Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
[A-G: aannemelijkheid]ontbeert. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
[A-G: aannemelijkheid]heeft. Anders dan de raadsman heeft gesteld, bevat het dossier ook geen steun voor deze verklaring van de verdachte. De enkele aanwezigheid van een matras in de woning is daartoe niet toereikend.
U, voorzitter, vraagt mij wie de mensen waren aan wie ik een sleutel van mijn woning heb gegeven. Ik heb een keer met een van hen voetbal gespeeld. De anderen ken ik niet. Degene waarmee ik voetbal heb gespeeld vroeg toen aan mij hoe het met mij ging. Ik heb hem toen verteld dat het slecht met mij ging. Ik heb hem verteld dat ik een woning had gekocht, maar ik mijn baan was kwijtgeraakt. Tijdens dat gesprek gaf hij aan dat hij mij kon helpen. U, voorzitter, vraagt mij of dat ik bij een club heb gevoetbald of dat ik een potje voetbal op straat heb gespeeld. Ik heb op een grasveld in [plaats] een potje voetbal gespeeld. U, voorzitter, vraagt mij of dat toen ook meteen is besproken dat het om een hennepkwekerij ging. Nee, daar is het niet direct over gegaan. U, voorzitter, vraagt mij of dat ik die man verder niet kende. Ik ken hem alle
en van zien. Ik zag hem vaker voetballen als ik aan het hardlopen was. U, voorzitter, vraagt mij hoe deze man eruit ziet. Hij heeft een Marokkaans uiterlijk. Hij heeft een donkere huidskleur. Hij heeft kort tot geen haar en hij is klein. U, voorzitter, vraagt mij hoe deze man heet. Hij werd [bijnaam betrokkene 1] genoemd. U voorzitter, vraagt mij door wie deze man [bijnaam betrokkene 1] werd genoemd. Anderen noemden hem zo. Hij stelde zich ook aan mij voor als [bijnaam betrokkene 1] . U, voorzitter, vraagt mij of dat ik met [bijnaam betrokkene 1] naar mijn woning in [plaats] ben gegaan. Nee, ik ben daar nooit met hem geweest. Ik heb hem alleen de sleutel van mijn woning en het adres gegeven. Het ging in die periode slecht met mij.
Onderzoek van de zaak
3.Het middel
[A-G: ik begrijp het terzijde stellen van de verklaring van de verdachte en het bewezen achten van de onder 1, 2 en 3 telkens primair tenlastegelegde feiten]alleen daarom al onbegrijpelijk” is. Door de verdachte is in hoger beroep weliswaar ietsje meer verklaard over de persoon aan wie hij zijn woning ter beschikking zou hebben gesteld en de omstandigheden waaronder hij die persoon heeft ontmoet, maar van een onderbouwde en verifieerbare verklaring, die een begin van aannemelijkheid oplevert voor het door de verdachte gepresenteerde scenario, is nog steeds geen sprake. Dit maakt dat de door het hof bevestigde overweging van de rechtbank (voor het overige) ook in het licht van die in hoger beroep afgelegde verklaring als toereikend kan worden beschouwd. Dat het hof heeft gemeend ook in dit opzicht te kunnen volstaan met een ‘kale’ bevestiging van het vonnis, acht ik bepaald niet onbegrijpelijk.