ECLI:NL:RBZWB:2025:4557
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroepen tegen afwijzing ambtshalve vermindering inkomstenbelasting box 3 jaren 2017-2020
Belanghebbende maakte beroep tegen de afwijzing door de inspecteur van verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2017 tot en met 2020. De rechtbank behandelde de beroepen op zitting en beoordeelde of de aanslagen verminderd moesten worden.
Belanghebbende voerde onder meer aan dat het toepasselijke artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 exceptief getoetst moest worden en dat het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel waren geschonden. De rechtbank oordeelde dat de inspecteur het mei-arrest juist had uitgelegd, dat de nieuwe jurisprudentiebepaling niet in strijd is met artikel 1 EVRM Pro en dat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel of willekeur.
Verder wees de rechtbank het beroep op het vertrouwensbeginsel af omdat geen expliciete toezegging was gedaan dat niet-bezwaarmakers aanslagvermindering zouden krijgen. Ook het aanwijzingsbesluit 2015 was niet van toepassing op de jaren na 2016. De verzoeken om ambtshalve vermindering werden als bezwaarschriften aangemerkt, maar niet als verschoonbaar te laat ingediend geaccepteerd.
De rechtbank concludeerde dat de beroepen ongegrond zijn en dat belanghebbende geen griffierecht of proceskostenvergoeding krijgt.
Uitkomst: De beroepen van belanghebbende worden ongegrond verklaard en de aanslagen worden niet verminderd.