ECLI:NL:PHR:2026:422

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
16 april 2026
Zaaknummer
24/01614
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33a lid 1 onder c SrArt. 2 onder A OpiumwetArt. 2 onder B OpiumwetArt. 2 onder C OpiumwetArt. 1 vierde lid Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging verbeurdverklaring zaktelefoon en overschrijding redelijke termijn in cocaïne-invoeringszaak

De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 35 maanden gevangenisstraf wegens invoer, vervoer en bezit van circa 6,66 kilogram cocaïne, en daarnaast is een inbeslaggenomen zaktelefoon van het merk BQ verbeurd verklaard. Namens de verdachte is cassatie ingesteld tegen de verbeurdverklaring van deze telefoon.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte samen met anderen nauw en bewust heeft samengewerkt bij het binnenbrengen van de cocaïne in Nederland. Dit is onder meer bewezen met getuigenverklaringen, telefoongesprekken, observaties en het aantreffen van de drugs in een zending tropische vissen. De verdachte was betrokken bij de logistieke afhandeling en communicatie rondom de zending.

De procureur-generaal stelt echter dat uit het arrest en de bewijsvoering niet blijkt dat het bewezenverklaarde delict met behulp van de inbeslaggenomen zaktelefoon van het merk BQ is gepleegd. Volgens de wet is verbeurdverklaring alleen mogelijk als het voorwerp daadwerkelijk is gebruikt bij de voorbereiding of uitvoering van het delict, hetgeen hier niet expliciet is gemotiveerd.

Daarnaast merkt de procureur-generaal ambtshalve op dat de redelijke termijn voor berechting in cassatie is overschreden, wat mogelijk gevolgen kan hebben voor de duur van de opgelegde straf. De conclusie strekt tot vernietiging van de verbeurdverklaring van de zaktelefoon en tot terugwijzing van dat onderdeel van de zaak naar het hof voor hernieuwde berechting, met behoud van het overige oordeel.

Uitkomst: De verbeurdverklaring van de zaktelefoon wordt vernietigd en het onderdeel wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting; de straf kan worden verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01614
Zitting21 april 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 23 april 2024 door het gerechtshof Amsterdam [1] wegens "de eendaadse samenloop van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 35 maanden, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens een inbeslaggenomen, nog niet teruggeven zaktelefoon van het merk BQ verbeurd verklaard.
1.2
Namens de verdachte hebben J. Kuijper en Th.O.M. Dieben, beiden advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt dat de verbeurdverklaring van de zaktelefoon van het merk BQ onbegrijpelijk is.
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij op 4 september 2019 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft vervoerd en aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 9 liter vloeistof bevattende 6,66 kilogram cocaïne.”
2.3
Het hof heeft met betrekking tot het bewezenverklaarde als volgt overwogen:
“Aan de verdachte is (onder meer) tenlastegelegd dat hij cocaïne binnen het grondgebied, van Nederland heeft gebracht. Uit artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet, volgt dat onder "het binnen het grondgebied van Nederland brengen’' mede wordt verstaan: "(…) elke op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling” met betrekking tot die middelen. De betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
Uit de bewijsmiddelen leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.
Op 4 september 2019 te [plaats] zijn tijdens de aanhouding van de verdachte en [medeverdachte 1] in een Renault Kangoo 41 dozen aangetroffen met daarin plastic zakken met tropische vissen. In 5 van deze dozen is vloeibare cocaïne aangetroffen. Ook is een Air Waybill aangetroffen, waaruit blijkt dat de zending van 3 september 2019 afkomstig was van [A] ( [plaats] , Colombia) en bestemd was voor [B] ter attentie van [medeverdachte 2] .
De expediteur van deze zending was [C] BV. [getuige] , medewerker van [C] BV heeft verklaard dat hij met betrekking tot deze zending telefonisch en per e-mail contact heeft gehad met [medeverdachte 2] . [getuige] verklaart verder dat hij op een gegeven moment geen contact meer kon krijgen, waarna [medeverdachte 1] de nieuwe contactpersoon werd. Met [medeverdachte 1] heeft hij vervolgens administratieve zaken geregeld met betrekking tot de inklaring.
Op 1 september 2019 is er een ontmoeting geweest tussen [betrokkene 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte, waarbij kennelijk de uithaal op 4 september 2019 is besproken. Uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting volgt dat hij bij die bijeenkomst aanwezig was en dat er over de invoer is gesproken. Op enig moment heeft de verdachte zijn (half)broer benaderd om deel te nemen aan deze operatie en hem gevraagd de dozen op Schiphol op te halen.
Op 4 september 2019, de dag van het inklaren van de zending, zijn de verdachte en zijn medeverdachten geobserveerd, hebben er telefoongesprekken plaatsgevonden en zijn er gesprekken opgenomen in de Volkswagen Golf met [kenteken] . Hieruit is het volgende gebleken.
In de vroege ochtend heeft [betrokkene 1] twee Nokia-telefoons gekocht. Een daarvan heeft hij voor zichzelf gehouden en de ander heeft hij aan [medeverdachte 1] gegeven. Daarna zijn de verdachte, [betrokkene 1] en [medeverdachte 1] met elkaar opgetrokken die dag tot het moment van aanhouding. In die tijd hebben ze veelvuldig telefonisch contact onderhouden met elkaar, maar ook met [medeverdachte 2] , waarbij het steeds over de uithaal van de - kort daarvoor uit Colombia aangekomen - vissen en de cocaïne en de verdere gang van zaken die dag gaat.
[medeverdachte 1] kreeg tijdens, het contact met [betrokkene 1] en de verdachte instructies. De verdachte en [medeverdachte 1] zijn samen eerst naar een loods van Shurgard gegaan, die door de verdachte is geregeld. Vervolgens heeft [betrokkene 1] zich bij de verdachte en [medeverdachte 1] gevoegd. Daarna is [medeverdachte 1] weggereden in de Renault Kangoo en zijn [betrokkene 1] en de verdachte samen weggereden in de Volkswagen Golf.
[medeverdachte 1] is vervolgens haar [C] BV gegaan, waarna hij richting het KLM Dierenhotel is gereden. De Volkswagen Golf is al die tijd in de buurt gebleven. [medeverdachte 1] heeft bij het KLM Dierenhotel de dozen in zijn auto geladen en vanuit de Volkswagen Golf is een extra koerier geregeld. De Renault Kangoo is vervolgens van het terrein afgereden en teruggereden naar de loods van Shurgard. Op het moment dat daar dozen werden verplaatst, zijn onder andere [medeverdachte 1] . en de verdachte aangehouden.
Het hof stelt, gelet op al deze feiten en omstandigheden en gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat sprake is. geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, en dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de cocaïne. Daarbij overweegt het hof dat - anders dan de verdediging lijkt te stellen - voor de vraag of sprake is van medeplegen van (verlengde) invoer, in dit geval, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet relevant is of en zo ja in hoeverre de verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding voor zover die ziet op het traject dat zich in het buitenland (Colombia) heeft afgespeeld. Het verweer dat de verdachte van de (verlengde) invoer moet worden vrijgesproken, wordt dan ook verworpen.”
2.4
Uit de bewijsvoering volgt – voor zover hier van belang – het volgende:
“3. Een proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina's 788 tot en met 823.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisant:
De volgende verdachten en mobiele telefoons spelen een rol:
[…]
[verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1975.
Telefoon
Apple type iPhone 6s, [telefoonnummer] .”
2.5
Het hof heeft met betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven telefoon – een zaktelefoon van het merk BQ – als volgt overwogen:
“Het bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurdverklaard.”
2.6
Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn onder meer voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid (art. 33a lid 1 onder c Sr). De vatbaarheid van goederen voor verbeurdverklaring hoeft niet te blijken uit de gebezigde bewijsmiddelen. Het is wel noodzakelijk dat het oordeel over die vatbaarheid berust op gegevens die uit het onderzoek ter terechtzitting zijn gebleken. [2] De instrumenta delicti moeten bij de voorbereiding of uitvoering van het delict daadwerkelijk zijn gebruikt. Indien het daadwerkelijke gebruik van een voorwerp niet direct duidelijk is, behoeft verbeurdverklaring op deze grond expliciete motivering. [3]
2.7
Nu uit de overwegingen van het hof, noch uit het verhandelde ter terechtzitting of de bewijsvoering kan volgen dat het bewezenverklaarde is begaan met behulp van de inbeslaggenomen zaktelefoon van het merk BQ, [4] is het oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk. Het middel is daarmee terecht voorgesteld.

3.Slotsom

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen meer dan twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 24 april 2024. Daarmee zal de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Als de overschrijding van de redelijke termijn kan worden beperkt tot minder dan één maand kan worden volstaan met de constatering daarvan. [5] Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de straf, maar uitsluitend wat betreft de beslissing tot verbeurdverklaring van de zaktelefoon BQ (goednummer […] ) en – afhankelijk van de mate van overschrijding van de redelijke termijn – eventueel de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot eventuele vermindering van de duur van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam , opdat de zaak wat betreft dat inbeslaggenomen voorwerp opnieuw wordt berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 23-000996-20.
2.HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4668.
3.HR 18 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7366.
4.Daarbij merk ik op dat een blik over de papieren muur leert dat onder de verdachte bij zijn aanhouding en insluiting, naast een Apple Iphone 6s, wel een telefoon van het merk BQ is aangetroffen en in beslag is genomen en dat het gaat om een PGP-telefoon. Vgl. Proces-verbaal van bevindingen aantreffen telefoons bij verdachte, p. 98 tot en met 100 van het procesdossier.
5.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2.