ECLI:NL:PHR:2026:378

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
24/00635
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis SrArt. 313 SvArt. 314 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest witwassen wegens wijziging tenlastelegging

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor witwassen en kreeg een gevangenisstraf van twee maanden opgelegd, met verbeurdverklaring van een geldbedrag. Het cassatieberoep richtte zich op de klacht dat het hof de tenlastelegging had verlaten door bewezen te verklaren dat de verdachte handelde in strijd met een ander onderdeel van art. 420bis Sr dan waarvoor hij was gedagvaard.

De tenlastelegging betrof het verbergen of verhullen van de aard, herkomst en vindplaats van een geldbedrag (art. 420bis lid 1 aanhef en onder a Sr). Het hof verklaarde echter bewezen dat de verdachte het geldbedrag voorhanden had gehad terwijl hij wist dat het uit een misdrijf afkomstig was (art. 420bis lid 1 aanhef en onder b Sr). De Hoge Raad oordeelt dat dit een ontoelaatbare wijziging van de tenlastelegging is, omdat dit niet kan worden gezien als een verbetering van een misslag maar als een wijziging die alleen volgens de regels van art. 313 en Pro 314 Sv kan plaatsvinden.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dat het middel gegrond is en dat het arrest van het hof moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar het hof voor een nieuwe berechting. Tevens is ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn voor cassatie is overschreden. De Hoge Raad heeft geen andere gronden voor vernietiging gevonden.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het verlaten van de tenlastelegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00635
Zitting14 april 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 21 februari 2024 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnr. 20-002553-22) wegens “witwassen”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Het hof heeft verder het inbeslaggenomen geldbedrag van € 39.990,- verbeurdverklaard en de bewaring gelast ten behoeve van de rechthebbende van een inbeslaggenomen geldbedrag van € 500,-.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel behelst de klacht dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, doordat het hof – kort gezegd – bewezen heeft verklaard dat de verdachte heeft gehandeld in strijd met art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr, terwijl de tenlastelegging was toegesneden op het handelen in strijd met art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr.
2.2
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
“hij op of omstreeks 27 september 2016 te [plaats] , althans in Nederland, van een voorwerp, te weten enig geldbedrag (totaal ongeveer 40.490 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing, heeft verborgen en/of verhuld, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op een voorwerp was, en/of heeft verborgen en/of verhuld wie een voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat, dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.3
Met betrekking tot deze tenlastelegging heeft het hof overwogen:
“De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.”
2.4
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op 27 september 2016 te [plaats] , een voorwerp, te weten enig geldbedrag (totaal 39.990 euro) voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.5
Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als witwassen in de zin van art. 420bis Sr. [1] Het eerste lid van artikel 420bis Sr luidt:
“1. Als schuldig aan witwassen wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie:
a. hij die van een voorwerp de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing verbergt of verhult, dan wel verbergt of verhult wie de rechthebbende op een voorwerp is of het voorhanden heeft, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf;
b. hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig is uit enig misdrijf.”
2.6
Het hof heeft de tenlastelegging die was toegesneden op art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr, waarin het witwassen bestaat uit onder meer het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats etc. van een voorwerp, blijkens de bewezenverklaring aldus verstaan dat daaronder mede is begrepen het voorhanden hebben van een voorwerp zoals is omschreven in art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr.
2.7
Vooropgesteld dient te worden dat de uitleg van de tenlastelegging is voorbehouden aan de feitenrechter. Het ligt op zijn weg om misslagen die in de tenlastelegging voorkomen te verbeteren, zolang de verdachte daardoor niet in zijn verdediging wordt geschaad. Een dergelijke verbeterde lezing betreft geen wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv Pro, maar moet worden beschouwd als een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist. [2]
2.8
In HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3047 heeft de Hoge Raad overwogen dat de toevoeging aan een (onder meer) op art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder a, Sr toegesneden tenlastelegging van aan art. 420bis, eerste lid, aanhef en onder b, Sr ontleende bestanddelen niet als het herstel van een misslag kan worden gezien, maar een wijziging van de tenlastelegging oplevert die slechts op de voet van de art. 313 en Pro 314 Sv kan plaatsvinden. [3]
2.9
Van een dergelijke wijziging van de tenlastelegging blijkt in de onderhavige zaak niet. Daaruit volgt dat het hof de tenlastelegging (impliciet) op ontoelaatbare wijze heeft aangevuld.
2.1
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak in de cassatiefase, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, op 23 februari 2026 is overschreden. (Andere) gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Zie p. 9 en 11 van het arrest van het hof.
2.Zie HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662,
3.HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3047, rov. 3.5.2.