Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:410

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
24/00701
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 326 SrArt. 420bis SrArt. 420ter SrArt. 225 SrArt. 138ab Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over oplichting, medeplegen gewoontewitwassen en schadevergoeding met terugwijzing vordering

De verdachte werd door het hof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor oplichting, medeplegen van gewoontewitwassen, valsheid in geschrift, computervredebreuk en bedreiging, met een gevangenisstraf van 1376 dagen waarvan 720 voorwaardelijk. De zaak betrof onder meer het vervalsen van e-mailadressen en facturen om bedrijven [A] en [B] te misleiden en een bedrag van $626.762,00 te verkrijgen.

In cassatie klaagde de verdachte over de toepassing van art. 139d Sr, maar dit middel faalde omdat het hof het juiste lid had toegepast. Wel werd het middel over de hoogte van de toegewezen schadevergoeding van benadeelde partij [A] gegrond verklaard, omdat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom een bedrag van €115.539,88, dat door banken was teruggeboekt aan [A], niet in mindering was gebracht.

De procureur-generaal adviseerde tot gedeeltelijke vernietiging van het arrest, strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn en terugwijzing van de zaak voor hernieuwde beoordeling van de vordering van [A]. De rest van het beroep werd verworpen. De Hoge Raad volgt dit advies en vernietigt het arrest voor zover het de straf, de vordering van [A] en de schadevergoedingsmaatregel betreft, met terugwijzing naar het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt deels het arrest, vermindert de straf wegens termijnoverschrijding en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling van de schadevordering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00701
Zitting19 mei 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 22 februari 2024 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnummer 20-002507-19) [1] , middels gedeeltelijke bevestiging van het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 30 juli 2019 (parketnummer 01/879246-17) [2] wegens kort gezegd oplichting (feit 1), medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2), valsheid in geschrift (feit 3), valsheid in geschrift, meermalen gepleegd (feit 4), computervredebreuk (feit 5), met het oogmerk computervredebreuk te plegen, een computerwachtwoord, toegangscode of vergelijkbaar gegeven verwerven en voorhanden hebben [3] (feit 6) en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (feit 7), veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1376 dagen waarvan 720 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar met aftrek van voorarrest. Het hof heeft voorts beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van twee benadeelde partijen een aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd. [4]
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel heeft betrekking op feit 6 en klaagt over de strafbepaling die het hof heeft toegepast op het bewezenverklaarde. Het tweede middel heeft betrekking op de toegewezen vordering van een van de benadeelde partijen en de daaraan verbonden schadevergoedingsmaatregel. Ik kom tot de conclusie dat het eerste middel faalt en dat het tweede middel terecht is voorgesteld.

2.De zaak

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van de bedrijven [A] (hierna ook aangeduid als [A] ) en [B] (hierna: [B] ) door zich via e-mailberichten aan [A] voor te doen als [betrokkene 1] (ook gebruikmakend van de naam [betrokkene 2] ), zijnde de directeur/zaakvoerder van [B] , en zich via e-mailberichten aan [B] voor te doen als een vertegenwoordiger van [A] . Al eerder waren [B] en [A] de levering van vliegtuigonderdelen aan [A] overeengekomen voor een bedrag van $ 840.000,00. De verdachte heeft het e-mailadressen waarmee [B] en [A] communiceerden gewijzigd in e-mailadressen die de verdachte beheerde. Met een van die e-mailadressen heeft de verdachte vervolgens facturen gestuurd voor de eerder overeengekomen levering. Naast een door de verdachte beheerd e-mailadres vermeldden de facturen voor de betaling een bankrekening van de verdachte in plaats van een bankrekening van [B] . [A] heeft als gevolg hiervan een bedrag van in totaal $ 626.762,00 overgemaakt naar de rekening van de verdachte. De andere bewezenverklaarde feiten hangen hiermee samen.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel heeft betrekking op het onder 6 bewezenverklaarde feit en bevat de klacht dat het hof de strafbaarstelling van art. 139d Sr heeft toegepast zoals die luidde na 1 juli 2015 terwijl het bewezenverklaarde feit gedeeltelijk voor deze wijziging is begaan.
Bewezenverklaring, kwalificatie en wettelijke voorschriften
3.2
Door bevestiging van het vonnis van de rechtbank op dit punt heeft het hof ten laste van de verdachte onder 6 bewezenverklaard dat hij:
“in of omstreeks de periode van 9 december 2014 tot en met 23 juni 2018 te [plaats] en/of [plaats] , in elk geval in Nederland, (een) computerwachtwoord(en), toegangscode(s) en/of daarmee vergelijkba(a)r(e) gegeven(s), waardoor toegang kon worden gekregen tot een (deel van een) geautomatiseerd werk, te weten (in bestanden genaamd ‘nl.txt’ en/of ‘Master.txt’ en ‘Zalando.txt’ opgenomen) gebruikersgegevens en/of (bijbehorende) wachtwoorden, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, tweede en/of derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, werd gepleegd”.
3.3
Dit feit is als volgt gekwalificeerd:
“met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, tweede of derde lid van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of een daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verwerven en voorhanden hebben”.
3.4
Met betrekking tot de wettelijke voorschriften waarop het is gegrond vermeldt het (op dit punt bevestigde) vonnis:
“De beslissing is gegrond op de artikelen: 14a, 14b, 14c, 27, 33, 33a, 36f, 47, 57, 60a, 63, 138ab, 139d, 225, 285, 420bis, 420ter, 326 van het Wetboek van Strafrecht”.
3.5
Met betrekking tot de wettelijke voorschriften waarop het is gegrond vermeldt het arrest:
“De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 36f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.”
3.6
Van 1 april 2013 [5] tot 1 juli 2015 luidde art. 139d Sr als volgt:
“1. Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die met het oogmerk dat daardoor een gesprek, telecommunicatie of andere gegevensoverdracht of andere gegevensverwerking door een geautomatiseerd werk wederrechtelijk wordt afgeluisterd, afgetapt of opgenomen, een technisch hulpmiddel op een bepaalde plaats aanwezig doet zijn.
2. Met dezelfde straf wordt gestraft hij die, met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, eerste lid, 138b of 139c wordt gepleegd:
a. een technisch hulpmiddel dat hoofdzakelijk geschikt gemaakt of ontworpen is tot het plegen van een zodanig misdrijf, vervaardigt, verkoopt, verwerft, invoert, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft, of
b. een computerwachtwoord, toegangscode of daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden gekregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verkoopt, verwerft, verspreidt of anderszins ter beschikking stelt of voorhanden heeft.
3. Met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft hij die het in het tweede lid bedoelde feit pleegt terwijl zijn oogmerk is gericht op een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, tweede of derde lid.”
3.7
Met ingang van 1 juli 2015 [6] is het eerste lid van art. 139b Sr gewijzigd door de daarin opgenomen maximum gevangenisstraf te verhogen van één jaar naar twee jaren. Het derde lid is niet gewijzigd, ook nadien niet.
3.8
De klacht die erop neerkomt dat het hof een bepaling heeft toegepast waarvan de maximumstraf is verhoogd in de periode dat het bewezenverklaarde feit is begaan, berust op de veronderstelling dat het hof het onder 6 bewezenverklaarde feit heeft gekwalificeerd als overtreding van het eerste lid van art. 139d Sr. Deze veronderstelling is onjuist. Uit de bewezenverklaring blijkt dat het hof ten laste van de verdachte bewezen heeft verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feit zoals dat is omschreven in het derde lid van art. 139d Sr, en wel in combinatie met achtereenvolgens art. 139d lid 2 Sr en art. 138ab lid 2 en/of lid 3 Sr. De gevangenisstraf van vier jaren die in art. 139d lid 3 Sr op het bewezenverklaarde feit is gesteld is niet gewijzigd sinds het op 1 september 2006 werd ingevoerd, ruim vóór de bewezenverklaarde periode. [7]
3.9
De klacht mist feitelijke grondslag wat betekent dat het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel klaagt dat het hof de (hoogte van de) toegewezen vordering van de benadeelde partij [A] ( [A] ) [8] onvoldoende heeft gemotiveerd door niet in te gaan op het standpunt van de verdediging dat een reeds teruggeboekt bedrag van € 115.539,88 in aftrek moet worden gebracht. Om deze reden zouden de toegewezen vordering van de benadeelde partij en de daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel niet in stand kunnen blijven.
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat hij:
“in de periode van 1 juni 2015 tot en met 18 augustus 2015 te [plaats] en/of elders in Nederland en/of in België, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, het bedrijf [B] ( [B] ), gevestigd te [plaats] (België) en/of het bedrijf [A] ( [A] ), gevestigd in Jordanië, heeft bewogen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, te weten USD 626.762,00 (omgerekend euro 561.578,81 of daaromtrent), door onder meer – zakelijk weergegeven –
- zonder medeweten en toestemming van [betrokkene 1] (directeur/zaakvoerder van voornoemd bedrijf [B] ) via diens [e-mailadres 1] een e-mailbericht - waarin hij, verdachte, zich voordeed als die [betrokkene 1] - te sturen aan [betrokkene 3] (directeur/vertegenwoordiger van [A] ) met de mededeling dat het nieuwe e-mailadres van die [betrokkene 1] was: [e-mailadres 2] ; en
- zonder medeweten en toestemming van die [betrokkene 1] en/of het bedrijf [B] , e-mailberichten te sturen aan die [betrokkene 3] en/of aan [A] , waarin hij, verdachte, zich telkens voordeed als die [betrokkene 1] en/of als vertegenwoordiger van [B] en daarbij telkens gebruik heeft gemaakt van een door hem, verdachte, beheerd e-mailadres. te weten [e-mailadres 2] ; en
- zonder medeweten en toestemming van die [betrokkene 3] en/of het bedrijf [A] , e-mailberichten te sturen aan die [betrokkene 1] en/of het bedrijf [B] , waarin hij, verdachte, zich telkens voordeed als die [betrokkene 3] en/of als vertegenwoordiger van [A] en daarbij telkens gebruik heeft gemaakt van een door hem, verdachte, beheerd e-mailadres. te weten [e-mailadres 3] ; en (vervolgens)
- vier facturen van het bedrijf [B] , welke facturen waren gericht aan het bedrijf [A] ( [A] ), met gebruikmaking van het e-mailadres [e-mailadres 2] te sturen naar het bedrijf [A] ( [A] ) voornoemd, op welke facturen telkens de naam van de bank van [B] was gewijzigd in TNG Bank en het bankrekeningnummer van het bedrijf [B] was gewijzigd in, het [rekeningnummer] ”.
4.3
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij [A] toegewezen tot een bedrag van € 301.262,00 en daarbij het volgende overwogen:

Vordering van de benadeelde partij [A]
De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 886.309,00. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 330.762,00.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.
De verdediging heeft verweren gevoerd betreffende de omvang van de gevorderde schade.
Het hof acht een bedrag ter hoogte van € 301.262,- toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade. Dit bedrag bestaat uit een bedrag van € 301.262,- dat de benadeelde partij heeft moeten betalen om de materialen alsnog tijdig vrijgegeven te krijgen.
Met de verdediging en anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het voorlopig geschatte bedrag van € 29.500,- onder schadepost 3 dient te worden afgewezen.
Het hof zal ook de overige gevorderde schadevergoeding van € 555.547,- die is gevorderd vanwege de onterechte betaling aan verdachte, afwijzen. Het hof wijst deze af, omdat dit geen schade is die de benadeelde partij heeft geleden. De benadeelde partij heeft immers € 301.262,- extra betaald om de materialen tijdig vrij te krijgen en heeft de materialen vervolgens alsnog geleverd gekregen.”
4.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 8 februari 2024 houdt het volgende in:
“De voorzitter stelt, aan de hand van de mededeling van de deurwaarder, vast dat als vertegenwoordiger van de benadeelde partij [A] ter terechtzitting is verschenen [betrokkene 1] .
(…)
De voorzitter deelt mede de kort inhoud van de dossierstukken betreffende de vorderingen van de benadeelde partijen.
De raadsman verklaart als volgt.
Dat de benadeelde partij [A] niets van het aangetroffen geld heeft teruggezien, klopt niet helemaal. Op pagina 5 en 6 van het samenvattende dossier is namelijk te lezen dat er door de ING een bedrag van € 116.000,00 is overgemaakt naar [A] . Het viel mij op dat de rechtbank dit niet heeft benoemd.
[betrokkene 1] verklaart namens de benadeelde partij [A] als volgt.
Ik was mij er wel van bewust dat er een som geld was gevonden, maar ik wist niet waar dat geld naartoe was gegaan.
De advocaat-generaal en de raadsman geven desgevraagd te kennen dat zij de inhoud van het procesdossier thans volledig voorgehouden achten.
De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt.
(…)
De vorderingen van de benadeelde partijen betreffen enorme bedragen. Het gaat moeilijk worden voor de verdachte om deze bedragen terug te betalen. Ik ben van mening dat de vorderingen door de rechtbank terecht zijn toegewezen, met uitzondering van het bedrag dat de ING heeft overgemaakt aan [A] en dat ten onrechte niet is afgetrokken. Ik zie geen aanleiding om het verder anders te doen. Samenvattend vorder ik bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen, met uitzondering van het bedrag dat de ING heeft overgemaakt aan [A] .
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging en verklaart daartoe overeenkomstig de inhoud van de door hem overgelegde pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht en waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd.”
4.5
De door de raadsman overgelegde pleitnota houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij het volgende in:

Vordering van €301.262,--
Het bedrag van €301.262,-- ziet op de extra uitgave van 340.000,-- USD om de goederen, na het sluiten van een schikkingsovereenkomst, alsnog geleverd te krijgen. De verdediging kan zich in de basis voorstellen dat wanneer, als gevolg van het handelen van cliënt, dit bedrag bovenop het initiële bedrag moet worden uitgegeven om de goederen geleverd te krijgen, deze uitgave, in beginsel kwalificeert als rechtstreekse schade en ook voor vergoeding in aanmerking komt.
In beginsel, omdat natuurlijk wel
(…)
Bij toewijzing van enig bedrag betaling van de ING in mindering brengen
Wanneer uw hof tot toewijzing van enig bedrag komt, dan is de verdediging van oordeel dat uit het procesdossier (pagina 8 evenals pagina’s 166 tot en met 185) volgt dat er onder cliënt een bedrag van € 115.539,88 in beslag is genomen. Over dat geld wordt onder andere het volgende geschreven:
“Dit geld is door hen overgeboekt naar de Duitse Commerce Bank die het vervolgens overboekte op een rekening van de bank El Ethad in Amman waarna het werd teruggeboekt op de bankrekening van [A] (Jordanië).Pagina 8 einddossier
.”
Gelet op deze bevindingen staat vast dat [A] naar aanleiding van het incident al een bedrag van € 115.539,88 heeft ontvangen. Dit bedrag is afkomstig van de rekeningen van cliënt en door betaling aan [A] daalt het benadelingsbedrag ook met € 115.539,88. Wat de verdediging betreft, dient uw hof dit bedrag mee te nemen bij de beoordeling van de vordering van benadeelde en dient het in mindering te worden gebracht op de vast te stellen rechtstreekse schade.”
4.6
Voordat ik de motiveringsklacht bespreek wijs ik op de positie van [betrokkene 1] die in het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 8 februari 2024 wordt aangemerkt als “vertegenwoordiger van de benadeelde partij [A] ”. Ik vermoed dat het aanmerken van [betrokkene 1] als vertegenwoordiger van [A] op een vergissing berust. [betrokkene 1] is op de eerdere terechtzittingen van 24 augustus 2023 en 23 maart 2023 door het hof aangemerkt als vertegenwoordiger van de andere benadeelde partij [B] . [betrokkene 1] is ook degene die het “Verzoek tot Schadevergoeding” heeft ingediend en ondertekend namens de (andere) benadeelde partij [B] . [betrokkene 1] is dus duidelijk verbonden aan de andere benadeelde partij terwijl mij niet blijkt dat hij gemachtigd is om [A] ter terechtzitting bij te staan.
4.7
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 301.262,- onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op het (onderbouwde) standpunt dat daarop een bedrag van € 115.539,88 in aftrek moet worden gebracht omdat de benadeelde partij [A] dat bedrag al teruggeboekt heeft gekregen [9] en dat dit bedrag in mindering moet worden gebracht op het door de rechtbank toegewezen bedrag. Dit betreft – zo begrijp ik – het bedrag waarvan de raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd dat het door ING is overgemaakt naar [A] en ten aanzien waarvan [betrokkene 1] heeft opgemerkt dat hij zich ervan bewust was dat een som geld was gevonden maar niet wist waar dat naartoe was gegaan.
4.8
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen. [10]
4.9
Onder 1 is bewezenverklaard dat de verdachte [A] heeft opgelicht als gevolg waarvan [A] een bedrag van $ 626.762,00 heeft afgegeven aan de verdachte (in plaats van aan [B] ). Deze oplichting speelde tegen de achtergrond van een daadwerkelijk gesloten overeenkomst tussen [A] en [B] . Uit de vordering volgt dat [A] vervolgens alsnog een bedrag van $ 340.000,00 aan [B] heeft betaald zodat [B] zou overgaan tot vrijgave van de goederen. Dat is – voor zover hier relevant – de schade die de benadeelde partij vordert. Volgens de ‘akte aanvulling onderbouwing vordering tot schadevergoeding’ is dat omgerekend € 301.232,00.
4.1
De raadsman van de verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting bij pleidooi (hiervoor onder randnummer 4.5 weergeven) aangevoerd dat de verdediging zich in de basis kan voorstellen dat deze uitgave in beginsel kwalificeert als rechtstreekse schade en ook voor vergoeding in aanmerking komt, maar dat daarop in mindering moet worden gebracht het bedrag van € 115.539,88 dat onder de verdachte in beslag is genomen en – volgens de verdediging – terug is gestort naar [A] . Met de stellers van het middel ben ik het eens dat de hoogte van het bedrag dat aan de benadeelde partij [A] is toegewezen bij deze stand van zaken niet zonder meer begrijpelijk is. Daarbij neem ik in aanmerking dat de raadsman ter onderbouwing van zijn standpunt heeft gewezen op stukken in het dossier waaruit in ieder geval blijkt dat een bedrag van € 115.539,88 door banken is veiliggesteld en via een Duitse bank is overgeboekt naar de bank ‘Al Ethad’ in Amman. [11]
4.11
De klacht slaagt zodat het middel terecht is voorgesteld.

5.Slotsom

5.1
Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel is terecht voorgesteld.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 27 februari 2024, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt ertoe:
- de bestreden uitspraak te vernietigen, maar alleen voor wat betreft 1) de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, 2) de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [A] en 3) de ten behoeve van deze benadeelde partij opgelegde schadevergoedingsmaatregel,
- 1) de gevangenisstraf te verminderen naar de gebruikelijke maatstaf en 2) de zaak terug te wijzen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [A] zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan en
- het beroep voor het overige te verwerpen.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

3.De volledige kwalificatie is: “met het oogmerk dat daarmee een misdrijf als bedoeld in artikel 138ab, tweede of derde lid van het Wetboek van Strafrecht wordt gepleegd, een computerwachtwoord, toegangscode of een daarmee vergelijkbaar gegeven waardoor toegang kan worden verkregen tot een geautomatiseerd werk of een deel daarvan, verwerven en voorhanden hebben”.
4.Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd ten aanzien van “de bewijsvoering, de opgelegde straf en de strafmotivering en de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen” en in zoverre opnieuw recht gedaan. Het hof heeft voor het overige het vonnis waarvan beroep – met verbetering en aanvulling van gronden – bevestigd.
7.Art. 139d lid 3 Sr is ingevoegd door art. I onderdeel I van de Wet computercriminaliteit II,
8.De vordering is ingediend door [A] , maar de benadeelde partij wordt in de stukken ook aangeduid als [A] . en [A] . Zie bijv. de namens de benadeelde partij ingediende “Akte aanvullende onderbouwing vordering tot schadevergoeding”.
9.De raadsman verwijst hierbij naar pagina 8 evenals de pagina’s 166 tot en met 185. Een blik over de papieren muur leert dat de pagina’s 167 tot en met 185 een proces-verbaal Swift melding van 27 juni 2017 met bijlagen betreffen. Dit proces-verbaal houdt onder meer in dat de ING Bank een SWIFT melding had ontvangen vanuit het buitenland met het verzoek geldbedragen veilig te stellen die op de ING rekening van de verdachte stonden. De rekeninghouder zou hebben gefraudeerd en [A] hebben benadeeld. Omdat de verdachte de door [A] overgeboekte geldbedragen inmiddels had doorgestort, hebben ABN AMRO Bank, Triodos Bank en SNS Bank op verzoek van de ING Bank tegoeden van de verdachte veiliggesteld (in totaal € 115.551,49) en teruggeboekt op een tussenrekening ten name van “ING Veiligheidszaken Vergoedingsrek.” Het proces-verbaal houdt verder in als verklaring van de verbalisant: “ING medewerkster [betrokkene 4] mailde mij op 14 juni 2017 dat er 115.539.88 was veiliggesteld. Dit bedrag heeft de ING overgemaakt naar de Duitse Commerce Bank. Deze heeft het geld overgemaakt naar de bank Al Ethad in Amman. Een rekeningnummer had ze niet.”
10.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
11.Ik merk op dat als bijlage bij de vordering van de benadeelde partij documenten zijn gevoegd afkomstig van ‘Bank al Etihad’.