ECLI:NL:PHR:2026:417

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/03263
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende motivering bewijsminimum schuldheling gestolen fietsen

De verdachte werd door het hof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor schuldheling van drie gestolen fietsen en kreeg een gevangenisstraf van drie maanden opgelegd. De bewezenverklaring steunde voornamelijk op de verklaring van één getuige, die verklaarde de fietsen van de verdachte te hebben gekocht. Het hof vond dat deze verklaring voldoende steun vond in ander bewijs, zoals het bezit van de fietsen door de getuige, aangiften van diefstal en het telefoonnummer van de verdachte.

De verdediging voerde in cassatie aan dat het bewijs onvoldoende was omdat het hof niet had gemotiveerd waarom de verklaring van de getuige niet op zichzelf stond, zoals vereist door artikel 342 lid 2 Sv Pro. De Hoge Raad bevestigde dat het bewijs niet uitsluitend op één getuigenverklaring mag rusten zonder dat deze voldoende steun vindt in ander bewijs. Hoewel het hof diverse bewijsmiddelen aanvoerde, ontbrak een nadere motivering waarom deze het getuigenbewijs voldoende ondersteunen.

De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd benadrukt dat steunbewijs niet per se betrekking hoeft te hebben op de tenlastegelegde gedragingen, maar wel voldoende steun moet bieden voor de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring. In deze zaak was het steunbewijs beperkt en liet het ruimte voor alternatieve scenario’s, zoals dat de getuige zelf de fietsen had gestolen of een verkeerde persoon aanwees.

Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het hof zijn oordeel onvoldoende had gemotiveerd en vernietigde het arrest voor zover het de schuldheling en strafoplegging betreft. De zaak werd terugverwezen naar het hof ’s-Hertogenbosch voor een nieuwe beoordeling van deze onderdelen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het bewijsminimum en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03263
Zitting21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 23 augustus 2024 (parketnr. 20-003143-23) door het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch in twee gevoegde zaken veroordeeld wegens schuldheling (meermalen gepleegd) en diefstal (parketnr. 02-126023-23) en opzetheling (meermalen gepleegd) (parketnr. 02-181872-23). Het hof heeft daarbij een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van voorarrest opgelegd. De vorderingen van twee benadeelde partijen zijn door het hof niet-ontvankelijk verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is (onbeperkt) ingesteld namens de verdachte. Advocaat J.J.J. van Rijsbergen heeft een middel van cassatie voorgesteld. Het cassatiemiddel richt zich uitsluitend op de door het hof bewezenverklaarde schuldheling, meermalen gepleegd (feit 3 subsidiair in de zaak met parketnr. 02-126023-23).
1.3
Het middel bevat de klacht dat het hof de bewezenverklaring van dit feit slechts heeft doen steunen op de verklaring van één getuige, om welke reden de bewezenverklaring onvoldoende naar de eisen der wet met redenen zou zijn omkleed.

2.De bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in of omstreeks de periode van 16 maart 2023 tot en met 29 april 2023 te [plaats] , fietsen voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van deze goederen, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.”
2.2
De bewezenverklaring steunt blijkens het arrest op de volgende bewijsmiddelen.

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2023 (dossierpagina’s 16 tot en met 18), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] en [verbalisant 3] :
[dossierpagina 16]
Op zaterdag 29 april 2023, omstreeks 14.50 uur, kwamen wij ter plaatse bij de [a-straat 1] , [postcode] in [plaats] . [a-straat 2] betreft een garagebox. De deuren waren geopend en er bevonden zich diverse bestelbusjes, personenauto’s en fietsen in de garagebox.
Wij betraden de garagebox. Daar bevonden zich diverse fietsen, waaronder een aantal e-bikes. Wij zagen dat het framenummer overeenkwam met het framenummer van de gestolen fiets. Het betrof een Giant, voorzien van [framenummer 1]
[het hof: de fiets van [betrokkene 1]], en we zagen dat deze fiets op 29 april 2023 gestolen was. Daarin bevond zich een aantal fietsen, waaronder e-bikes. Wij onderzochten en bevroegen de framenummers in ons politiesysteem. Wij zagen dat er in totaal nog (...) fietsen als gestolen geregistreerd stonden. Dit ging om de volgende fietsen:
- Sparta, voorzien van; [framenummer 2]
[het hof: de fiets van [betrokkene 2] ];
- Stella, voorzien van [framenummer 3]
[het hof: de fiets van [betrokkene 3] ].
[dossierpagina 17]
Toen wij bezig waren in de garagebox met het onderzoeken van de aangetroffen fietsen, kwam er een meneer binnen. Wij hoorden hem zeggen dat de drie aangetroffen fietsen, die als gestolen gesignaleerd stonden, van hem waren. Het bleek te gaan om: [betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum] 195
[het hof begrijpt gelet op dossierpagina 44: 1975] in [geboorteplaats] .
Ik hoorde dat [betrokkene 4] zei dat hij de fietsen koopt van een andere meneer. Ik zag dat [betrokkene 4] mij een telefoonnummer liet zien vanaf zijn telefoon. Ik zag dat het ging om het volgende telefoonnummer: [telefoonnummer 1] . Ik hoorde dat [betrokkene 4] zei dat hij via dit telefoonnummer de fietsen koopt.
2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2023 (dossierpagina's 28 tot en met 29), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 4] :
[dossierpagina 28]
Op zaterdag 29 april 2023 werd door de politie te [plaats] een aantal gestolen fietsen aangetroffen in een garagebox te [plaats] , [a-straat] . Bij de collega’s die ter plaatse onderzoek deden, meldde zich een mannelijk persoon, genaamd [betrokkene 4] , die aangaf de eigenaar van deze fietsen te zijn. Hij had deze fietsen gekocht van een persoon die hij kon bereiken via het [telefoonnummer 2] .
Bij raadplegen in BVI-IB op dit [telefoonnummer 2] , zag ik dat dit telefoonnummer was gekoppeld aan: [verdachte] (roepnaam: […] ), geboren op [geboortedatum] 1974 te [plaats] .
3. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 mei 2023 (dossierpagina's 19 tot en met 21), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] :
[dossierpagina 19]
Op zaterdag 29 mei 2023 [
het hof begrijpt: 29 april 2023],waren wij, verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 1] , ter plaatse bij de garage, gelegen op de [a-straat 2] te [plaats] , aldaar stonden als gestolen gesignaleerde fietsen. Wij zagen dat de aangetroffen fietsen voorzien waren van een vast ringslot op de fiets, welke slotvast stonden. De fietssleutels zaten niet in het slot van de fietsen.
De verdachte [betrokkene 4] gaf aan dat hij de fietssleutels had liggen in zijn woning. De verdachte overhandigde ons de aanwezige fietssleutels.
Wij zijn weer teruggegaan naar de garage en hebben de fietssleutels gepast op het slot van de aangetroffen fietsen. De fietssleutels behoorden bij onderstaande fietsen uit de garage en wij konden het slot met de sleutel openen.
Het betrof de volgende fietsen:
- Giant, framenummer:
[framenummer 1], behorend bij de aangifte met bvh-nummer: 2023105896
[het hof begrijpt: de fiets van [betrokkene 1] ];
- Sparta, framenummer:
[framenummer 2], behorend bij de aangifte met bvh-nummer:
2023085973 [het hof begrijpt: de fiets van [betrokkene 2] ];
-Stella, framenummer:
[framenummer 3], behorend bij de aangifte met bvh-nummer: 2023071804
[het hof begrijpt: de fiets van [betrokkene 3]].
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 mei 2023 (dossierpagina's 44 tot en met 50), voor zover inhoudende als weergave van het verhoor van verdachte [betrokkene 4] :
[dossierpagina 46]
V: In deze garage box stonden 5 fietsen. U heeft tegen een collega van ons gezegd dat u de eigenaar hiervan was.
V: Wat kunt u hierover verklaren?
A: Drie van de fietsen heb ik gekocht. De rest van de fietsen weet ik niet van wie ze zijn.
We laten de verdachte een aantal foto's zien van de aangetroffen fietsen. De fietsen die meneer herkent worden onder dit verhoor in de fotobijlage toegevoegd.
O: Verdachte herkent de volgende fietsen:
- Stella Livorno, zwart met goud kleur. Foto 1
- Gaint Grandtour, zwart van kleur. Foto 2
- Sparta blauw van kleur
[het hof begrijpt - gelet op de foto op dossierpagina 52 en de op die foto zichtbare blauwe kleur van de fiets en de felgroene kleur van de leidingen aan die fiets - dat dit de fiets van [betrokkene 2] is].Foto 3
V: Hoe bent u aan de fietsen gekomen?
A: Ik heb een persoon op straat ontmoet. Die vertelde mij dat hij fietsen te koop had. Ik heb er ongeveer 50/60 euro per fiets voor betaald.
[dossierpagina 47]
V: Heeft u de fietsen van de zelfde persoon gekocht?
A: Ja van de zelfde persoon. Als ik die persoon zou zien kan ik hem meteen aanwijzen/herkennen.
O: Verbalisant laat een foto zien van de persoon waarvan waarschijnlijk de fietsen zijn gekocht. Deze foto word toegevoegd onder dit verhoor, onder foto 4. Persoon op de foto betreft [verdachte] .
V: Herkent u deze persoon?
A: Ja dit is de persoon van wie ik de fietsen gekocht heb. Ik herken hem direct.
V: Zijn u nog dingen opgevallen aan de fietsen? Waren ze bijvoorbeeld nog in goede staat?
A: Alles was er goed aan. De persoon bracht de fietsen met alle toebehoren. De fietsen waren goed.
[dossierpagina 48]
V: Heeft de verkoper verklaard hoe hij aan de fietsen kwam?
A: Ja hij zei dat hij ze gekregen had.
5. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 22 maart 2023 (dossierpagina’s 53 tot en met 55), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [betrokkene 3] :
[dossierpagina 53]
Ik doe aangifte van diefstal van mijn elektrische fiets. Op donderdag 16 maart 2023 omstreeks 11.00 uur heb ik mijn fiets gestald bij de Aldi [b-straat 1] in [plaats] . Ik kwam omstreeks 12.00 uur de Aldi uit. Toen zag mijn fiets niet meer staan. Mijn fiets is van het merk Stella.
[dossierpagina 55]
Fiets: Stella.
Framenummer: SI71110483
6. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 29 april 2023 (dossierpagina’s 57 tot en met 58), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [betrokkene 1] :
[dossierpagina 57]
Mijn e-bike is vanmorgen (29 april 2023) rond 9:15 uur gestolen aan [c-straat] bij bakker ‘ [A] ’.
[dossierpagina 58]
Fiets: Giant.
Framenummer: [framenummer 1] .
7. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 7 april 2023 (dossierpagina’s 59 tot en met 60), voor zover inhoudende als verklaring van aangeefster [betrokkene 2] :
[dossierpagina 59]
Op 5 april 2023 is mijn elektrische fiets is gestolen bij woonzorgcentum [B] in [plaats] .
[dossierpagina 60]
Fiets: Sparta.
Kleur: Blauw
Inhoud/specificatie: Er zitten felgroene leidingen aan.
Framenummer: [framenummer 2] .”
2.3
Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring van feit 3 subsidiair het volgende overwogen:
“Verweren van de verdediging
De verdediging heeft in de zaak met parketnummer 02-126023-23 vrijspraak bepleit van de onder 3 subsidiair tenlastegelegde schuldheling. Daartoe is kort weergegeven aangevoerd dat [betrokkene 4] - naast de mededeling dat hij de drie door hem aangewezen fietsen van de verdachte heeft gekocht - hierover niets heeft verklaard en dat dus slechts uit de verklaring van [betrokkene 4] volgt dat de fietsen van de verdachte afkomstig zijn zodat - zo begrijpt het hof - niet wordt voldaan aan het bewijsminimum dat op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is vereist.
[…]
Het hof overweegt als volgt.
Bijzondere bewijsoverwegingen (parketnummer 02-126023-23, feit 3 subsidiair)
Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [betrokkene 4] de volgende fietsen herkent als fietsen die hij heeft gekocht van de verdachte:
- Sparta, voorzien van [framenummer 2] [
de fiets van [betrokkene 2]];
- Stella, voorzien van [framenummer 3] [
de fiets van [betrokkene 3]];
- Giant, voorzien van [framenummer 1] [
de fiets van [betrokkene 1]].
Ten aanzien van de eerder genoemde drie fietsen van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] stelt het hof vast dat [betrokkene 4] heeft verklaard deze elk voor een bedrag van € 50,00 à € 60,00 van de verdachte te hebben gekocht. Nu het alle drie elektrische fietsen waren waarvan [betrokkene 4] bovendien heeft verklaard dat alles aan deze fietsen nog goed was, is het hof van oordeel dat sprake is van onvoorstelbaar lage verkoopprijzen. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van deze fietsen, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze uit misdrijf afkomstig waren.
Hierbij betrekt het hof ten slotte dat de verdachte - gevraagd naar deze verkopen aan [betrokkene 4] - zich op alle vragen heeft beroepen op zijn zwijgrecht zodat ook in zoverre geen sprake is van een verklaring van de verdachte die de redengevendheid van de bewijsmiddelen kan ontzenuwen.
Het verweer van de verdediging ten slotte, inhoudende dat niet zou worden voldaan aan het wettelijke bewijsminimum, vindt reeds weerlegging in de bewijsmiddelen.
Het hof zal de verdachte partieel vrijspreken van de schuldheling van de (impliciet tenlastegelegde) fiets van [betrokkene 5], nu [betrokkene 4] deze fiets niet herkent als een van de fietsen die hij van de verdachte heeft gekocht en het slot van deze fiets niet kon worden ontgrendeld met de fietssleutels die door [betrokkene 4] aan de verbalisanten zijn overhandigd. Het hof kan daarom niet vaststellen dat de verdachte deze fiets op enig moment zelf voorhanden heeft gehad en kan daarom evenmin vaststellen dat de verdachte zich ten aanzien van die fiets schuldig heeft gemaakt aan schuldheling.”
2.4
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2024 hield het unus-testisverweer van de verdediging het volgende in:
“Verder dient mijn cliënt te worden vrijgesproken van het in de zaak met 02-126023 23 onder 3 subsidiair tenlastegelegde. Er zijn verschillende fietsen aangetroffen bij [betrokkene 4] maar mijn cliënt is daar niet aangetroffen. [betrokkene 4] heeft drie van de vijf fietsen als zijn eigendom aangewezen en daarvan gesteld dat hij deze heeft gekocht bij mijn cliënt. Verder heeft [betrokkene 4] hierover niets verklaard, zoals waar en wanneer hij deze fietsen zou hebben gekocht. We hebben daarom slechts de verklaring van één getuige.
Weliswaar heeft [betrokkene 4] het telefoonnummer van mijn cliënt verstrekt maar dat is afkomstig uit dezelfde bron, namelijk [betrokkene 4] . Bovendien kan iedereen makkelijk aan het telefoonnummer van mijn cliënt komen en heeft [betrokkene 4] er belang bij iemand anders aan te wijzen.
Gelet op het vorenstaande is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om mijn cliënt te veroordelen.”

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het hof het onder feit 3 subsidiair bewezenverklaarde in strijd met de bewijsminimumregel van artikel 342 lid 2 Sv Pro slechts heeft doen steunen op de verklaring van getuige [betrokkene 4] .
3.2
Bij de beoordeling van het middel kunnen de volgende overwegingen van de Hoge Raad worden vooropgesteld. Volgens artikel 342 lid 2 Sv Pro kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat artikel 342 lid 2 Sv Pro de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vereist een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van artikel 342 lid 2 Sv Pro, maar daarover slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid geven door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de beoordeling in cassatie of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd. [1]
3.3
Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt verder dat niet vereist is dat het steunbewijs betrekking heeft op de tenlastegelegde gedraging(en) [2] of op de betrokkenheid van de verdachte bij het strafbare feit. [3] Waar het om gaat is, in mijn woorden, of het steunbewijs “voldoende steun” biedt voor de verklaring van de getuige om van de betrouwbaarheid en daarmee de juistheid daarvan te kunnen uitgaan.
3.4
Het hof heeft de bewezenverklaring van – kort gezegd – schuldheling door de verdachte van drie gestolen fietsen doen steunen op een zevental bewijsmiddelen. Uit die bewijsmiddelen kan – samengevat – het volgende worden opgemaakt. De politie heeft op 29 april 2023 in een garagebox te [plaats] drie gestolen fietsen aangetroffen. De getuige [betrokkene 4] is de garagebox binnengekomen en heeft tegenover de verbalisanten verklaard dat de betreffende fietsen van hem zijn en dat hij de fietsen koopt van een andere meneer. Hij heeft daarbij een telefoonnummer getoond via welk nummer hij de fietsen koopt (bewijsmiddel 1). Uit een politiesysteem volgt dat dit telefoonnummer was gekoppeld aan de verdachte (bewijsmiddel 2). [betrokkene 4] beschikte over de fietssleutels van de fietsen (bewijsmiddel 3). In zijn politieverhoor (bewijsmiddel 4) heeft de getuige [betrokkene 4] met betrekking tot de drie fietsen verklaard dat hij een persoon op straat heeft ontmoet die vertelde dat hij fietsen te koop had en dat hij 50/60 euro per fiets heeft betaald. [betrokkene 4] heeft tijdens dat verhoor op een foto de verdachte herkend als de persoon van wie hij de fietsen koopt. Verder heeft [betrokkene 4] verklaard dat alles goed was aan de fietsen en ‘de persoon’ de fietsen bracht met alle toebehoren en die persoon zei dat hij de fietsen had gekregen. Tot slot bevat de bewijsvoering drie aangiften (bewijsmiddelen 5 t/m 7) waaruit volgt dat de aangetroffen fietsen zijn weggenomen op onderscheidenlijk 16 maart 2023, 29 april 2023 (dezelfde dag als het aantreffen van de fietsen in de garagebox) en 5 april 2023.
3.5
Ontegenzeggelijk nemen de verklaringen van de getuige [betrokkene 4] een belangrijke plaats in in het bewijs voor de tenlastegelegde en bewezenverklaarde schuldheling door de verdachte. Alleen uit de verklaringen van [betrokkene 4] kan immers rechtstreeks volgen dat [betrokkene 4] de fietsen die hij in de garagebox in bezit had heeft gekocht van de verdachte, en dus dat de verdachte de gestolen fietsen voorhanden heeft gehad en/of (aan [betrokkene 4] ) heeft overgedragen. Het hof heeft niet nader gemotiveerd in welke feiten of omstandigheden in de bewijsvoering het hof steun heeft gezien voor de verklaring van [betrokkene 4] over deze gang van zaken. In reactie op het verweer van de raadsvrouw dat het bewijsminimum in artikel 342 lid 2 Sv Pro niet wordt gehaald heeft het hof immers slechts overwogen dat dit verweer zijn weerlegging vindt in de bewijsmiddelen. Het hof legt de duiding van het steunbewijs daarmee volledig in handen van de cassatierechter.
3.6
Het laat zich indenken dat het hof in de eerste plaats steun voor de verklaringen van [betrokkene 4] heeft gezien in het feit dat [betrokkene 4] de gestolen fietsen in bezit had en hij de fietsen dus op enigerlei wijze moet hebben verkregen. De drie aangiften dat de fietsen ontvreemd zijn (bewijsmiddelen 5 t/m 7) en het proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat de betreffende fietsen door de politie zijn aangetroffen in een garagebox waarin [betrokkene 4] kwam binnenlopen (bewijsmiddel 1), vormen zo bezien het steunbewijs.
3.7
Iets vergelijkbaars is zichtbaar in de uitspraak van de Hoge Raad van 6 maart 2012 (scooterdiefstal). [4] In de zaak die aan dat arrest ten grondslag lag, zat de getuige samen met een bijrijder op een scooter toen zij een agent aanreden. In zijn politieverhoor verklaarde de getuige dat de verdachte de bijrijder was geweest en tevens dat zij twee weken daarvoor de scooter hadden gestolen. Dit – dat wil zeggen, hoofdzakelijk deze verklaring van de getuige dat hij tezamen met de verdachte de scooter had gestolen – resulteerde in een veroordeling van de verdachte voor de diefstal in vereniging van de scooter. De Hoge Raad oordeelde, ietwat samengevat, dat niet gezegd kon worden dat de verklaring van de getuige onvoldoende steun vond in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat dit overige bewijs inhield dat de scooter bij navraag bij de Rijksdienst voor het wegverkeer op naam bleek te staan van degene die aangifte had gedaan van de diefstal van haar scooter en dat zij deze scooter ook als de hare heeft herkend. Dat door de Hoge Raad aangeduide steunbewijs oogt mager. [5] Want wat zegt het feit dat genoegzaam blijkt dat de scooter waarover de getuige verklaart gestolen is, nu over de vraag of – naar de tekst van art. 342 lid 2 Sv Pro – “de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan”? Maar het gegeven dat de getuige verklaart over een strafbaar feit waarvan wel vaststaat dat het is begaan kan – zo laat de uitspraak van de Hoge Raad zich begrijpen – voldoende steun geven aan de verklaring van de getuige over de gang van zaken rond dat feit, waaronder de betrokkenheid van anderen. [6] In de literatuur is de uitkomst in cassatie in deze zaak ook in verband gebracht met het feit dat het hof de betrouwbaarheid van de getuige betrekkelijk uitgebreid had onderzocht en gemotiveerd. Met die motivering werd inzichtelijk gemaakt waarom het in dat geval – waarin de getuige dus betrouwbaar verklaart over een (min of meer) vaststaand strafbaar feit waarbij hijzelf betrokken was – verantwoord kon worden geacht om van zijn verklaring uit te gaan. [7]
3.8
De zaak die voorligt vertoont tot op zekere hoogte overeenkomsten met voornoemde zaak uit 2012, in die zin dat de getuige [betrokkene 4] een verklaring aflegt over een strafbaar feit – de (ver)koop van gestolen fietsen – waarbij hijzelf betrokken was, terwijl uit overige bewijsmiddelen genoegzaam blijkt dat [betrokkene 4] de fietsen in bezit had en dat de fietsen inderdaad gestolen waren. Toch wil ik ook twee verschillen aanduiden ten opzichte van de zaak uit 2012. In de eerste plaats volgt uit het bezit van de fietsen door [betrokkene 4] en het gegeven dat de fietsen blijkens de aangiften gestolen waren niet zonder meer dat [betrokkene 4] de fietsen ook daadwerkelijk van de verdachte heeft gekocht. Het bezit van de fietsen zegt immers nog niets over de wijze van verkrijging daarvan. Er blijven zeer wel alternatieven mogelijk, waarin [betrokkene 4] de fietsen misschien zelf heeft gestolen of van iemand anders (dan de verdachte) heeft gekocht, wiens identiteit hij wil achterhouden door de naam van de verdachte te noemen. In zoverre verklaart [betrokkene 4] wat betreft de verkoop van de fietsen dus niet over een strafbaar feit waarvan ook uit ander bewijs genoegzaam blijkt dat dit feit is begaan. Het steunbewijs in deze zaak verschaft zo bezien minder aanwijzingen – of: steun – voor de juistheid van de gang van zaken zoals door [betrokkene 4] verklaard. In het verlengde hiervan valt op – en dat is het tweede verschil met de zaak uit 2012 – dat het hof geen overwegingen heeft gewijd aan de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige. De vraag kan gesteld worden of daarvoor geen aanleiding bestaat in een zaak als deze, waarin de getuige, geconfronteerd met het bezit van gestolen goederen, met de beschuldigende vinger wijst naar een ander en overig “hard” bewijs voor die beschuldiging in feite ontbreekt. De opmerking van de raadsvrouw bij pleidooi dat “ [betrokkene 4] er belang bij [heeft] iemand anders aan te wijzen” is niet geheel onbegrijpelijk. Een overweging van het hof waaruit kan blijken waarom niettemin van de betrouwbaarheid van de verklaring van [betrokkene 4] kan worden uitgegaan, had eraan kunnen bijdragen dat alternatieven waarin bijvoorbeeld [betrokkene 4] zelf de fietsen heeft gestolen of (al dan niet bewust) een verkeerde persoon aanwijst onaannemelijker konden worden geacht. Daarmee zou het steunbewijs – het bezit van de gestolen fietsen – hebben gewonnen aan zeggingskracht voor de verklaring van [betrokkene 4] dat hij de fietsen heeft gekocht van de verdachte.
3.9
Een tweede element in de bewijsvoering van het hof betreft het telefoonnummer van de verdachte. Uit het als bewijsmiddel 2 gebruikte proces-verbaal van politie volgt dat [betrokkene 4] het telefoonnummer heeft verschaft dat in de politiesystemen is “gekoppeld” aan de verdachte. Dit geeft invulling aan zijn verklaring dat hij na telefonisch contact fietsen koopt van een persoon, die hij in zijn politieverhoor vervolgens, nadat hem (uitsluitend) een foto is getoond van de persoon aan wie het door [betrokkene 4] genoemde telefoonnummer in de politiesystemen blijkt te zijn gekoppeld, herkent als de verdachte. Anderzijds geldt ook hier dat het gegeven dat [betrokkene 4] kennelijk de verdachte (her)kent en over zijn telefoonnummer beschikt, nog weinig zegt over de verkoop van de gestolen fietsen door de verdachte. Meer zeggend was het wellicht geweest als uit de bewijsvoering zou blijken van daadwerkelijk telefonisch contact tussen [betrokkene 4] en de verdachte op momenten tussen de diefstal van de fietsen en het aantreffen van die fietsen in de garagebox. Maar uit de bewijsvoering blijkt niet van dergelijke omstandigheden die het telefoonnummer van de verdachte – en daarmee de verdachte zelf – ook los van de verklaring van [betrokkene 4] in relatie kunnen brengen met het bezit van de gestolen fietsen door [betrokkene 4] .
3.1
Dit alles brengt mij tot de conclusie dat het hof inzicht had moeten verschaffen in de vraag waarom naar het oordeel van het hof in dit geval aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv Pro is voldaan. Dat er sprake is geweest van een verkoop van gestolen fietsen voor lage bedragen door de verdachte – anders gezegd: dat het bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden – is welbeschouwd alleen terug te voeren op het zeggen van de getuige [betrokkene 4] . Het behoeft mijns inziens nadere motivering waarom deze verklaring niet op zichzelf staat, maar “voldoende steun” vindt in overig bewijsmateriaal. [betrokkene 4] beschikte weliswaar over gestolen fietsen en het telefoonnummer van de verdachte, maar uit wat ik hiervoor schreef volgt dat de waarborgfunctie van deze omstandigheden voor de betrouwbaarheid en juistheid van de verklaring van [betrokkene 4] – in de context van deze zaak – niet evident is en deze omstandigheden in betrekkelijk ruime mate alternatieven toelaten. Hoewel steunbewijs niet sluitend hoeft te discrimineren tussen de gang van zaken zoals door de getuige is geschetst en elk mogelijk te bedenken alternatief, behoeft het mijns inziens wel nadere motivering waarom met deze omstandigheden de verklaring van de getuige voldoende geborgd is in overig bewijs.

4.Slotsom

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het in de zaak met parketnummer 02-126023-23 onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452,
2.Vgl. HR 15 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:717,
3.Vgl. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144,
4.HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144,
5.Zo ook Corstens, Borgers en Kooijmans in
6.Vgl. L. Kesteloo,
7.Ontleend aan G.J.M. Corstens,