Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 2:
Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 4 en feit 5:
[opmerking hof: het hof leidt hieruit af dat de video in ieder geval vanaf 14 september 2021 op youtube heeft gestaan].
Feit 2 - bedreiging [benadeelde 1]
Standpunt van de raadsvrouw
NJ2023/89 m.nt. Machielse was de verdachte vanwege haar psychische toestand krachtens een rechterlijke machtiging gedwongen in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Toen zij vanwege haar onhandelbaar gedrag en haar ontregelde toestand tegen haar wil naar de separeercel werd overgebracht, bedreigde zij een hulpverlener met de dood en zo’n twee weken later deed zij hetzelfde jegens een andere hulpverlener toen zij van deze niet mocht roken. Het hof sprak de verdachte vrij van bedreiging. De Hoge Raad liet het oordeel van het hof in stand dat de verbale bedreiging door de verdachte bij de betrokkenen niet zonder meer in redelijkheid de vrees kon doen ontstaan als is vereist voor een veroordeling op grond van art. 285 lid 1 Sr Pro. Van belang daartoe was dat het oordeel van het hof was verweven met waarderingen van feitelijke aard en dat het hof daarbij acht kon slaan op de concrete omstandigheden dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen en de bedreigende taal “in haar emotionele geestelijke toestand” respectievelijk “in haar ontregelde geestelijke toestand” heeft geuit.
NJ2023/89 m.nt. Machielse (zie onder 3.9) dan met die in HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1938 (zie onder 3.10), maar uit deze arresten volgt ook dat de beoordeling of een bedreigende uiting in redelijkheid vrees kon doen ontstaan, verweven is met waarderingen van feitelijke aard en dat deze in cassatie slechts beperkt kunnen worden getoetst. Anders dan in die onder 3.9 en 3.10 genoemde zaken is in de onderhavige zaak bovendien geen sprake van een situatie waarin de bedreigde vanwege de geestelijke toestand van de verdachte hulp aan deze verleent of zou moeten verlenen. Tegen die achtergrond is niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof heeft overwogen dat de bij verdachte ontstane emoties het bedreigende karakter van de uitlatingen in het geheel niet wegnemen. Verder merk ik hierbij nog op dat ook de omstandigheid dat de verdachte op het moment dat hij de bedreiging uit niet in staat is om deze bedreiging onmiddellijk ten uitvoering te brengen aan het bestaan van redelijke vrees niet in de weg staat, omdat die omstandigheid niet wil zeggen dat er geen redelijke vrees kan bestaan dat de verdachte in de toekomst zijn bedreigingen gaat uitvoeren. [4]
4.Het tweede middel
Ten aanzien van het bewezenverklaarde onder feit 4 en feit 5
[opmerking hof: het hof leidt hieruit af dat de video in ieder geval vanaf 14 september 2021 op youtube heeft gestaan].
Feit 4 - smaadschrift
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
kunnenaannemen”. [7] Toegegeven moet worden dat kwalificering van de “te goeder trouw”-exceptie als schulduitsluitingsgrond op gespannen voet staat met de aanhef van art. 261 lid 3 Sr Pro, maar de argumentatie in de memorie van toelichting lijkt mij niet overtuigend. Genoemde objectivering impliceert geenszins dat het niet om een schulduitsluitingsgrond kan gaan. Maar belangrijker: aangezien – zoals blijkens het voorgaande wordt erkend in de memorie van toelichting – niet noodzakelijke ten laste leggingen niet als gerechtvaardigd kunnen worden beschouwd, valt moeilijk in te zien waarom dit anders zou zijn voor uitingen die op onwaarheden berusten of waarvan het algemeen belang de tenlastelegging niet daadwerkelijk vereist. Meer dan verontschuldigbaar kunnen deze mijns inziens niet zijn. Ook het algemeen stelsel van strafuitsluitingsgronden wijst daarop. Nu bij de bijzondere “te goeder trouw”-exceptie in feite sprake is van een vorm van dwaling, is immers relevant dat verontschuldigbare dwalingen in dat algemeen stelsel in beginsel onder de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld vallen en in elk geval niet onder rechtvaardigingsgronden.
verdachteuit het op de zitting afgeluisterde geluidsfragment van 26 januari 2021 zou blijken dat “illegale activiteiten” plaatsvonden in het buurpand, terwijl uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte heeft aangevoerd dat volgens de
verdachteop het geluidsfragment te horen is dat er “ruzie” is en dat het fragment niet verstaanbaarder wordt buiten het horen van geschreeuw en slaan met deuren. Daarbij komt dat door de verdediging ter terechtzitting geen verzoek is gedaan tot het uitluisteren van een aantal opnames van de verdachte waaruit volgens (wederom) de
verdachteblijkt “dat aangeefster betrokkenheid heeft gehad bij het runnen van het bordeel”. Overigens merk ik op dat het hof de verdachte heeft ontslagen van alle rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid. Uit het bestreden arrest blijkt dat het hof heeft vastgesteld dat het gedrag van de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde zou zijn bepaald door wanen: de verdachte is ervan overtuigd dat hij een klokkenluider is en dat hij de misstanden die naar zijn idee bij de buurman plaatsvinden aan het licht moet brengen en hij meent dat de in de bewezenverklaring genoemde personen verantwoordelijk zijn voor deze misstanden.