ECLI:NL:PHR:2026:396

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
13 april 2026
Zaaknummer
24/01965
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 63 SrArt. 81 lid 1 ROOpiumwet
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk telen hennep en gekwalificeerde diefstal elektriciteit en water

De verdachte werd door de rechtbank Limburg veroordeeld wegens het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep (436 planten) in een woning die hij in februari 2020 had gekocht, en de gekwalificeerde diefstal van elektriciteit en water in de periode van augustus tot oktober 2020. De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte de hennepkwekerij exploiteerde, ondanks zijn verklaring dat hij slechts zijn woning ter beschikking had gesteld aan anderen, vermoedelijk van Marokkaanse afkomst.

De verdediging voerde aan dat de verdachte slechts medeplichtig was en pleitte vrijspraak van de primair ten laste gelegde feiten. De rechtbank verwierp dit en verklaarde de verdachte primair schuldig. Het hof ’s-Hertogenbosch bevestigde dit vonnis bij arrest van 16 mei 2024, waarbij het de overwegingen van de rechtbank tot de zijne maakte.

In cassatie klaagde de verdediging dat het hof niet had mogen volstaan met bevestiging, omdat in hoger beroep nadere feiten en omstandigheden waren aangevoerd die de verklaring van de verdachte ondersteunden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de verklaring van de verdachte terzijde had gesteld wegens gebrek aan aannemelijkheid en dat de bevestiging van het vonnis niet onbegrijpelijk was. De aanvullende verklaringen en stukken in hoger beroep boden geen begin van aannemelijkheid voor het scenario van de verdachte.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis. De klacht dat het hof niet nader had gemotiveerd faalde, evenals het beroep op een brief van de partner en een tolkverklaring over een tekst op een schakelbord. De bewezenverklaring en straf blijven ongewijzigd.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling verdachte voor hennepteelt en gekwalificeerde diefstal met geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01965
Zitting14 april 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (parketnr. 20-001525-23) heeft bij arrest van 16 mei 2024 het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 31 mei 2023 met aanvulling van gronden bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte wegens – kort gezegd – 1. het opzettelijk telen van een grote hoeveelheid hennep 2. de gekwalificeerde diefstal van elektriciteit en 3. de gekwalificeerde diefstal van water [1] veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis.
1.2
Er bestaat samenhang met de (ontnemings)zaak 24/01966. In die zaak concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 17 mei 2024 ingesteld namens de verdachte. I.R. Rigter, advocaat in Amsterdam en E. de Witte, ten tijde van het indienen van de schriftuur advocaat in Amsterdam, thans in Middelburg, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Het middel behelst de klacht dat het hof, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, niet had mogen volstaan met een bevestiging van het vonnis.
1.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“Feit 1 primair:
hij op 27 oktober 2020 in de [plaats] opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de [a-straat 1] ) een hoeveelheid van 436 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
Feit 2 primair:
hij in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 27 oktober 2020 in de [plaats] een hoeveelheid elektriciteit toebehorende aan Enexis heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
Feit 3 primair:
hij in de periode van 1 augustus 2020 tot en met 27 oktober 2020 in de [plaats] een hoeveelheid water toebehorende aan Waterleiding Maatschappij Limburg heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.”
2.2
Deze bewezenverklaring berust op de in het bevestigde vonnis opgenomen bewijsmiddelen, naar de inhoud waarvan ik kortheidshalve verwijs. Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank bevat daarnaast de volgende (bewijs)overwegingen:
“3.2 Het standpunt van de verdedigingDe verdachte heeft – kort gezegd – verklaard dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld, wetende van de bedoeling om aldaar hennep te telen.
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het (mede)plegen van de telkens primair ten laste gelegde feiten en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan hennepteelt, elektriciteitsdiefstal en diefstal van water, zoals onder 1, 2 en 3 telkens subsidiair ten laste gelegd.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
(…)
Overwegingen van de rechtbank
Verklaring verdachte
De verdachte heeft zich bij de politie op zijn zwijgrecht beroepen. Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan vermoedelijk Marokkanen voor de inrichting en exploitatie van een hennepkwekerij, en dat hij aldus – behalve de wetenschap van de aanwezigheid van de kwekerij – geen nadere betrokkenheid daarbij had. De raadsman heeft daaraan toegevoegd dat het dossier geen contra-indicatie bevat voor deze verklaring van de verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring terzijde dient te worden geschoven nu die verklaring zelfs een begin van
[A-G: aannemelijkheid]ontbeert. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In de woning van de verdachte, die hij in februari 2020 heeft gekocht én waarin hij als enige bewoner stond ingeschreven, is op 27 oktober 2020 een hennepkwekerij aangetroffen.
De verdachte heeft zijn ontkennende verklaring inhoudende een alternatief scenario op geen enkele wijze onderbouwd, behalve door te stellen dat de persoon, of personen, waaraan hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld ‘naar hij denkt’ Marokkaans is/zijn. Nadere gegevens kon of wilde hij niet verstrekken. Bij doorvragen kon de verdachte zich niets meer herinneren. Bovendien wist hij zelfs niets meer te verklaren op nadere vragen over de persoon of personen aan wie hij zijn woning ter beschikking gesteld zou hebben en de omstandigheden waaronder hij die heeft ontmoet en gesproken. Derhalve valt op geen enkele manier te verifiëren of deze verklaring een begin van
[A-G: aannemelijkheid]heeft. Anders dan de raadsman heeft gesteld, bevat het dossier ook geen steun voor deze verklaring van de verdachte. De enkele aanwezigheid van een matras in de woning is daartoe niet toereikend.
Dat maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het niet anders kan dan dat de verdachte diegene is geweest die de hennepkwekerij geëxploiteerd heeft. Dat leidt de rechtbank tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegd hennepteelt (feit 1). De diefstal van de elektriciteit (feit 2) en het water (feit 3) hangen daarmee zo nauw samen, dat de rechtbank ook die feiten, in de primaire variant, bewezen acht. Overeenkomstig het oordeel van de rechtbank dat geen anderen betrokken zijn bij de hennepkwekerij, zal de rechtbank de verdachte partieel vrijspreken van het medeplegen van deze feiten.” [2]
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 17 mei 2023 houdt onder meer in:
“De verdachte verklaart als volgt:
Het klopt dat ik mijn woning ter beschikking heb gesteld voor hennepteelt.
(…) Ik kocht (…) het betreffende huis in [plaats] in februari 2020, maar korte tijd later brak het coronavirus uit, raakte ik mijn baan kwijt en vond ik geen nieuwe baan. Bovendien werd mijn dochter gediagnosticeerd met autisme, waardoor ik telkens terug moest naar [plaats] voor haar. Iemand bood mij toen 1.000 euro per maand om mijn huis ter beschikking te stellen. Inderdaad om daar hennep te telen. (…)
U vraagt mij hoe ik die persoon, of personen, ontmoet heb. Ik weet het niet meer. Volgens mij waren ze Marokkaans. Ik ken veel mensen en veel mensen kennen mij. Ik heb met hun mijn problemen besproken en zij zeiden mij te kunnen helpen. Daarna was ik weg: zij hebben alles geregeld. Ik was bijna dagelijks bij mijn dochter. (…)
Ik weet niet precies hoe en wanneer de hennepplantage is opgebouwd. Ik weet ook niet of die op 27 oktober 2020 al in werking was. Wanneer ik de sleutel precies heb gegeven weet ik ook niet meer. Ik weet wel dat ik vanaf ongeveer juni 2020 die 1.000 euro per maand [heb] gekregen. Ik hoefde niets te doen voor de plantage. Ik ben nog wel in de woning geweest, maar niet boven. Ik was ook bang dat er brand zou uitbreken. Ik mocht eigenlijk ook niet naar boven. Ik heb die mensen niet in de woning ontmoet en ik heb niets gedaan met de planten.
(…)
Het is juist dat ik wel stond ingeschreven in die woning, maar ik was toen vooral bij mijn dochter. Ik wist inderdaad dat ik de woning ter beschikking stelde voor de hennepteelt. Ik ben niet bij de opbouw geweest en ik heb geen planten verzorgd. Ik heb de kwekerij wel gezien.
U vraagt mij naar de maandelijkse betalingen van 1.000 euro. Ik heb eerst 3.000 euro voor drie maanden vooruit gekregen: daarna niets meer. Dat was cash. Ik heb die mensen één keer ontmoet.
(…)
Ik heb geen paspoorten gezien van die mensen, maar ik denk inderdaad dat ze Marrokaans waren.
(…)
Nee, ik had geen telefoonnummer van die Marokkaanse mensen. Ze zijn nadien ook niet meer bij mij geweest.
(…).
De raadsman bepleit vrijspraak van het (mede)plegen van de telkens primair ten laste gelegde feiten en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan hennepteelt, elektriciteitsdiefstal en diefstal van water, zoals onder 1, 2 en 3 telkens subsidiair ten laste gelegd.
De raadsman voert daartoe het volgende aan:
De officier van justitie ziet geen aanknopingspunten voor de verklaring van cliënt vandaag. Echter, er is geen enkel bewijsmiddel waaruit de onwaarheid van die verklaring blijkt. Ik wijs erop dat cliënt destijds zonder rechtsbijstand naar de politie is gegaan.
Ik kan mij voorstellen dat cliënt niet meer precies weet wanneer en hoe hij betreffende mensen heeft ontmoet, maar ik begrijp ook de aarzeling om te verklaren uit angst voor een ander onderzoek naar die personen.
Er zie geen contra-indicaties tegen de verklaring van cliënt. Zo herkent hij die tekst op het schakelbord écht niet: volgens hem is het geen Albanese tekst. Hij verklaarde overigens weliswaar benaderd te zijn door Marokkanen, maar ook dat hij niet weet wie het werk heeft uitgevoerd. Eventuele Albanese tekst duidt dus niet zonder meer op een onware verklaring van cliënt. Ook de aangetroffen goederen in de keuken: die duiden er slechts op dat er gegeten en gedronken is, maar niet dat cliënt daar woonde toen. Wel vermeldt het dossier dat men een matras aantrof staand tegen een kast.
De uitspraak waar de officier van justitie naar verwijst is mijns inziens niet aan de orde, nu er in deze zaak geen sprake is van een omstandigheid waarin de verdachte de woning zelf bewoont. Nergens blijkt de onwaarheid van zijn verklaring uit.
Dat hij de woning ter beschikking heeft gesteld, wetend dat men iets met hennep van plan is, is klassieke medeplichtigheid. Ik zal geen verweer voeren over (het opzet op) de stroom- en waterdiefstal, al verklaart de cliënt daarvan niets te weten.”
2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 2 mei 2024 houdt voorts in:
“De raadsman verklaart als volgt:
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 17 mei 2023 heb bepleit dat cliënt van de primair tenlastegelegde feiten vrijgesproken dient te worden en de verdediging zich ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde feiten refereert aan het oordeel van het hof. Dat is nog steeds het standpunt van de verdediging.
(…)
De verdachte verklaart als volgt:
U, voorzitter, houdt mij voor dat ik op 3 februari 2020 de woning aan de [a-straat 1] te [plaats] heb gekocht. Dat klopt. (…) U, voorzitter, houdt mij voor dat op 27 oktober 2020 twee kweekruimtes met in totaal 436 hennepplanten in de woning zijn aangetroffen. Ik weet niet precies hoeveel hennepplanten in de woning zijn aangetroffen maar dat kan kloppen. U, voorzitter, houdt mij voor dat de hennepkwekerij tussen februari 2020 en oktober 2020 opgebouwd moet zijn. (…) Het klopt dat ik in februari 2020 de woning heb gekocht. Een maand later brak het coronavirus uit. Het was een slechte tijd. In die tijd ben ik mijn baan kwijtgeraakt. Nadat ik van mijn vrouw gescheiden was, is mijn tweede dochter met autisme en een ontwikkelingsachterstand gediagnosticeerd. Ik was in eerste instantie heel erg blij dat ik in de buurt van mijn werk een woning kon kopen. Toen ik mijn baan kwijtgeraakt ben, was ik genoodzaakt om terug te gaan naar mijn dochter. U, voorzitter, vraagt mij of dat ik niet op de [a-straat 1] te [plaats] woonde. Nee, ik woonde daar niet. U, voorzitter, houdt mij voor dat ik tussen februari 2020 en oktober 2020 in contact ben gekomen met de mensen van mogelijk Marokkaanse afkomst en u, voorzitter, vraag mij wanneer zij aan de slag zijn gegaan. Zij zijn rond juni/juli aan de slag gegaan. Ik was in die tijd in België. (…) U, voorzitter, houdt mij voor dat [u] uit de stukken begrijpt dat ik ongeveer € 1.000,00 per maand voor de hennepkwekerij heb gekregen. Ik wilde mijn woning niet kwijtraken. (…) U, voorzitter, houdt mij voor dat ik zojuist heb verklaard dat ik mijn woning niet wilde kwijtraken en u, voorzitter, vraagt mij waarom ik de woning dan verhuur aan mensen van mogelijk Marokkaanse afkomst die ik niet ken voor € 1.000,00 per maand. Zij hebben mij in de slechtste periode van mijn leven leren kennen. (…) U, voorzitter, vraagt mij waar ik in die periode woonde. Ik woonde bij mijn gezin in [plaats] . (…) U, voorzitter, houdt mij voor dat vanaf juni/juli de Marokkanen kwamen en ik heb verklaard dat ik weleens in de woning kwam. Ik weet niet precies wanneer de Marokkanen zijn begonnen. U, voorzitter, vraagt mij hoe vaak ik in de periode van februari 2020 tot oktober 2020 in de woning ben geweest. Ik ben daar twee keer geweest. U, voorzitter, vraagt mij of dat ik toen iemand ben tegengekomen. Nee, ik heb toen niemand gezien. (…)
U, voorzitter, vraagt mij wie de mensen waren aan wie ik een sleutel van mijn woning heb gegeven. Ik heb een keer met een van hen voetbal gespeeld. De anderen ken ik niet. Degene waarmee ik voetbal heb gespeeld vroeg toen aan mij hoe het met mij ging. Ik heb hem toen verteld dat het slecht met mij ging. Ik heb hem verteld dat ik een woning had gekocht, maar ik mijn baan was kwijtgeraakt. Tijdens dat gesprek gaf hij aan dat hij mij kon helpen. U, voorzitter, vraagt mij of dat ik bij een club heb gevoetbald of dat ik een potje voetbal op straat heb gespeeld. Ik heb op een grasveld in [plaats] een potje voetbal gespeeld. U, voorzitter, vraagt mij of dat toen ook meteen is besproken dat het om een hennepkwekerij ging. Nee, daar is het niet direct over gegaan. U, voorzitter, vraagt mij of dat ik die man verder niet kende. Ik ken hem alle
en van zien. Ik zag hem vaker voetballen als ik aan het hardlopen was. U, voorzitter, vraagt mij hoe deze man eruit ziet. Hij heeft een Marokkaans uiterlijk. Hij heeft een donkere huidskleur. Hij heeft kort tot geen haar en hij is klein. U, voorzitter, vraagt mij hoe deze man heet. Hij werd [bijnaam betrokkene 1] genoemd. U voorzitter, vraagt mij door wie deze man [bijnaam betrokkene 1] werd genoemd. Anderen noemden hem zo. Hij stelde zich ook aan mij voor als [bijnaam betrokkene 1] . U, voorzitter, vraagt mij of dat ik met [bijnaam betrokkene 1] naar mijn woning in [plaats] ben gegaan. Nee, ik ben daar nooit met hem geweest. Ik heb hem alleen de sleutel van mijn woning en het adres gegeven. Het ging in die periode slecht met mij.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
De zaak is relatief eenvoudig. We staan echter feitelijk wel voor een lastige klus, namelijk het bewijs leveren van iets wat niet gebeurd is. Hoe kunnen we bewijzen dat cliënt dit niet heeft gedaan, in ieder geval niet in de vorm zoals de advocaat-generaal voor heeft gehouden.
(…)
De officier van justitie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verwezen naar een uitspraak van de Hoge Raad met de met de vindplaats ECLI:NL:HR:2019:554. De rechtbank heeft de tekst uit die uitspraak overgenomen. De rechtbank heeft in het vonnis geoordeeld dat er geen begin van aannemelijk is geleverd en om die reden de feiten bewezen kunnen worden. De Hoge Raad heeft in voornoemde zaak geoordeeld dat het niet anders kan zijn dat de verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd onder die omstandigheden van het geval. Dat was een situatie waarin iemand een naam van een niet bestaand persoon had aangeleverd en helemaal niets wist. Diegene in die zaak heeft zelfs niet naar voren gebracht dat hij de woning slechts ter beschikking had gesteld. De aangehaalde zaak is heel anders dan onderhavige zaak want feitelijk is hier geen bewijsmiddel dat uw hof dwingt te concluderen dat het niet anders kan zijn dat cliënt de pleger is ten opzichte van hetgeen hij zelf heeft verklaard, namelijk het ter beschikking stellen van zijn woning. (…). Zijn verhaal is wel degelijk aannemelijk als je hoort wat er is gebeurd. Hij had jarenlang een hele goede baan bij een groot modehuis in de outlet in [plaats] . Hij was storemanager. Hij werd goed betaald. Dat zie je ook aan hem. Hij spreekt vloeiend Duits en Engels. Hij durft geen Nederlands te spreken, maar hij verstaat het best goed. Vervolgens zijn er relatieproblemen ontstaan. Waardoor deze problemen ontstaan zijn, laat ik in het midden. De relatie kwam onder spanning te staan doordat zijn kind ernstige problemen had. Hij is in zijn werk gevlucht. Dit heeft hij mij verteld, maar dat moet hij vandaag ook hier doen. Hij was er de eerste jaren misschien niet altijd. Vervolgens heeft hij een baan in Duitsland gekregen. Hij zou daar manager van een modemerk worden. Om die reden heeft hij een woning aan de grens gekocht. Zijn zoon woont in Düsseldorf. Dan breekt echter het coronavirus uit. De Duitse winkel waar hij aan de slag zou gaan moet sluiten. Hij zit dan thuis zonder werk. Vervolgens blijkt dat zijn vrouw de zorg voor hun kind niet alleen aankan. Cliënt heeft toen besloten om terug te komen. Hij sliep bij zijn dochter op de kamer. We kunnen niet aantonen dat hij daar dag en nacht was. De reeks Snapchatfoto's bevatten inderdaad gaten. Mochten er wel iedere dag Snapchatfoto’s zijn gemaakt, dan had de advocaat-generaal waarschijnlijk gezegd dat cliënt ook op en neer kon rijden. U, voorzitter, houdt mij voor dat Google Maps aangeeft dat je in 30 minuten van [plaats] naar [plaats] kan rijden. U kunt naar voren brengen dat cliënt op en neer heeft gereden om de hennepplanten water te geven. Cliënt zou dan hebben gedaan alsof zijn relatie stuk is gelopen en een woning op zijn eigen naam aan de grens hebben gekocht. Ik heb betere verhalen gehoord. Zo is het niet gegaan. Cliënt heeft een woning aan de grens gekocht omdat hij daar een baan zou krijgen. Dit is echter niet doorgegaan. Cliënt had geen werk en inkomen. Hij kreeg in Nederland geen uitkering omdat hij uit België kwam en in Duitsland ging werken. De coronatijd was een onzekere periode. Zijn vrouw kreeg het niet gebolwerkt. Om die reden is hij terug naar zijn gezin gegaan. Ik kan niet bewijzen dat het zo is gegaan. Ik bedenk me nu dat de partner van cliënt een brief heeft geschreven.
De raadsman overlegt de brief. Deze brief zal aan dit proces-verbaal worden gehecht.
(…)
De raadsman voert voorts het woord tot verdediging als volgt:
De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat er twee scenario’s zijn. De omstandigheden die de advocaat-generaal heeft aangevoerd maken geen onderscheid tussen deze scenario's. De advocaat-generaal heeft het scenario van het Openbaar Ministerie onvoldoende handen en voeten gegeven. Aan cliënt is gevraagd wie die mensen zijn aan wie hij een sleutel heeft gegeven en hoe dit is gegaan. Cliënt kan dit niet verder uitleggen, maar dit dwingt niet tot de conclusie dat hetgeen hij vertelt onwaar is.
Met betrekking tot het tweede feit merk ik op dat cliënt zijn hele leven als model heeft gewerkt of in een modezaak heeft gewerkt. Is het aannemelijk dat hij in zijn eentje dit misdrijf heeft kunnen plegen? Dat vind ik niet aannemelijk. Het plegen is niet aannemelijk. Als we dan kijken naar het criterium van de Hoge Raad, namelijk dat het niet anders kan zijn [dan] dat hij het tenlastegelegde heeft gepleegd dan dwingen de omstandigheden daar niet toe. Cliënt heeft zelfs bij de politie een verklaring afgelegd. U, voorzitter, houdt mij voor dat cliënt zich consequent op zijn zwijgrecht heeft beroepen. Dit vind ik niet slim. Hij had echter geen advocaat. De verklaring die cliënt nadien heeft afgelegd is op geen enkel punt aantoonbaar onjuist en dit leidt niet tot de conclusie dat hij een onaannemelijk verhaal heeft. Hoe vaak stellen mensen hun woning of delen ervan ter beschikking aan anderen? De feitelijke situatie zoals aangetroffen kan in het oordeel ook worden meegewogen. Er lagen geen persoonlijke spullen van cliënt. Ook bevatte de woning geen slaapkamer, televisie of bankstel. De feitelijke situatie wijst slechts op een slordig persoon die op een bepaalde plek iets drinkt en verderop dan weer iets drinkt. Of de situatie wijst op het aanwezig zijn van meerdere mensen tegelijk. De feitelijke situatie wijst in ieder geval niet op de aanwezigheid van cliënt. Er ligt een matras tegen de muur. Cliënt woont daar aldus niet. U, voorzitter, houdt mij voor dat het er wel op lijkt dat er wordt gekookt. Kennelijk wordt in de woning gekookt en wordt er niet opgeruimd. Misschien heeft iemand elke dag een matras neergelegd. Er zijn geen aanwijzingen dat cliënt in de woning woont. Ik ben van mening dat er voor plegen meer moet zijn dan de enkele stelling dat cliënt onjuist heeft verklaard en het om die reden niet anders kan zijn dat hij het tenlastegelegde heeft gepleegd. Het dossier biedt daar onvoldoende aanleiding voor. De verdachte dient aldus vrijgesproken te worden van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde. Het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair tenlastegelegde kan worden bewezen.
Alles overziend heeft cliënt geen onaannemelijke verklaring afgelegd. Hij is medeplichtig aan het tenlastegelegde.
De tolk [naam] verklaart als volgt:
U, jongste raadsheer, houdt mij foto 56 van de fotomap voor en u, jongste raadsheer, vraagt mij in welke taal de tekst op het schakelbord is geschreven. Dat is geen Albanees. Ik spreek een beetje Pools. Het lijkt Pools.
(…)
De raadsman voert andermaal het woord als volgt:
Als we secuur kijken naar de bewezenverklaring van de rechtbank dan gaat het over het telen van hennepplanten op een dag. Dan wordt vaak gezegd dat telen een voortdurend proces is. Men is eerder begonnen met het telen dan op de pakdag. Echter wordt op de pakdag nog steeds geteeld. Telen betekent echt iets. Je verzorgt dan de planten. Dan komt de vraag op of dat cliënt uitvoeringshandelingen heeft verricht? Daar is geen enkel bewijs voor. Hij heeft een woning en in die woning zijn hennepplanten aangetroffen. Daar heeft hij een verklaring voor. Dit leidt echter niet tot plegen. De bewijsmiddelen dekken niet het plegen daarvan, terwijl zijn verklaring niet in strijd is met de bewijsmiddelen en overigens nergens aantoonbaar onjuist is.
2.5
Het bestreden arrest van het hof van 16 mei 2024 houdt onder meer in:

Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
(…)
De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde bepleit. Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde bewezen kan worden.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis, met aanvulling van de door de rechtbank aangehaalde artikelen waarop het dictum is gegrond met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht, nu dat artikel eveneens toepassing vindt.
(…)
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.”

3.Het middel

3.1
Het middel behelst – kort gezegd – de klacht dat het hof niet met een bevestiging van het vonnis had mogen volstaan, omdat “ter terechtzitting in hoger beroep nadere feiten en omstandigheden gepasseerd [zijn]” die steun bieden aan de verklaring van de verdachte “dat hij (slechts) medeplichtig is aan het door (een) ander(en) exploiteren van een hennepkwekerij”.
3.2
Het hof heeft door de bevestiging van het vonnis van de rechtbank de overwegingen van de rechtbank tot de zijne gemaakt. In de onder randnummer 2.2 geciteerde overwegingen wordt uiteengezet waarom de rechtbank de in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte, dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan anderen voor de inrichting en exploitatie van een hennepkwekerij, terzijde stelt. Ook volgt daaruit dat het in eerste aanleg gevoerde verweer van de verdediging, strekkende tot vrijspraak van het telkens primair tenlastegelegde omdat de verdachte slechts als medeplichtige kon worden aangemerkt, is verworpen.
3.3
In hoger beroep heeft de verdachte wederom verklaard dat hij zijn woning aan anderen ter beschikking heeft gesteld voor het telen van hennep. Ook is in hoger beroep opnieuw het verweer gevoerd dat de verdachte, vanwege zijn slechts als medeplichtige te duiden rol, van het onder 1, 2 en 3, telkens primair, tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Het hof is van dit (uitdrukkelijk onderbouwde) standpunt afgeweken door het vonnis van de rechtbank te bevestigen. De stellers van het middel stellen zich evenwel op het standpunt dat het hof niet had mogen volstaan met een, in dit opzicht ‘kale’, bevestiging van het vonnis, omdat in hoger beroep nadere feiten en omstandigheden gepasseerd zouden zijn die steun bieden aan de verklaring van de verdachte dat hij slechts medeplichtig is geweest aan het door (een) ander(en) exploiteren van een hennepkwekerij. Gewezen wordt op: i) een in hoger beroep door de verdachte gegeven nadere uitleg over de persoon aan wie hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld en de omstandigheden waaronder hij die persoon heeft ontmoet en gesproken, ii) een door de raadsman overgelegde brief van de (toenmalige) partner van de verdachte met daarin een alibi-verklaring en iii) een verklaring van de ter terechtzitting in hoger beroep aanwezige tolk over de taal waarin een in de woning van de verdachte aangetroffen tekst zou zijn geschreven.
sub i
3.4
Door de stellers van het middel wordt, ter onderbouwing van de stelling dat het hof niet met een bevestiging van het vonnis had mogen volstaan, allereerst gewezen op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte. Op die zitting heeft de verdachte, evenals in eerste aanleg, verklaard dat hij zijn woning voor het telen van hennep ter beschikking heeft gesteld aan vermoedelijk Marokkaanse personen. In hoger beroep heeft hij daarnaast nog verklaard dat hij op straat een keer heeft gevoetbald met één van de mensen aan wie hij de sleutel en het adres van zijn woning heeft gegeven, dat hij die man alleen van zien kende, hij [bijnaam betrokkene 1] heette, klein was en donker kort tot geen haar had. Deze in hoger beroep afgelegde verklaring heeft volgens de stellers van het middel tot gevolg dat de overweging van de rechtbank dat de verdachte “niets” heeft verklaard op nadere vragen over de persoon of personen aan wie hij zijn woning ter beschikking zou hebben gesteld en de omstandigheden waaronder hij die heeft ontmoet en gesproken, niet meer goed passend is. Ik zie niet in waarom de bevestiging van ook deze passage van de bewijsoverweging van de rechtbank maakt dat “de bewijsbeslissing
[A-G: ik begrijp het terzijde stellen van de verklaring van de verdachte en het bewezen achten van de onder 1, 2 en 3 telkens primair tenlastegelegde feiten]alleen daarom al onbegrijpelijk” is. Door de verdachte is in hoger beroep weliswaar ietsje meer verklaard over de persoon aan wie hij zijn woning ter beschikking zou hebben gesteld en de omstandigheden waaronder hij die persoon heeft ontmoet, maar van een onderbouwde en verifieerbare verklaring, die een begin van aannemelijkheid oplevert voor het door de verdachte gepresenteerde scenario, is nog steeds geen sprake. Dit maakt dat de door het hof bevestigde overweging van de rechtbank (voor het overige) ook in het licht van die in hoger beroep afgelegde verklaring als toereikend kan worden beschouwd. Dat het hof heeft gemeend ook in dit opzicht te kunnen volstaan met een ‘kale’ bevestiging van het vonnis, acht ik bepaald niet onbegrijpelijk.
sub ii
3.5
Dan de ter terechtzitting in hoger overgelegde brief van de (toenmalige) partner van de verdachte. Anders dan de steller van het middel, meen ik dat het hof niet gehouden was in zijn arrest nader op deze brief in te gaan. De brief bevat, anders dan de steller betoogt, geen “alibi-verklaring waarmee een bewezenverklaring in strijd is”. De brief is ook niet als zodanig ter terechtzitting in hoger beroep gepresenteerd. Uit het proces-verbaal van die zitting leid ik af dat de brief slechts diende ter onderbouwing van de, ook in eerste aanleg betrokken, stelling dat de verdachte destijds niet woonde in zijn koopwoning waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, maar bij zijn (toenmalige) partner. Het hof was niet gehouden om, in aanvulling op de overwegingen van de rechtbank, nader in te gaan op deze in hoger beroep overgelegde brief, te meer niet nu uit de bevestigde bewijsvoering niet blijkt dat is uitgegaan van de situatie dat de verdachte in de bewezenverklaarde periode in zijn koopwoning zou hebben gewoond.
sub iii
3.6
Tot slot is ter terechtzitting in hoger beroep aandacht besteed aan de vraag in welke taal een tekst, die in de woning van de verdachte op een schakelbord is aangetroffen, is geschreven. Volgens de tolk die op de terechtzitting aanwezig was, betrof dat geen Albanese, maar waarschijnlijk een Poolse tekst. De stellers van het middel betogen dat “de omstandigheid van een niet-Albanese en naar alle waarschijnlijkheid Poolse tekst (…) bezwaarlijk anders kan worden gezien [dan] als een aanwijzing voor de betrokkenheid van een ander dan verdachte bij de tenlastegelegde feiten en derhalve een onderbouwing voor de stelling dat hij (slechts) medeplichtig is geweest aan door (een) ander(en) gepleegde aan hem tenlastegelegde feiten”. Hetgeen door de tolk is verklaard over de taal van de genoemde tekst is in hoger beroep echter op geen enkele wijze betrokken bij het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging en het aantreffen van die tekst maakt ook geen onderdeel uit van de door het hof bevestigde bewijsvoering. Mij ontgaat tot welke nadere motivering het hof in dit verband zou zijn gehouden.
3.7
Gelet op het voorgaande is de bevestiging door het hof van de beslissing van de rechtbank niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De kwalificatie van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde luidt: “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”.
2.Blijkens de aan het bevestigde vonnis gehechte tenlastelegging is aan de verdachte onder 1, 2 en 3, telkens primair, niet ook ten laste gelegd dat hij die feiten met een of meer anderen heeft gepleegd. De partiële vrijspraak lijkt dan ook op een verkeerde lezing van de tenlastelegging te berusten.