Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
als relaas van [verbalisant 1] :
als relaas van [verbalisant 2] :
Foto 4 woonkamer: kalkafzetting aan de potten van de stapel.
Foto 5 woonkamer: tas vol met elektrasnoeren en ophangsysteem voor lampen.
Foto 7 woonkamer: aangetroffen voedingsstoffen.
Foto 8 woonkamer: grondresten en hennepresten op de vloer in de woonkamer.
Foto 10 woonkamer: aangetroffen vuilniszak met plantresten.
Foto 15 woonkamer: ventilator aangetroffen op afvalhoop in de woonkamer.
Foto 16 woonkamer: doos met stekpotten.
Foto 17 woonkamer: kalkafzetting op pot van foto 16.
Foto 18 woonkamer: vuilniszak met afval en delen hennepplant.
Foto 22 woonkamer: detail van een staande houder voor een koolstoffilter.
Foto 23 woonkamer: staander voor koolstoffilter in zijn geheel.
Foto 25 dozen met lege verpakking van lampen.
Foto 26 meterkast, volgens de fraudespecialist zijn er klemmen gebruikt om stroom af te tappen voor de meter.
Foto 29 slaapkamer 1e verdieping achterzijde woning: hennepresten op de grond, gebruikte latex handschoenen.
Foto 32 aangetroffen scharen en kniptang.
Foto 36 zolderverdieping: dichtgemaakt gat.
Foto 38 zolderverdieping: aangetroffen isolatiemateriaal en gebruikte lege dozen.
Foto 40 zolderverdieping: lege dozen waarin 2 transformatoren in hebben gezeten.
als relaas van [verbalisant 1] :Op 11 februari 2019 ben ik de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] binnengetreden. Aangetroffen kweekpotten: minimaal 326 potten.
In de woonkamer was een aantal vuilniszakken met potgrond aangetroffen. In deze potgrond bevonden zich gebruikte stekblokjes/rondjes en wortelresten. Verder hadden diverse stukken samengeperste potgrond dezelfde vorm en inhoud als de lege potten die waren aangetroffen.
als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] :Op 12 februari 2019 werden in het kader van een buurtonderzoek met betrekking tot een verdachte situatie op de locatie [a-straat 1] , [postcode] [plaats] de volgende adressen bezocht:
-
[a-straat 2]: Op 22 of 23 januari zag bewoner [betrokkene 1] een grote witte bus met rode letters van een verhuurbedrijf voor de woning, [a-straat 1] , staan. Hier zaten twee mannen in. Signalement: Marokkaans uiterlijk, leeftijd 30-35 jaar en Turks uiterlijk, leeftijd 25-30 jaar. De mannen gingen de woning in en uit. De mannen zeiden dat het huis leeg moest. Dit vond de buurtbewoner vreemd want de meubels bleven achter toen ze weg gingen.
-
[a-straat 3]: Bewoner [betrokkene 2] zag op 8 februari 2019 aan het eind van de middag een gele Caddy auto staan bij de woning aan de [a-straat 1] , terwijl daar niemand woonde.
-
[a-straat 4]: Bewoonster [betrokkene 3] zag op 22 of 23 januari 2019 een grote witte bus staan voor de woning aan de [a-straat 1] . Zij zag twee mannen heen en weer lopen naar de bus en de woning.
-
[a-straat 5]: De bewoners [betrokkene 4] en [betrokkene 5] verklaren de afgelopen weken een witte sprinterbus te hebben gezien voor de woning [a-straat 1] . Er zaten twee mannen in. Deze mannen hebben een stuk van het hek gehaald om de bus met de achterzijde tegen de woning aan te zetten. Deze bus had als opschrift “ [A] ”. Ook hebben zij vaak een gele Renault Kangoo met [kenteken 1] voor de woning zien staan. Deze auto kwam elke week bij de woning en op 8 februari 2019 voor het laatst. Ze hebben er foto’s van gemaakt. Deze gele Renault Kangoo is daar op 26 januari 2019, 1 februari 2019 en 8 februari 2019 door hen gezien en gefotografeerd.
als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] :Op 11 februari 2019 hebben wij een buurtonderzoek ingesteld naar aanleiding van een hennepkwekerij in de woning [a-straat 1] te [plaats] . Wij hebben de volgende adressen bezocht. Deze adressen hebben allemaal zicht op de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] :
-
[a-straat 6]: Bewoner [betrokkene 6] verklaart op 11 februari 2019 dat twee weken daarvoor twee Brabanders met een huurbus uit Brabant de woning aan de [a-straat 1] hebben leeggehaald. Ze hebben lampen, ventilatoren en zakken met vuil uit de woning gehaald. Vlak daarna zijn er twee mannen van Marokkaanse afkomst in de woning geweest. Zij reden in een geelkleurige Caddy.
-
[a-straat 7]: Bewoonster [betrokkene 7] gaf op 11 februari 2019 aan dat zij de afgelopen drie weken elke week twee getinte mannen bij de woning aan de [a-straat 1] zag. Deze mannen zetten dan een geel bestelbusje met de achterzijde tegen de voordeur en liepen dan vaak heen en weer.
als relaas van [verbalisant 8] :Bij bevraging van het [kenteken 1] van het gele voertuig bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer bleek dat de te naam gestelde van dit voertuig is: [betrokkene 8] uit [plaats] .
als relaas van [verbalisant 7] :Op 27 maart 2019 is [betrokkene 8] gehoord omdat [het] op zijn naam gestelde voertuig is gezien bij de woning [a-straat 1] te [plaats] , waar de ontmantelde hennepkwekerij is aangetroffen. Hij verklaarde dat zijn schoonzoon [verdachte] gebruikt maakte van deze auto.
als relaas van [verbalisant 8] :Op 19 maart 2019 kreeg ik het verzoek mij te begeven naar de [a-straat 1] te [plaats] . In voornoemde woning zouden zich twee personen bevinden. Deze personen zouden in een wit bestelbusje naar de woning zijn gereden. Hierop ben ik samen met collega's [verbalisant 9] en [verbalisant 10] ter plaatse gegaan.
Collega's [verbalisant 10] en [verbalisant 9] zagen in de woning een tweetal personen lopen. [verbalisant 10] heeft hierop de twee mannen verzocht naar de voordeur te komen, waar zij gehoor aan gaven. Desgevraagd toonde één der mannen een op zijn naam afgegeven Nederlands rijbewijs. Ik zag dat de man was genaamd: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1985 te [plaats] . Signalement: manspersoon, licht getint.
De tweede man die zich in de woning bevond gaf op te zijn: [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] . Signalement: manspersoon, licht getint.
De mannen hadden een witte Mercedes met [kenteken 2] in gebruik. In het voertuig trof ik, verbalisant [verbalisant 8] , een huurovereenkomst van huurbedrijf [A] aan. In deze huurovereenkomst stond vermeld dat het voertuig was verhuurd aan [verdachte] .
als verklaring van [verdachte] :Ik ben een paar keer in [plaats] geweest. De eerste keer was in januari of februari 2019. Ik ben daar samen met [medeverdachte] geweest. We zijn in de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] geweest en hebben daar opgeruimd. We zijn daar 3 of 4 keer geweest. Het kan kloppen dat dat in de periode januari tot maart 2019 was. Het klopt dat wij in de gele bestelauto van mijn schoonvader, Renault Kangoo met [kenteken 1] reden. We zijn ook een keer met een huurbus van [A] daar geweest.”
Bewijsoverwegingen
3.Het eerste middel
[A-G: ik begrijp, gelet op de bewezenverklaring, ook stoffen]voorhanden heeft gehad die “bestemd waren tot” genoemde illegale hennepteelt. Door de steller van het middel wordt betoogd dat van een dergelijke bestemming geen sprake is geweest, aangezien de verdachte bezig was met het opruimen van een hennepkwekerij. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar twee arresten waarin de Hoge Raad zich heeft uitgesproken over de betekenis van het bestanddeel “bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet.
NJ2018/281, m.nt. N. Rozemond. In de zaak die leidde tot dit arrest waren in de kelder van de woning van de verdachte twee kweekinrichtingen aangetroffen, met daarin onder meer 40 assimilatielampen, 20 transformatoren, 2 koolstoffilters, 285 plantenpotten met potaarde en 3 ventilatoren. Het hof was gekomen tot een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet en had voor het bewijs onder meer gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte dat hij die voorwerpen – die verband hielden met de hennepplantage die twee jaar eerder in zijn kelder aanwezig was – niet had opgeruimd en dat hij de kelder waarin ze werden aangetroffen had dichtgemaakt. Volgens het hof was voor een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet irrelevant of de verdachte daadwerkelijk feiten als bedoeld in art. 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet wilde plegen. De Hoge Raad liet dit oordeel niet in stand en overwoog, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis inzake art. 11a Opiumwet [2] , dat “voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in art. 11a Opiumwet vereist is dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is”.
NJ2019/403. Ook in dat arrest stond de beoordeling van het bestanddeel “bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet centraal en opnieuw oordeelde de Hoge Raad dat het hof de bewezenverklaring op dat punt ontoereikend had gemotiveerd. Uit de bewijsvoering van het hof bleek weliswaar dat in het bedrijfspand van de verdachte onder meer 73 hennepstekken/-planten, 56 armaturen, 58 assimilatielampen, 59 transformatoren, 8 koolstoffilters en 4 ventilatoren waren aangetroffen, maar óók dat – zoals door de verdachte en medeverdachten was verklaard – in dat pand een hennepkwekerij werd opgeruimd. Gelet hierop en omdat het hof geen nadere vaststellingen had gedaan met betrekking tot het uiteindelijke doel van het voorhanden hebben van de aangetroffen stoffen en voorwerpen, was de bewezenverklaring niet toereikend gemotiveerd.
kunnenworden voor illegale hennepteelt, maar óók dat de verdachte en zijn medeverdachte in de bewezenverklaarde periode in die woning aanwezig zijn geweest om op te ruimen en dat er op 11 februari 2019 sprake was van een ontmantelde kwekerij. De bewijsvoering van het hof houdt in feite niet méér in dan dat de op 11 februari 2019 in de woning aangetroffen stoffen en voorwerpen
in het verledenbestemd zijn geweest voor het telen van hennep. Uit de bewijsvoering blijkt niet van enige nadere vaststellingen omtrent het uiteindelijke – oftewel: toekomstige – doel van die stoffen en voorwerpen. Anders gezegd: het hof kijkt enkel achterom en niet vooruit. Een en ander is, zoals onder meer uit de hiervoor onder de randnummers 3.6 en 3.7 aangehaalde jurisprudentie volgt, niet voldoende voor een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet. Zodoende is de bewezenverklaring, wat betreft het bestanddeel “bestemd zijn tot”, ontoereikend gemotiveerd. In zoverre slaagt het middel.
derde(…)
lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en dat de verdachte dit
wist [cursiveringen door mij, A-G]”, berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest. De bewezenverklaring van het hof heeft immers geen betrekking op ‘het in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ telen van hennep, maar enkel op de in het vijfde lid van art. 11 Opiumwet Pro bedoelde ‘grote hoeveelheid’ én bovendien op de niet opzettelijke variant van art. 11a Opiumwet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.