Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
waarvan hij en zijn mededader ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.”
als relaas van [verbalisant 1]:
als relaas van [verbalisant 2]:
als relaas van [verbalisant 1]:
als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:
[a-straat 2] :Op 22 of 23 januari zag bewoner [betrokkene 2] een grote witte bus met rode letters van een verhuurbedrijf voor de woning, [a-straat 1] , staan. Hier zaten twee mannen in. Signalement: Marokkaans uiterlijk, leeftijd 30-35 jaar en Turks uiterlijk, leeftijd 25-30 jaar. De mannen gingen de woning in en uit. De mannen zeiden dat het huis leeg moest. Dit vond de buurtbewoner vreemd want de meubels bleven achter toen ze weg gingen.
[a-straat 3] :Bewoner [betrokkene 3] zag op 8 februari 2019 aan het eind van de middag een gele Caddy auto staan bij de woning aan de [a-straat 1] , terwijl daar niemand woonde.
[a-straat 5] :De bewoners [betrokkene 5] en [betrokkene 6] verklaren de afgelopen weken een witte sprinterbus te hebben gezien voor de woning [a-straat 1] . Er zaten twee mannen in. Deze mannen hebben een stuk van het hek gehaald om de bus met de achterzijde tegen de woning aan te zetten. Deze bus had als opschrift “ [A] ”. Ook hebben zij vaak een gele Renault Kangoo met [kenteken 1] voor de woning zien staan. Deze auto kwam elke week bij de woning en op 8 februari 2019 voor het laatst. Ze hebben er foto’s van gemaakt. Deze gele Renault Kangoo is daar op 26 januari 2019, 1 februari 2019 en 8 februari 2019 door hen gezien en gefotografeerd.
als relaas van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6]:
[a-straat 6] :Bewoner [betrokkene 7] verklaart op 11 februari 2019 dat twee weken daarvoor twee Brabanders met een huurbus uit Brabant de woning aan de [a-straat 1] hebben leeggehaald. Ze hebben lampen, ventilatoren en zakken met vuil uit de woning gehaald. Vlak daarna zijn er twee mannen van Marokkaanse afkomst in de woning geweest. Zij reden in een geelkleurige Caddy.
[a-straat 7] :Bewoonster [betrokkene 8] gaf op 11 februari 2019 aan dat zij de afgelopen drie weken elke week twee getinte mannen bij de woning aan de [a-straat 1] zag. Deze mannen zetten dan een geel bestelbusje met de achterzijde tegen de voordeur en liepen dan vaak heen en weer.
als relaas van [verbalisant 7]:
als relaas van [verbalisant 8]:
als relaas van [verbalisant 7]:
als verklaring van [medeverdachte]:
Bewijsoverwegingen
3.Het eerste middel
[A-G: ik begrijp, gelet op de bewezenverklaring, ook stoffen]voorhanden heeft gehad die “bestemd waren tot” genoemde illegale hennepteelt. Door de steller van het middel wordt betoogd dat van een dergelijke bestemming geen sprake is geweest, aangezien de verdachte bezig was met het opruimen van een hennepkwekerij. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt verwezen naar twee arresten waarin de Hoge Raad zich heeft uitgesproken over de betekenis van het bestanddeel “bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet.
NJ2018/281, m.nt. N. Rozemond. In de zaak die leidde tot dit arrest waren in de kelder van de woning van de verdachte twee kweekinrichtingen aangetroffen, met daarin onder meer 40 assimilatielampen, 20 transformatoren, 2 koolstoffilters, 285 plantenpotten met potaarde en 3 ventilatoren. Het hof was gekomen tot een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet en had voor het bewijs onder meer gebruik gemaakt van de verklaring van de verdachte dat hij die voorwerpen – die verband hielden met de hennepplantage die twee jaar eerder in zijn kelder aanwezig was – niet had opgeruimd en dat hij de kelder waarin ze werden aangetroffen had dichtgemaakt. Volgens het hof was voor een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet irrelevant of de verdachte daadwerkelijk feiten als bedoeld in art. 11, derde of vijfde lid, van de Opiumwet wilde plegen. De Hoge Raad liet dit oordeel niet in stand en overwoog, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis inzake art. 11a Opiumwet [2] , dat “voor een bewezenverklaring van de bestemming als bedoeld in art. 11a Opiumwet vereist is dat de gedragingen strekken tot voorbereiding of vergemakkelijking van hennepteelt, waarbij het uiteindelijke doel ten behoeve waarvan de handeling wordt verricht van belang is”.
NJ2019/403. Ook in dat arrest stond de beoordeling van het bestanddeel “bestemd zijn tot” als bedoeld in art. 11a Opiumwet centraal en opnieuw oordeelde de Hoge Raad dat het hof de bewezenverklaring op dat punt ontoereikend had gemotiveerd. Uit de bewijsvoering van het hof bleek weliswaar dat in het bedrijfspand van de verdachte onder meer 73 hennepstekken/-planten, 56 armaturen, 58 assimilatielampen, 59 transformatoren, 8 koolstoffilters en 4 ventilatoren waren aangetroffen, maar óók dat – zoals door de verdachte en medeverdachten was verklaard – in dat pand een hennepkwekerij werd opgeruimd. Gelet hierop en omdat het hof geen nadere vaststellingen had gedaan met betrekking tot het uiteindelijke doel van het voorhanden hebben van de aangetroffen stoffen en voorwerpen, was de bewezenverklaring niet toereikend gemotiveerd.
kunnenworden voor illegale hennepteelt, maar óók dat de verdachte en zijn medeverdachte in de bewezenverklaarde periode in die woning aanwezig zijn geweest om op te ruimen en dat er op 11 februari 2019 sprake was van een ontmantelde kwekerij. De bewijsvoering van het hof houdt in feite niet méér in dan dat de op 11 februari 2019 in de woning aangetroffen stoffen en voorwerpen
in het verledenbestemd zijn geweest voor het telen van hennep. Uit de bewijsvoering blijkt niet van enige nadere vaststellingen omtrent het uiteindelijke – oftewel: toekomstige – doel van die stoffen en voorwerpen. Anders gezegd: het hof kijkt enkel achterom en niet vooruit. Een en ander is, zoals onder meer uit de hiervoor onder de randnummers 3.6 en 3.7 aangehaalde jurisprudentie volgt, niet voldoende voor een bewezenverklaring van art. 11a Opiumwet. Zodoende is de bewezenverklaring, wat betreft het bestanddeel “bestemd zijn tot”, ontoereikend gemotiveerd. In zoverre slaagt het middel.
derde(…)
lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten en dat de verdachte dit
wist [cursiveringen door mij, A-G]”, berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest. De bewezenverklaring van het hof heeft immers geen betrekking op ‘het in de uitoefening van een beroep of bedrijf’ telen van hennep, maar enkel op de in het vijfde lid van art. 11 Opiumwet Pro bedoelde ‘grote hoeveelheid’ én bovendien op de niet opzettelijke variant van art. 11a Opiumwet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.