ECLI:NL:PHR:2026:409

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
24/03809
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 260 lid 5 SvArt. 36c lid 1 SvArt. 36e lid 1 sub a SvArt. 412 lid 2 SvArt. 412 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldige betekening appeldagvaarding ondanks vertaalafschrift via penitentiaire inrichting

De verdachte, van Poolse nationaliteit, werd in eerste aanleg veroordeeld wegens diefstal. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld, waarbij de appeldagvaarding op 19 augustus 2024 in persoon aan de verdachte werd uitgereikt terwijl hij gedetineerd was. Een Poolse vertaling van de dagvaarding werd als afschrift op 18 augustus 2024 naar de penitentiaire inrichting gestuurd. De verdachte verscheen niet in hoger beroep, waarna het hof hem niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van grieven.

Het cassatiemiddel klaagde dat de vertaalde dagvaarding niet in persoon aan de verdachte was betekend, wat volgens het middel onrechtmatig was. De Hoge Raad oordeelde dat de wet (art. 260 lid 5 Sv Pro) niet vereist dat de vertaalde dagvaarding in persoon wordt betekend, maar dat het voldoende is dat de vertaling binnen een redelijke termijn aan de verdachte wordt verstrekt. In deze zaak was voldaan aan die vereiste doordat de vertaling als afschrift naar de penitentiaire inrichting was gestuurd.

De conclusie van de AG was dat het middel faalt en dat het hof terecht oordeelde dat de dagvaarding rechtsgeldig was betekend. Tevens besprak de conclusie de betekenis van het recente HvJ EU-arrest Remling, dat geen gevolgen had voor deze zaak. De Hoge Raad kan de zaak afdoen met een motivering ontleend aan art. 81 RO Pro. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de niet-ontvankelijkverklaring in hoger beroep blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03809
Zitting21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft de verdachte bij arrest van 11 oktober 2024 (22-000858-24) met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat A.M.V. Bandhoe heeft een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in het hoger beroep. Daartoe wordt aangevoerd dat de appeldagvaarding niet rechtsgeldig is betekend, nu de vertaalde dagvaarding niet in persoon aan de (gedetineerde) verdachte is uitgereikt.
2.2
Uit de stukken van het geding blijkt onder meer het volgende:
(i) De verdachte heeft de Poolse nationaliteit. De dagvaarding in eerste aanleg is op 28 februari 2024 in persoon uitgereikt aan de verdachte. In eerste aanleg is de verdachte ter terechtzitting verschenen. Hij werd daar bijgestaan door een tolk, die blijkens het proces-verbaal van de zitting van 28 februari 2024 alles heeft vertaald wat ter zitting is besproken of voorgelezen. Als advocaat van de verdachte was J.S. Dobosz aanwezig. Op 28 februari 2024 heeft de politierechter de verdachte veroordeeld wegens diefstal.
(ii) Tegen dit vonnis heeft advocaat P.M. Langereis op 5 maart 2024 door middel van een volmacht aan de griffiemedewerker namens de verdachte hoger beroep ingesteld. Namens de verdachte is geen appelschriftuur ingediend.
(iii) De appeldagvaarding voor de terechtzitting van 11 oktober 2024 is blijkens de akte van uitreiking op 19 augustus 2024 in persoon uitgereikt aan de verdachte, die op dat moment uit anderen hoofde gedetineerd was in de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn.
(iv) Een integrale Poolse vertaling van de appeldagvaarding, gericht aan de verdachte, is kennelijk op 18 augustus 2024 als afschrift toegezonden naar het adres van de penitentiaire inrichting Alphen aan den Rijn. [1]
(v) Op 27 september 2024 is de verdachte in vrijheid gesteld.
(vi) In hoger beroep is de verdachte niet ter terechtzitting verschenen. De op de terechtzitting aanwezige advocaat A.M.V. Bandhoe heeft medegedeeld niet uitdrukkelijk gemachtigd te zijn. Het hof heeft vervolgens verstek verleend.
(vii) Bij arrest van 11 oktober 2024 heeft het hof de verdachte met toepassing van art. 416 lid 2 Sv Pro niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2024 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte, gedagvaard als:
[verdachte] ,
geboren te [plaats] (Polen) op [geboortedatum] 1981,
adres: [a-straat 1] [postcode] [plaats]
(Polen),
is niet ter terechtzitting verschenen.
Alle verklaringen zijn zakelijk weergegeven, tenzij anders vermeld.
Als raadsman is ter terechtzitting aanwezig mr. A.M.V. Bandhoe, advocaat te Zoetermeer, die mededeelt waar te nemen voor zijn kantoorgenoot mr. P.M. Langereis. Voorts deelt hij mede
nietdoor de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Hij merkt op dat de dagvaarding om heden ter terechtzitting te verschijnen niet juist is betekend.
De voorzitter deelt mede dat de dagvaarding om heden ter terechtzitting te verschijnen blijkens de akte van uitreiking op 19 augustus 2024 aan de verdachte in persoon is uitgereikt.
De advocaat-generaal draagt hierop de zaak voor. Zij verzoekt het hof verstek te verlenen tegen de niet-verschenen verdachte en vordert vervolgens dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep, wegens het ontbreken van grieven.
De voorzitter deelt hierop mede dat het gerechtshof verstek verleent tegen de niet-verschenen verdachte.”
2.4
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend. Het voert daartoe aan dat de in het Pools vertaalde dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep niet in persoon aan de verdachte is betekend.
2.5
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep omdat geen grieven tegen het vonnis naar voren zijn gebracht. Daarin ligt besloten dat het hof van oordeel is dat de dagvaarding rechtsgeldig is betekend, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 11 oktober 2024.
2.6
Betekening van gerechtelijke mededelingen is op grond van art. 36c lid 1 Sv alleen vereist in het geval de wet dat uitdrukkelijk voorschrijft. De dagvaarding in hoger beroep moet steeds worden betekend, zo blijkt uit art. 36c lid 1 Sv en art. 412 lid 2 Sv Pro. Als de verdachte rechtens zijn vrijheid is ontnomen, zoals in de onderhavige zaak, moet de dagvaarding ingevolge art. 36e lid 1 sub a Sv in persoon uitgereikt worden.
2.7
Blijkens de stukken van het geding is de appeldagvaarding voor de terechtzitting van 11 oktober 2024 op 19 augustus 2024 in persoon uitgereikt aan de verdachte. Daarmee is voldaan aan de eisen die de wet daaraan stelt. Voor zover het middel klaagt dat de appeldagvaarding niet (op de juiste wijze) is betekend, faalt het.
2.8
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep nietig had moeten worden verklaard, omdat de Poolse vertaling van de appeldagvaarding niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Dit standpunt berust op de opvatting dat de op grond van art. 260 lid 5 Sv Pro vereiste vertaling van de dagvaarding in persoon moet worden betekend indien degene voor wie de dagvaarding bestemd is rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Die opvatting is onjuist.
2.9
Art. 260 lid 5 Sv Pro is ingevoerd bij Wet van 28 februari 2013 tot implementatie van Richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in de strafprocedure. [2] Art. 3 van Pro Richtlijn 2010/64/EU verplicht de lidstaten ervoor te zorgen dat een verdachte die de taal van de strafprocedure niet verstaat binnen een redelijke termijn een (in beginsel; zie art. 3 lid 7 van Pro de Richtlijn) schriftelijke vertaling ontvangt van de processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. Onder de essentiële processtukken wordt onder meer de dagvaarding verstaan. In de Richtlijn is niet opgenomen dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat de schriftelijke vertaling van de essentiële processtukken op een specifieke wijze (bijvoorbeeld door middel van betekening) aan een verdachte wordt verstrekt.
2.1
In art. 260 lid 5 Sv Pro – dat ingevolge art. 412 lid 3 Sv Pro ook in hoger beroep van toepassing is – is bepaald dat aan een verdachte die de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding verstrekt dient te worden, dan wel in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling wordt gedaan van de relevante onderdelen van de dagvaarding. Niet-naleving van art. 260 lid 5 Sv Pro leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding. [3] Wanneer niet blijkt dat aan de vereisten van art. 260 lid 5 Sv Pro is voldaan, moet de rechter, als hij van oordeel is dat de verdachte door die omstandigheid in zijn verdediging is geschaad, het onderzoek op de terechtzitting schorsen zodat de verdachte alsnog op de hoogte kan worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. [4]
2.11
In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de wet waarbij art. 260 lid 5 Sv Pro is ingevoerd, wordt vermeld dat het “in de rede ligt dat de vertaling van de dagvaarding of de schriftelijke mededeling van de relevante onderdelen daarvan gelijktijdig met de uitreiking van de dagvaarding aan de verdachte wordt verstrekt”. [5] De wet eist evenwel niet dat de vertaalde dagvaarding aan de verdachte moet worden betekend.
2.12
In de onderhavige zaak is geen sprake van de situatie dat een vertaling van de appeldagvaarding in een taal die de verdachte begrijpt ontbreekt dan wel dat de vertaling niet binnen een redelijke termijn aan de verdachte is verstrekt. [6] De appeldagvaarding is immers integraal vertaald naar het Pools en kennelijk op 18 augustus als afschrift toegezonden aan het adres van de penitentiaire inrichting waar de verdachte op dat moment was gedetineerd. Dat een afschrift van de in het Pools vertaalde dagvaarding aan het desbetreffende adres is toegezonden, wordt in cassatie niet bestreden. Daarmee is voldaan aan de vereisten van art. 260 lid 5 Sv Pro.
2.13
Gelet op het voorgaande getuigt het oordeel van het hof dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
2.14
Het middel faalt.

3.De implicaties van het Remling-arrest

3.1
Nu in de toelichting op het cassatiemiddel wordt verwezen naar Richtlijn 2010/64/EU, heb ik mij afgevraagd wat de betekenis voor de wijze van afdoening van het cassatiemiddel is van het arrest Remling dat op 24 maart 2026 werd gewezen door de Grote kamer van het Hof van Justitie (hierna: HvJ EU). [7] In dit arrest oordeelde het HvJ EU immers, onder verwijzing naar eerdere rechtspraak van het HvJ EU, [8] dat een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep, in beginsel gehouden is zich krachtens art. 267 lid 3 VWEU Pro tot het HvJ EU te wenden wanneer voor haar een vraag wordt opgeworpen over de uitlegging van het Unierecht of de geldigheid van een handeling van afgeleid recht. [9] Zoals ook in eerdere uitspraken van het HvJ EU tot uitdrukking komt, heeft deze verplichting (met name) tot doel om te voorkomen dat in een lidstaat nationale rechtspraak wordt ontwikkeld die niet strookt met het Unierecht. [10] Een nationale rechterlijke instantie in laatste aanleg is slechts van deze verplichting ontheven wanneer sprake is van één van de drie zogenoemde ‘Cilfit-uitzonderingen’. [11]
3.2
Dit betekent, aldus het HvJ EU in Remling, dat een nationale rechterlijke instantie in laatste aanleg in zaken waarin een vraag over de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke bepaling wordt opgeworpen, “op eigen verantwoordelijkheid, op onafhankelijke wijze en met de nodige zorgvuldigheid” dient te beoordelen of zij verplicht is om het HvJ EU om een prejudiciële beslissing over de vraag te verzoeken, dan wel of deze vraag onder één van de drie Cilfit-uitzonderingen valt. In dat laatste geval moet uit de motivering van de beslissing
specifiek en concreetblijken dat en waarom (i) de opgeworpen vraag van Unierecht niet relevant is voor de beslechting van het geschil; (ii) de uitlegging van de betrokken bepaling van Unierecht blijkt uit de rechtspraak van het HvJ EU of – bij gebreke daarvan – (iii) de uitlegging van het Unierecht zo evident is dat er redelijkerwijs geen twijfel over kan bestaan. [12]
3.3
Afgezien van de situatie waarin een nationaalrechtelijke instantie in laatste aanleg ervan kan afzien om het hof een prejudiciële vraag te stellen om redenen van niet-ontvankelijkheid van het ingestelde beroep, voldoet een afwijzing van een beroep met een verkorte motivering, (slechts) inhoudende dat in de betreffende zaak is voldaan aan de voorwaarden die de nationale regeling aan een dergelijke motivering stelt, niet aan de verplichting die op een dergelijke instantie rust. [13]
3.4
Het HvJ EU gaat daarbij expliciet in op de uitspraak van het EHRM in Baydar tegen Nederland, waarin het EHRM oordeelde dat er geen grond was om art. 81 RO Pro onverenigbaar met de bepalingen van het EVRM te verklaren. [14] De rechtspraak van het EHRM, zo verduidelijkt het HvJ EU, ziet alleen op de situatie waarin een partij bij het geding de aangezochte rechter uitdrukkelijk heeft verzocht om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen. Aangezien het EVRM bovendien geen recht op prejudiciële verwijzing van een vraag aan het HvJ EU waarborgt, kan een partij slechts een antwoord van een nationale rechter in de motivering van een uitspraak verwachten indien zij bij de bevoegde nationale rechterlijke instantie om een verwijzing heeft verzocht. Indien een dergelijk met redenen omkleed verzoek ontbreekt, is het EHRM dan ook van oordeel dat het feit dat een rechterlijke instantie zonder motivering een prejudiciële vraag niet naar het HvJ heeft verwezen, niet kan worden beschouwd als een schending van het recht op een eerlijk proces. [15]
3.5
Wat het Unierecht betreft zijn nationale rechterlijke instanties in laatste aanleg echter verplicht om de beslissing om geen prejudiciële vragen aan het HvJ EU voor te leggen, te motiveren in alle gevallen “wanneer één van de partijen in het bij hen aanhangige geding zich op het Unierecht beroept, waarbij het niet ter zake doet of die partij verzoekt om prejudiciële vragen aan het HvJ te stellen.” [16] Die motiveringsplicht geldt dus ook ingeval een nationale rechterlijke instantie in laatste aanleg, hoewel de partijen in het betreffende geding zich niet op het Unierecht hebben beroepen, op grond van het nationale recht of het Unierecht bevoegd of verplicht is om de aan een dwingende regel van Unierecht ontleende rechtsgronden ambtshalve in het geding te brengen. [17]
3.6
Die specifieke en concrete motivering ter rechtvaardiging van de toepassing van één van de drie Cilfit-uitzonderingen kan echter in de regel beknopt zijn wanneer een nationale rechterlijke instantie in laatste aanleg van oordeel is dat de vragen die haar door één of meer partijen in het geding worden voorgelegd, niet relevant zijn voor de beslechting van dat geding, namelijk wanneer het antwoord erop, hoe het ook luidt, geen invloed kan hebben op de oplossing van het geschil.
3.7
De overwegingen van het HvJ EU sluiten daarmee mijns inziens niet uit dat de Hoge Raad in zaken die zich daarvoor lenen toepassing geeft aan art. 81 RO Pro, zij het dat daaraan, indien in cassatie een vraag over de uitlegging of de geldigheid van een Unierechtelijke bepaling wordt opgeworpen, de motivering moet worden toegevoegd waarom geen vraag behoeft te worden gesteld aan het HvJ EU.
Toepassing op de onderhavige zaak
3.8
Het cassatiemiddel stelt zich op het standpunt dat art. 3 van Pro Richtlijn 2010/64/EU de basis vormt voor het schriftelijkheidsvereiste van art. 260 lid 5 Sv Pro, alsmede van de hoofdregel dat de dagvaarding in de moedertaal een verdachte binnen een redelijke termijn moet bereiken.
3.9
Dat is als zodanig in die zin juist dat art. 3 lid 1 van Pro de Richtlijn de lidstaten, zoals hiervoor onder 2.9 opgemerkt, ertoe verplicht ervoor te zorgen dat een verdachte die de taal van de strafprocedure niet verstaat binnen een redelijke termijn een
in beginselschriftelijke vertaling ontvangt van alle processtukken die essentieel zijn om te garanderen dat hij zijn recht van verdediging kan uitoefenen en om het eerlijke verloop van de procedure te waarborgen. Overweging 22 uit de Preambule verduidelijkt daarbij dat de vertolking en vertaling die uit hoofde van de Richtlijn wordt verstrekt, dient te geschieden in de moedertaal van de verdachte of beklaagde of in een andere taal die hij spreekt of verstaat. Dat is (inderdaad) de hoofdregel.
3.1
De klacht in cassatie is evenwel dat de vertaalde dagvaarding in persoon betekend had moeten worden. In de schriftuur wordt niet betoogd dat een dergelijke eis in art. 3 van Pro de Richtlijn besloten zou liggen. Het cassatiemiddel werpt dan ook geen vraag op betreffende de inhoud, uitlegging of geldigheid van een bepaling van het Unierecht.
3.11
Dat betekent mijns inziens dat de uitspraak in Remling voor de onderhavige zaak geen consequenties heeft en dat de Hoge Raad de zaak, indien de Hoge Raad met mij van mening is dat het cassatiemiddel faalt, kan afdoen met een aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Glashelder is dit overigens niet. Bij de stukken bevindt zich een kopie van de Nederlandse appeldagvaarding met daarop een stempel “als afschrift verzonden op 18/8/24” en een paraaf. De datum is daarbij wat lastiger leesbaar. Direct daarachter zit de Poolse vertaling van de appeldagvaarding, maar de documenten zijn niet aan elkaar gehecht. In de schriftuur wordt vermeld dat de vertaalde dagvaarding op “18(?) augustus 2024 als afschrift [is] verzonden naar het Huis van Bewaring te Alphen aan den Rijn” en dat de vertaalde dagvaarding via de interne post aan de verdachte is verzonden, zodat m.i. van deze informatie kan worden uitgegaan.
3.HR 18 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1156,
4.Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:136, rov. 2.4; HR 3 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1122,
6.Vgl. HR 3 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:136, rov. 2.4; zie ook de conclusie van AG Aben van 17 maart 2026, ECLI:NL:PHR:258.
7.HvJ 24 maart 2026, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243 (Remling).
8.HvJ 6 oktober 2021, C-561/19, ECLI:EU:C:2021:799 (Consorzio Italian Management & Catania Multiservizi), punt 32; HvJ 15 oktober 2024, C-144/23, ECLI:EU:C:2024:881 (Kubera), punt 34.
9.Remling, punt 20.
10.Remling, punt 21.
11.HvJ 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335 (Cilfit), punt 22.
12.Remling, punt 23-24.
13.Remling, punt 26.
14.EHRM 24 april 2018, nr. 55385/14 (Baydar/Nederland).
15.Remling, punt. 28.
16.Remling, punt 29.
17.Remling, punt 31.