Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:439

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
24/01930
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 378 lid 2 SvArt. 404 lid 5 SvArt. 415 lid 1 SvArt. 423 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering bewijsmiddelen in hoger beroep opiumwet- en wapenfeiten

De verdachte is in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld voor medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met de Opiumwet en de Wet wapens en munitie, en vrijgesproken in een andere zaak. Het hof bevestigde het vonnis, behalve de strafoplegging, en veroordeelde de verdachte tot vijf maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

In hoger beroep ontkende de verdachte de tenlasteleggingen in de zaak met parketnummer 15-008952-23 en pleitte zijn raadsman vrijspraak. De Hoge Raad oordeelt dat het hof in dat geval het mondelinge vonnis van de politierechter slechts met een nadere motivering van de bewijsmiddelen had mogen bevestigen, zoals vereist in art. 423 lid 1 Sv Pro en art. 359 lid 3 Sv Pro.

De Hoge Raad stelt vast dat het hof dit niet heeft gedaan en dat het arrest daarom niet voldoet aan de wettelijke eisen voor de motivering van de bewezenverklaring. De zaak wordt daarom vernietigd voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging in de zaak 15-008952-23 betreft en terugverwezen naar het hof Amsterdam voor een nieuwe beoordeling.

De overige beslissingen, waaronder de bevestiging van het vonnis in de zaak 15-126124-20 en de vrijspraak in 15-102081-23, blijven in stand. De Hoge Raad merkt op dat de redelijke termijn is overschreden, maar dit geen gevolgen heeft voor de vernietiging en terugwijzing.

De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging en terugwijzing van het arrest voor het deel van de bewezenverklaring en strafoplegging in de zaak 15-008952-23, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de bewezenverklaring en strafoplegging in zaak 15-008952-23 en terugverwezen naar het hof Amsterdam.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01930
Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Bij arrest van 8 mei 2024 heeft het gerechtshof Amsterdam [1] het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 september 2023 in de gevoegde strafzaken met parketnummers 15-126124-20, 15-008952-23 en 15-102081-23 bevestigd behalve ten aanzien van de strafoplegging en in zoverre het vonnis vernietigd en opnieuw recht gedaan. De verdachte is aldus veroordeeld in de zaak met parketnummer 15-126124-20 wegens onder 1 subsidiair “medeplichtigheid bij het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 subsidiair “medeplichtigheid tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” en in de zaak met parketnummer 15-008952-23 wegens onder 1 “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste
[DP: ik begrijp eerste lid]van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd” tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van voorarrest.
1.2
Namens de verdachte heeft L.C. de Lange, advocaat in Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld. Ik begin met de bespreking van het derde middel.

2.Het derde middel

2.1
Het derde middel [2] klaagt dat het arrest van het hof niet een opgave bevat van de bewijsmiddelen waarin de feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring worden weergegeven en het hof heeft verzuimd een aanvulling met daarin de gebezigde bewijsmiddelen op te maken.
2.2
De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte in de zaak met parketnummer 15-102081-23 vrijgesproken. In de zaken met parketnummers 15-126124-20 en 15-008952-23 heeft de politierechter ten laste van de verdachte het volgende bewezenverklaard:

Ten aanzien van 15-126124-20:
1 subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen op 6 februari 2020 te [plaats] met elkaar, althans één van hen opzettelijk heeft/hebben geteeld in een pand aan de [a-straat 1] een hoeveelheid van 71 hennepplanten, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 6 februari 2020 te [plaats], opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2 subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 15 juni 2019 tot en met 6 februari 2020 te [plaats]
- een hoeveelheid elektriciteit (totaal: 80096 kWh), die geheel of ten dele aan Liander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die onbekend gebleven perso(o)n(en) dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking, en
- een hoeveelheid water (totaal: 2596 m3), die geheel of ten dele aan Pwn, toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die onbekend gebleven perso(o)n(en) weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van verbreking bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 15 juni 2019 tot en met 6 februari 2020 te [plaats], opzettelijk behulpzaam is geweest door de woning (aan de [a-straat 1]) (voor die diefstal) ter beschikking te stellen;
Ten aanzien van 15-008952-23:
1
hij op 14 januari 2022 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 12.35 gram, van een materiaal bevattende cocaïne;
2
hij op 14 januari 2022 te [plaats] een wapen van categorie III, onder I van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de vorm van een pistool en munitie, meerdere scherpe centraal-vuur projectielpatronen categorie III, voorhanden heeft gehad”.
2.3
Het mondeling vonnis van de politierechter is op grond van art. 378 lid 2 Sv Pro aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. Die aantekening houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
De hiervoor onder A weergegeven verklaring van de verdachte.
Hetgeen van de dossierstukken in dit proces-verbaal hiervoor onder I t/m XXI is opgenomen.”
2.4
In het proces-verbaal zijn onder I t/m XXI de ter terechtzitting voorgehouden dossierstukken vermeld. Voor zover hier van belang gaat het om:
“Ten aanzien van 15-126124-20:
Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair:
I.
- een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 15-20 en fotobijlage dossierpagina’s 21-58);
II.
- een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 59-61);
III.
- een schriftelijk bescheid, te weten een bericht van ABN AMRO d.d. 4 maart 2020 met kenmerk […] (dossierpagina 147);
IV.
- een proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 1] d.d. 20 februari 2020 (dossierpagina’s 154 - 160);
V.
- een proces-verbaal van aangifte door Liander d.d. 6 februari 2020 en bijlagen (dossierpagina’s 168-195);
VI.
- een proces-verbaal van aangifte door PWN d.d. 6 februari 2020 en bijlagen (dossierpagina’s 196-200);
VII.
- een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina 201);
VIII.
- een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 208 en 209);
IX.
- een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 202 en 203).
Ten aanzien van 15-008952-23:
ten aanzien van feit 1 en 2:
X.
- een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 50 e.v.);
ten aanzien van feit 1:
XI.
- een proces-verbaal van bevindingen en/of verrichtingen (dossierpagina’s 70 e.v.);
XII.
- een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen (dossierpagina’s 190 e.v.);
XIII.
- een rapport van het NFI d.d. 21 februari 2022 met kenmerk 2022.02.18.121 (dossierpagina 201);
ten aanzien van feit 2:
XIV.
- een proces-verbaal onderzoek ombouw gas/alarmvuurwapen. patroonmagazijn en munitie (dossierpagina’s 241 e.v.);
XV.
- een proces-verbaal vooronderzoek lab (dossierpagina’s 219 e.v.);
XVI.
- deskundigenrapportage Forensisch DNA-onderzoek (dossierpagina’s 227 e.v.).”
2.5
De in het proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter onder A opgenomen verklaringen van de verdachte houden in:
“A
Ten aanzien van 15-126124-20 feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair
Ik blijf bij de bekennende verklaring die ik heb afgelegd op de OM-hoorzitting.
Ten aanzien van 15-008952-23 feit 1 en 2:
Het klopt dat ik op 14 januari 2022 op het adres [b-straat 1] te [plaats] was en dat ik daar op een groot bed aan het slapen was, toen de politie kwam. Ik heb op 14 januari 2022 de patroonhouder waarop mijn DNA is aangetroffen, opgepakt. Er zaten kogels in.
Het klopt dat ik tegen de politieagent heb gezegd dat hij mijn rijbewijs uit mijn tas mocht halen.”
2.6
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 24 april 2024 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De advocaat-generaal draagt de zaak voor.
De verdachte, die hoger beroep heeft ingesteld, wordt onmiddellijk na de voordracht van de advocaat- generaal in de gelegenheid gesteld mondeling de bezwaren tegen het vonnis op te geven. Hij zegt dat hij ten onrechte is veroordeeld in de zaak met parketnummer 15-008952-23.
De raadsman legt enkele stukken over in het kader van de wens van de verdachte het hoger beroep partieel in te trekken. Dit verzoek heeft betrekking op de zaak met parketnummer 15-126124-20. Deze stukken worden in het dossier gevoegd.
De voorzitter maakt er melding van dat formeel de zaken met beide parketnummers ter beoordeling voorliggen.
[…]
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
Zowel de cocaïne als het vuurwapen is niet van mij. Ik childe weleens in de woning. Ik wist niet wie de hoofdbewoner was. Er kwamen daar veel jongens, het leek net een buurthuis. Ik had op dat adres (op een ander huisnummer) een postadres. [betrokkene 2] die ken ik, hij is niet verbonden aan de woning. [betrokkene 3] ken ik van die woning, maar niet heel goed. De avond voor de inval was ik daar aan het chillen. Op dat moment waren [betrokkene 4], [betrokkene 5] en nog zeven of acht personen daar ook. [betrokkene 4] en [betrokkene 5] bleven ook slapen. Het was druk die dag. Er werd daar gechild, gespeeld op de Playstation en er werden jointjes gerookt. In [plaats] heb je verder niets te doen. Normaal val ik niet in slaap in de woning. In de woonkamer zag ik een patroonhouder op tafel liggen, pakte die op, keek ernaar, ik schrok en legde die meteen weer terug. Ik sprak er met niemand over en ik ging weer verder met de Playstation. Op dat moment was ik onder invloed van een paar jointjes. Ik heb geen flauw idee wie die houder daar heeft gelegd. Het aanraken was rond 9 uur ‘s avonds en rond 12 à 1 uur ‘s nachts ben ik gaan liggen. In de tussentijd moet de patroonhouder onder het matras zijn neergelegd. Ik weet niet door wie de slaapkamer normaal wordt gebruikt. Het is echt een ’chill huis’, iedereen kon er slapen.
De portemonnee met cocaïne is door iemand in paniek in mijn tas gestopt, net toen de politie binnenviel. Ik had de tas niet de hele tijd bij mij. Op het moment dat de politie mij vroeg naar een identiteitsbewijs lag de tas op de grond in de slaapkamer.
Het gaat goed met mij. Ik ben loodgieter en bezig met het opbouwen van mijn eenmanszaak. Ik heb het vak geleerd van een ander en nu kan ik zelfstandig werken. Ik werk 40 uur per week en 1 dag in de week loop ik een taakstraf. Ik deel samen met [betrokkene 5] een woning. Ik heb nog geen kinderen en kan goed rondkomen. Ook ben ik gestopt met blowen.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
De verdediging stelt zich op het standpunt dat op basis van het wettige bewijs geen overtuiging kan bestaan dat het is gegaan volgens de lezing van de politierechter en de advocaat-generaal. De lezing van cliënt wordt niet weersproken door enig bewijsmiddel in het dossier. Beschikkingsmacht was er, maar de vraag is of met voldoende zekerheid kan worden vastgestéld dat hij zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen en het daarmee voorhanden heeft gehad. Ik noem hierbij twee arresten van de Hoge Raad met de ECLI-nummers: ECLI:NL:HR:2020:504 en- ECLI:NL:HR:2020:507. Het DNA van cliënt op de patroonhouder is wellicht een aanwijzing, echter is aan de gehele buitenzijde van het vuurwapen onderzoek gedaan en daar is geen DNA aangetroffen van cliënt. Het ligt in de lijn der verwachting dat indien cliënt beschikkingsmacht had over het vuurwapen, hij dan ook enig spoor op het vuurwapen had achtergelaten. Daarnaast zijn op andere delen van het vuurwapen vier DNA sporen aangetroffen van in ieder geval drie verschillende personen, waarvan één vrouw. Daaruit kun je opmaken dat meerdere personen het wapen voorhanden zouden kunnen hebben gehad. Bij deze mate van onzekerheid vraag ik u - in het licht van in dubio pro reo - cliënt vrij te spreken.
Ten aanzien van het aanwezig hebben van cocaïne geldt ook in dubio pro reo. We kunnen wel vaststellen dat het zijn tas was waarin de cocaïne is aangetroffen, maar meer dan dat is er niet. Het staat niet vast dat het zijn portemonnee is. Zijn dacty zijn er niet op aangetroffen. Het is ook niet logisch dat hij naar zijn eigen tas wijst als hij weet dat daar cocaïne in zit.
Ten aanzien van de hennepzaak is de redelijke termijn geschonden en voorts is het bepaalde van artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Ten aanzien van het beslag vraag ik alles terug te geven aan cliënt.
Bij een bewezenverklaring vraag ik u geen detentie op te leggen, maar de straf te beperken tot een voorwaardelijke straf in combinatie met een taakstraf, dan wel een beperkte onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het betrof hier een omgebouwd vuurwapen en cliënt is de juiste weg ingeslagen.”
2.7
De meervoudige kamer van het hof heeft bij schriftelijk arrest het vonnis in eerste aanleg bevestigd, behalve ten aanzien van de strafoplegging. Het hof heeft de bewezenverklaring in de zaken met parketnummers 15-126124-20 en 15-008952-23 zonder aanvulling van gronden bevestigd.
2.8
Art. 1 van Pro de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 [3] (verder: de Regeling) houdt in dat de aantekening van een mondeling vonnis van de politierechter in geval van een bewezenverklaring onder meer de navolgende gegevens dient te bevatten:
“b.
alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt).”
2.9
Art. 359 Sv Pro, dat ingevolge art. 415 lid 1 Sv Pro ook in hoger beroep toepasselijk is, luidt als volgt:
“[…]
3.
De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, kan een opgave van bewijsmiddelen volstaan, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.
[…]
8.
Alles op straffe van nietigheid.”
2.1
In zijn arrest van 6 september 2016 [4] overwoog de Hoge Raad het volgende:
“2.2.1.
De aantekening van een mondeling vonnis van de politierechter dient ingevolge art. 378, tweede lid, Sv te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) (hierna: de Regeling).
- Art. 1 van Pro de Regeling houdt in dat de aantekening van een mondeling vonnis van de politierechter in geval van bewezenverklaring onder meer de navolgende gegevens dient te bevatten:
“b.
alle gebezigde bewijsmiddelen en andere gronden voor de bewezenverklaring, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt).”
- Art. 3 van Pro de Regeling houdt wat betreft de uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep onder meer het volgende in:
“b.
beslissing omtrent het vonnis waartegen hoger beroep is ingesteld (gehele of gedeeltelijke bevestiging/gehele of gedeeltelijke vernietiging);
(…)
d.
inhoud van de bewijsmiddelen, voor zover deze tot het bewijs van het (de) tenlastegelegde feit(en) dient, alsmede vermelding van de redengevende feiten en omstandigheden, voor de beslissing dat het (de) feit(en) door de verdachte(n) is (zijn) begaan (voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken. Indien niet de gehele inhoud voor het bewijs is gebezigd, dan aangeven welk deel wel is gebruikt).”
[…]
Bevestiging van een mondeling vonnis bij schriftelijk arrest
2.3.1.
Op grond van art. 423, eerste lid, Sv is zowel de meervoudige als de enkelvoudige kamer van het hof bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen. Dit geldt ook indien het een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. De bevoegdheid om zo een mondeling vonnis te bevestigen is niet beperkt tot het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro (bekennende verdachte).
2.3.2.
Indien die aantekening mondeling vonnis wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen — in overeenstemming met de Regeling — verwijst naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, is de meervoudige kamer van het hof in geval van bevestiging van het vonnis in beginsel niet gehouden de inhoud van die stukken (alsnog) in zijn arrest op te nemen. Gelet op het bepaalde in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro lijdt dit evenwel uitzondering indien ter terechtzitting van de meervoudige kamer in hoger beroep door de verdachte anders — dat wil zeggen: niet in bekennende zin — is verklaard of door zijn raadsman vrijspraak is bepleit. In dat geval dient bevestiging te geschieden met aanvulling van gronden, dus met opneming van de (uitgewerkte) inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen in het arrest. Dat houdt in dat de feiten of omstandigheden die redengevend zijn geacht voor de bewezenverklaring, moeten zijn vervat in de door het hof gebezigde en in zijn arrest weergegeven bewijsmiddelen. Indien zij niet in die bewijsmiddelen zijn vermeld, moet het hof met voldoende mate van nauwkeurigheid (a) die feiten of omstandigheden aanduiden, en (b) het wettige bewijsmiddel of de wettige bewijsmiddelen aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend.
[…]
Bevestiging en vernietiging van een mondeling vonnis bij mondeling arrest
2.5.
Indien de enkelvoudige kamer van het hof mondeling arrest wijst, mag de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in overeenstemming met de Regeling - verwijzen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, ongeacht of het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro zich voordoet. Deze verwijzing kan, ook in geval van vernietiging van het mondeling vonnis bij mondeling arrest, zowel het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg als het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep betreffen.”
2.11
Allereerst verdient opmerking dat het middel faalt voor zover het klaagt dat het hof het vonnis in eerste aanleg heeft bevestigd, terwijl dit niet voldoet aan de ingevolge art. 378 lid 2 Sv Pro jo. art. 1 aanhef Pro en onder b van de Regeling geldende eisen inzake de weergave van de bewijsmiddelen. Anders dan de steller van het middel meent, volgt uit deze regeling dat voor de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden verwezen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en andere processtukken, ook ingeval de verdachte heeft ontkend of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit. De politierechter kon in de onderhavige zaak derhalve volstaan met verwijzing naar processtukken zoals weergegeven onder de randnummers 2.3 en 2.4 van deze conclusie.
2.12
De steller van het middel heeft evenwel een punt dat de verdachte bij de behandeling van de zaak in hoger beroep de in de zaak met parketnummer 15-008952-23 tenlastegelegde feiten heeft ontkend en zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit, zodat het hof het mondelinge vonnis in zoverre enkel had mogen bevestigen met de in art. 423 lid 1 Sv Pro bedoelde aanvulling van gronden, bestaande uit de in art. 359 lid 3 Sv Pro bedoelde inhoud van bewijsmiddelen houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Hier is immers geen sprake van de situatie dat de
enkelvoudigekamer van het hof
mondelingarrest wijst als bedoeld in de Regeling (dan mag de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in overeenstemming met de Regeling - verwijzen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, ongeacht of het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro zich voordoet [5] ), maar van de situatie dat een
meervoudigekamer van het hof
schriftelijkarrest wijst, in welk geval het voorschrift van art. 359 lid 3 Sv Pro onverminderd geldt. [6]
2.13
Het middel slaagt derhalve. Dit moet er mijns inziens toe leiden dat het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de beslissingen in de zaak met parketnummer 15-008952-23 en de strafoplegging. De beslissingen in de zaken 15-126124-20 en 15-102081-23 kunnen in stand blijven. Voor de zaak met parketnummer 15-102081-23 geldt dat de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en in hoger beroep ingevolge art. 404 lid 5 Sv Pro niet-ontvankelijk is verklaard in zijn appel tegen deze vrijspraak, zodat het voor zich spreekt dat van uitwerking van de bewijsmiddelen geen sprake kan zijn. Voor de zaak met parketnummer 15-126124-20 geldt dat sprake is van een geval waarin de verdachte het tenlastegelegde feit in eerste aanleg heeft bekend. In hoger beroep is getracht het appel in te trekken ten aanzien van het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 15-126124-20 en is in dit verband verder geen verweer gevoerd. Er doet zich dus niet de situatie voor dat ter “terechtzitting van de meervoudige kamer in hoger beroep door de verdachte anders — dat wil zeggen: niet in bekennende zin — is verklaard of door zijn raadsman vrijspraak is bepleit” [7] , zodat het hof ten aanzien van deze zaak kon volstaan met bevestiging van het vonnis van de politierechter.
Het eerste en tweede middel
2.14
Het eerste en tweede middel behoeven geen bespreking meer. Deze bevatten immers klachten over het onder 1 en 2 bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 15-008952-23, ten aanzien van welke zaak deze conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing naar het hof Amsterdam.

3.Slotsom

3.1
Het derde middel slaagt. De overige middelen behoeven geen bespreking.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan twee jaar nadat op 15 mei 2024 het cassatieberoep is ingesteld. Daarmee zal de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro worden overschreden. Nu de conclusie mede strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de strafoplegging en terugwijzing kan het tijdsverloop bij een nieuwe behandeling door het hof aan de orde worden gesteld en heeft dit in cassatie geen consequenties. [8] Verder heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar enkel wat betreft de beslissingen ten aanzien van de feiten in de zaak met parketnummer 15-008952-23 en de strafoplegging, tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam opdat de zaak in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 23-002474-23.
2.In de cassatieschriftuur zijn twee cassatiemiddelen opgenomen. In de aanvullende cassatieschriftuur is één cassatiemiddel opgenomen. Ik heb dit aangeduid als het derde cassatiemiddel.
4.HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026,
5.Vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026,
6.HR 16 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:725, r.o. 2.4.
7.HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026,
8.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD257,