Conclusie
1.Inleiding
2.De middelen
eerste middelwordt geklaagd dat het getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat ontoereikend is gemotiveerd dat klager niet-ontvankelijk is in zijn beklag ten aanzien van het gereedschap en de kleding omdat de rechtbank niet kan beoordelen of klager daadwerkelijk rechthebbende en dus belanghebbende is bij (een deel van) het inbeslaggenomen gereedschap en de kleding. De reden hiervoor is dat de klager als beslagene als belanghebbende in de zin van art. 552a Sv moet worden aangemerkt. De auto en aanhanger zijn immers onder klager in beslag genomen zodat dit ook geldt voor de zich daarin bevindende gereedschappen en kleding. Het
tweede middelbevat de klacht dat de rechtbank bij de beoordeling van het beklag een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, dan wel dat de motivering van de beslissing op het beklag ontoereikend is gemotiveerd. De rechtbank had bij een beklag tegen beslag op grond van art. 94 Sv Pro moeten beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert en zo niet, de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen moeten gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van die voorwerpen moet worden beschouwd.
Procesgang
ongegrond ten aanzien van de aanhanger;
voor het overige niet-ontvankelijk in zijn beklag.”