Conclusie
[eiseres](eiseres tot cassatie) respectievelijk
Cumberland(verweerster in cassatie)
1.Inleiding
Triskalion) is in 2021 failliet verklaard. Zowel [eiseres] als Cumberland pretenderen vorderingen te hebben op Triskalion. Op de verificatievergadering hebben partijen over en weer elkaars vorderingen betwist. De vordering van Cumberland is voorlopig erkend. In de onderhavige renvooiprocedure gaat het om de erkenning van twee ter verificatie ingediende vorderingen van [eiseres] en de betwisting daarvan door Cumberland. [eiseres] stelt dat de vorderingen in 2017 door de curator in het persoonlijk faillissement van de bestuurder van Triskalion aan haar zijn gecedeerd. Het hof heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het vereiste dat de akte van cessie zodanige gegevens moet bevatten dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat. Omdat niet aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan, zijn de betreffende vorderingen niet aan [eiseres] overgedragen. In cassatie klaagt [eiseres] dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan het vereiste van ‘voldoende bepaaldheid’ van art. 3:84 lid 2 BW Pro en dat het hof ten onrechte haar bewijsaanbod heeft gepasseerd.
2.Feiten
[betrokkene 1]), de echtgenoot van [eiseres] .
de akte van cessie) gesloten. In de akte van cessie staat onder meer:
de rechtbank) heeft zij twee vorderingen gehandhaafd, te weten een vordering ter hoogte van € 2.450.000,- terzake planschade (hierna:
de planschadevordering) en een vordering ter hoogte van € 725.922,- terzake pensioengelden (hierna:
de pensioenvordering). Volgens [eiseres] zijn deze vorderingen door de curator in het faillissement van [betrokkene 1] op grond van de akte van cessie aan haar overgedragen.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
Dix q.q./ING)).
catch-allbepaling. In artikel 12 staat Pro namelijk dat de curator alle activa en vorderingen van [betrokkene 1] aan [eiseres] overdraagt voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijs bekend kunnen zijn.
De curator draagt in eigendom over alle nog resterende activa en vorderingen van curandus voor zover deze hem bekend zijn en redelijkerwijze bekend kunnen zijn, waaronder in ieder geval de vordering die de Curator meent te hebben op Robi House II B.V. terzake door [betrokkene 1] verrichte werkzaamheden ten behoeve van Robi House II B.V. (…)”. De vraag is of met deze generieke omschrijving in de akte van cessie de vorderingen ter zake planschade en pensioengelden rechtsgeldig zijn overgedragen. De rechtbank is van oordeel dat de akte van cessie geen gegevens bevat aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat deze vorderingen aan [eiseres] zijn overgedragen. De vorderingen wordt niet met zoveel woorden in de akte genoemd en [eiseres] heeft ook geen objectieve gegevens gesteld aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat deze vorderingen tot de in artikel 12 genoemde Pro vorderingen behoren. De akte refereert aan bij de curator bekende vorderingen, maar [eiseres] heeft niet onderbouwd dat de curator van [betrokkene 1] destijds bekend was, dan wel redelijkerwijze bekend had kunnen zijn, met de vorderingen ter zake planschade en pensioengelden van [betrokkene 1] op Triskalion. Gezien het feit dat Triskalion ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst tevens akte van overdracht/cessie al enige jaren failliet was, ligt het ook niet voor de hand dat de curator bekend was met vorderingen van [betrokkene 1] op Triskalion.
het hof). Zij heeft geconcludeerd dat het hof de vonnissen vernietigt en, opnieuw rechtdoende, haar vorderingen alsnog toewijst, met veroordeling van Cumberland in de proceskosten van beide instanties en in de nakosten.
het arrest). Cumberland heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Cumberland heeft haar standpunt vervolgens schriftelijk doen toelichten. [eiseres] heeft gerepliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Bij de titel moet het goed met voldoende bepaaldheid omschreven zijn.” [7] Dit zogenoemde ‘bepaaldheidsvereiste’ is in de parlementaire geschiedenis, rechtspraak en literatuur met name tot ontwikkeling gekomen in het kader van de overdracht en verpanding van vorderingen op naam.
geen strenge eisenaan de vereiste bepaaldheid worden gesteld. Zo brengt het bepaaldheidsvereiste niet mee dat de verpande vorderingen
inde pandakte zelf moeten worden gespecificeerd, bijvoorbeeld door vermelding van (bijzonderheden van) de verpande vorderingen. Het is evenmin noodzakelijk om, tegelijk met de pandakte, pandlijsten te registreren of in de pandakte te verwijzen naar pandlijsten. Voor het eerst in het arrest
Spaarbank Rivierenland/Gispen q.q. [10] oordeelde de Hoge Raad dat
voldoende is “dat de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vorderingen het gaat.”Deze maatstaf is daarna regelmatig herhaald. [11] Daarmee geldt in feite een bepaal
baarheidseis. [12] De beantwoording van de vraag hoe specifiek de gegevens in de akte dienen te zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. [13]
Mulder q.q./Rabobankdat een dergelijke generieke omschrijving tot een geldige overdracht of verpanding kan leiden, omdat het generieke karakter van een dergelijke omschrijving en het ontbreken van een nadere specificatie van de betrokken vorderingen niet in de weg staan aan het oordeel dat een dergelijke omschrijving voldoet aan het vereiste van voldoende bepaaldheid in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro. [15] Over de in die zaak gehanteerde generieke omschrijving [16] oordeelde de Hoge Raad dat het oordeel van de rechtbank dat daarmee aan het vereiste van voldoende bepaaldheid was voldaan, niet onbegrijpelijk is. Daarvoor was redengevend dat aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand, namelijk alle ten tijde van de ondertekening van de pandakte bestaande vorderingen en alle vorderingen die uit op dat moment bestaande rechtsverhoudingen rechtstreeks zullen voortvloeien. Dat voor nadere specificaties te rade moet worden gegaan bij de boekhouding van de pandgever doet niet af aan de voldoende bepaaldheid van de vorderingen (zie r.o. 3.6).
Dix q.q./ING [17] (betreffende een verzamelpandakte-constructie waarbij de pandgevers alleen generiek in de pandakte zijn omschreven en hun namen niet worden genoemd) heeft de Hoge Raad het leerstuk van de bepaaldheid van vorderingen als volgt samengevat:
NJ2004/182). De vraag hoe specifiek die gegevens dienen te zijn, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval (vgl. HR 4 maart 2005, […]
NJ2005/326). Een generieke omschrijving van de te verpanden vorderingen kan tot een geldige verpanding leiden indien aan de hand van de gegeven omschrijving kan worden bepaald welke vorderingen zijn verpand, en wie dus de pandgevers zijn. Het ontbreken van nadere specificaties van de betrokken vorderingen hoeft daarom niet eraan in de weg te staan dat zij voldoende bepaald zijn in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro.”
Wagemakers q.q./Rabobankoordeelde de Hoge Raad dat een onjuiste aanduiding van een verpande vordering in de pandakte of de pandlijst niet in de weg hoeft te staan aan een rechtsgeldige verpanding van die vordering, mits achteraf aan de hand van
objectieve gegevenskan worden vastgesteld welke vordering de pandgever met deze aanduiding op het oog moet hebben gehad. [19]
De Liser de Morsain/Rabobank [20] is in de literatuur gediscussieerd over de vraag wat de rol is van de subjectieve partijbedoelingen (van cedent en cessionaris) bij het beantwoorden van de vraag of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste. Zie voor een weergave van deze discussie de Conclusie van A-G Rank-Berenschot voor het arrest
Holding X/Heijmans Infra. [21] Inmiddels kan denk ik, op grond van dit arrest en het arrest
Schepel q.q./ING, [22] gezegd worden dat de verwarring hierover door de Hoge Raad is opgeruimd.
Holding X/Heijmans Infrahad een pandgever zich in een pandovereenkomst verbonden om al zijn bestaande en toekomstige vorderingen (bij voorbaat) aan Holding X te verpanden. [23] De pandovereenkomst schreef tevens voor op welke wijze de pandgever aan deze verplichting moest voldoen, namelijk door het periodiek opmaken van pandlijsten met specifieke aanduidingen van de te verpanden vorderingen. Op 27 januari 2014 is een pandakte met bijbehorende pandlijst, bestaande uit 155 gewaarmerkte pagina’s, geregistreerd bij de Belastingdienst. De pandakte vermeldde het totale bedrag van de op de lijst gespecificeerde vorderingen die uitstonden op 20 januari 2014. Een bestaande vordering van de pandgever op Heijmans kwam daar niet op voor. In hoger beroep draaide het om de vraag of deze vordering was verpand. Het hof noemde de pandlijst leidend voor de vaststelling welke vorderingen waren verpand. Het hof overwoog dat de pandakte geen aanknopingsgegevens bevatte op grond waarvan achteraf aan de hand van die akte kon worden vastgesteld dat bij die akte ook de vordering op Heijmans was verpand. Het hof achtte de partijbedoeling “niet relevant, nu die vorderingen niet op de lijst voorkomen.” Het hof passeerde daarnaast het aanbod van Holding X om te bewijzen dat het de bedoeling van haar en de pandgever was om ook de vorderingen van de pandgever op Heijmans bij de pandakte te verpanden. Volgens het hof was dit bewijsaanbod niet ter zake dienend. De Hoge Raad verwierp het tegen deze oordelen gerichte cassatieberoep:
Bij de toetsing aan het bepaaldheidsvereiste is het hof terecht voorbijgegaan aan de stelling dat de partijen bij de pandakte hebben beoogd met die akte ook de desbetreffende vordering te verpanden en daarover als getuige kunnen verklaren. De bedoeling van de partijen bij de pandakte is immers voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste niet relevant, voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld.
Schepel q.q./ING. [26] In die zaak ging het om de vraag of ING een geldig pandrecht had verkregen op de auteursrechten op de software die de (nadien gefailleerde) pandgever, CompLions, had ontwikkeld. In de pandakte was bepaald dat het pandrecht is gevestigd op ‘alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva’, die zijn omschreven als ‘alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen’. In dit geval was het auteursrecht op software niet op de balans vermeld. De rechtbank oordeelde om die reden dat het auteursrecht onvoldoende bepaald was. In sprongcassatie casseerde de Hoge Raad. De Raad herhaalde eerst grotendeels de in de vorige alinea weergegeven r.o. 3.2 uit het arrest
Holding X/Heijmans Infraen oordeelde vervolgens:
Niet is vereist– anders dan de rechtbank heeft overwogen –
dat bestaan en omvang van dit auteursrecht uit de administratie van CompLions kan worden afgeleid, of dat dit auteursrecht op de balans van CompLions is vermeld. Of het auteursrecht van CompLions op door haar ontwikkelde software behoort tot “alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva” van CompLions zoals vermeld in de pandakte […], kan ook worden vastgesteld aan de hand van
andere objectieve gegevens dan de administratie en de balansvan CompLions.”
Holding X/Heijmans Infra, door mij geparafraseerd: “Je moet twee dingen van elkaar onderscheiden: 1. Uitleg van de pandakte, dat gaat op basis van de Haviltex-maatstaf (wat willen partijen?) en 2. Toetsing aan het (goederenrechtelijke) bepaaldheidsvereiste (is het partijen gelukt om wat zij willen, afdoende te verwoorden in de pandakte?)”. [27] In de literatuur is dit onderscheid wel aangeduid als een ‘onmogelijke knip’ en is benadrukt dat er een ‘onlosmakelijk verband’ bestaat tussen uitleg en bepaaldheid. [28] De meeste auteurs hebben in reactie op het arrest
Holding X/Heijmans Infrageschreven dat het erop neerkomt dat, in afwijking van de hoofdregel die geldt met betrekking tot uitleg van pandakten, voor het bepalen van het object van de levering (of verpanding) een objectieve uitlegmaatstaf geldt. [29] Ik doe een poging – in navolging van velen – om het onderscheid
en de samenhangtussen uitleg en bepaaldheid met voldoende bepaaldheid te beschrijven.
directwordt getoetst aan het bepaaldheidsvereiste van art. 3:84 lid 2 BW Pro. In dat kader spelen ‘objectieve gegevens’ een essentiële rol, maar ik zie in de rechtspraak van de Hoge Raad nergens dat het begrip ‘objectieve gegevens’ met zoveel woorden wordt gekoppeld aan een uitlegmaatstaf. Het lijkt misschien op objectieve uitleg, maar de panelen schuiven niet exact over elkaar heen. Daarom gaat het bij de toets aan het bepaaldheidsvereiste om een, zo zou men de woorden van de Hoge Raad kunnen begrijpen, van uitleg te onderscheiden en zelfstandig te beoordelen vraag.
tocheen objectieve uitlegmaatstaf waar. [30] Ik zie, door de loep, dat er in stap 2 twee processen plaatsvinden, waarvan het zinvol kan zijn ze te expliciteren.
in het kader van het bepaaldheidsvereistebelangrijk is vast te stellen welke vorderingen (goederen) partijen op het oog hebben gehad bij de levering. Ik wijs op het arrest
Wagemakers q.q./Rabobank, waarin in verband met de toets aan het bepaaldheidsvereiste van doorslaggevend belang werd geacht welke vorderingen de pandgever op grond van objectieve gegevens “op het oog moet hebben gehad.” [31] Dit wijst op een uitlegexercitie aan de hand van objectieve gegevens. Ook het arrest
Holding X/Heijmans Infrabiedt steun aan de gedachte dat bij de toets aan het bepaaldheidsvereiste belang toekomt aan de bedoeling van partijen. Overwogen wordt dat de partijbedoeling “
voor de beoordeling of voldaan is aan het bepaaldheidsvereiste” niet relevant is voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens in de akte zelf, eventueel achteraf, kan worden vastgesteld. Het is, meen ik, niet vergezocht om daaruit – a contrario – af te leiden dat de partijbedoeling wel relevant is, dus achterhaald moet worden aan de hand van een bepaalde uitlegmaatstaf, voor zover deze wel kan worden vastgesteld aan de hand van gegevens in de akte zelf. Ik zie hier duidelijk de eerdergenoemde onlosmakelijkheid van uitleg en bepaaldheid terug. Er vindt objectieve uitleg plaats met het oog op de bepaaldheid. [32]
NJ-noot wijst Verstijlen er overigens terecht op dat de Hoge Raad in het arrest
Holding X/Heijmans Infrade woorden ‘objectieve gegevens’ niet gebruikt. Maar volgens mij ligt in het oordeel van de Hoge Raad besloten dat de bedoeling van partijen slechts uit objectieve gegevens mag worden afgeleid. [33] Mijns inziens speelt het begrip ‘objectieve gegevens’ een sleutelrol, ook al komt het niet in alle arresten van de Hoge Raad over het bepaaldheidsvereiste expliciet terug. Aan de hand van die gegevens moet voldoende duidelijk zijn welke vorderingen partijen op het oog moeten hebben gehad. Als een maatman-derde naar deze gegevens zou kijken, zou hij in beginsel de juiste vaststelling moeten kunnen doen. De gedachte is dat de eis van goederenrechtelijke bepaaldheid betrekking heeft op de vaststelling van goederenrechtelijke verhoudingen die door derden moeten worden gerespecteerd. [34]
Holding X/Heijmans Infraweliswaar alleen stap 2b, maar in r.o. 3.4 (slot) wordt stap 2a gezet.
Holding X/Heijmans Infraheeft de Hoge Raad herhaald dat volgens vaste rechtspraak aan het bepaaldheidsvereiste is voldaan als de pandakte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, “aan de hand daarvan” kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat (r.o. 3.2). In de zaak die heeft geleid tot dit arrest was in de pandovereenkomst voorgeschreven op welke wijze de pandgever aan zijn in de overeenkomst opgenomen verplichting tot verpanding van al zijn bestaande en toekomstige vorderingen (bij voorbaat) moest voldoen: door het periodiek opmaken van pandlijsten met specifieke aanduidingen van de te verpanden vorderingen. Het oordeel van het hof dat de pandlijst leidend was voor de vaststelling welke vorderingen waren verpand, is door de Hoge Raad in stand gelaten. Dit had tot gevolg dat een wel bestaande vordering van de pandgever op Heijmans die niet op de pandlijsten was vermeld,
nietwas verpand. Aan het slot van r.o. 3.4 oordeelde de Hoge Raad dat de bedoeling van de partijen bij de pandakte voor de beoordeling of is voldaan aan het bepaaldheidsvereiste niet relevant is, voor zover die bedoeling niet aan de hand van gegevens “in de akte zelf,” eventueel achteraf, kan worden vastgesteld. De vraag rijst hoe de door mij tussen aanhalingstekens geplaatste woorden precies moeten worden begrepen. Is een specificatie in de akte – bijvoorbeeld woorden als “zoals blijkt uit de debiteurenadministratie” – vereist?
Schepel q.q./INGwas de omschrijving in de pandakte van de verpande goederen ruim geformuleerd. Het pandrecht werd gevestigd op “alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva.” De bedrijfsactiva waren eveneens ruim omschreven, namelijk als “alle tot het bedrijf van de pandgever behorende goederen.” Tussen partijen was in geschil of een auteursrecht op software was verpand. Dat dit auteursrecht niet op de balans stond vermeld, was
nietbeslissend voor de vraag of het auteursrecht was verpand. Of het auteursrecht behoort tot “alle huidige en toekomstige Bedrijfsactiva,” zoals vermeld in de pandakte, kan ook worden vastgesteld aan de hand van “andere objectieve gegevens dan de administratie en de balans,” aldus de Hoge Raad.
welkeexterne bronnen bepalend zijn om te achterhalen of goederen al dan niet zijn verpand of overgedragen. Als evenwel de externe bronnen daarin limitatief worden opgesomd, dan zijn die bronnen ook beslissend. In zoverre leidt specificering dus ook tot ‘versmalling’.
Schepel q.q./INGvolgt dat de administratie van de pandgever “geen (sleutel)rol” hoeft te spelen: ook andere objectieve bronnen mogen volgens de Hoge Raad worden geraadpleegd om vast te stellen welke goederen onder een (generieke) omschrijving in de pandakte vallen. Van Bergen schrijft mijns inziens terecht dat het mis gaat als in een pandakte termen worden gebruikt als ‘sommige’, ‘enkele’, ‘de helft van’ de goederen van de pandgever. Zonder aanvullende informatie kan in dat geval namelijk niet worden vastgesteld
welkegoederen wel of niet zijn verpand. [37]
eerste onderdeelis gericht tegen de rechtsoverwegingen 3.6.2 tot en met 3.6.7, hiervoor weergegeven in alinea 3.10. [39] Het onderdeel bevat de klacht dat de daarin gegeven oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. Het onderdeel valt uiteen in twee subonderdelen.
Holding X/Heijmans Infrastelt het subonderdeel dat voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat aan de hand daarvan
zo nodig achteraf kan worden vastgesteldom welke vordering het gaat. Volgens het subonderdeel kan dat “dus ook omdat uit gegevens door of namens de curator blijkt dat hij van de vorderingen op de hoogte was of kon zijn indien in de akte is bepaald dat die vorderingen overgaan die aan de curator bekend zijn of redelijkerwijs kunnen zijn.”
nietde moeite heeft genomen om de conceptjaarrekening te lezen en/of niet de moeite heeft genomen omtrent de pensioenvordering van [betrokkene 1] op Triskalion of de vordering van [betrokkene 1] uit planschade op de gemeente Breda dóór te vragen, dan zijn het, zo stelt het subonderdeel, nog steeds vorderingen die in redelijkheid aan de curator bekend hadden
kunnenzijn, en is er dus sprake van voldoende bepaalbaarheid. Dit betekent volgens het subonderdeel dat de in r.o. 3.6.4, tweede alinea, genoemde drie gegevens (“omstandigheden”) wel degelijk maken dat de bewuste vorderingen voldoende bepaalbaar zijn. Het subonderdeel stelt dat de overwegingen in de opvolgende derde en vierde alinea daar niet aan afdoen. Het subonderdeel stelt dat het hof in de vierde alinea miskent dat een curator tot taak heeft te inventariseren wat de stand van de boedel is. Indien de curator dat vervolgens nalaat, dan heeft volgens het subonderdeel juist te gelden dat het een vordering is die hem in redelijkheid bekend had
kunnenzijn, als hij daarnaar onderzoek had gedaan.
ookeen objectief gegeven. Dat is op zichzelf natuurlijk niet onwaar, maar het is de vraag of dit het type ‘objectief gegeven’ is waarop de Hoge Raad in zijn rechtspraak doelt. Het hof oordeelt in wezen van niet en ik kan het hof daarin volgen. De ‘kennis’ van de curator wordt, zo begrijp ik het arrest van het hof, alleen maar een objectief gegeven als die kennis kan worden geobjectiveerd los van wat zich in het hoofd van de curator bevindt. [43] Een objectief gegeven is wel wat de curator rechtens geacht kan worden te kennen of die hij redelijkerwijs kon kennen op basis van gegevens die hem ter beschikking stonden. Ik lees het arrest van het hof zo, met name r.o. 3.6.4, dat niet een algemeen veto over de ‘formule’ is uitgesproken (dus niet: zo’n omschrijving van de groep te leveren vorderingen in de akte is per definitie ongeschikt), maar dat is getoetst of
in concretogezegd kan worden dat de vorderingen met voldoende bepaaldheid zijn omschreven in de door de Hoge Raad vereiste zin. Derden, onder wie niet in de laatste plaats de
debitor cessus, dienen aan de hand van objectieve gegevens
zelfstandigte kunnen beoordelen of en in hoeverre een vordering is overgedragen dan wel of daarop een pandrecht is gevestigd. Naar mijn mening kwalificeert een getuigenverklaring, ook al is dat een bewijsmiddel, niet als een ‘objectief gegeven’ waarmee de bepaaldheid van een overgedragen goed in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro kan worden vastgesteld. Zo is de kans aanwezig dat partijen bij een akte van cessie of een pandakte, of derden, druk uitoefenen op de persoon die zij als getuige willen horen. Daarnaast bestaat altijd de mogelijkheid dat de beoogde getuige niet (langer) in staat is om te getuigen of een schriftelijke verklaring af te leggen, bijvoorbeeld in geval van overlijden of dementie. Zoals hiervoor door mij is betoogd, kunnen (daarom) als objectieve gegevens alleen worden aangemerkt gegevens die derden na lezing en bestudering ervan zelfstandig kunnen interpreteren. Ik denk daarbij in het bijzonder aan een (al dan niet digitale) factuur, administratie, boekhouding of een balans. Dat het hof aan de ‘subjectieve’ kennis van de curator, dat wil zeggen kennis die niet kan worden afgeleid uit andere externe feitelijke gegevens dan zijn eigen mondelinge of schriftelijke verklaring, geen betekenis heeft toegekend in het kader van de beoordeling of de betreffende vorderingen door artikel 12 van Pro de akte van cessie voldoende worden bepaald, acht ik in het licht van het voorgaande dan ook niet onjuist of onbegrijpelijk.
in concretoheeft miskend. Met betrekking tot het horen van de curator, waarop het onderdeel duidelijk de nadruk legt, zij verwezen naar hetgeen in de vorige alinea is opgemerkt: een getuigenverklaring kwalificeert niet als een ‘objectief gegeven’ waarmee de bepaaldheid van een overgedragen goed in de zin van art. 3:84 lid 2 BW Pro kan worden vastgesteld. Het hof heeft voor het overige in r.o. 3.6.4 aan de hand van de stukken waarnaar [eiseres] zelf heeft verwezen, en de stellingen die partijen daarover hebben ingenomen, beoordeeld of sprake is van objectieve gegevens waaruit blijkt dat de curator “bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn” met de planschadevordering en de pensioenvordering. Het hof heeft in dat verband acht geslagen op (i) de jaarrekening van Triskalion waarin de pensioenvoorziening van [betrokkene 1] was opgenomen, (ii) een e-mailbericht van de curator in het faillissement van Triskalion aan [betrokkene 1] met kopie aan de curator in het faillissement van [betrokkene 1] waarin wordt gerefereerd aan “de pensioenvoorziening,” en (iii) het faillissementsverslag van 22 mei 2017 in het faillissement van [betrokkene 1] waarin onder het kopje lopende procedures wordt verwezen naar een bezwaarschriftprocedure over een verzoek van [betrokkene 1] aan de gemeente Breda om planschadevergoeding. Het hof heeft geoordeeld dat deze gegevens “niet eenduidig” zijn, en “geen uitsluitsel” geven over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [eiseres] over te dragen.
kunnen zijn.” Het kan, zoals het subonderdeel terecht opmerkt, zo zijn dat een cedent voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst van cessie geen nader onderzoek heeft gedaan naar de inhoud van hem op dat moment wel bekende stukken. Het subonderdeel betoogt, in mijn eigen woorden weergegeven, dat als de curator in het faillissement van [betrokkene 1] destijds niet de moeite heeft genomen om de hem ter beschikking staande (gestelde) stukken te lezen of naar aanleiding daarvan met betrekking tot (mogelijke) vorderingen dóór te vragen bij de betrokkenen, het nog steeds gaat om vorderingen die in redelijkheid aan de curator bekend
hadden kunnen zijn. Aldus is er volgens het subonderdeel sprake van “voldoende bepaalbaarheid.”
objectievegegevens moet kunnen worden vastgesteld welke vorderingen zijn verpand of overgedragen. Aan de hand van bijvoorbeeld de boekhouding van destijds kan thans, in het heden, worden nagegaan waarmee de cedent of pandgever destijds bekend had kunnen (moeten) zijn indien hij die boekhouding (wel) had geraadpleegd. Zoals hiervoor door mij is betoogd moet het daarbij steeds gaan om externe feitelijke gegevens anders dan de eigen mondelinge of schriftelijke verklaring van partijen of andere personen. Het subonderdeel faalt.
kunnenweten’. Het subonderdeel stelt dat ook het oordeel in de één na laatste alinea van r.o. 3.6.4 – dat het feit dat in het faillissementsverslag in het faillissement van [betrokkene 1] de procedure van [betrokkene 1] tegen de gemeente Breda is genoemd, hooguit iets zegt over de eventuele bekendheid van de curator met een vordering van [betrokkene 1] op de gemeente Breda – onbegrijpelijk is en geen toereikende motivering vormt voor het oordeel dat er geen uitsluitsel wordt gegeven en een en ander niet eenduidig is. Daarmee staat volgens het subonderdeel namelijk vast dat
de curator van [betrokkene 1]op de hoogte was dat [betrokkene 1] een vordering pretendeerde op de gemeente Breda. Uit het feit dat de curator van [betrokkene 1] de procedure van [betrokkene 1] tegen de gemeente met betrekking tot de planschade in het faillissementsverslag opneemt, kan volgens het subonderdeel worden afgeleid dat hij bekend was met de vordering ter zake van planschade dan wel na doorvragen daarmee
bekend had kunnen zijn. Het subonderdeel stelt dat het hof hieruit in r.o. 3.6.4 de verkeerde conclusie trekt door te overwegen “Dat de curator bekend was met de door [eiseres] gestelde vordering op Triskalion volgt hier naar het oordeel van het hof in ieder geval niet uit.” Het gaat er, zo herhaalt het subonderdeel, namelijk ook om of de curator daarmee bekend
kon zijn. Dat is volgens het subonderdeel zonder meer het geval op grond van de door het hof in de tweede alinea van r.o. 3.6.4 “vastgestelde omstandigheden.”
steedswordt verondersteld indien een vordering in een document staat dat (in dit geval) de curator tot zijn beschikking heeft, dan faalt dit betoog omdat het uitgaat van een te stringente rechtsopvatting. Als een vordering in een document wordt genoemd, dan betekent dat (immers) nog niet automatisch dat die vordering (op dat moment) ook (nog) daadwerkelijk bestaat.
op Triskalion, is niet onbegrijpelijk. Tegen dat oordeel komt het subonderdeel, als ik goed zie, ook niet zelfstandig op. Zonder enige nadere toelichting of aanvullend gegeven kan niet worden ingezien dat de curator uit de enkele omstandigheid dat in het faillissementsverslag in het faillissement van [betrokkene 1] de procedure van [betrokkene 1] tegen de gemeente Breda is genoemd, redelijkerwijs moest afleiden dat die vordering is verkocht aan Triskalion en dat Triskalion vervolgens de koopsom niet heeft betaald. [44] Dat de curator met een en ander ook niet ‘redelijkerwijs bekend kon zijn’, behoeft bij gebreke van enig ander aanknopingspunt mijns inziens geen nadere toelichting.
met betrekking tot de pensioenvorderingheeft verwezen naar (i) de jaarrekening van Triskalion waarin de pensioenvoorziening van [betrokkene 1] was opgenomen en (ii) een e-mailbericht van de curator in het faillissement van Triskalion aan [betrokkene 1] met kopie aan de curator in het faillissement van [betrokkene 1] waarin wordt gerefereerd aan “de pensioenvoorziening.” Cumberland heeft in de memorie van antwoord met betrekking tot het gegeven onder (i) het volgende als verweer aangevoerd:
conceptjaarrekening 2012 van Triskalion een bedrag van € 592.279,- als pensioenvoorziening voor [betrokkene 1] is opgenomen, wil niet zeggen dat hij een vordering van € 592.279,- (en al helemaal niet van € 725,922,-) op Triskalion had (onder 39).
conceptjaarcijfers van Triskalion overgelegd. Andere jaarcijfers zijn niet overgelegd (onder 45).
onder andereheeft aangevoerd dat de planschadevordering en de pensioenvordering niet zijn opgenomen bij de vorderingen die staan vermeld onder het kopje activa in het faillissementsverslag, en dat dit volgens Cumberland een belangrijke aanwijzing is dat de curator juist niet uitging van het bestaan van de vorderingen. Het hof heeft onmiskenbaar ook acht geslagen op de hiervoor in de alinea’s 4.47 en 4.48 weergegeven stellingen. In het licht hiervan acht ik het oordeel dat de gegevens waar [eiseres] naar verwijst, “niet eenduidig” zijn en “geen uitsluitsel geven” over de vraag of de curator bekend was, of redelijkerwijs bekend kon zijn, met de planschadevordering en de pensioenvordering en heeft beoogd de planschadevordering en de pensioenvordering aan [eiseres] over te dragen, niet onjuist of onbegrijpelijk. Het subonderdeel slaagt niet.
kunnenzijn met de planschadevordering en de pensioenvordering. Volgens het subonderdeel getuigt het oordeel dat [eiseres] te weinig heeft gesteld dan ook van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.