export kwestie: omdat de EU-voorraadvrijstelling uit art. 5 lid 2 sub a onder Pro iii het heeft over in voorraad hebben voor betreden van de EU-markt in de periode van maximaal 6 maanden voor expiratie van het ABC en de productie-uitzondering voor export niets zegt over voorraadvorming ten behoeve daarvan in art. 5 lid 2 sub a onder Pro i, is voorraadvorming voor export niet toegestaan – en al helemaal niet onbeperkt in tijd en omvang.
stockpiling for exportwordt toegestaan. Dat is een vrijstelling die de ABC-Vo niet kent, deze is niet proportioneel en dient geen legitiem doel, zodat dit in strijd komt met art. 17 lid 2 en Pro art. 52 EU Pro-Handvest. Dergelijke in tijd noch anderszins beperkte voorraadaanlegging is ook geen “strikt noodzakelijke aanverwante handeling voor de daadwerkelijke uitvoer” in de zin van art. 5 lid 2 onder Pro a sub ii) ABC-Vo volgens Janssen; de nu door het hof aangenomen vrijstelling is zelfs ruimer dan de wel geregelde EU-voorraadvrijstelling voor het na expiratie van het ABC betreden van de EU-markt. Ook is volgens Janssen onjuist dat zonder handelsvergunning een geldige notificatie gedaan kan worden en dat dan al met productie voor export onder de vrijstelling kan worden begonnen; dat holt de verificatiemogelijkheid van de ABC-houder uit. Omdat de exportvrijstelling een duidelijk beperkte doelstelling heeft, namelijk in de visie van Janssen voor vervaardiging voor markten waar geen bescherming meer bestaat/markten die open staan voor concurrentie, is onjuist dat bescherming in derde landen geen relevant criterium is voor de vrijstelling. Dat EU-rechters zich niet moeten inlaten met beoordeling van buitenlandse IE-rechten, is bovendien achterhaald door het recente
BSH/Electrolux-arrest van het HvJEU. In Europa wordt door verschillende rechters verschillend geoordeeld over deze kwesties, zodat mogelijk prejudiciële vragen gesteld moeten worden.
.” Janssen richt daar vijf rechtsklachten tegen.
1.1.1.ais dat de considerans onder 3, 4, 5, 9 en 18 van de P-Vo niet over een “doel” of “doelstelling” spreken. Deze klacht acht ik tevergeefs.
gelijke spelregelste creëren voor EU-producenten en producenten in derde landen, waarin past het creëren van een uitzondering op de ABC-bescherming zodat mogelijk wordt voor vervaardiging van een product voor export naar derde landen geneesmiddelen in voorraad te hebben, waarbij onder eerder genoemde “aanverwante handelingen” bijvoorbeeld wordt verstaan: bezit, aanbieden voor levering, levering, invoer, gebruik of synthese van werkzame stoffen of het tijdelijk in voorraad hebben of reclameactiviteiten uitsluitend gericht op uitvoer naar derde landen. In deze passages worden zodoende doelstellingen aangegeven en toegelicht. In considerans 18 komt de koppeling met de doelstellingen inderdaad minder expliciet tot uitdrukking, maar ook die passage geeft inzicht in de doelstellingen van de maatregelen waar de P-Vo in voorziet, namelijk de ratio voor verschaffing van het MA-nummer, waarop bij de bespreking van onderdeel 3 wordt teruggekomen. De eerste rechtsklacht stuit hierop af.
1.1.1.bstaat in considerans 8, 29 en 30 niet expliciet dat het doel van de verordening is om “een gelijk speelveld te creëren”. Er wordt daar wel gesproken van “gelijke spelregels”, maar uit genoemde passages blijkt dat de doelstelling van de P-Vo en de exportvrijstelling eerst en vooral is “het bevorderen van het concurrentievermogen van de Unie”
.Die doelstelling beoogt de Uniewetgever te bereiken door twee beperkte vrijstellingen in de P-Vo, namelijk vervaardiging voor export naar “vrije” derde landen en voor “stockpiling” voor een EU “Day-1 entry”.
”en in de Engelse tekst van de P-Vo heet dat: een “level playing field”. Dat het in de P-Vo vooral zou gaan om bevordering van het EU-concurrentievermogen kan daar niet aan afdoen. De Uniewetgever heeft dat mede willen bevorderen door het creëren van een “level playing field”, of “gelijke spelregels”. Dat volgt rechtsreeks uit considerans 8 en 9, zoals hiervoor besproken: het bevorderen van het concurrentievermogen moet EU-vervaardigers in staat stellen effectief te concurreren op markten van derde landen, waartoe met name de in considerans 9 aangegeven doelstelling van de exportvrijstelling wordt geduid als: het creëren van gelijke spelregels – dus een “level playing field” in het Engels. Dit is dan ook geen onjuiste parafrase van het hof. Considerans 29 vat de doelstellingen van de P-Vo samen als: “het concurrentievermogen van de Unie bevorderen op een manier waarop
gelijke spelregelsworden gecreëerd voor vervaardigers van generieke en biosimilaire geneesmiddelen in verhouding tot hun concurrenten op de markten van derde landen (…).” De tweede rechtsklacht faalt dan ook.
1.1.1.cvolgt uit considerans 5 dat het
vollediggelijkmaken van de spelregels geen doel van de P-Vo is, maar dat het gaat om het vinden van een
evenwichttussen opnieuw zorgen voor gelijke spelregels en dat de essentie van de exclusieve rechten van certificaathouders wordt gewaarborgd wat de Uniemarkt betreft.
1.1.1.dvervolgt dan dat ook uit de in de P-Vo geregelde vrijstellingen volgt dat het doel van die verordening niet is om in volledig gelijke spelregels te voorzien; als de Uniewetgever dat had gewild, dan had hij kunnen volstaan met het uitzonderen van de handelingen “vervaardigen” en “in voorraad houden” van het exclusieve ABC-recht. In plaats daarvan is voorzien in een meldplicht en etiketteringsvereisten die in derde landen niet gelden en zijn de uitzonderingen waarin wél is voorzien beperkt en strikt doelgebonden. Daaruit volgt dat bewust niet is voorzien in een gelijk speelveld.
in de Uniete handhaven en de naleving van de in deze verordening vastgestelde voorwaarden te controleren, en om het gevaar van onrechtmatige omleiding van handelsstromen op de markt van de Unie tijdens de duur van het certificaat te beperken
.” Op dit alles ketst deze vierde rechtsklacht naar ik meen af.
1.1.1.eheeft het hof miskend dat de Uniewetgever de concurrentiepositie van Unie-vervaardigers niet heeft willen verbeteren ten opzichte van vervaardigers in
iederderde land, maar alleen ten opzichte van vervaardigers in derde landen waar
geen bescherming bestaat of deze is vervallen.
waar geen bescherming bestaat of waar deze reeds is vervallen te bevorderen, terwijl de bescherming van ABC-houders wordt gewaarborgd op de Uniemarkt”. Ook deze klacht lijkt mij dan ook geen doel te kunnen treffen. Dat het alleen zou moeten gaan om (IE-)rechtenvrije landen, komt hierna nader aan bod bij de bespreking van onderdeel 4.
.Uitvoer naar markten van derde landen die niet rechtenvrij zijn, resulteert niet alleen in inbreuk op de IE-rechten in die derde landen, maar moet ook worden beschouwd als inbreuk op de exclusieve ABC-rechten. Daarbij is ook miskend dat rechters in EU-lidstaten ten aanzien van gedaagden gevestigd in de betreffende lidstaat bevoegd zijn om te oordelen over inbreuk op octrooien ingeschreven in andere lidstaten en derde landen (onder verwijzing naar
BSH/Electrolux [22] ).
uitvoernaar derde landen “waar geen bescherming bestaat of deze reeds is vervallen”, maar dat maakt nog niet dat de P-Vo
ertoe strektde ABC-houder in staat te stellen
om aldaar te controleren of er IE-rechten van kracht zijn. Dat is iets anders. Het hof wijst in dit verband op considerans 5 (“de exclusieve rechten van certificaathouders (…) wat de Uniemarkt betreft”) en 30 (“de bescherming die het certificaat in de Unie biedt”), maar dit blijkt ook uit andere consideranspassages. Zo geeft considerans 13 aan dat aanvullende bescherming van een certificaathouder ertoe strekt “de houder van een certificaat te helpen de
bescherming ervan in de Unie te handhavenen de naleving van de in deze verordening vastgestelde voorwaarden te controleren, en
om het gevaar van onrechtmatige omleiding van handelsstromen op de markt van de Unie tijdens de duur van het certificaat te beperken.” Weliswaar rept de considerans hier ook (in meer algemene zin) dat de vrijwaringsmaatregelen ertoe strekken om “
de naleving van de in deze verordening vastgestelde voorwaarden te controleren”
,maar daar volgt volgens mij niet uit dat ook bedoeld is om de ABC-houder in staat te stellen om te controleren of IE-rechten
in derde landen wordengerespecteerd. Dat wordt al helemaal duidelijk bij lezing van considerans 18, waarin staat dat het de “
verantwoordelijkheid van de in de Unie gevestigde vervaardiger [moet] zijn om na te gaan of in een land van uitvoer geen bescherming bestaat of deze vervallen is, dan wel of die bescherming in dat land aan beperkingen of vrijstellingen onderworpen is.”
de ABC-houderin staat te stellen te controleren of er in derde landen IE-rechten van kracht zijn en worden gerespecteerd, is dan ook niet onjuist; dat ligt met zoveel woorden volgens de considerans op de weg van
de vervaardiger. Hieruit blijkt ook dat de P-Vo alleen de belangen van de ABC-houder in aanmerking neemt bij handhaving
op de Uniemarkt,zoals het hof aan het slot van rov. 6.5 terecht overweegt. Uit niets blijkt dat de P-Vo ook is bedoeld voor controle en handhaving
in derde landen.
travaux préparatoiresbij de uitleg van verordeningen. Daar komt bij dat de klacht in 1.1.2 selectief citeert met de zinsnede: “it is obviously not the intention of the proposal to encourange the infringement of IP rights in third countries”, want die zin loopt door. Ik citeer hier de betreffende alinea volledig [23] :
Requirements regarding export countries (Article 5(2)(a)(i))
propose to require that the exception shall only apply for the purpose of export to third countries ‘in which SPC or similar protection does not exist or has expired’(i.e. repeating in the operative part the text that appears in several recitals). While
noting that it is obviously not the intention of the proposal to encourage the infringement of IP rights in third countries,
the Presidency has not included this suggestion as, inter alia, it is not the role of a court in the Union to investigate the legal situation of the product to be exported in third countries, where infringement criteria are not necessarily identical to those in a Member State of the Union. That role should be left to courts in the countries concerned.”
niet beoogtom ABC-houders in staat te stellen om de naleving van (IE-)rechten in derde landen te controleren en/of daar te handhaven – andermaal: daargelaten wat de waarde van deze passage voor de Verordening-uitleg (inmiddels ook) moge zijn.
ookmoet worden beschouwd als inbreuk op de exclusieve ABC-rechten, wordt verder niet toegelicht en dat valt zonder die ontbrekende toelichting niet in te zien. Ook is niet duidelijk waarom daarmee het oordeel van het hof in rov. 6.5 onjuist zou zijn.
niet toe strektABC-houders in staat te stellen om de naleving van IE-rechten in derde landen te controleren of te handhaven.
BSH/Electrolux. Dat is op zich juist – zij het dat dat geen onbegrensde bevoegdheid is en genuanceerder ligt, zeker als de geldigheid van de betreffende octrooien in geding is. Maar voor zover de klacht behelst dat hieruit zou volgen dat het
doel van de verordeningzou zijn om de ABC-houder in staat te stellen tot controle van IE-rechten dan wel handhaving van zijn ABC in derde landen, kan dit niet slagen. Uit
BSH/Electroluxvolgt dat helemaal niet. Ook anderszins valt niet in te zien waarom rov. 6.5
in het licht van deze uitspraakonjuist zou zijn, zodat ook in zoverre de klacht tevergeefs is. Overigens komt de betekenis van
BSH/Electroluxnog aan bod bij de bespreking van subonderdeel 4.3.
2.2.1, dat ook geen klacht bevat), de rechtsklacht, in zes subonderdelen (deels ook als motiveringsklacht) uitgewerkt, dat het niet is toegestaan om onder de exportvrijstelling een voorraad aan te leggen ten behoeve van export naar derde landen met het oog op een “Day-1 entry” op de markt van het beoogde exportland (geen
stockpiling for export). Ik memoreer voor een scherpgestelde lens hier even hetgeen het hof in rov. 6.35 uit de toelichting op het eerste voorstel voor de P-Vo uit 2018 citeert (als zodanig, als ik het goed zie, onbestreden in cassatie), namelijk dat
tijdelijkeopslag die “strikt noodzakelijk” is voor de “feitelijke uitvoer” onder vallen en
stockpilingten behoeve van toekomstige markttoetreding in een derde land is dat niet. Bovendien is met dit oordeel het uitzonderingskarakter van de exportvrijstelling op de exclusieve rechten uit de ABC-Vo miskend, die als fundamentele eigendomsrechten zijn beschermd volgens art. 17 EU Pro-Handvest (zoals considerans 30, 2e volzin P-Vo ook aangeeft). Het fundamentele doel van de ABC-Vo bestaat erin voldoende bescherming te garanderen ter aanmoediging van het farmaceutisch onderzoek dat een beslissende bijdrage levert tot de voortdurende verbetering van de volksgezondheid. De ABC-Vo is vastgesteld omdat de duur van de effectieve octrooibescherming ontoereikend werd geacht om de in het farmaceutisch onderzoek gedane investeringen af te schrijven. Beoogd is om deze tekortkoming te verhelpen door de invoering van een ABC voor geneesmiddelen (onder verwijzing naar HvJEU 24 november 2011, ECLI:EU:C:2011:773 (
Medeva), punten 30-31). Dat betekent dat uitzonderingen op de door de ABC-Vo verleende exclusieve rechten strikt en eng moeten worden uitgelegd (deze materie is ook voorwerp van subonderdeel 4.2), hetgeen het hof heeft miskend met aanvaarding van een vrijstelling waarin de ABC-Vo niet voorziet – althans door een te extensieve uitleg te geven aan art. 5 lid 2 sub a onder Pro ii ABC-Vo. De klacht geeft aan dat deze kernklacht “alvast nader wordt aangevuld, uitgewerkt en toegelicht in de navolgende subonderdelen van dit middelonderdeel.”
a-contrario-redenering, waarbij grote voorzichtigheid past), zoals volgt uit de hierna volgende bespreking van de uitwerking van deze klachten. S.t. SB 5.7-5.8 zet overigens uiteen waarom er verschil zit tussen de 6 maanden EU-voorraadvrijstelling en het “tijdelijk” (considerans 9) aanhouden van een voorraad voor export (periode noodzakelijk binnen de normale bedrijfsvoering, onder verwijzing naar rov. 4.23 van het vonnis van de Haagse voorzieningenrechter). De beperking in tijd voor de EU-voorraadvrijstelling heeft als doel te voorkomen dat voorraden op de Europese markt “lekken” vóórdat de ABC’s zijn vervallen (zie ook rov. 6.41). Bij producten die voor export zijn bedoeld wordt dat lekrisico ondervangen door etiketteringsvoorschriften (art. 5 lid 2 onder Pro d en art. 5 lid 8 Prod Pro-Vo en considerans 21 en 24). Op producten bedoeld voor export naar derde landen wordt goed zichtbaar een label met “EU export” geplaatst, terwijl er geen actief identificatiekenmerk op wordt aangebracht.
bevorderenvan concurrentievermogen; niet ‘creëren gelijk speelveld’, noch ‘derde landen Day-1 entry’” dat onjuist is geoordeeld over de vrijstellingen in art. 5 lid 2 sub a ABC Pro-Vo en de doelstellingen daarvan. Dit is uitgewerkt in 2.2.2 tot en met 2.2.11. De klachten scharnieren rond de thema’s: (i) het doel van de exportvrijstelling (2.2.2, 2.2.3, 2.2.6, 2.2.7) en (ii) de betekenis van het “first mover”-effect in dit verband (2.2.4, 2.2.5, 2.2.8, 2.2.9), waarna subonderdeel 2.2 afsluit met enkele “overige” klachten die in het verlengde liggen van de voorafgaande klachten (2.2.10 en 2.2.11).
2.2.2, dat rov. 6.35-6.37 aanvalt, is anders dan het hof suggereert niet beoogd voorraadaanlegging voor export mogelijk te maken om een exportland te kunnen betreden op een zelfgekozen later moment, bijvoorbeeld als dat exportland IE-rechtenvrij is geworden en/of in dat land een marktvergunning is verleend. “Stockpiling” voor “Day-1 entry” wordt alleen gebruikt voor de EU-voorraadvrijstelling uit art. 5 lid 2 sub a onder Pro iii en iv.
2.2.3vervolgt dat het doel van de exportvrijstelling was twee problemen op te lossen: i) EU-producenten konden gedurende de ABC-bescherming in de EU zelf niet ten behoeve van export produceren in de EU, terwijl producenten in derde landen dat wel konden en ii) EU-producenten waren direct na verloop van de ABC-bescherming niet gereed om de EU-markt op die “Day-1” te betreden, terwijl producenten in derde landen dat wel waren. Voorraadaanlegging door EU-producenten voor “Day-1 entry” in derde landen is geen doelstelling van de P-Vo – ter onderbouwing daarvan verschaft het hof ook geen wetsgeschiedenismateriaal of consideranspassages of tekst van de P-Vo. Het is dan ook omgekeerd: doel van de P-Vo was juist om productie mogelijk te maken voor landen waar geen bescherming (meer) was. Zo ook
2.2.6: ten onrechte althans onbegrijpelijkerwijs is geoordeeld dat Janssens argumentatie dat “Day-1 entry” en “stockpiling” bij de totstandkoming alleen is gehanteerd voor de EU-voorraadvrijstelling, niet overtuigt [24] . De klacht lijkt mij overigens niet (voldoende kenbaar) te zijn dat het hof deze (essentiële) stellingen van Janssen zou hebben gepasseerd.
doelzou hebben voorraadaanlegging mogelijk te maken voor “Day-1 entry” op markten in derde landen, maar dat is niet zo. In rov. 6.34 (als nader toegelicht in 6.35-6.42) leidt het hof uit de doelstelling van de verordening om de mondiale concurrentiepositie van EU-producenten te verbeteren wel af dat voorraadaanlegging onder de exportvrijstelling is
toegestaanvoor zo’n “Day-1 entry” “abroad”; dat is wat anders dan dat dat het doel zou zijn van de P-Vo. Dragend is hier op de keper beschouwd rov. 6.36-6.37: voorshands onaannemelijk dat reële concurrentie op de mondiale markt mogelijk is als alleen de door Janssen bepleite zeer tijdelijke opslag toegestaan zou zijn. Je kunt daarmee niet daadwerkelijk concurreren met vervaardigers buiten de EU, zodat het strookt met de bedoeling van de Uniewetgever om ook vervaardigers in de EU toe te staan om voor export een zodanige voorraad op te bouwen dat zij op “Day-1” de beoogde exportmarkt kunnen betreden. Het is onlogisch dat de Uniewetgever zou menen dat een biosimilaire producent voor “Day-1 entry” op de EU-markt wel een voorraad zou mogen aanleggen, maar voor een degelijke marktbetreding buiten de EU niet, aldus het hof. Dat het argument van Janssen, in wezen gebaseerd op een enge grammaticale uitleg van de verordeningstekst hier niet is gevolgd, is niet onbegrijpelijk in dat licht. In zoverre falen deze klachten al deels bij gebrek aan feitelijke grondslag, terwijl van ontoereikende motivering (in dit kort geding) bepaald geen sprake is.
.” Uit niets blijkt dat de Uniewetgever uit soortgelijke overwegingen voorraadaanlegging ook ten aanzien van uitvoer naar derde landen relevant heeft gevonden.
2.2.4handelt over de passage in rov. 6.35 dat de Commissie het “first mover effect” aanwijst als dynamiek die het probleem verergert of als “problem driver”, afgeleid uit de toelichting op het initiële voorstel voor de P-Vo van 28 mei 2018 en de
Impact assessmentbij dit voorstel. Deze verwijzing is misplaatst omdat de Commissie hieraan niet de consequentie heeft verbonden om een vrijstelling voor voorraadvorming voor export te introduceren, zoals het hof lijkt aan te nemen. Integendeel: de voorkeursoptie
‘Option 2bis’ waarop de in rov. 6.35 geciteerde tabel betrekking heeft, omvatte helemaal geen mogelijkheid voor voorraadaanlegging [26] . De vermelding in tabel 8 “day-1 global and EU markets” is ondoordacht en onbedoeld volgens Janssen. Het staat haaks op het onbegrijpelijke oordeel in rov. 6.36 dat het alleen met voorraadvorming mogelijk zou zijn om in een exportland “day-1 entry” te bewerkstellingen; uit tabel 8 blijkt het tegendeel, zodat het evident niet strookt met de bedoeling van de Uniewetgever om voorraadvorming voor export toe te staan. De PI vervolgt in
2.2.5dat de vraag of een vervaardiger als eerste de markt kan betreden die openstaat voor concurrentie er dus niet van af hangt of de vervaardiger een voorraad kan aanleggen, maar of die vervaardiger in dat land van uitvoer een handelsvergunning heeft verkregen; een producent zonder MA kan namelijk niet op de markt komen in een derde land dat open staat voor concurrentie – ook niet als hij een voorraad heeft aangelegd. In voetnoot 16 van de PI tekent Janssen aan dat SB overigens nooit zou hebben geprofiteerd van een “first-mover-effect”, omdat haar MA’s voor het VK, Canada en Zuid-Korea pas lang na de concurrentie zijn aangevraagd, zodat andere partijen eerder in staat waren de markt te betreden.
travaux préparatoiresis niet bijzonder gelukkig. In de eerste plaats al niet omdat zoals in de inleiding is besproken in zijn algemeenheid terughoudendheid is geboden bij het duiden van EU-regelgeving aan de hand van
travaux préparatoires. Dat geldt te meer nu hier (inderdaad) wordt verwezen naar
travauxdie geen betrekking hebben op de regeling die uiteindelijk in de verordening terecht is gekomen. Maar het hof verwijst hiernaar in rov. 6.35 als onderdeel van het betoog van SB dat voor effectieve concurrentie op de mondiale markt van biosimilaire geneesmiddelen het “first mover effect” en daarmee “Day-1 entry” van essentieel belang zijn, waarna het hof vervolgens constateert dat Janssen dit betoog onvoldoende heeft bestreden: ter zitting heeft Janssen alleen aangevoerd dat de passage in “Table 8” terloops en ondoordacht is nu er geen “global day-1” is en dat de Commissie niet de Uniewetgever is. Het gaat hier dus om het partijdebat over de vraag of “Day-1 entry” van essentieel belang is voor een effectieve concurrentie op de mondiale markt. Dat beantwoordt het hof in het licht van het weergegeven partijdebat voorshands bevestigend. Dit oordeel is op zichzelf niet onjuist en goed te volgen, te meer nu het hof óók vaststelt dat de verordening (mede) tot doel heeft de mondiale concurrentiepositie van EU-producenten te versterken (en die overweging in cassatie niet met succes wordt bestreden). Daar sneuvelt ook de klacht van 2.2.5. op.
2.2.8is gericht de passage in rov. 6.37 dat niet valt in te zien dat de Uniewetgever stockpiling voor Day-1 entry binnen de Unie wel van belang achtte, maar voor de markten in derde landen niet. De klacht begint met een herhaling van zetten uit 2.2.4, waarvan hiervoor al is aangegeven dat dat niet tot cassatie kan leiden. Omdat wel is voorzien in voorraadvorming voor betreding van de EU-markt zodra die rechtenvrij is, maar niet in voorraadvorming voor exportlanden die dat niet zijn, zou dit onderscheid juist wel zijn in te zien, aldus deze klacht: de Uniewetgever ging ervan uit dat er dan zou worden vervaardigd voor markten die al openstonden voor concurrentie. Maar zelfs als dat zo zou zijn, wordt niet toegelicht waarom er ook dan geen voorraadvorming voor die exportlanden nodig zou zijn; het argument overtuigt (mij) niet. Het vervolg in
2.2.9adstrueert dit betoog nog aan de hand van de consideranspassages 4, 8, 18, 29 en 30, maar dat overtuigt evenmin. Eerder kwam al aan bod dat het “first mover” voordeel van essentieel belang is voor een succesvolle markttoetreding. Het valt (inderdaad) niet in te zien waarom dit op de mondiale markt opeens anders zou zijn. Janssens betoog strookt niet met de doelstelling van de P-Vo om de mondiale concurrentiepositie van EU-vervaardigers te versterken. Aan het aspect van het al dan niet (IE-)rechtenvrij zijn, komen we nader toe bij de bespreking van onderdeel 4.
2.2.11dat hiermee ook het voorlopig oordeel aan het slot van rov. 6.37 wordt aangetast, dat het onlogisch zou zijn dat SB wel al een voorraad mocht aanleggen voor “Day-1-entry” in de EU, maar niet voor bijvoorbeeld het VK. Dat is volgens de klacht wel logisch gelet op het stelsel uit de P-Vo en bovendien is VK bij uitstek een markt waar de exportvrijstelling
nietvoor is bedoeld omdat daar nog een ABC van kracht is, zo besluit subonderdeel 2.2 onder verwijzing naar considerans 8 van de P-Vo.
.Volgens
2.3.1kan het daarbij hooguit gaan om kortstondige opslag, niet om de nu aanvaarde langdurige voorraadaanlegging voor export die op geen enkele manier is beperkt in tijd of anderszins, jarenlang kan duren en al op dag 1 van het ABC zou kunnen beginnen. Dat, terwijl, zo vervolgt
2.3.2, de voorraadaanlegging onder de EU-voorraadvrijstelling voor het na het verstrijken van het ABC betreden van de EU-markt is beperkt tot de laatste zes maanden van de looptijd van het ABC, zodat het niet voor de hand ligt dat het “tijdelijk in voorraad hebben” voor zover dat “strikt noodzakelijk” is voor de “feitelijke uitvoer” onder de exportvrijstelling helemaal niet in tijd beperkt zou zijn.
explicietheeft overwogen of er grenzen zijn te stellen aan de voorraadaanlegging voor export in tijd of anderszins, wil op zich niet zeggen dat die volgens het voorlopig oordeel van het hof niet gesteld zouden kunnen worden. Beslist is in de omstandigheden van dit geval, waarin SB zich op het moment van productie ook op de EU-voorraadvrijstelling kon beroepen (vgl. rov. 3.12 en rov. 6.14, in cassatie niet (met succes) bestreden, zoals hierna wordt besproken). Daarmee is volgens mij ook niet
implicietgeoordeeld dat dergelijke beperkingen bij voorraadaanlegging voor export
niet denkbaarzouden zijn; dat hoefde het hof in dit kort geding alleen niet te beslissen, gegeven de omstandigheden van dit geval. We hebben gezien dat tussen het moment van aanvang van de voorbereiding van de productie voor export op 24 januari 2024 en het moment waarop het laatste MA-nummer is verstrekt op 12 augustus 2024 iets meer dan 6 maanden waren verstreken, dus feitelijk niet ver verwijderd van de 6 maandstermijn uit de EU-voorraadvrijstelling voor de EU-markt. Ook hier wreekt zich weer de in essentie
a contrario-argumentatie van Janssen, die hiervoor al in afwijzende zin is besproken. Ik denk dat de klachten van subonderdeel 2.3 hier op zouden moeten afketsen.
geenbescherming (meer) bestaat, zodat “Day-1 entry” in derde landen in zoverre niet aan de orde is, omdat enige “Day-1” bij hantering van voormeld uitgangspunt noodzakelijkerwijs in het verleden ligt.
Stockpiling”niet nodig voor “
first mover effect”” wordt geklaagd over rov. 6.39 waar het hof het betoog van Janssen verwerpt dat het aan de eigen timing van SB ligt dat zij niet van het
“first mover effect
”gebruik kan maken en dat zij eerder een MA had moeten aanvragen. Dat wordt gepasseerd, omdat een MA voorshands geen voorwaarde wordt geacht voor een geldig beroep op de exportvrijstelling. Dat is volgens
2.5.2onbegrijpelijk, omdat het één (voorraadaanlegging) los staat van het ander (verkrijgen handelsvergunning). Als dit oordeel zo moet worden begrepen dat een producent geen MA hoeft af te wachten, zodat hij
daaromhet recht heeft tot voorraadvorming, dan is sprake van een cirkelredenering en een onjuist oordeel volgens
2.5.3.Een vervaardiger die te vroeg begint met productie voor export naar derde landen veroorzaakt immers voor zichzelf een probleem omdat hij geen vrijstelling heeft voor stockpiling en/of bij export mogelijk inbreuk maakt op buitenlandse rechten; maar dat betekent niet dat de vervaardiger
daarom– zoals het hof heeft miskend – gebruik kan maken van een vrijstelling waarin de verordening niet voorziet. Verder klaagt
2.5.4dat sprake is van een motiveringsgebrek, omdat Janssen in feitelijke instanties gemotiveerd heeft uiteengezet dat SB in de door haar beoogde exportlanden een MA had kunnen verkrijgen
voordatJanssens ABC van kracht werd, zodat SB al op de eerste dag van het ABC had kunnen beginnen met de vervaardiging voor export naar markten van rechtenvrije landen en het “first mover effect” aldus optimaal had kunnen benutten. Voor zover SB geen gebruik heeft kunnen maken van enig “first mover effect” is dat dus niet te wijten aan het verbod een voorraad aan te leggen, maar aan de eigen commerciële keuzes van SB.
2.6.1datzelfde lot. Die klacht gericht tegen rov. 6.20 met het oordeel dat de exportvrijstelling voorraadvorming voor export toelaat wordt daarin bestreden als onjuist op de gronden van onderdeel 2.
3.2.2komt op tegen het oordeel in rov. 6.9-6.10 dat de uitleg van Janssen dat de kennisgeving een referentienummer moet bevatten, geen steun vindt in de tekst van art. 5 lid 2 sub b lid Pro 4, lid 5 sub e en lid 7 ABC-Vo. De klacht is (onder referte aan een uitlating van de rapporteur van de het comité juridische zaken van het Europees Parlement) dat uit het samenstel van deze bepalingen juist blijkt dat de vervaardiger de informatie in art. 5 lid 5 ABC Pro-Vo uiterlijk drie maanden vóór de eerste vervaardiging moet aanleveren, zodat de ABC-houder tijdig kan nagaan of aan de vereisten van de ABC-Vo wordt voldaan om zo nodig procedures te starten bij niet naleving. Volgens
3.2.3behoort daartoe ook het in lid 5 sub e genoemde MA-nummer, zodra dat publiek beschikbaar is, en wel om dezelfde reden: nagaan of de ABC-Vo wordt nageleefd en zo nodig procedures kunnen starten. Als die informatie pas wordt verschaft na aanvang van de productie, heeft de ABC-houder niet genoeg tijd voor die verificatie. Daaraan doet niet af dat lid 5 sub e bepaalt dat het referentienummer wordt verstrekt “zodra dit publiek beschikbaar is”
,zo vervolgt
3.2.4.De Uniewetgever heeft in lid 5 sub e bovendien gekozen voor het bepaalde lidwoord “de” in de zinsnede “het referentienummer van
devergunning voor het in de handel brengen” en dus niet: “een”. Dat betekent volgens
3.2.5dat bedoeld is een bepaalde, al bestaande MA en niet een hypothetische, mogelijke, of toekomstige MA.
moet zijn verleend; sub e geeft niet voor niets aan dat het MA-nummer pas hoeft te worden verstrekt
“zodra dit publiek beschikbaar is”.Dat wijst er juist op dat is bedoeld dat zo’n MA-nummer kennelijk niet al bij de kennisgeving beschikbaar moest zijn om bedoelde controle uit lid 4 uit te oefenen. Dat lid 5 sub e geen essentieel vereiste is in de door Janssen bedoelde zin lijkt mij ook te volgen uit lid 7: niet-naleving van dit vereiste ten aanzien van een derde land heeft
alleengevolgen voor de
uitvoernaar dat land,en dus niet voor de geldigheid van de kennisgeving als geheel. Daar ketsen naar ik meen de klachten uit 3.2.2 t/m 3.2.4 op af. Uit het hanteren van “de” vergunning in plaats van “een” vergunning in lid 5 sub e lijkt mij niet te kunnen worden afgeleid dat er “dus” al een handelsvergunning voorhanden zou moeten moet zijn, zoals subonderdeel 3.2.5 ingang wil doen vinden. Dat blijkt ook al uit considerans 17, die spreekt over “een” vergunning. Als er inderdaad wel al een MA zou moeten zijn ten tijde van de kennisgeving, dan had dat wel duidelijker in de tekst gestaan; het enkele woordje “de” lijkt daarvoor wel een bijzonder magere basis [27] . Zo had bijvoorbeeld gekozen kunnen worden voor het moeten overleggen van een geanonimiseerde handelsvergunning, of zelfs een (al dan niet geanonimiseerde) aanvraag voor een handelsvergunning. Een dergelijk vereiste bevat de ABC-Vo niet. Dat lijkt verband te houden met het doel van het kennisgevingsvereiste, waar nu aan toegekomen wordt bij de bespreking van subonderdeel 3.3.
voor de Uniemarkt, en niet om te controleren of IE-rechten die
in derde landenvan kracht zijn, worden gerespecteerd. Ten onrechte wordt het argument verworpen dat een ABC-houder alleen op basis van een handelsvergunning kan beoordelen of in het exportland inbreuk dreigt op haar daar geldende exclusieve rechten en het argument dat de in art. 5 lid 5 sub e ABC Pro-Vo bedoelde informatie ook nodig is voor de in lid 4 bedoelde verificatie door de ABC-houder wordt gepasseerd. Dat is onjuist, althans onbegrijpelijk.
Die informatie moet beperkt blijven tot hetgeen noodzakelijk en passend is opdat de certificaathouder kan beoordelen of de door het certificaat verleende rechten worden geëerbiedigd, en mag geen vertrouwelijke of commercieel gevoelige informatie bevatten.Het standaardmeldingsformulier kan ook worden gebruikt om de certificaathouder in kennis te stellen, en de verstrekte informatie moet zo nodig worden geactualiseerd.”
door het certificaat verleende rechten worden geëerbiedigd; dat zijn de rechten uit het ABC. De ratio is dan ook niet beoordeling of waarborging van eventuele IE-rechten die de ABC-houder mogelijk in derde landen heeft. Daar wijst ook considerans 13 op: de uitzonderingen in de P-Vo moeten vergezeld gaan van effectieve en evenredige vrijwaringsmaatregelen om de certificaathouder te helpen de bescherming ervan
in de Uniete handhaven
.Dit uitgangspunt komt ook tot uitdrukking in art. 5 lid 4 ABC Pro-Vo: de informatie bedoeld in lid 5 stelt de ABC-houder in staat om te controleren of aan de vereisten van de verordening is voldaan en
om in voorkomend geval gerechtelijke procedures in te leiden in geval van niet-naleving.Het ligt voor de hand dat hier wordt gedoeld op gerechtelijke procedures ter bescherming van de rechten voortvloeiend uit het ABC; dat is immers het terrein waarop de verordening betrekking heeft. Uit deze passages volgt het tegendeel van wat Janssen bepleit en het is zodoende niet de bedoeling van de Uniewetgever geweest middels de kennisgeving de certificaathouder een instrument in handen te geven voor handhaving van diens eventuele rechten in derde landen. Dat dat niet is beoogd, kwam ook bij de bespreking van 1.1.2 al aan de orde. Daarbij moet bedacht worden dat het hier om bedrijfsgevoelige informatie gaat. De klachten uit 3.3.1 kunnen niet tot cassatie leiden.
naasthet MA-nummer, zodra beschikbaar, ook andere informatie verstrekken [28] . Dit is onbegrijpelijk, althans onjuist, omdat de ABC-houder op basis van die informatie niet
voorafgaand aan de vervaardigingkan vaststellen of aan de vereisten voor de export-vrijstelling is voldaan en evenmin op basis van die informatie kan bepalen of het nodig is gerechtelijke procedures in te leiden.
.Daaruit volgt dat kennelijk niet de bedoeling is geweest dat de ABC-houder al
voor aanvangvan de productie zou moeten kunnen controleren of export naar het beoogde exportland toegestaan is of zal zijn.
3.3.3een volgende passage uit rov. 6.13 onder vuur: de kennisgeving van art. 5 lid 5 ABC Pro-Vo zou er volgens het hof mede toe strekken om de ABC-houder in staat te stellen te controleren of aan de anti-omleidingsmaatregelen in lid 8 en lid 9 wordt voldaan. Janssen bestrijdt dat als onbegrijpelijk en onjuist met een drievoudige klacht, omdat (i) de kennisgeving van lid 5 niet ziet op de anti-omleidingsmaatregelen van lid 8 en lid 9, (ii) de anti-omleidingsmaatregelen en de waarborg van een handelsvergunning geen alternatieven zijn die elkaar uitsluiten, maar elkaar juist aanvullen en naast elkaar bestaan, en (iii) het hof niet heeft vastgesteld dat SB aan haar verplichtingen onder lid 8 en lid 9 heeft voldaan. In lijn met deze klacht komt
3.3.4op tegen rov. 6.14 met de klacht dat het hof ten onrechte het betoog van Janssen heeft verworpen dat de producent ten tijde van de kennisgeving al een handelsvergunning moet hebben verkregen omdat de ABC-houder anders geen enkele zekerheid heeft dat de producten daadwerkelijk in de beoogde exportlanden terechtkomen, en niet worden omgeleid naar de EU. Anders dan het hof tot uitgangspunt neemt, dient de handelsvergunning namelijk wel degelijk om aan te tonen dat producten inderdaad voor uitvoer bestemd zijn.
3.4.1tegen rov. 6.15-6.17 is dat de totstandkomingsgeschiedenis Janssens interpretatie wel steunt.
3.4.2klaagt dat rov. 6.17 een onjuiste, althans onbegrijpelijke interpretatie geeft van de toelichting op de ontwerptekst voor art. 5 lid Pro 5 P-Vo in het vierde herziene voorstel [29] . Daarin staat dat de vervaardiger in zijn notificatie niet langer het land van export hoeft te vermelden maar in plaats daarvan het referentienummer van de verkregen (“obtained”) handelsvergunning moet verstrekken, opdat het derde land van export kan worden geïdentificeerd (“so that the third country in question is identifiable”)
.Deze informatie moet in de notificatie (of via een update daarvan) worden verschaft, uiterlijk voorafgaand aan de daadwerkelijke, feitelijke uitvoer. Zo’n handelsvergunning toont dan aan dat het geneesmiddel daadwerkelijk bestemd is om in het betreffende land op de markt te worden gebracht (“Such marketing authorisation would show that the medical product is genuinely intended for placing on the market in that country"). Hieruit volgt volgens Janssen dat de vervaardiger
ten tijde van de kennisgevingover een handelsvergunning moet beschikken. Onder de exportvrijstelling is het immers uitsluitend toegestaan te gaan vervaardigen met het oog op uitvoer, en dat oogmerk (“genuine intent for placing on the market in that country”) moet de producent al hebben wanneer hij met de vervaardiging begint; de exportvrijstelling is immers doelgebonden. Die intentie volgt dan weer uit het publieke referentienummer van een handelsvergunning in het exportland.
The maker must provide this information in the notification if it is already publicly available, or by means of an update to the notification if it is only delivered later, but at the latest prior to the actual export itself.Such marketing authorisation would show that the medicinal product is genuinely intended for placing on the market in that country.”
uiterlijk voorafgaand aan de exportbeschikbaar moest worden gesteld – en dus niet dat het de bedoeling was dat de producent
voorafgaand aan de productie(of zelfs op het moment van kennisgeving) al over een handelsvergunning zou moeten beschikken. Dit komt ook tot uitdrukking in het vervolg van deze passage [31] :
If such an authorisation is granted, but not published, the maker can then choose between communicating either the reference number or the name of the third country of export, before starting to export to that country.During the period between grant and publication of the authorisation, the manufacturer can start to export if the name of the country of export has been included in the notification. As a failsafe transparency measure, in the unlikely event of no marketing authorisation or equivalent regime existing in a given third country, then only the name of that intended country of export would have to be notified.”
voorafgaand aan de exportnaar het derde land. Weliswaar ziet dit citaat op de specifieke situatie waarin er wel al een vergunning is verleend, maar het referentienummer nog niet is gepubliceerd, maar vervolgens wordt verduidelijkt dat wanneer informatie over enig beoogd exportland in het geheel ontbreekt, dit alleen gevolgen heeft voor de
uitvoer [32] :
exports to that country would then not be covered by the waiver.”
3.5.1de passage in rov. 6.18 dat het in strijd zou komen met het belang van eerlijke concurrentie en “het doel van de P-Vo om een gelijk speelveld te creëren met concurrenten van derde landen” om van de producent te verlangen dat hij ten tijde van de kennisgeving over een handelsvergunning beschikt, omdat concurrenten dan in een vroeg stadium al bekend raken met de plannen van de producent. Dat is onjuist, omdat (i) het creëren van een volledig gelijk speelveld met concurrenten gevestigd in derde landen geen doel is van de P-Vo (onder verwijzing naar subonderdeel 1.1.1), en (ii) een producent die wil toetreden tot de markt van een derde land daar een handelsvergunning moet aanvragen om te kunnen concurreren met andere vervaardigers.
toetredentot de markt van een derde land daar een handelsvergunning moet aanvragen, maar dat betekent als hiervoor al besproken niet dat er al een MA moet zijn op het moment van kennisgeving in de zin van art. 5 lid 5 ABC Pro-Vo. Eigenlijk vermeldt de klacht dit ook al; die vergunning is pas vereist bij
toetredingtot die derde markt.
3.5.2deelt hetzelfde lot: de samenvatting van het standpunt van Janssen in rov. 6.18 zou onbegrijpelijk zijn omdat daar staat dat de vervaardiger zich alleen op de exportvrijstelling kan beroepen als hij ten tijde van de kennisgeving over een “vergunning voor export” beschikt, terwijl het standpunt van Janssen is dat de producent dan een
handelsvergunningin het beoogde exportland moet beschikken. Daarmee is natuurlijk hetzelfde bedoeld hier. De klacht maakt ook niet duidelijk wat het hof hier anders kan hebben bedoeld, of waarom deze overweging anderszins onbegrijpelijk zou zijn. De klacht slaagt niet en daarmee kan geen van de klachten van subonderdeel 3.5 tot cassatie leiden.
4.2.1dat het hof met zijn oordeel in rov. 6.22-6.29 dat de exportvrijstelling ook kan worden ingeroepen voor vervaardiging met het oog op export naar derde landen waar IE-rechten de invoer kunnen beletten, heeft miskend dat deze vrijstelling als uitzondering op de door de ABC-Vo verleende exclusieve rechten, strikt en eng moet worden uitgelegd. De uitleg die het hof aan exportvrijstelling geeft, gaat verder dan is bedoeld gelet op de consideranspassages 3, 4, 8, 18, 29 en 30 en de totstandkomingsgeschiedenis van de P-Vo. De vrijstelling is alleen bedoeld om een producent in de EU in staat te stellen om producten te vervaardigen voor de uitvoer naar derde landen waar geen bescherming (meer) bestaat. De hofuitleg zou producenten in de EU zelfs op voorsprong zetten ten opzichte van derde landen producenten waar IE-rechten de vervaardiging van dat product zouden beletten, zo vervolgt
4.2.2, en dat is niet waartoe de exportvrijstelling strekt – een vrijplaats voor vervaardiging van producten die inbreuk maken op IE-rechten in derde landen. Dat blijkt duidelijk uit de toelichting van het voorzitterschap van de Raad van de EU bij het derde herziene voorstel voor de P-Vo van 22 november 2018: “it is obviously not the intention of the proposal to encourage the infringement of IP rights in third countries”.
nietovereenstemt met de tekst van art. 5 ABC Pro-Vo, namelijk dat in lid 2 sub a onder i) van die bepaling wordt gelezen dat met “derde landen” wordt bedoeld “derde landen waar geen bescherming bestaat of deze is vervallen.” Dat staat er evenwel niet en dat is zoals al eerder besproken een bewuste keuze geweest, zoals hierna nader wordt toegelicht.
kennisgeving) rechtenvrij zijn: de considerans rept onder 4 immers uitdrukkelijk van
uitvoernaar markten in derde landen, hetgeen impliceert dat die landen dat die landen op dát moment rechtenvrij moeten zijn.
uitvoernaar markten van rechtenvrije derde landen. Ook dat leest naar ik meen als: het exportland in kwestie hoeft (pas) op het moment van uitvoer rechtenvrij te zijn. Bovendien hebben we hiervoor al gezien dat het blijkens deze consideranspassage 18 de verantwoordelijkheid van de producent is om na te gaan of sprake is van rechtenbelemmering in het exportland. Het is niet de bedoeling van de ABC-Vo om de certificaathouder daarvoor een tool in handen te spelen.
.In context gelezen moet dit betekenen dat die daadwerkelijke concurrentie pas zal plaatsvinden op het moment van daadwerkelijke export; bovendien is ook hier relevant dat het voor reële commercieel relevante concurrentie mogelijk moet zijn om al vooraf te starten met productie en opslag/voorraadvorming, om zo een “Day-1 entry” op de betreffende exportmarkt te kunnen bewerkstelligen; dat is bij de bespreking van onderdeel 2 ook al aan de orde geweest.
travaux préparatoires,die zoals bij herhaling gezegd met de nodige voorzichtigheid moeten worden gehanteerd, ondersteunen deze lezing. Daaruit blijkt namelijk dat in de tekst art. 5 ABC Pro-Vo
bewustniets is opgenomen over IE-rechten in derde landen, zoals blijkt uit het hiervoor in 4.20 al geciteerde verklaring daaromtrent van het toenmalige voorzitterschap van de Raad: het is er bewust uitgelaten dat de beoogde exportlanden rechtenvrij moesten zijn. Met de
travauxis weliswaar voorzichtigheid geboden, maar toch. Het zou wel kras zijn om dat dan zo anders te interpreteren zoals Janssen voorstaat, als een overeenkomstige tekst er juist – en naar het alle schijn heeft: welbewust – niet in de ABC-Vo is terechtgekomen. Daarmee faalt ook klacht 4.2.2, waarin bedoeld citaat overigens andermaal selectief is weergegeven, net als eerder besproken. Dit is al een prelude op de nu te bespreken klacht uit subonderdeel 4.3.1.
4.3.2, gericht tegen de passage uit rov. 6.25 dat uit de totstandkomingsgeschiedenis blijkt dat bewust niet in de tekst is opgenomen dat dat de beoogde exportlanden rechtenvrij moeten zijn gelet op de hiervoor in 4.20 geciteerde toelichting van het Raadsvoorzitterschap, is dat dat een onjuist oordeel. Daaruit blijkt alleen dat de Uniewetgever niet wilde dat nationale rechters
a prioristeeds de inbreuk op en geldigheid van buitenlandse IE-rechten zouden moeten onderzoeken, maar dit laat onverlet dat het ook mogelijk is dat er
onbetwistsprake is van een geldig IE-recht in het beoogde exportland (in de voorliggende zaak: het ABC in het Verenigd Koninkrijk). In ieder geval in zulke gevallen kan geen sprake zijn van een geldig beroep op de exportvrijstelling.
nietop te nemen dat de beoogde exportlanden al rechtenvrij zijn op het moment van kennisgeving. Het gaat er als besproken om dat die landen op het moment van
uitvoerrechtenvrij zijn.
4.3.3over de juistheid en begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 6.25 dat EU-rechters buitenlandse IE-rechten niet zouden kunnen of moeten toetsen. Dat is achterhaald door het al eerder besproken HvJEU-arrest
BSH Hausgeräte, waarin is geoordeeld dat de rechter van de lidstaat van de woonplaats van gedaagde de inbreuk op buitenlandse IE-rechten zelfs
moettoetsen.
4.4.1klaagt over de juistheid van rov. 6.26 tweede liggende streepje, waar het hof overweegt dat in considerans 4, 8, 18, 29 en 30 wordt vermeld
“dat het gaat omproductiemet het oog op export naar derde landen waar geen bescherming bestaat of waar deze vervallen is”.Volgens de klacht is de productie zelf dus alleen toegestaan voor derde landen waar geen bescherming bestaat of waar deze vervallen is. Dat betekent dat het beoogde derde land van uitvoer rechtenvrij moet zijn op het moment dat met de productie wordt aangevangen.
weliswaarstaat dat het gaat om productie met het oog op
exportnaar derde landen waar geen bescherming (meer) bestaat, maar dat SB terecht aanvoert dat daaruit alleen is af te leiden dat het beoogde derde land rechtenvrij moet zijn op het moment van invoer va de producten aldaar. Dat is juist. Het gaat er dus om dat het exportland op het moment van
exportrechtenvrij is; voor een geldig beroep op de exportvrijstelling is niet vereist dat dit al eerder het geval is. Ik verwijs kortheidshalve naar de bespreking van subonderdeel 4.2.
subonderdeel 4.6is een zelfstandigheid ontberende voortbouwklacht gericht tegen rov. 6.26 vierde opsommingsteken, met het oordeel dat de P-Vo alleen de belangen van de ABC-houder bij handhaving van het ABC op de Uniemarkt in aanmerking neemt en dus niet dat bij handhaving van IE-rechten in derde landen. Dat is onjuist op de in 1.1.2 aangegeven gronden. De klacht deelt het lot van die besproken klacht, zodat ook subonderdeel 4.6 tevergeefs is.
Subonderdeel 4.7komt opnieuw met een materiële herhaling van zetten op tegen het oordeel in rov. 6.27 dat aan het voorgaande niet afdoet dat het faciliteren van een inbreuk op IE-rechten onrechtmatig is, nu bij het
producerenvoor export onder de exportvrijstelling immers nog geen sprake is van inbreuk in een derde land. Daarvan is volgens het hof pas sprake op het moment van invoer in een derde land waar nog IE-rechten gelden. Dat is onjuist in het licht van het doel van de exportvrijstelling. Toegestaan is onder die vrijstelling om te vervaardigen “met het oog op uitvoer naar derde landen” (zo volgt uit art. 5 lid 2 sub a onder Pro i ABC-Vo). Vervaardiging onder die vrijstelling
impliceertdus dat de vervaardigde producten worden uitgevoerd naar het land waarvoor zij vervaardigd zijn. Dit geldt temeer nu het niet is toegestaan om de vervaardigde producten op te slaan in afwachting van het verval van IE-rechten in de beoogde exportlanden, waartoe wordt verwezen naar onderdeel 2.
Subonderdeel 4.8is een voortbouwklacht tegen rov. 6.28, onjuist en/of onbegrijpelijk op de gronden uiteengezet in onderdeel 2. Dat mist zelfstandige betekenis en slaagt ook niet, zodat onderdeel 4 niet tot cassatie kan leiden.
5.Prejudiciële vragen aan het HvJEU?
acte clair,al mag het bestaan daarvan niet te snel worden aangenomen [35] . Evenmin ligt het stellen van vragen in de rede ingeval van een
acte éclairé,waarvan in de onderhavige zaak overigens geen sprake is [36] . De Hoge Raad is als gezegd in een kortgedingprocedure zoals de onderhavige zaak niet
gehoudenom prejudiciële vragen te stellen [37] .
a fortiorivoor bodemprocedures [39] .
wenn er die Genehmigungsnummer nicht für wenigstens ein Land mitgeteilt hat und auch nicht erklärt hat, in welches Drittland eine Ausfuhr erfolgen soll.”
zwingend erforderlich ist, dass der Hersteller für zumindest ein Drittland eine Genehmigungsnummer mitgeteilt hat oder es ausreicht, dass mitgeteilt wird, in welches Drittland die Ausfuhr beabsichtigt ist, kann dahinstehen, weil die Verfügungsbeklagte jedenfalls keinerlei nähere Angaben zur beabsichtigten Ausfuhr gemacht hat.”
Die VO bezweckt dabei insbesondere nur, die Ausfuhr in Drittländer ohne Schutzrechte zu ermöglichen.Zwar wird im Wortlaut des Art. 5 der Pro VO, wie die Verfügungsbeklagte zutreffend anmerkt (Antragserwiderung Rn. E.2.2), nicht nach Drittländern mit und ohne bestehende Schutzrechte unterschieden. Vielmehr ist nur allgemein von Drittländern die Rede. Aus den ErwGr 3, 4, 8, 29 und 30 ergibt sich aber jeweils die Zielsetzung, dass eine Ausfuhr nur in Drittländer ohne entgegenstehende Schutzrechte erfolgen soll. Auch ErwGr 18 stellt klar, dass sich der Hersteller vergewissern soll, dass in einem Ausfuhrland kein Schutz besteht. Schließlich ergibt sich aus ErwGr 4 und 5 der Änderungsverordnung, dass durch die Ausnahmeregelung des Art. 5 der Pro VO Wettbewerbsnachteile für Hersteller in der Union gegenüber Herstellern in Drittländern, in denen kein Schutz existiert, beseitigt werden sollen. Dieser Wettbewerbsnachteil besteht aber nur im Hinblick auf Drittländer, in denen keine entgegenstehenden Schutzrechte bestehen.
In Drittländern, in denen allerdings Schutzrechte entgegenstehen, dürfen Hersteller ohnehin nicht tätig werden, so dass insoweit auch keine Benachteiligung der Hersteller in der Europäischen Union droht.
andere von der Herstellung zum Zweck der Ausfuhr in Drittländer auszuschließen, in denen entgegenstehende Schutzrechte bestehen.“
langdurigeopslag hier niet onder valt, als de vervaardiger slechts een algemene intentie heeft om de producten te exporteren maar nog niet is vastgesteld naar welk specifiek derde land de export zal plaatsvinden [45] :
Nicht vom Herstellungsprivileg umfasst ist damit eine Herstellung zur längerfristigen Lagerung auf Vorrat, wenn der Hersteller nur die generelle Absicht hat, die Erzeugnisse in ein Drittland zu exportieren, aber noch nicht einmal festgelegt ist, in welches konkrete Drittland die Ausfuhr erfolgen soll.Eine solche längerfristige Lagerung würde hingegen drohen, wenn der Hersteller drei Monate nach Mitteilung bereits mit der Produktion beginnen dürfte, ohne dabei zu wissen und/oder entsprechende (regulatorische) Vorkehrungen getroffen zu haben, in welches konkrete Drittland der Export erfolgen soll.”
Volgens de tekst van de bepaling moet de vervaardiger het referentienummer van de vergunning op te geven"zodra dit publiek beschikbaar is”;
bewust heeft gekozen voor de bewoording van art. 5 zoals Pro thans voorligt (met weglating van de vermelding van derde landen naar waar de uitvoer gepland is, omdat dit mogelijks de concurrentie negatief zou kunnen beïnvloeden en om te vermijden dat vertrouwelijke, bedrijfsgevoelige informatie moet verstrekt worden voordat die openbaar is en niet met het oog om de kennisgevingsprocedure te vereenvoudigen)(stukken IV.1 t.e.m. IV.8 van SB).
enerzijdsde bescherming van IE-rechten om onderzoek, investeringen en innovatie aan te moedigen en om een effectieve bescherming te kunnen bieden door een voldoende lange periode van effectieve octrooibescherming te verlenen (o.a. overwegingen nrs. 3, 4, 5 en 9 van de ABC-Verordening en nrs. 2, 12, 13 van de Vrijstellingsverordening) en
anderzijdsde belangen voor de volksgezondheid en de noodzaak aan gelijke spelregels voor in de Unie gevestigde vervaardigers en vervaardigers in derde landen om het concurrentievermogen van de Unie te bevorderen en om de levensvatbaarheid van in de Unie gevestigde vervaardigers van generieke en biosimilaire geneesmiddelen te beschermen (o.a. overwegingen nrs. 10 van de ABC-Verordening en nrs. 3, 4, 5, 6, 7, 8, 29 van de Vrijstellingsverordening). Hoewel de dd. voorzitter vaststelt dat een evenwicht wordt beoogd tussen de concurrentiepositie van de vervaardigers binnen de Unie en de exclusieve rechten van certificaathouders, moet vastgesteld worden dat overwegingen geen bindende kracht hebben en, in tegenstelling tot wat Amgen tracht te impliceren, niet kunnen worden aangevoerd om van de bepaling(en) af te wijken of om ze uit te leggen in een zin die kennelijk in strijd is met de bewoordingen ervan. Hieruit volgt dat de dd. voorzitter uit de overwegingen vermelding die Amgen opwerpt niet kan besluiten dat de niet- van het referentienummer en/of de exportlanden zou leiden tot de niet-naleving van de kennisgevingsvereiste.”
,aldus de ondernemingsrechtbank [48] .
Regeneron v. Alvotechkomt Mr. Justice Meade, een internationaal erkende gespecialiseerde octrooirechter, tot eenzelfde oordeel. Het Verenigd Koninkrijk is na de Brexit weliswaar geen lidstaat meer, maar tot de Brexit gold ook daar de ABC-Vo. Nadien is de ABC-Vo behouden, in eerste instantie als “retained EU Law
”en vervolgens als “assimilated law”
,zodat in het VK sinds 1 januari 2024 de assimilated EU Regulation geldt, die inhoudelijk overeenstemt met de ABC-Vo [53] . Bij uitleg van die regelgeving door de Britse High Court is de ABC-Vo die in de voorliggende cassatieprocedure centraal staat dan ook leidend. Daarbij ziet de Britse rechter overigens minder ruimte om bij die uitleg al te veel te leunen op de
travaux préparatoires(“wrong in principle”) [54] :
themarketing authorisation" and "
suchauthorisation" in Art. 5(5)(e) necessarily imply that an MA must already exist, but this is far too slender a linguistic support for their position. If the legislators had intended that the export waiver should only be available once an MA was actually obtained it would have been spelled out in much clearer terms and not by this extremely oblique wording in a provision which is about the detail of what information should be provided and not the more basic questions of whether and when a waiver should be available at all. Textually speaking "the marketing authorisation" is simply subject to the same conditionality/futurity as the reference number thereof, by virtue of the words "as soon as ... publicly available".”
nietvereist dat de producent al op het moment van kennisgeving een handelsvergunning moet verstrekken; dat volgt immers niet uit de tekst van de verordening, en díe is nu eenmaal leidend. Anders dan het Landgericht München, ziet de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank geen aanleiding om aan de hand van de overwegingen en/of de
travauxtot een andersluidende uitleg van de verordeningstekst te komen.
“contra legem”). De auteurs wijzen erop dat de verwijzing van naar de considerans hier niet overtuigt, omdat die volgens vaste rechtspraak van het HvJEU niet kunnen leiden tot een andersluidende uitleg van de bewoordingen van de bepaling in kwestie. Bovendien leidt de lezing dat de ABC-Vo mede bedoeld is om IE-rechten in derde landen te beschermen volgens de auteurs tot een ontoelaatbaar extraterritoriaal effect van buitenlandse IE-rechten. Verder betogen zij dat het niet de bedoeling kan zijn dat vervaardigers binnen de Unie pas na het vervallen van eventuele IE-rechten in derde landen kunnen aanvangen met de productie, nu dit het
effet utileaan de vrijstelling zou ontnemen. Immers geldt dan dat Unievervaardigers zich nog altijd in een nadelige positie zouden bevinden ten opzichte van vervaardigers buiten de Unie, voor wie dergelijke beperkingen niet gelden. De auteurs menen dan ook dat de Nederlandse en Belgische benadering de voorkeur verdienen.
Ausfuhr auf Märkte von Drittländerngestatten soll,
in denen kein Schutz besteht oder in denen der Schutz abgelaufen ist(Erwägungsgrund 8), die Herstellung eines Erzeugnisses oder eines dieses Erzeugnis enthaltenden Arzneimittels für den Zweck der Ausfuhr in ein nicht schutzfreies Drittland nicht nur als eine Verletzung des in dem Drittland geltenden Patent- oder Zertifikatsschutzes,
sondern auch als eine Verletzung des betreffenden Schutzzertifikats nach VO 469/2009 anzusehen sein(v. Czettritz/Kau GRUR-Prax 2018, 396 (397)).
Regeneron v. Alvotechen wel als volgt:
but the degree of reliance that can be placed on it is significantly limited by the fact that the authority relied on for the proposition in the first paragraph (the 2018 Czettriz/Kau article in GRUR) was written wel before the final text of the Amended Regulation[sc. de Prod-Vo waarin de exportvrijstelling werd geïntroduceerd, A-G].
balance of probabilitiestoets op zou loslaten, dan is mijn evaluatie dat het
more likely than notis dat de exportvrijstelling moet worden uitgelegd als in het arrest a quo en door de Haagse voorzieningenrechter, de Belgische rechters en de Engelse High Court.