Conclusie
[eiseres]respectievelijk
Cumberland.
1.Inleiding en samenvatting
Triskalion). Partijen betwisten over en weer elkaars vorderingen in een renvooiprocedure op de voet van art. 122 Fw Pro.
2.Feiten
ABN AMRO) op 30 juni 2010 onder algemene titel overgaan op ABN AMRO.
3.Procesverloop
de rechtbank) vorderde Cumberland erkenning en verificatie overeenkomstig de rang van haar vordering van € 4.837.346,39 in het faillissement van Triskalion. [eiseres] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van Cumberland.
het vonnis) heeft de rechtbank de vordering van Cumberland als concurrent schuldeiser, zoals oorspronkelijk ingediend door ABN AMRO, in het faillissement van Triskalion voor een bedrag van € 4.837.346,39 erkend en [eiseres] veroordeeld in de kosten van de procedure.
het hof) in hoger beroep gekomen van het vonnis. [eiseres] heeft in hoger beroep elf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van Cumberland. Cumberland heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis.
het arrest) heeft het hof het vonnis bekrachtigd en [eiseres] veroordeeld in de proceskosten. Het hof heeft daartoe, voor zover in cassatie van belang en zakelijk weergegeven, het volgende geoordeeld:
4.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
Onderdeel IIricht rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 3.19 t/m 3.25 dat de grieven tegen de door de rechtbank vastgestelde omvang van de vordering van Cumberland falen.
Onderdeel IIItot slot bevat een veegklacht.
de beschrijving).
de nauwkeurige beschrijving en verdeling van de aan elke verkrijgende vennootschap over te dragen delen van de activa en passiva van het vermogen”. [6] Deze richtlijn zag op de zuivere splitsing en niet tevens op de afsplitsing. [7] De wetgever heeft de beschrijving ook voor de afsplitsing verplicht gesteld.
overeenkomstig de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving wordt verkregen”. [11] Meestal wordt de beschrijving als bijlage aan het splitsingsvoorstel gehecht. [12]
en andere belanghebbenden” (onderstreping in het middel). In dit kader zij eveneens verwezen naar de memorie van toelichting die expliciet als voorbeeld noemt de vorderingen op partijen waarmee rekening-courantverhoudingen bestaan: De beschrijving moet zodanig zijn dat niet alleen de betrokken rechtspersonen zelf maar ook belanghebbende derden aan de hand daarvan kunnen vaststellen waar het vermogen terecht zal komen.
schuldenarenbij raadpleging van de bij de Kamer van Koophandel gedeponeerde stukken en bij bestudering van de daar gedeponeerde beschrijving, precies duidelijk (kenbaar) moet zijn welke vorderingen zullen overgaan. Volgens het middel is aan de hand van interne administratieve nummers zoals BCDB-nummers niet kenbaar welke vorderingen zijn overgegaan. De vraag is
voor wiedat kenbaar moet zijn. Niet voor het grote publiek of voor willekeurige derden; wel voor betrokken partijen, zoals [eiseres] . Uit het oordeel van het hof volgt mijns inziens dat het voor [eiseres] duidelijk kenbaar was op welke vordering een BCBD-nummer zag en dus ook welke vordering is overgegaan van ABN-AMRO op Stack Newco. Uit het printscreen blijkt, zo heeft het hof geoordeeld in rov. 3.17, dat het specifieke nummer betrekking heeft op Triskalion.
f] het belang van een nauwkeurige beschrijving van het af te splitsen vermogen met name relevant is voor aandeelhouders, schuldeisers en werknemers van de splitsende vennootschap. Zij hebben er belang bij om na te kunnen gaan waar het vermogen van de splitsende rechtspersoon terecht zal komen. Dit heeft immers gevolgen voor hun verhaalspositie. [
g] Voor schuldenaren van de splitsende vennootschap is dit van ondergeschikt belang, zij het dat zij het krediet en de verschuldigde interest uiteraard wel aan de juiste rechtspersoon dienen (terug) te betalen. [
h] Deze belangen van de schuldenaren van de splitsende vennootschap worden beschermd door artikel 6:34 BW Pro en 6:37 BW. Deze bescherming heeft [
i] de wetgever kennelijk afdoende geacht, aangezien de schuldenaren van de splitsende vennootschap geen recht tot verzet tegen de splitsing hebben (artikel 2:334l BW) Het hof [
j] gaat voorbij aan hetgeen [eiseres] naar voren heeft gebracht over andere procedures die lopen tussen aan [eiseres] , dan wel haar echtgenoot, en Cumberland, nu deze voor het oordeel van het hof in de onderhavige procedure niet van belang zijn. Dit geldt ook voor de procedures door Cumberland als rechtsopvolger van ABN AMRO en andere schuldenaren (…).”
de wederpartij). Genoemde bepaling kent echter slechts twee limitatieve [24] verzetgronden, namelijk i) dat het splitsingsvoorstel ten aanzien van de rechtsverhouding met de wederpartij strijdt met art. 334j BW en ii) dat een krachtens art. 2:334k verlangde waarborg niet is gegeven. De eerste grond ziet op de regel dat een rechtsverhouding waarbij de splitsende rechtspersoon partij is slechts in haar geheel mag overgaan (art. 334j lid 1 BW). De tweede grond ziet op de regel dat ten minste één van de partijen bij de splitsing voor iedere schuldeiser van deze partijen die dit verlangt, zekerheid moet stellen of hem een andere waarborg moet geven voor voldoening van zijn vordering (art. 2:334k BW). Kortom, een onnauwkeurige beschrijving van de vermogensbestanddelen in de zin van art. 2:334f lid 2 onder d BW is géén verzetgrond, zoals het middel overigens zelf onderkent (zie subonderdeel I.2.2). Dat betekent dat ook schuldenaren geen recht op verzet tegen de splitsing hebben op die grond. Dat is ook wat het hof heeft geoordeeld in rov. 3.18. Dat oordeel geeft dus geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Op het voorgaande stuiten de klachten af.
geenbelang hebben bij tijdige kennisname van een voorgenomen afsplitsing en een nauwkeurige beschrijving. Het heeft immers geoordeeld dat schuldenaren daarbij een ‘ondergeschikt belang’ hebben. Een ondergeschikt belang is ook een belang. De klachten missen dus feitelijke grondslag en falen mede om die reden.
i] Door de overgang van de vordering van ABN AMRO naar uiteindelijk Cumberland zijn ook de op kredietrelatie van toepassing verklaarde algemene voorwaarden overgegaan. [
ii] Dit brengt met zich dat conform artikel 18 van Pro de Algemene Bankvoorwaarden een uittreksel uit de administratie van degene aan wie de vordering van de bank is overgedragen tot volledig bewijs strekt, behoudens door de cliënt geleverd tegenbewijs. [
iii] Anders dan [eiseres] betoogt kan dus ook uittreksel uit de administratie [van] Cumberland tot bewijs strekken nu ook de algemene voorwaarden van ABN AMRO op Cumberland zijn overgegaan. [
iv] Overigens volgt uit hetgeen hiervoor in rov. 3.20. is overwogen dat de berekening van de vordering van Cumberland is gebaseerd op een uittreksel uit de administratie van ABN AMRO, de oorspronkelijke kredietverlener.”
II.2.1en
II.2.2omdat ook die klachten tot uitgangspunt nemen dat [eiseres] een derde is bij de bewijsovereenkomst en dat Cumberland daarom geen beroep toekomt op haar eigen administratie als dwingend bewijs. Alleen daarom al falen de klachten. Dat de betwistende schuldeiser, hier: [eiseres] , niet beschikt over de administratie van de gefailleerde, hier: Triskalion, en het daarom lastig kan zijn om tegenbewijs te leveren, maakt het oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. Ik zie niet in waarom een bank daarmee ten opzichte van andere schuldeisers onrechtvaardig wordt bevoordeeld. Anders dan II.2.1 van het middel tot uitgangspunt neemt, vloeit dit niet voort uit het feit dat de bank de ‘eigen bankvoorwaarden van toepassing verklaart ten opzichte van andere schuldeisers’, maar uit de regel van art. 123 Fw Pro.
waaromdergelijke eisen zouden gelden, te meer omdat uit de toepasselijke Algemene Bankvoorwaarden alleen volgt dat ‘een uittreksel uit de administratie’ tot bewijs strekt. Daarom faalt de klacht.
b] Dit maakt dat het aan [eiseres] is om tegenbewijs te leveren tegen de omvang van de vordering van Cumberland op Triskalion zoals die blijkt uit de administratie van ABN AMRO en Cumberland. [
c] Naar het oordeel van het hof is [eiseres] hierin niet geslaagd. [
d] Dat de kredietoverschrijding die geleid heeft tot de kredietopzegging in 2011 het gevolg is van de afboeking door ABN AMRO van een rentederivaat ten bedrage van € 904.085,- volgt niet uit hetgeen [eiseres] daaromtrent aanvoert. Ook overigens is dit het hof niet gebleken. [
e] Evenmin is komen vast te staan dat ABN AMRO indertijd niet gerechtigd was om het rentederivaat af te boeken. [
f] Dat volgt niet per definitie uit de enkele omstandigheid dat ABN AMRO nadien in het kader van het Uniform Herstelkader Rentederivaten een bedrag heeft voldaan aan Triskalion. [
g] Voor zover [eiseres] aanvoert dat het faillissement van Triskalion is veroorzaakt door ABN AMRO en dat Triskalion een schadevergoedingsvordering in verband daarmee kan verrekenen met haar uitstaande schuld verwerpt het hof dit betoog, nu een toereikende feitelijke onderbouwing hiervoor ontbreekt. [
h] [eiseres] betoogt verder dat de brief van 2 november 2014 door de curator nimmer is ontvangen, maar dit wordt door Cumberland betwist. [
i] [eiseres] voert ter onderbouwing alleen aan dat de brief in de faillissementsverslagen niet is genoemd. [
j] Zelfs al zou de curator de brief niet hebben ontvangen, maakt dit de situatie niet anders. Uit de brief van 2 november 2014 blijkt immers de omvang van de vordering van ABN AMRO op dat moment conform haar administratie en hiervoor is niet relevant of de brief destijds wel of niet door de curator is ontvangen.”
kangaan door verrekening. Dat is evenwel geen betwistingsgrond in de renvooiprocedure omdat alleen de curator een beroep op verrekening kan doen. [43] Ik zal niettemin de in het subonderdeel naar voren gebrachte klachten hierna bespreken.
bevoegdwas die afboeking te doen. Volgens [eiseres] was die afboeking onrechtmatig, maar Cumberland heeft dat gemotiveerd betwist. [46] Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat ABN AMRO indertijd niet gerechtigd was om het rentederivaat af te boeken (rov. 3.22). Ook dat oordeel is goed te volgen omdat in de door het subonderdeel aangevoerde stellingen onrechtmatigheid alleen wordt gesteld en Cumberland dit gemotiveerd heeft betwist.
de betwiste vorderingis het doel van de renvooiprocedure immers bereikt. Doel van de renvooiprocedure is het vaststellen van
het passiefin het faillissement (bestaan, omvang en rang van de betwiste vordering op de gefailleerde). Het doel van de renvooiprocedure is niet het vaststellen van
het actiefin het faillissement (heeft de gefailleerde zelf nog vorderingen waarmee eventueel verrekend zou kunnen worden?). Met het beroep van [eiseres] op een eventuele toekomstige gebeurtenis, zoals het (gedeeltelijk) teniet gaan van vordering van Cumberland door verrekening, dient geen rekening te worden gehouden in de renvooiprocedure. [51]