ECLI:NL:PHR:2026:391

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
12 april 2026
Zaaknummer
24/04008
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 94 SvArt. 134 SvArt. 116 Sv
Verwijzingen
1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beklag tegen beslag op gereedschap en kleding in strafrechtelijk onderzoek

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 9 september 2024 het klaagschrift van klager ex art. 552a Sv beoordeeld. Klager verzocht om opheffing van het beslag op een bedrijfsauto, aanhanger, identiteitskaart, diverse kledingstukken en gereedschap. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond voor de aanhanger en niet-ontvankelijk voor het gereedschap en de kleding, omdat niet kon worden vastgesteld dat klager rechthebbende was van deze goederen.

Klager stelde dat hij als beslagene belanghebbende was en dat de politie naliet een kennisgeving van inbeslagname te maken, waardoor hij niet kon specificeren welk gereedschap en kleding van hem was. De rechtbank oordeelde dat het dossier aanwijzingen bevatte dat een deel van de goederen van diefstal afkomstig was en dat klager niet had gespecificeerd welk deel zijn eigendom was, waardoor niet kon worden vastgesteld of hij belanghebbende was.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd door klager niet-ontvankelijk te verklaren zonder inhoudelijke beoordeling. Echter, omdat het inhoudelijke oordeel over de ongegrondheid van het klaagschrift besloten ligt in de beschikking, leidt dit niet tot cassatie. Het beroep wordt verworpen. De raadkamer oordeelde dat het voortduren van het beslag gerechtvaardigd is vanwege het strafvorderlijk belang en de vermoedelijke diefstal van de goederen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het beslag op gereedschap en kleding blijft gehandhaafd vanwege het strafvorderlijk belang.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/04008 B
Zitting14 april 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de klager.

1.Inleiding

1.1
De rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht (RK 24/014769, parketnummer 16-151378-24), heeft bij beschikking van 9 september 2024 het klaagschrift van klager ex art. 552a Sv tot opheffing van het beslag op een bedrijfsauto, een aanhanger, een identiteitskaart, diverse kledingstukken en divers gereedschap, met last tot teruggave aan klager, voor wat betreft de aanhanger ongegrond verklaard en klager voor wat betreft het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn beklag.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager en L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Beide middelen komen op tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn beklag ten aanzien van het gereedschap en de kleding. Zij lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.De middelen

2.1
In het
eerste middelwordt geklaagd dat het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat ontoereikend is gemotiveerd dat klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag ten aanzien van het gereedschap en de kleding omdat de rechtbank niet kan beoordelen of klager daadwerkelijk rechthebbende en dus belanghebbende is bij (een deel van) het inbeslaggenomen gereedschap en de kleding. De reden hiervoor is dat de klager als beslagene als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv moet worden aangemerkt. De auto en aanhanger zijn immers onder klager in beslag genomen zodat dit ook geldt voor de zich daarin bevindende gereedschappen en kleding. Het
tweede middelbevat de klacht dat de rechtbank bij de beoordeling van het beklag een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, dan wel dat de motivering van de beslissing op het beklag ontoereikend is gemotiveerd. De rechtbank had bij een beklag tegen beslag op grond van art. 94 Sv Pro moeten beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo niet, de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen moeten gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.
2.2
De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, het volgende in:

Procesgang
Het klaagschrift strekt tot teruggave van onder klager in beslag genomen voorwerpen, te weten:
- een personenauto met kenteken [kenteken 1] ;
- een aanhanger;
- een identiteitskaart;
- diverse kledingstukken;
- diverse gereedschappen.
De raadkamer heeft kennis genomen van de inhoud van het dossier in de strafzaak tegen klager als verdachte met bovenvermeld parketnummer, van voornoemd klaagschrift en van het schriftelijk advies van de officier van justitie d.d. 7 augustus 2024.
De raadkamer heeft op 26 augustus 2024 de raadsman van klager en de officier van justitie, [naam 1] , in openbare raadkamer gehoord.
Klager is, alhoewel daartoe geldig op geroepen, niet in raadkamer verschenen.
Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken:
1. onder klager is op 2 mei 2024 op de voet van artikel 94 Sv Pro onder andere in beslag genomen:
- een bedrijfsauto met kenteken [kenteken 1] ;
- een aanhanger;
- een identiteitskaart;
- diverse kledingstukken;
- divers gereedschap.
2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen;
3. klager heeft gesteld rechthebbende te zijn van hetgeen in beslag is genomen;
4. het beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen klager als verdachte.
Standpunt van klager
De raadsman van klager heeft ter toelichting op het klaagschrift kort samengevat het volgende aangevoerd.
De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken 1] , de aanhanger en de identiteitskaart.
De raadsman verzoekt het klaagschrift ten aanzien van de in beslag genomen gereedschap en kleding gegrond te verklaren. De politie heeft nagelaten van alle in beslag genomen gereedschap en kleding een kennisgeving van inbeslagname op te maken. Klager kan daardoor niet aantonen welk gedeelte van de in beslag genomen gereedschap en kleding van hem is. Dat kan niet aan klager worden tegengeworpen, aldus de raadsman.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken 1] en de identiteitskaart niet-ontvankelijk in zijn beklag dient te worden verklaard, nu deze goederen hetzij al zijn teruggegeven aan klager hetzij binnenkort zullen worden teruggegeven aan klager.
Ten aanzien van het gereedschap dient klager niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn beklag, omdat uit het klaagschrift niet duidelijk wordt om welk gereedschap het gaat, terwijl een deel van het gereedschap al aan klager is teruggegeven. Ten aanzien van de kleding dient klager niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn beklag, omdat uit het dossier niet blijkt dat er kleding in beslag is genomen.
Beoordeling
Ten aanzien van de aanhanger
Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van dit in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv Pro is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de aanhanger zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. Op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde in raadkamer acht de raadkamer het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de aanhanger zal verbeurd verklaren of zal onttrekken aan het verkeer. De raadkamer overweegt daarbij dat uit het dossier blijkt dat op deze aanhanger geen chassisnummer is aangetroffen, waardoor de eigenaar van deze aanhanger niet kan worden achterhaald, terwijl met behulp van deze aanhanger mogelijk goederen zijn gestolen. De raadkamer is daarom van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag en zal het beklag ongegrond verklaren ten aanzien van de aanhanger.
Ten aanzien van de auto met kenteken [kenteken 1] en de identiteitskaart
Gebleken is dat door de officier van justitie reeds een last is gegeven tot teruggave van deze goederen. Dat betekent dat het beslag op deze goederen gelet op artikel 134, tweede lid, aanhef en onder a Sv is geëindigd. Klager zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn klaagschrift ten aanzien van deze goederen.
Ten aanzien van het gereedschap en de kleding
Uit het dossier blijkt dat er onder klager een auto met aanhanger met daarin een grote hoeveelheid goederen in beslag is genomen, waaronder gereedschap en kleding. Volgens de politie is een groot deel van deze goederen kort daarvoor gestolen, hetgeen wordt bevestigd door verschillende aangevers van diefstal. Namens aangevers [aangever 1] B.V. en [aangever 2] is verklaard dat een deel van het bij klager aangetroffen gereedschap bij hen is gestolen, en er bevinden zich aanwijzingen in het dossier dat verdachte zich kort voor de inbeslagname schuldig heeft gemaakt aan deze diefstal. Namens aangever [aangever 3] is verklaard dat kort voor de inbeslagname van de kleding een kledingcontainer van [aangever 3] is vernield, waarbij kleding uit deze container was weggenomen. In het dossier bevinden zich aanwijzingen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan deze vernieling en diefstal.
De politie heeft nagelaten voor al het gereedschap en de kleding die in de auto met aanhangwagen zijn aangetroffen een aparte kennisgeving van inbeslagname te maken. Aan de andere kant mag van klager verwacht worden dat hij kan specificeren welk deel van de in beslag genomen gereedschap en kleding zijn eigendom is. Klager heeft dit nagelaten. Nu uit het dossier blijkt dat er aanwijzingen zijn dat in ieder geval een deel van het gereedschap en de kleding van diefstal afkomstig is, en klager heeft nagelaten te specificeren welk gedeelte zijn eigendom is, kan de raadkamer niet beoordelen of klager daadwerkelijk rechthebbende en dus belanghebbende is ten aanzien van welk deel van de in beslag genomen gereedschap en kleding.
Klager zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn beklag ten aanzien van het gereedschap en de kleding.
Beslissing
De raadkamer:
- verklaart het beklag
ongegrond ten aanzien van de aanhanger;
- verklaart klager
voor het overige niet-ontvankelijk in zijn beklag.”
2.3
De rechtbank heeft vastgesteld dat uit het dossier blijkt dat onder klager een auto met aanhanger met daarin een grote hoeveelheid goederen in beslag is genomen, waaronder gereedschap en kleding. De rechtbank heeft verder overwogen dat de politie heeft nagelaten voor al het in de auto met aanhangwagen aangetroffen gereedschap en kleding een aparte kennisgeving van inbeslagname op te maken. Uit deze overwegingen van de rechtbank kan worden afgeleid dat klager (ook) ten aanzien van het gereedschap en de kleding als beslagene moet worden aangemerkt, als gevolg waarvan hij ten aanzien van deze voorwerpen als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv had moeten worden aangemerkt. [1] Door te oordelen dat niet kan worden beoordeeld of klager als daadwerkelijk rechthebbende en dus belanghebbende ten aanzien van (enig deel van) het gereedschap en de kleding kan worden aangemerkt en klager derhalve niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beklag, heeft de rechtbank het voorgaande miskend. [2] Het eerste middel klaagt hierover terecht.
2.4
Voor wat betreft de beoordeling van het tweede middel brengt de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in het beklag ten aanzien van het gereedschap en de kleding en het slagen van het op dit oordeel gerichte eerste middel, met zich dat de rechtbank ten aanzien van deze voorwerpen ten onrechte niet inhoudelijk heeft beslist op het beklag. Het tweede middel klaagt daarover terecht.
2.5
Ik merk echter het volgende op. Omdat het beslag is gelegd op grond van art. 94 Sv Pro, had de rechtbank dienen “a. te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp te gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd”. [3] De rechtbank heeft overwogen dat het dossier aanwijzingen bevat dat “in ieder geval een deel van het gereedschap en de kleding van diefstal afkomstig is”. In dat verband heeft de rechtbank gewezen op verklaringen van verschillende aangevers en aanwijzingen in het dossier dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de desbetreffende diefstallen. Hiermee heeft de rechtbank mijns inziens tot uitdrukking willen brengen dat op basis van het (summiere) onderzoek in raadkamer het uitgangspunt kan worden gehanteerd dat de aangetroffen goederen van diefstal afkomstig zijn, waarin – in tegenstelling tot hetgeen de steller van het middel hierover betoogt – besloten ligt dat het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zich derhalve tegen teruggave verzet. Daarmee is het tweede middel dus eveneens terecht voorgesteld, maar behoeft het slagen van beide middelen wegens gebrek aan belang niet tot cassatie te leiden.

3.Afronding

3.1
De middelen slagen maar behoeven niet tot cassatie te leiden.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Belanghebbenden in de zin van art. 552a Sv zijn namelijk alle natuurlijke personen of rechtspersonen die op grond van (thans) art. 116 Sv Pro een recht op teruggave van het beslagen voorwerp kunnen claimen, vgl. HR 18 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5179,
2.Bovendien geldt dat ook in het geval klager niet de beslagene was – en dus niet reeds op die grond als belanghebbende kon worden aangemerkt – voor het zijn van belanghebbende in de zin van art. 552a Sv beslissend is of hij
3.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, rov. 2.8.