ECLI:NL:PHR:2026:400

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
24/02978
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 453 Sr (oud)Art. 588 (oud) SvArt. 36e SvArt. 1.1 Wet BRP
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldige betekening appeldagvaarding op woonadres verdachte

In deze zaak stond de vraag centraal of de appeldagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was betekend aan het woonadres van de verdachte, terwijl deze eerder in de Basisregistratie Personen (BRP) was ingeschreven op een briefadres. De verdachte was in eerste aanleg bij verstek veroordeeld wegens een overtreding en stelde hoger beroep in. Het hof verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep omdat hij geen grieven had ingediend en niet was verschenen.

De verdediging stelde in cassatie dat de appeldagvaarding uitgereikt had moeten worden aan het briefadres in plaats van het later geregistreerde woonadres. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat dit middel faalt, omdat de rechtspraak duidelijk maakt dat bij het ontbreken van een woonadres het briefadres als betekeningadres geldt, maar in deze zaak was er wel degelijk een woonadres geregistreerd in de BRP ten tijde van de betekening.

De Hoge Raad bevestigt dat de betekening aan het woonadres rechtsgeldig was en dat het middel onvoldoende onderbouwd was. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betekening van de appeldagvaarding aan het woonadres is rechtsgeldig.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02978
Zitting21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 9 april 2024 (22-001250-23) met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaten M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel komt op tegen het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend.
2.2
Uit de stukken van het geding blijkt onder meer het volgende:
(i) De informatiestaat SKDB-persoon van 29 oktober 2022 houdt in dat de verdachte met ingang van 13 oktober 2022 in de basisregistratie personen (hierna: BRP) is ingeschreven op het briefadres [a-straat 1] te [plaats] .
(ii) De dagvaarding in eerste aanleg is op 2 februari 2023 op het adres [a-straat 1] te [plaats] uitgereikt aan een ander dan de verdachte die zich op voornoemd adres bevond en die zich bereid heeft verklaard het stuk onverwijld aan hem te doen toekomen.
(iii) In eerste aanleg is de verdachte niet ter terechtzitting verschenen. Op 11 april 2023 heeft de kantonrechter de verdachte wegens overtreding van het bepaalde in art. 453 (oud) Sr bij verstek veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 100,00, subsidiair 2 dagen hechtenis.
(iv) Tegen dit vonnis heeft advocaat P. Lootsma op 21 april 2023 namens de verdachte hoger beroep ingesteld. De akte instellen hoger beroep vermeldt als (woon-)adres van de verdachte [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] .
(v) De informatiestaat SKDB-persoon van 24 april 2023 houdt in dat de verdachte met ingang van 21 april 2023 in de BRP is ingeschreven op het woonadres [b-straat 1] te [plaats] .
(vi) Op 28 februari 2024 en op 1 maart 2024 is de appeldagvaarding voor de terechtzitting van 9 april 2024 tevergeefs aangeboden aan het adres [b-straat 1] te [plaats] . Op 27 maart 2024 is de appeldagvaarding uitgereikt aan het openbaar ministerie en is een afschrift toegezonden aan het adres [b-straat 1] te [plaats] .
(vii) In hoger beroep is de verdachte niet ter terechtzitting verschenen. Ook is er geen advocaat op de terechtzitting verschenen. Het hof heeft verstek verleend tegen de niet-verschenen verdachte.
(viii) Het hof heeft de verdachte met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep waarin het mondeling arrest is aangetekend houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,
adres: [b-straat 1] te [postcode 2] [plaats] ,
is niet ter terechtzitting verschenen.
De voorzitter maakt melding van een ingekomen e-mail d.d. 8 april 2024 van mr K. Renssen, advocaat te Den Haag, inhoudende de mededeling dat hij in overleg met zijn cliënt zich onttrekt als advocaat in de zaak en dat hij derhalve niet op de terechtzitting zal verschijnen.
Het gerechtshof verleent verstek tegen de niet-verschenen verdachte.
(…)
Aantekening mondeling arrest
als bedoeld in artikel 425, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag van 11 april 2023, gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 9 april 2024.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte heeft niet een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.
Beslissing
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
2.4
Als ik de toelichting op het middel goed begrijp, zijn de stellers van het middel van mening dat de appeldagvaarding uitgereikt had moeten worden op het
briefadresvan de verdachte in plaats van op het later in de BRP geregistreerde
woonadresvan de verdachte. In de schriftuur wordt overigens niet toegelicht waarom dat het geval zou zijn.
2.5
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat voor de toepassing van art. 588 (oud) Sv – bij gebreke van een “woonadres” – een “briefadres” als bedoeld in art. 1.1 van de Wet BRP moet worden aangemerkt als “het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen” waaraan gerechtelijke mededelingen kunnen worden betekend. [1] Uit latere rechtspraak leid ik af dat dit ook geldt voor de toepassing van het huidige art. 36e Sv. [2]
2.6
In de onderhavige zaak doet zich de situatie dat een “woonadres” ontbreekt echter niet voor. Uit de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 24 april 2023 (die kennelijk is opgevraagd ten behoeve van de betekening van de appeldagvaarding) blijkt immers dat de verdachte per 21 april 2023 is ingeschreven in de BRP van de gemeente [plaats] op het
woonadres[b-straat 1] , [postcode 2] .
2.7
Uit de stukken van het geding blijkt dat op 28 februari 2024 en 1 maart 2024 tevergeefs is getracht de appeldagvaarding uit te reiken op het adres [b-straat 1] , [postcode 2] te [plaats] . Op 27 maart 2024 is de appeldagvaarding uitgereikt aan het openbaar ministerie en is een afschrift toegezonden aan voornoemd adres.
2.8
Gelet op het voorgaande is het impliciete oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend geenszins onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de verdachte blijkens de Informatiestaat SKDB-persoon d.d. 29 oktober 2022 (die kennelijk is opgevraagd ten behoeve van de betekening van de dagvaarding in eerste aanleg) per 13 oktober 2022 in de BRP van de gemeente [plaats] was ingeschreven op het
briefadres[a-straat 1] , [postcode 1] .
2.9
Het middel faalt.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3323,
2.Vgl. HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:642, rov. 2.6, en de bijbehorende conclusie van AG Harteveld, ECLI:NL:PHR:2025:168, randnr. 4.7 en 4.8.