Conclusie
state of the artgeoblokkeringsmaatregelen waarmee toegang tot de website in Nederland is geblokkeerd, niet is gericht op Nederland. Het Fonds bestrijdt dat geen mededeling aan het publiek in Nederland wordt gedaan (onderdeel 5) en de in appel opgelegde proceskostenveroordeling ex art. 1019h Rv (onderdelen 1 t/m 4 [1] ). Onderdeel 6 bepleit prejudiciële verwijzing als onderdeel 5 niet wordt gehonoreerd. De klachten over art. 1019h Rv zie ik niet opgaan. De vraag of op deze wijze ondanks
geoblockingvoor Nederland een mededeling aan het publiek in Nederland wordt gedaan als bedoeld in art. 3 lid 1 Arl Pro, scharniert rond de kwestie of de website op deze manier (toch ook) op Nederland is gericht. Dat is in mijn optiek geen
acte clairof
acte éclairé. Nu het een kort geding betreft, is prejudiciële verwijzing op zichzelf niet aangewezen. De betreffende vraag is al eens gesteld door de Oostenrijkse bodemrechter, waarop vervolgens al was geconcludeerd door A-G Szpunar, voordat die prejudiciële verwijzing tot een einde kwam zonder dat dat tot een uitspraak van het Hof van Justitie had geleid. De Belgische appelrechter heeft in een parallelle bodemzaak inmiddels geschorst in afwachting of de Hoge Raad in het onderhavige kort geding prejudiciële vragen gaat stellen of niet. Dat kan twee kanten op vallen: voorshands oordelen in kort geding over deze kwestie (langs de lijnen van de conclusie van Szpunar bijvoorbeeld: geen mededeling aan het publiek in Nederland vanwege
state of the art geoblocking, zoals ook voorzieningenrechter en hof hier hebben geoordeeld), of daarentegen omdat de praktijk hierop zit te wachten en één van de partijen het ook bepleit in deze zaak gebruik maken van de bevoegdheid om ook in dit kort geding alvast de betreffende vragen te stellen. Ik concludeer vanwege het ‘grensoverschrijdend belang’ tot het laatste, mij realiserend dat de Hoge Raad betrekkelijk recent een aantal keer in IE-zaken (waarin immers normaalgesproken vanwege het TRIPs-verdrag altijd een bodemprocedure volgt op een kort geding) met als reden dat het een kort geding betrof juist géén vragen heeft gesteld aan het Luxemburgse Hof.
Mededeling aan het publiek
Nu de Stichting c.s. hebben betoogd dat zij de BTW niet kunnen verrekenen
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdelen 1 en 2bestrijden met rechts- en motiveringsklachten rov. 4.15 en het dictum waarin het Fonds op de voet van art. 1019h Rv is veroordeeld in de proceskosten van de Vereniging (onderdeel 1) en de KNAW (onderdeel 2). Het Fonds heeft bij aanvullende procesinleiding
subonderdeel 2.1deels ingetrokken en aangevuld, en
onderdeel 3integraal ingetrokken [6] .
Onderdeel 4bevat een voorbehoud om (sub)onderdelen 1.3, 2.2 en 3.1 aan te vullen op grond van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep.
Onderdeel 5bestrijdt met rechts- en motiveringsklachten rov. 3.9, 4.6 en 4.6.1-4.6.6 en in de kern het oordeel dat de Stichting c.s. geen mededeling doen aan het publiek in Nederland en zodoende geen inbreuk maken op de auteursrechten van het Fonds.
Onderdeel 6bevat geen klachten maar een pleidooi dat bij het geen doel treffen van onderdeel 5 prejudiciële vragen gesteld zouden moeten worden over
geoblockingen mededeling aan het publiek aan het HvJEU.
Endstra-arrest sloot de Hoge Raad daar weliswaar nog bij aan met de overweging dat art. 14 Hrl Pro de in het gelijk gestelde partij ‘vergoeding van de volledige proceskosten’ in het vooruitzicht zou stellen [9] , maar dat is in het licht van het latere
United Video/Telenet-arrest van het HvJEU niet meer het uitgangspunt [10] , zoals in het latere arrest
Becton/Braunook is bevestigd door de Hoge Raad [11] . Het evenredigheidsvereiste impliceert volgens het HvJEU in
United Video/Telenetnamelijk niet dat de verliezende partij noodzakelijkerwijs
allekosten van de andere partij moet vergoeden, maar ‘minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten’ die de in het gelijk gestelde partij daadwerkelijk heeft gemaakt [12] . In het
Novatext-arrest heeft het HvJEU daarna geoordeeld dat de rechter in dat kader niet belet mag worden door enige nationale regel of uitleg daarvan om naar de
specifieke kenmerken van de zaakte kijken voor de beoordeling of de proceskosten waar aanspraak op wordt gemaakt redelijk en evenredig zijn [13] .
Endstra-arrest (al aangehaald, rov. 5.4.1) volgt dat de gevorderde kosten zo tijdig moeten worden opgegeven en gespecificeerd, dat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren. Dat verweer kan niet alleen zien op het aantal uren dat door de advocaat aan de zaak is besteed en het uurtarief, maar ook of die kosten wel ‘redelijk en evenredig’ zijn en of de billijkheid zich al dan niet tegen vergoeding daarvan verzet en bij gemengde zaken welk deel van de kosten betrekking heeft op IE-handhaving en welk deel betrekking heeft op andere grondslagen. In
Endstrawerd geoordeeld (rov. 5.4.2) dat het hof zonder schending van enige rechtsregel had kunnen oordelen dat de pas aan het slot van het pleidooi verstrekte verduidelijking van de proceskostenvordering en presentatie van de begroting van de kosten zo laat kwam dat de zonen Endstra zich daartegen niet meer voldoende hebben kunnen verweren.
specificatievan de vordering:
tijdigheidvan de proceskostenopgave bevatten de Indicatietarieven het volgende uitgangspunt:
in beginselhoogstens een proceskostenveroordeling volgens het liquidatietarief. Als de gevorderde proceskosten wel zijn onderbouwd conform punt 5, dan worden de redelijke en evenredige proceskosten toegewezen voor ten hoogste het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie, met inachtneming van hetgeen overigens in de regeling is bepaald. Hogere bedragen dan het maximale indicatietarief van de toepasselijke categorie worden alleen in bijzondere gevallen toegewezen op basis van de specifieke kenmerken van het geval [26] .
Endstraaf dat het ‘in ieder geval’ in strijd is met de goede procesorde als pas aan het slot van het pleidooi de proceskostenvordering wordt verduidelijkt en de kostenbegroting wordt gepresenteerd [30] . Volgens Tjong Tjin Tai doen partijen er verstandig aan een 1019h-claim in een zo vroeg mogelijk stadium te concretiseren en behoorlijk te specificeren, op zijn laatst in de laatste reguliere conclusie/memorie [31] . Partijen mogen er niet op rekenen dat de rechter nadien alsnog gelegenheid voor specificatie geeft [32] . Vrendenbarg stelt dat na
Endstraalgemeen als criterium wordt gehanteerd dat voldoende tijdig is gespecificeerd wanneer de wederpartij nog gelegenheid heeft tot verweer daartegen [33] . Heeft de wederpartij daar naar het oordeel van de rechter onvoldoende gelegenheid toe gehad, dan wordt een proceskostenveroordeling volgens het liquidatietarief of de indicatietarieven gegeven of volgt een afwijzing van de te laat gespecificeerde kosten [34] . Het laatst mogelijke nog aanvaardbare moment voor kostenspecificatie is volgens haar onder meer afhankelijk van de instantie, het soort procedure, het verloop van de procedure en de opstelling van de wederpartij [35] . Een specificatie voor het eerst bij pleidooi is steeds tardief [36] . Een te late en/of niet (voldoende) gespecificeerde kostenopgave is volgens haar overigens niet altijd fataal voor een toewijzing volgens art. 1019 Rv Pro, met name als de kosten niet zijn bestreden en/of een partijafspraak is gemaakt [37] .
Stokke/H3(al aangehaald, rov. 3.9.2) geoordeeld over tijdigheid van de specificatie bij s.t.: de wederpartij kan zich daarover nog uitlaten bij re- of dupliek. Volgens
Rubik/Beckx Tradingis specificatie bij Borgersbrief te laat, omdat dan het partijdebat al is gesloten [40] . In
Refresco/Red Bullis het verweer verworpen dat de proceskostenvordering bij s.t. na prejudiciële verwijzing te laat was, althans waar het betreft het geding voorafgaand aan de verwijzing naar het HvJEU. Onder verwijzing naar
Endstrais hierin herhaald dat in beginsel geen andere eis wordt gesteld dan dat de gevorderde kosten zo tijdig worden opgegeven en gespecificeerd dat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren [41] .
nietaltijd afgewezen als die later dan bij s.t. is gedaan, zoals in het geval van een partij-afspraak over de hoogte van de 1019h-aanspraken over en weer waarin geen eisen zijn gesteld aan het tijdig kenbaar maken van die aanspraken [43] . Ook kan toewijzing volgen als de wederpartij zich niet verzet tegen de late specificatie of de hoogte van het bedrag [44] . In
Pharmachemie/Glaxohad Glaxo bij s.t. aanspraak gemaakt op een 1019h-veroordeling, maar de kosten pas opgegeven en gespecificeerd in (de bijlage bij) haar Borgersbrief. Dat kon door de beugel ondanks de niet-tijdigheid in de zin van
Endstraomdat Pharmachemie had laten weten geen opmerkingen te hebben over die kosten [45] . Het is volgens Tjong Tjin Tai niet geheel duidelijk of de Hoge Raad hier een discretionaire bevoegdheid heeft toegepast, of uitvoering heeft gegeven aan een rechterlijke verplichting om in zodanig geval het gevorderde bedrag toe te wijzen. Nu de bewoordingen niet duidelijk wijzen op een verplichting lijkt volgens hem de eerste uitleg, dat het gaat om een bevoegdheid, passender [46] . Het arrest sluit in ieder geval aan bij de hiervoor besproken rechtspraak waarin doorslaggevend was of de wederpartij gelegenheid heeft gehad verweer te voeren tegen de kostenopgave en -specificatie. Vrendenbarg interpreteert het arrest zo dat tardief opgegeven en gespecificeerde kosten alleen dan in de beoordeling kunnen worden meegenomen als de wederpartij expliciet heeft laten weten daartegen geen bezwaar te hebben, omdat een andere uitleg in strijd komt met het beginsel van hoor en wederhoor [47] .
St. Baas in Eigen Huis/Plazacasais geoordeeld dat bij afwezigheid van betwisting door de Stichting van door Plazacasa gevorderde en gespecificeerde kosten, ook wat betreft de redelijkheid en evenredigheid van die kosten, het hof deze kosten niet kon afwijzen op de grond ‘dat in de specificatie niet inzichtelijk is gemaakt hoe van de, door onderscheiden personen bestede, uren tot het vermelde honorarium is gekomen, terwijl ook niet aanstonds duidelijk is op grond waarvan de gevorderde kosten redelijk en evenredig zijn als bedoeld in die bepaling’ [48] . In twee arresten uit 2012 heeft de Hoge Raad eveneens bij gebreke van een (gemotiveerde) betwisting door de wederpartij de op de voet van 1019h Rv gevorderde proceskosten volledig toegewezen [49] . In deze arresten werden dus niet al te hoge eisen gesteld aan de specificatie bij afwezigheid van een betwisting [50] . Het
Stokke/H3-arrest, al aangehaald, laat echter zien dat het niet voldoen aan het specificatie-vereiste, zelfs als de wederpartij dat als verweer voert, niet altijd hoeft te leiden tot afwijzing van de vordering. In
Stokke/H3(rov. 3.9.3 en 4) is overwogen dat H3’s specificatie bij s.t. (een bedrag van € 25.000 aan honorarium advocaat, te vermeerderen met € 2.000 aan kantoorkosten en met BTW, een en ander overeenkomstig een met haar advocaat gemaakte afspraak, zie rov. 3.9.1) niet zonder meer voldeed aan de specificatie-eis, omdat in beginsel tot de vereiste motivering behoort een opgave van het gewerkte aantal uren [51] . Maar de gevorderde € 27.000 werd als redelijk en evenredig aangemerkt, mede omdat Stokke zelf € 55.000 claimde [52] . In
Refresco/Red Bullis onvoldoende geoordeeld een kostenspecificatie niet anders zijn dan een urenverantwoording van de respectieve advocaten in cassatie en in de prejudiciële procedure (met een forfaitair percentage aan kantoorkosten), zonder nadere specificatie van de door die advocaten afzonderlijk verrichte werkzaamheden en gehanteerde uurtarieven, omdat dit de wederpartij belet tegen die opgave naar behoren verweer te voeren; zodoende liquidatietarief [53] . Soms begroot de Hoge Raad ambtshalve schattenderwijs een 1019h-veroordeling, ondanks het ontbreken van de vereiste specificatie: in
Ajax/Lezerwas het gevorderde bedrag niet gespecificeerd naar het merkenrechtelijk deel van de procedure, waarop de Hoge Raad dit ambtshalve begrootte op 50% [54] .
Innoweb/Wegenerdat de kosten voldoende gespecificeerd waren en dat daar niet aan afdeed dat niet in elke specificatie het uurtarief was genoemd, omdat uit de overige specificaties voldoende duidelijk was hoe hoog de gehanteerde verschillende uurtarieven waren en dat de gevorderde kosten ook overigens redelijk en evenredig waren, in aanmerking genomen de omvang en de inhoud van de zaak en het gegeven dat de wederpartij een veel hoger bedrag vorderde [55] . Verder blijkt dat gevorderde proceskosten wegens het (geheel) ontbreken van een specificatie wel worden afgewezen, waaronder het geval dat de kosten als niet-gespecificeerd kwalificeren omdat de wederpartij het verweer voert dat de specificatie niet tijdig was en dientengevolge buiten beschouwing moet blijven [56] .
Endsta-norm, die is herhaald in
Refresco/Red Bull: het gaat erom dat de 1019h-aanspraak zodanig tijdig en gespecificeerd wordt gedaan da
tde wederpartij zich naar behoren kan verweren tegen die aanspraak. Er kunnen naar gelang de omstandigheden minder strenge, of juist strengere eisen aan de tijdigheid en specificatie van de kostenopgave worden gesteld. Die omstandigheden zijn onder meer of de aanspraak (voldoende concreet gemotiveerd) is bestreden, of er partijafspraken over zijn gemaakt, op welk bedrag de wederpartij aanspraak maakt, welk verweer de wederpartij heeft gevoerd, de kostenspecificatie van de wederpartij [65] en de omvang en inhoud van de zaak. De rechter kan zich zodoende onder omstandigheden ook een oordeel vormen over de redelijkheid en evenredigheid van de gevorderde 1019h-kosten – en is daar ambtshalve toe gehouden als een 1019h-aanspraak voorligt, zo volgt uit uit
[…] / […]) – indien niet (helemaal) is gespecificeerd volgens de gedetailleerde vereisten van de Indicatietarieven.
zondernadere specificatie.
bij repliekals (enige) verweer tegen de gevorderde proceskosten zijdens de Vereniging heeft aangevoerd dat de verwerende partijen voor wat de proceskosten betreft als één gezamenlijke partij zouden moeten worden gezien. De repliek behelst dus niet als inhoudelijk verweer dat een deel van de geclaimde kosten niet is gespecificeerd en/of tardief is.
Bij dupliekter zitting is namens de KNAW en de Vereniging vervolgens nog BTW gevorderd, met als reden dat zij geen BTW kunnen aftrekken. Uit het p-v volgt dat beide partijen vervolgens
na re- en duplieknog gelegenheid is geboden door het hof (in het algemeen, dus niet uitdrukkelijk over de 1019h-aanspraken) om nog een nadere reactie te geven, maar dat daarvan geen gebruik is gemaakt. Ik citeer de relevante passages uit het p-v over deze gang van zaken:
Endstra-norm hier niet lijkt te zijn geschonden. Dat de aanspraak van de Vereniging op € 25.000 tardief en niet gespecificeerd was, zoals de klacht luidt, ligt lijkt mij genuanceerder. De hoofdlijn uit
Endstrais dat de kosten bij een 1019h-aanspraak zo tijdig moeten worden opgegeven en gespecificeerd, dat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren. Of sprake is van een voldoende tijdige en gespecificeerde aanspraak hangt af van de omstandigheden van het geval, zo is hiervoor besproken. Kon het Fonds zich tegen deze 1019h-aanspraak, redelijkerwijs verweren [69] ? Dat lijkt mij hier wel het geval. Het Fonds heeft immers ter zitting gerepliceerd na het uitspreken van de pleitnota door de Vereniging waarin haar tijdig 14 dagen tevoren gespecificeerde 1019h-aanspraak inclusief schatting voor de nog te verrichten werkzaamheden voorafgaande en tijdens de zitting was ‘beperkt’ tot het maximum indicatietarief voor complexe kort gedingen van € 25.000. Dat daarmee de aanvankelijke schatting van € 5000 voor (voorbereiding van) de mondelinge behandeling hoger is uitgevallen dan twee weken tevoren opgegeven (te weten tot in totaal € 25.000 in plaats van € 21.987,50, dus ruim € 3000 hoger) en voor de niet eerder gespecificeerde werkzaamheden in aanloopt tot en met inbegrip van de mondelinge behandeling een specificatie ontbreekt, maakt niet zonder meer dat hier de
Endstra-norm is geschonden. Het Fonds kon zich bij repliek ter zitting verweren en heeft dat ook gedaan, zoals we hebben gezien. Alleen heeft het Fonds toen niet gerepliceerd met: de 1019h-aanspraak van de Vereniging is deels tardief en deels ontoereikend gespecificeerd (zoals de klacht nu in cassatie luidt), maar met de stelling dat er in feite vanwege het aansluiten van de Vereniging en de KNAW bij het verweer van de Stichting geen sprake was van afzonderlijke werkzaamheden door drie wederpartijen, maar van in wezen één wederpartij. Ook de BTW-aanspraak die bij dupliek ter zitting nog komt was zeker aan de behoorlijk late kant, maar het hof heeft er ook toen voor gewaakt dat het Fonds daar nog verweer op kon voeren ter zitting. Blijkens het p-v heeft het hof het Fonds nadien nog uitdrukkelijk gelegenheid gegeven om onder meer daarover nog iets naar voren te brengen – en dus ook om daar nog weer verweer op te voeren, maar daar heeft het Fonds blijkens datzelfde p-v geen gebruik van gemaakt: ‘Zijn er mensen die nog iets willen zeggen? Niemand reageert.’ Het is een beslispunt, maar in mijn analyse is hier voldoende gelegenheid geboden tot reëel verweer op de in beginsel tardieve claim en ontbrekende specificatie van het restbedrag voor kosten gemoeid met de resterende zittingswerkzaamheden, alsook op de nog later komende BTW-claim op zitting. Ik geloof niet dat het hof hier uitdrukkelijk had moeten aangeven of er behoefte was bij het Fonds om zich tegen de in deze vorm gepresenteerde 1019h-aanspraak te verweren (anders dan Vrendenbarg); dat kon in algemene zin door het bieden van gelegenheid voor repliek en na dupliek door te vragen of er nog iets moet worden opgemerkt alvorens de zitting te sluiten. Het betreft hier professionele partijen bijgestaan door gespecialiseerde IE-advocaten die bekend kunnen worden geacht met in de in’s en out’s van de praktijk van 1019h-aanspraken.
modus operandivan het hof naar mij voorkomt niet, gelet op de
Endstra-norm: er is tot twee keer toe, bij repliek èn ook na dupliek waarbij de Vereniging en de KNAW voor het eerst met de BTW claim op de proppen kwamen, ter zitting op volgens mij reële wijze gelegenheid geboden voor verweer, bijvoorbeeld in de zo-even besproken zin dat hier sprake is van een tardieve specificatie van een niet tijdig gevorderde omvang. Dat is niet gebeurd, zodat het hof de aanspraken als uiteindelijk gemaakt heeft toegewezen, klaarblijkelijk omdat daarop ondanks geboden gelegenheid geen inhoudelijk en toereikend gemotiveerd verweer op is gevoerd. Dat past in het geschetste praktijkbeeld dat tardieve 1019h-aanspraken nogal eens niet worden afgewezen als de wederpartij daar ondanks geboden gelegenheid geen (inhoudelijk terzake dienend) verweer op voert, aan welk verweer hoge eisen plegen te worden gesteld. Zowel uit
Knooble/Staatals uit
Leenrecht/VOB(beide al aangehaald) volgt dat geen hoge eisen aan specificatie plegen te worden gesteld bij gebreke van inhoudelijke betwisting. Daar strandt de rechtsklacht over schending van art. 1019h Rv al op in mijn optiek, zeker als daar nog de volgende specifieke kenmerken van deze zaak bij worden betrokken (zoals
Novatext,al aangehaald, ook voorschrijft).
mond behand + prep” [72] . Daar komt dan de declaratie van AC&R t/m 18 januari 2023 van € 8.805 nog bij (29 uur met uurtarief € 300), voor werkzaamheden van mr. Groen in die periode, die gelet op de inhoud van die bijgevoegde declaratie ook betrekking hebben op voorbereiding van de zitting. Ook in dat licht is het door de Vereniging geschatte bedrag van € 5.000, en het uiteindelijk toegewezen bedrag van ongeveer € 9.000 voor de (voorbereiding van de) zittingswerkzaamheden, niet onevenredig of onbillijk te achten; het Fonds zit op meer dan het drievoudige daarvan.
in beginsel’ ten hoogste het liquidatietarief wordt toegewezen bij gebreke van specificatie conform de Indicatietarieven. Een andere kostenveroordeling is dus, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, ook bij gebreke van een specificatie gewoon mogelijk, zoals hiervoor al is besproken. Dat hier ook in andere zin had kunnen worden geoordeeld aan de hand van indicatietarieven, maakt niet dat in de specifieke omstandigheden van dit geval (anders gezegd: op grond van de specifieke kenmerken van deze zaak,
Novatext) sprake is van schending van de
Endstra-norm, zo hebben we gezien bij de bespreking van subonderdeel 1.1. Van rechtsschending of schending van art. 1019h Rv is zodoende ook in dit opzicht geen sprake. De klachten falen.
à l’ improvisteter zitting te geven, zou ik menen; dat verweer kan eigenlijk alleen zijn dat de Vereniging wél BTW kan verrekenen (het Fonds heeft dat laatste overigens ook nu niet in cassatie aangevoerd). En als daarvoor werkelijk ter zitting ‘onderzoeksnood’ aan de zijde van het Fonds kenbaar zou zijn gemaakt – wat niet is gebeurd, ondanks daartoe geboden gelegenheid – dan had het hof bijvoorbeeld nog gelegenheid kunnen bieden voor een korte nadere schriftelijke reactie op dat punt na pleidooi. Maar nu het Fonds daarover helemaal niets heeft gezegd na te zijn geconfronteerd met een zodanig late BTW-component in de 1019h-aanspraak van de Vereniging ter zitting, ook niet na te zijn gevraagd na dupliek van de wederpartijen of er nog iemand iets te berde wilde brengen, kon het hof volgens mij oordelen dat deze claim, hoewel tardief, ondanks daartoe geboden gelegenheid niet is weersproken door het Fonds. Beslispunt is ook hier of de zo geboden gelegenheid bij zodanig tardieve aanspraak voldoende kan worden geacht. Net als besproken bij subonderdeel 1.1 denk ik dat dat toereikend was in de specifieke omstandigheden van deze zaak. Het oordeel past in het geschetste rijkgeschakeerde beeld van beslissingen omtrent 1019h-proceskostenclaims aan de hand van de omstandigheden van het geval, waartoe de rechter gelet op het recente
Novatext-arrest, al aangehaald, ook gehouden is. Dat een beslissing hierover ook best anders had kunnen uitpakken (tardief, hier kan het Fonds redelijkerwijs geen verweer meer tegen voeren), maakt niet dat de wèl gegeven beslissing onjuist is – en ook zo’n andere beslissing zou onder voorwaarden niet kunnen worden gecasseerd wegens strijd met de ingeroepen rechtsnormen. Het is typisch processuele materie waarover de feitenrechter oordeelt. De route die de Vereniging heeft bewandeld voor haar 1019h-aanspraken jegens het Fonds verdient deels inderdaad geen schoonheidsprijs (gelet op het deels niet inachtnemen van punten 5 en 6 uit de Indicatietarieven), maar het hof heeft er volgens mij afdoende voor gewaakt dat de
Endstra-norm niet werd geschonden door kenbaar voldoende gelegenheid te bieden voor inhoudelijk verweer en tegenspraak op het hier relevante punten uit de 1019h-aanspraken van de Vereniging.
elk van de drie geïntimeerden vergelijkbare kosten heeft gemaakt als het Fonds”. Daaruit blijkt veeleer het tegendeel, namelijk dat mr. Bruinhof juist heeft aangevoerd dat “
elk van de drie partijen een eigen positie en kosten[heeft]”.
mutatis mutandisom de bij subonderdeel 1.1 besproken redenen. Ook de KNAW heeft bij dupliek ter zitting aanspraak gemaakt op BTW-vermeerdering (alleen de Stichting niet). Van schending van de
Endstra-norm is ook hier geen sprake in mijn ogen: ruim € 22.000 van de gevorderde € 25.000 (het maximale indicatietarief voor complexe kort gedingen) was gespecificeerd en het hof kon oordelen dat ter zitting voldoende gelegenheid is geboden aan de KNAW om verweer te voeren tegen de uiteindelijke 1019h-aanspraken van de KNAW, zowel op het punt van de specificatie, als de tijdigheid, maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt om een dergelijk inhoudelijk gemotiveerd verweer te voeren [75] . Van schending van de art. 23, 24 of 1019h Rv is geen sprake.
tegen het verdrievoudigen van het indicatietarief” aan de verweerderskant. Mr. Bruinhof heeft in reactie daarop gedupliceerd dat elk van de drie partijen een eigen positie en kosten heeft. De nadruk ligt daar dus op het feit dat
elkegeïntimeerde afzonderlijke kosten heeft gemaakt. Die opmerking houdt, in het licht van het partijdebat, evident niet in, anders dan de klacht suggereert, dat de kosten niet vergelijkbaar zijn.
geoblockingwordt toegepast met als intentie te voorkomen dat die werken in het daarmee geblokkeerd territoir toegankelijk zijn.
condicio sine qua non), een toegang die zij zonder die interventie niet of moeilijker zouden hebben gehad [106] . Het subjectieve element is dat degene die intervenieert ‘volledige kennis van de gevolgen van zijn werkwijze’ dient te hebben [107] . Het objectieve begrip mededeling aan het publiek wordt dus ingeperkt door een factor van subjectieve wetenschap [108] .
peer-to-peernetwerk kan, indien de gebruikers actief met het gebruik van BitTorrentclient software hebben ingestemd, beschikbaarstelling van beschermde werken vormen [115] . Het plaatsen op een website van een eerder op een andere website gepubliceerde foto vormt ook een beschikbaarstelling [116] . Tot slot vormt ‘framing’ (een vorm van hyperlinken) van werken op een website die op een andere website zijn gepubliceerd een beschikbaarstelling [117] .
Svenssonen
VG-Bildkunstging het HvJEU in op de rol van beperkende maatregelen in relatie tot de vraag tot welk publiek een mededeling is gericht, anders gezegd: welk publiek de rechthebbende dan wel zijn licentienemer op het oog had bij de oorspronkelijke mededeling [118] . Zo oordeelde het Hof in
Svenssondat bij het hyperlinken in die zaak geen sprake was van een ‘nieuw publiek’ omdat de doelgroep van de oorspronkelijke mededeling bestond uit alle potentiële bezoekers van de website waarop de werken gepubliceerd waren, aangezien die website ‘geen enkele beperkende maatregel’ hanteerde en daarom vrij toegankelijk was voor alle internetgebruikers (punt 26). Het HvJEU leidde daaruit af dat ook de gebruikers van de hyperlinks als onderdeel van het publiek door de auteursrechthebbenden in aanmerking waren genomen toen zij toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling (punt 27). Het Hof overwoog dat het plaatsen van een hyperlink waarmee de gebruikers beperkingsmaatregelen [119] kunnen omzeilen die op de website waar het beschermde werk zich bevindt zijn getroffen teneinde de toegang van het publiek te beperken tot de abonnees ervan, wel een mededeling aan het publiek vormt. Het plaatsen van een dergelijke link vormt een interventie waarzonder die gebruikers niet zouden kunnen beschikken over de werken. In dat geval dienen dan ook al deze gebruikers van de link te worden beschouwd als een nieuw publiek dat door de houders van het auteursrecht niet in aanmerking werd genomen toen deze toestemming verleenden voor de oorspronkelijke mededeling (punt 31).
VG- Bildkunst.Het Hof oordeelde dat hyperlinken (in dit geval een specifieke variant, namelijk ‘framing’) naar beschermde werken, die met toestemming van de rechthebbende op een voor het publiek vrij toegankelijke andere website zijn geplaatst, een mededeling aan het publiek vormt wanneer met die opneming de voorzieningen worden omzeild die de rechthebbende tegen framing heeft getroffen of opgelegd (dictum). Het verduidelijkte dat het oordeel in
Svenssonberustte op de feitelijke vaststelling dat voor toegang tot de betrokken werken op de oorspronkelijke website geen enkele beperkende maatregel werd gehanteerd. Daarmee had de rechthebbende van meet af aan alle internetgebruikers als publiek voor ogen en had deze ermee ingestemd dat derden zelf handelingen bestaande in mededeling van dat werk verrichtten (punt 37). Dat ligt echter anders wanneer de rechthebbende van meet af aan beperkende maatregelen voor de mededeling van zijn werk heeft genomen of opgelegd (punt 39). Dan kan er niet vanuit worden gegaan dat de rechthebbende ermee heeft ingestemd dat derden zijn werk vrijelijk aan het publiek kunnen meedelen (punt 41). In dat geval dient er vanuit te worden gegaan dat de rechthebbende zijn wens heeft geuit om zijn toestemming om die werken op het internet aan het publiek mee te delen vergezeld heeft doen gaan van een voorbehoud teneinde het publiek van die werken te beperken tot alleen de gebruikers van een bepaalde website (punt 42). In dat kader oordeelde het Hof dat de rechthebbende zijn toestemming alleen kan beperken door middel van ‘doeltreffende technische voorzieningen’ in de zin van art. 6 van Pro de richtlijn, omdat bij gebrek daarvan met name voor particulieren moeilijk is na te gaan of de rechthebbende zich tegen framing van zijn werken heeft willen verzetten (punt 46).
Grand Production/GO4YU c.s.zijn wel door de Oostenrijkse hoogste federale rechter in een bodemzaak in 2022 prejudiciële vragen gesteld over de relatie tussen de ‘mededeling aan het publiek’ en een geografische toegangsblokkering (
geoblocking) op een grondgebied waarvoor geen toestemming voor mededeling aan het publiek van de beschermde werken is. Nadat A-G Szpunar een conclusie had genomen, heeft de Oostenrijkse rechter de prejudiciële zaak echter ingetrokken. Het HvJEU heeft daarop dus geen uitspraak gedaan [120] . Intussen is de conclusie van A-G Szpunar wel tot uitgangspunt genomen door het hof in het bestreden arrest (zie rov. 4.6.2 e.v.). Die conclusie behoeft dan ook nadere analyse.
digital rights management). Kort gezegd gaat het om verschillende soorten beveiligingen, bijvoorbeeld geografische toegangsblokkeringen, die bedoeld zijn om te voorkomen dat digitale (elektronische) content wordt gebruikt op een manier die indruist tegen de wensen van de aanbieder van die content (DRM-instrumenten genoemd). Zij kunnen ook dienen om het wereldwijde karakter van het medium internet teniet te doen en een virtuele indeling in geografische zones mogelijk te maken, zoals bijvoorbeeld bij geografische blokkeringen. Dergelijke DRM-instrumenten worden ook gebruikt voor het beheer van auteursrechten: zij maken het namelijk mogelijk om een afzonderlijke vergoeding te vragen voor verschillende vormen van distributie van hetzelfde werk, de markt te verdelen en zogeheten prijsdiscriminatie toe te passen op verschillende delen ervan, en ten slotte een vergoeding te vragen voor content die op websites beschikbaar wordt gesteld.
Svensson,
Vereniging Openbare Bibliothekenen
VG-Bildkunst. Gemeenschappelijk aan deze zaken is dat het gebruik van DRM-instrumenten bepalend kan zijn voor de kring van personen (het publiek) waartoe de mededeling aan het publiek is gericht. In alle drie de zaken was echter geen sprake van geografische toegangsblokkeringen. A-G Szpunar trekt de lijn uit die arresten door naar DRM-instrumenten (onder 36). Naar zijn mening kan een soortgelijke redenering worden toegepast op geografische toegangsblokkeringen in de zin dat indien de auteursrechthebbende (of zijn licentiehouder) een dergelijke blokkering heeft toegepast, zijn uitzending alleen gericht is op de kring van de personen die toegang hebben tot de beschermde inhoud vanuit het door de rechthebbende gedefinieerde grondgebied (dat wil zeggen het grondgebied waar de toegang niet is geblokkeerd). De rechthebbende doet dus volgens Szpunar geen mededeling aan het publiek in de rest van het grondgebied.
gerichtheidvan de mededeling (onder 36 en 43) en de
wilvan degene die de mededeling doet (onder 43), waarbij ik uit 43 afleid dat de verhouding tussen die twee criteria is dat de wil van de entiteit die de mededeling verricht bepaalt tot welk publiek de mededeling is gericht, en dat bovendien die wil blijkt uit de ‘toegepaste technische waarborgen’.
L’Oréal [125] ), het auteursrecht (
Donner [126] en
Dimensione Direct Sales [127] ) en het databankenrecht (
Football Dataco [128] ) geoordeeld dat de enkele toegankelijkheid van een website in een lidstaat niet maakt dat sprake is van een inbreuk op een IE-recht dat wordt ingeroepen in die lidstaat. Daarvoor is meer vereist, namelijk dat de website is bestemd voor (
L’Oréal, punt 64-65) dan wel gericht op de betreffende lidstaat (
Donner, punten 27 en 30 en
Dimensione Direct Sales, punt 30), waarbij de wil van degene die de handeling verricht van belang kan zijn (
Football Dataco, punt 47).
gericht(punt 41). Het hof spreekt ook over het vereiste dat de online inhoud
bestemdis, al is het maar potentieel, voor handelaren en consumenten op het grondgebied van de lidstaat (punt 42). Onder verwijzing naar
L’Oréalpreciseerde het Hof dat het enkele feit dat een website toegankelijk is op het grondgebied dat door het merk wordt bestreken, niet voldoende is om te concluderen dat het daarop getoonde verkoopaanbod bestemd is voor consumenten op dat grondgebied (punt 48) en het HvJEU oordeelde dat de advertenties en verkoopaanbiedingen moeten zijn gericht op consumenten en handelaren in die lidstaat (punt 54) [130] .
Donneren
Dimensione Direct Saleshadden géén betrekking op het recht van mededeling aan het publiek van art. 3 lid 1 Arl Pro, maar op het distributierecht van art. 4 lid 1 Arl Pro. Het distributierecht, het verspreiden en aanbieden van stoffelijke exemplaren van een werk, speelt niet in onze zaak [131] . In de literatuur wordt echter het beoordelingskader voor de vraag of het aanbieden op een buitenlandse website van producten die in Nederland IE-rechtelijk beschermd zijn in Nederland inbreuk op het distributierecht oplevert (art. 4 lid 1 Arl Pro), één-op-één relevant geacht voor de vraag of publicatie op een buitenlandse website in Nederland een mededeling aan het publiek is (art. 3 lid 1 Arl Pro) [132] . Dat eerste hangt blijkens
Donneren (daaraan voorafgaande en opvolgende) Nederlandse rechtspraak af van verschillende omstandigheden, waaronder met name de vraag of het aanbieden (mede) op Nederland gericht is, wat mede kan blijken uit het gebruik van de Nederlandse taal of dat bestellingen vanuit Nederland geplaatst kunnen worden [133] . Het Engelse Court of Appeal trekt de gerichtheidsrechtspraak ook door naar de mededeling aan het publiek: of een website een auteursrechtinbreuk in het Verenigd Koninkrijk vormt, wordt opgeknipt in de vraag of de website is gericht op het VK (
targeted) en vervolgens, bij een bevestigend antwoord, of er sprake is van een mededeling aan het publiek (
communication to the public) [134] . Die laatste lijn is ook de primaire verdedigingslijn van de Stichting c.s. [135] en daar lijkt mij veel voor te zeggen.
Acces denied
Deze website is vanuit uw land niet toegankelijk.
De wetenschappelijke online editie van de manuscripten van Anne Frank kan om auteursrechtelijke redenen niet in alle landen beschikbaar worden gemaakt.
op een of andere manier aan het publiek ter beschikking komt” [139] . Het voor zover hier relevante geharmoniseerde openbaarmakingsrecht moet worden uitgelegd in overeenstemming met art. 3 lid 1 Arl Pro. Vervolgens bevat het subonderdeel een uiteenzetting van de hiervoor in de inleiding besproken Europese MAP-rechtspraak met verwijzing naar vele arresten, over de elementen van een MAP (‘handeling bestaande in een mededeling’ en ‘publiek’), dat het begrip een ruime strekking heeft, dat dat ook het plaatsen van een werk op een website omvat en dat voor het aannemen van een MAP geen belemmering is dat het publiek moet beschikken over een hulpmiddel om kennis te kunnen nemen van de werken. Die uiteenzetting mondt uit in de klacht dat het hof de juiste maatstaf zou hebben miskend, omdat die niet is of de website waarop de werken zijn gepubliceerd is gericht op Nederland, maar of de plaatsing op de website een MAP is aan het publiek in Nederland. Daarvoor is niet vereist dat de website is gericht op Nederland: het volstaat dat de werken voor een onbepaald aantal potentiële ontvangers en bovendien een vrij groot aantal personen in Nederland via de website
beschikbaarwordt gesteld zodat deze werken voor deze ontvangers respectievelijk personen
toegankelijkzijn.
meerdere niet-autonome en onderling afhankelijke, elkaar aanvullende criteria” en dat het HvJEU daarbij de centrale rol van de aanbieder en het weloverwogen karakter van zijn interventie benadrukt (de individuele beoordeling en het ‘weloverwogen interventie’-vereiste, hiervoor ook besproken in 3.49 ).
Svenssonoordeelde het HvJEU dat hyperlinken een beschikbaarstelling aan het publiek vormde en daarmee wel een mededeling aan
eenpubliek was (punten 14-23) [142] , maar oordeelde het desondanks dat geen sprake was van MAP in de zin van art. 3 lid 1 Arl Pro omdat er geen sprake was van een ‘nieuw publiek’ (punten 24-32) [143] . Eenzelfde beoordelingswijze (maar met andere uitkomst) hanteerde het HvJEU in
Renckhoff, een arrest waarop het subonderdeel sterkt leunt. Na vaststelling dat het plaatsen van de foto op een website een mededeling aan
eenpubliek vormde (punten 21-23), beoordeelde het HvJEU vervolgens uitvoerig of sprake was van een ‘andere technische werkwijze’ dan wel van een ‘nieuw publiek’, waarbij onder meer is ingegaan op de vraag of sprake was van een interventie, en concludeerde ten slotte dat daar wél sprake was van een MAP in de zin van art. 3 lid 1 Arl Pro (punten 24-47). Een parallel dringt zich op met het Nederlandse auteursrechtelijke begrip ‘openbaarmaking’ van art. 12 Aw Pro, waaraan een ruime betekenis moet worden toegekend en waarvoor in elk geval is vereist dat het werk op een of andere manier aan het publiek ter beschikking komt [144] . Dat betekent echter niet dat in alle gevallen waarin een werk ‘op een of andere manier aan het publiek ter beschikking komt’ ook steeds sprake is van een auteursrechtelijk voorbehouden ‘openbaarmaking’ [145] . Het vereiste is zo bezien een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde om van ‘openbaarmaking’ in de zin van de Auteurswet te kunnen spreken [146] . Op dezelfde manier geldt voor het Unierecht dat beschikbaarstelling aan een publiek een noodzakelijke maar geen voldoende voorwaarde is voor een MAP in de zin van art. 3 lid 1 Arl Pro [147] . Dit alles miskent de rechtsklacht dat het hof de verkeerde maatstaf heeft aangelegd omdat voor een MAP in Nederland in de zin van art. 3 lid 1 Arl Pro zou
volstaandat de werken voor een onbepaald aantal potentiële ontvangers en bovendien een vrij groot aantal personen in Nederland via de website beschikbaar worden gesteld, zodat deze beschermde werken voor deze ontvangers respectievelijk personen toegankelijk zijn [148] . Die klacht treft geen doel.
nietrefereert (en overigens ook A-G Szpunar niet in zijn conclusie in
Grand Production/GO4YU).
en geëffectueerd” (onderstreping A-G). Dat laatste kan zo worden begrepen dat het publiek in Nederland geen toegang heeft tot de website, omdat de geoblocking is
geëffectueerd, zodat er dus in de geblokte landen geen toegang tot de website kan worden gekregen. Of sprake is van toegankelijkheid en beschikbaarstelling in Nederland van de werken op de website is een feitelijk oordeel. Dat het hof hier zou hebben geoordeeld dat daarvan geen sprake is, is in het licht van de MAP-rechtspraak van het HvJEU bovendien niet onbegrijpelijk. Op de filmspeler, platformwebsite
The Pirate Bay en de hyperlinkende en publicerende websites uit die besproken rechtspraak waren geen beperkingsmaatregelen gebruikt, althans dat blijkt nergens uit. Die waren in tegenstelling tot de website in onze zaak wel vrij toegankelijk voor het publiek [151] . Deze lezing overtuigt naar wil voorkomen ook niet. Het hof heeft in rov. 4.6.4 namelijk ook geoordeeld dat de maatregel van geoblocking te omzeilen valt en dat dit de deurwaarder eenvoudig is gelukt, maar dat dit niet afdoet aan het oordeel dat de geoblocking in beginsel volstaat. Ik begrijp dit zo dat het hof heeft wil aangeven dat de website (met gebruik van een VPN-programma) toegankelijk is voor publiek in Nederland, maar dat dit voor de vraag of sprake is van een MAP in de zin van de richtlijn niet voldoende is.
in Nederlandtoegang te geven tot de werken. Het weloverwogen-interventie-vereiste bevat zoals besproken een subjectief element (zie hiervoor in 3.49 en vergelijk ook
Mircom, al aangehaald, punt 49, waarin het HvJEU overwoog dat gebruikers alleen weloverwogen hebben gehandeld indien zij actief, dat wil zeggen na naar behoren te zijn geïnformeerd over de gevolgen ervan, hebben ingestemd met het gebruik van BitTorrent software) en dat subjectieve element om een werk mee te delen ontbreekt wanneer een serieuze geoblocking is gebruikt [152] . Het hof heeft in rov. 4.6.2 namelijk overwogen dat de Stichting c.s. “zich hebben gerealiseerd dat kennisname van de website uit Nederland eenvoudig mogelijk zou zijn, en dat de mededeling aan het publiek in Nederland die daarin besloten zou liggen niet toegelaten is” en heeft in rov. 4.6.4 geoordeeld dat om een dergelijke mededeling aan Nederlands publiek te voorkomen door de Stichting c.s. “een serieuze geo-blocking is beoogd en geëffectueerd”.
“– met volledige kennis van de gevolgen – maatregelen neemt om haar klanten toegang te verschaffen tot een beschermd werk, terwijl haar klanten zonder die maatregelen dat werk in beginsel niet zouden kunnen gebruiken” (punt 44) [153] . Dat betekent dat gebruik van een
doeltreffende(althans niet opzettelijk
ondoeltreffende) geografische toegangsblokkering meebrengt dat geen sprake is van een weloverwogen interventie. In onze zaak heeft het hof geoordeeld dat ‘state of the art’ geoblokkering (Cloudfare) is gebruikt en dat één van de door het Fonds genoemde extra mogelijkheden tot betere beveiliging is ingezet (GeoLP2 van Maxmind), leidend tot de conclusie dat serieuze geoblocking is beoogd en geëffectueerd, aldus rov. 4.6.4. Hoewel deze lezing mij meer aanspreekt dan de ‘geen beschikbaarstelling’-lezing, overtuigt zij uiteindelijk ook niet echt. Het hof noemt het interventievereiste helemaal niet en lijkt ook niet (kenbaar) materieel te hebben getoetst of de Stichting c.s. met ‘volledige kennis van de gevolgen’ hebben gehandeld. Daarbij wordt dan nog daargelaten dat allerminst duidelijk is of een dergelijk oordeel (geen weloverwogen interventie want er is adequate geoblokkering gebruikt) wel overeenstemt Unierechtconform is.
state of the art) geoblokkeringsmaatregelen relevant heeft geacht in het kader van de vraag of sprake is van een MAP in de zin van art. 3 lid 1 Arl Pro, kan ik goed volgen. De vraag is echter of de hofbenadering Unierechtelijk juist is. Dat lijkt mij geen
acte clairof
acte éclairé. Weliswaar wordt uitvoerig betoogd door de Stichting c.s. dat geoblokkering de juiste (en enige) manier is om territoriale werking van auteursrechten in combinatie met gebruik op internet met elkaar te verenigen [155] , maar het HvJEU heeft zich nog niet over de vraag uitgelaten of gebruik van geoblokkeringsmaatregelen relevant is voor de vraag of sprake is van een MAP en zo ja, in hoeverre [156] . Dat het
geen acte clair of éclairéis blijkt ook uit de prejudiciële vragen van de Oostenrijkse bodemrechter in
Grand Production/GO4YUover hoe geoblokkeringsmaatregelen zich verhouden tot het MAP-recht. A-G Szpunar heeft in die zaak geconcludeerd dat de wil van de entiteit die de mededeling verricht, blijkend uit de toegepaste technische waarborgen, bepaalt tot welk publiek de mededeling is gericht, maar het HvJEU heeft daarover (nog) niet kunnen oordelen, omdat die zaak na de conclusie is doorgehaald. De lijn van A-G Szpunar is weliswaar gebaseerd op de MAP-rechtspraak van het HvJEU, maar dat die rechtspraak kan worden doorgetrokken op de wijze die hij voorstaat, lijkt mij niet buiten redelijke twijfel te zijn; het is zeer weerbarstige materie. Seignette plaatst in haar annotatie bij het bestreden arrest onder 14-15
stevige kanttekeningenbij zowel de Szpunar-benadering (volgens haar niet één-op-één uit
Svensson, Vereniging Openbare Bibliothekenen
VG-Bildkunstaf te leiden, zoals Szpunar doet, omdat de
Svensson-casus en rechtsvraag een andere is dan in onze zaak) als die van het hof in onze zaak (nu het Fonds de door de Vereniging gepubliceerde dagboekversies niet zelf op internet heeft geplaatst en ook geen toestemming tot publicatie heeft gegeven, is dit geen situatie waarin de rechthebbende of diens licentienemer d.m.v. geoblokkering het publiek heeft gedefinieerd (de lijn van Szpunar) of waarin de rechthebbende bij toestemmingverlening voor de oorspronkelijke MAP een bepaald publiek voor ogen had (zoals in
Svensson,punt 31), zodat voor Seignette niet direct begrijpelijk is waarom het hof steun ziet in Szpunars conclusie en de MAP-rechtspraak voor het oordeel dat geen MAP in Nederland plaatsvindt vanwege het feit dat de Stichting c.s. d.m.v. geoblocking hebben bepaald tot welk publiek de mededeling is gericht) [157] . Mij is verder ambtshalve bekend dat de Antwerpse bodemrechter in appel de parallelle zaak in België tussen het Fonds en de Vereniging vorige maand bij tussenarrest heeft geschorst, in afwachting of de Nederlandse Hoge Raad in dit kort geding prejudiciële vragen zou gaan stellen over de vraag of hier sprake is van een MAP
in Nederlandnu geoblocking is toegepast. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is dit tussenarrest van 13 maart 2024, rolnummer 2023/AR/10, nog niet gepubliceerd. De uitspraak is mij ondershands toegezonden. In rov. 57 refereert het Antwerpse hof aan de PI in onze cassatieprocedure, die in de Belgische zaak is overgelegd en constateert dat de mogelijkheid bestaat dat de Hoge Raad prejudiciële vragen zal gaan stellen over deze kwestie (waar de PI onder 6 ook op aanstuurt). In rov. 58-60 overweegt het hof te Antwerpen dat het om proces-economische redenen aangewezen wordt geacht omtrent de invulling van het begrip MAP het eindarrest van de Hoge Raad in dit kort geding af te wachten, ook al is dit een kort geding. Ik citeer hier de relevante passages uit het Belgische tussenarrest:
VII.C De Litigieuze Publicatie in Nederland in het licht van de auteursrechtelijke situatie m.b.t. het Litigieuze Werk en de maatregelen genomen door VOOHT [dat is de Vereniging, A-G] m.b.t. de toegankelijkheid van het Litigieuze Werk
“procesinleiding vorderingsprocedure in cassatie”vordert het FONDS vervolgens de vernietiging van het vermeld arrest van het Gerechtshof van Amsterdam van 7 maart 2023 en wordt deze vernietiging geënt op de volgens een onjuiste
“rechtsopvatting”door het Gerechtshof van Amsterdam van de in artikel 1 jo Pro. 12 van de Nederlandse Auteurswet van het begrip
“openbaarmaking”.
“openbaarmakingsrecht”dient te worden uitgelegd op een wijze die in overeenstemming is met artikel 3 lid Pro Auteursrechtenrichtlijn en de invulling die tot op heden hieraan werd gegeven door het Hof van Justitie EU (zie argumentatie onder 5.2. en in het bijzonder 5.2.1. van de
“procesinleiding vorderingsprocedure in cassatie”. Voor zover de Hoge Raad der Nederlanden op grond de weergegeven motivatie weergegeven onder vermeld 5.2. niet zou volgen, verzoekt VOOHT om prejudiciële vragen hieromtrent te stellen aan het Hof van Justitie EU (zie onder 6. van de
“procesinleiding vorderingsprocedure in cassatie”).
“mededeling aan het publiek”het eindarrest van de Hoge Raad der Nederlanden (in de zaak 200.308.047/01 KG) af te wachten.
“mededeling aan het publiek”door de Nederlandse rechter waarvan een risico bestaat dat deze verschillend zou zijn kunnen van de invulling eraan gegeven door de Belgische rechter tot een onwerkbare situatie zou leiden waarbij bvb. indien de staking zou worden bekomen voor de Nederlandse rechter en niet van de Belgische rechter (of omgekeerd) m.b.t. de Litigieuze Publicatie in Nederland.
“kort geding”procedure betreft en dat de aard van een dergelijke procedure (naar Belgisch recht) de rechter ten gronde niet kan binden, stelt het hof vast dat de rechtsvraag die de Hoge Raad der Nederlanden dient te behandelen allerminst van
“kort geding”aard zijn doch een fundamentele vraag betreft omtrent de invulling van een EU-begrip
“mededeling aan het publiek”en dit in het licht van de maatregelen genomen door VOOHT m.b.t. de toegankelijkheid van het Litigieuze Werk in Nederland.
gehoudenis tot prejudiciële verwijzing, maar dat natuurlijk wel kán doen [159] , lijkt mij vragen stellen hier het meest praktisch en ook opportuun. Het is bepaald onzeker wat hier de juiste lijn is – al is bepaald een mogelijke route om in kort geding te varen op het kompas van Szpunar en het hof in het bestreden arrest, met als belangrijk gezichtspunt dat een andere opvatting territoriaal beheer van auteursrechten op internet ernstig lijkt te bemoeilijken [160] , zodat de lijn van diens conclusie (en van het hof) enigszins voor de hand lijkt te liggen. Het Fonds stelt (in subsidiaire sleutel) voor om vragen te stellen en de praktijk zit er op te wachten, zoals blijkt uit de vragen hierover van de Oostenrijkse bodemrechter die helaas niet tot beantwoording zijn gekomen na Szpunars conclusie en de schorsing door de Antwerpse appelrechter in afwachting of de Hoge Raad in onze kortgedingzaak vragen zal gaan stellen. De vertraging gemoeid met prejudiciële verwijzing lijkt mij in die zin hier niet onoverkomelijk, nu geen inbreukverbod voorligt; de gevraagde voorzieningen zijn afgewezen door het hof. De te stellen vragen betreffen de kwestie of, en zo ja hoe en onder welke omstandigheden, bij het begrip ‘mededeling aan het publiek’ in de zin van art. 3 lid 1 Arl Pro relevant is dat de entiteit die een mededeling op internet doet daarbij geoblokkeringsmaatregelen heeft getroffen als aan de orde in deze zaak (is dan geen sprake van een MAP in de zin van de richtlijn in de ‘geblokte’ landen?). Daar kan ook bij worden betrokken de vraag of de besproken ‘gerichtheids’-rechtspraak uit het merkenrecht, auteursrechtelijk distributierecht en databankenrecht hier een rol kan of moet spelen en hoe dát zich dan verhoudt tot de vraag of bij geoblocking sprake is van een MAP.
state of the art geoblockingop de website wordt gebruikt, het feit dat een door de gebruiker in te vullen verklaring een extra belemmering vormt, et cetera. Daarmee heeft het hof uitvoerig en zeker voor kort geding toereikend gemotiveerd waarom het gebruik van de Nederlandse taal op de website niet meebrengt dat de website is gericht tot het publiek in België en Nederland. Gebruik van het Nederlands op de website is slechts één van de feiten en omstandigheden die het hof in zijn beoordeling heeft meegenomen; de beoordeling wordt geschraagd door alle genoemde feiten en omstandigheden tezamen, die maken dat de website naar ’s hofs oordeel niet is gericht op Nederland. Dat oordeel is feitelijk en niet onbegrijpelijk. Subonderdeel 5.4 is tevergeefs voorgesteld.
ook andere feiten en omstandighedenmeegenomen in zijn beoordeling, waaronder de persuitingen waarin uitdrukkelijk is vermeld dat kennisname vanuit Nederland niet is toegestaan vanwege de auteursrechtelijke bescherming die in Nederland nog geldt en het feit dat de site geen .nl domeinnaam voert. Het hof heeft daarmee (ook) een objectieve toets aangelegd en niet (alleen) gekeken naar de subjectieve wil van de Stichting c.s. en ook niet alleen naar de technische maatregelen om toegang tot de website te beperken (zie ook 3.80 hiervoor). Het hof heeft verder ook het feit dat het publiek in Nederland (met kunstgrepen ter omzeiling van de geoblokkering voor Nederland) nog toegang heeft tot de website meegenomen in zijn beoordeling. Het heeft in rov. 4.6.4 immers overwogen dat de geoblocking in beginsel volstaat op de door A-G Szpunar genoemde gronden, hoewel deze maatregel te omzeilen valt en dat dit de deurwaarder eenvoudig is gelukt. Het hof heeft echter geoordeeld dat een serieuze geoblocking is beoogd en geëffectueerd. Dat maakt volgens het hof dat het enkele feit dat de website feitelijk toegankelijk is voor publiek in Nederland (hoe groot dat publiek ook is),
nietmaakt dat de website is gericht op Nederland. Het hof heeft verder in aanmerking genomen dat de Stichting c.s. een (weloverwogen) interventie hebben verricht tot een mededeling aan het publiek, maar die mededeling is volgens het hof gericht op (onder andere) België en andere PD-landen en naar ‘s hofs oordeel uitdrukkelijk niet op Nederland. De klachten stuiten hierop af.
acte éclairéis. De kwestie is ook geen
acteclair, nu de hoogste Oostenrijkse bodemrechter prejudiciële vragen hierover heeft gesteld in
Grand Production/GO4YU,in die zaak een conclusie is gevraagd, hetgeen erop duidt dat een nieuwe rechtsvraag aan de orde was, gelet op de hoge eisen die het HvJEU stelt aan het aannemen van een
acte clairen omdat de in subonderdeel 5.2.1 beschreven MAP-rechtspraak van het Hof in de richting wijst dat geoblocking niet in de weg zou staan aan het aannemen van een inbreuk op het recht van mededeling aan het publiek.
acte éclairé [165] . Het Fonds meentals al besproken primair dat sprake is van een
acte clairin de zin dat geoblocking niet in de weg staat aan het aannemen van een MAP in Nederland en subsidiair dat hierover vragen zouden moeten worden gesteld [166] . De Stichting c.s. menen daarentegen dat sprake is van een
acte clairin de zin dat er redelijkerwijze geen twijfel over kan bestaan dat geen sprake is van een MAP in een land waarvoor (adequate) geoblocking wordt toegepast en feitelijk is vastgesteld dat de website waarop publicatie plaatsvindt (ook anderszins) niet is gericht op een land waar nog auteursrechtelijke bescherming op de werken rust [167] .