ECLI:NL:PHR:2026:457
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Cassatie over massaalbezwaarplusprocedure en Kerstarrest box 3-heffing
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen het oordeel van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant dat hij niet in aanmerking komt voor ambtshalve vermindering van aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2017-2020, waarin box 3-heffing is begrepen, met een beroep op het Kerstarrest.
De Rechtbank oordeelde dat de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering van art. 45aa(b) Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (URIB 2001) van toepassing is en dat de inspecteur een pleitbare opvatting had. De Rechtbank verwierp dat eerdere arresten van de Hoge Raad de onjuistheid van de aanslagen al aantonen en oordeelde dat de verzoeken van belanghebbende onverschoonbaar te laat zijn ingediend.
In cassatie worden negen middelen voorgesteld, onder meer over de verschoonbaarheid van het te late bezwaar, de uitleg van jurisprudentie, de toepassing van het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwen in uitlatingen van de staatssecretaris. De Procureur-Generaal concludeert dat geen van de middelen slaagt en adviseert de Hoge Raad het beroep ongegrond te verklaren.
De zaak betreft een proefprocedure binnen de massaalbezwaarplusprocedure en behandelt complexe vragen over rechtszekerheid, formele rechtskracht, en de verhouding tussen nationale en Europese jurisprudentie inzake box 3-heffing.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de verzoeken om vermindering van de aanslagen worden afgewezen.