Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak
3.De eerste drie middelen
De feiten
[opmerking hof: dit betreft een verbalisant die na [betrokkene 1] naar binnen ging]is er naar toe gelopen en hij zag dat de ruimte een soort van schuur betrof welke zich in dezelfde ruimte bevond als het eerder genoemde kantoortje. Er stonden tientallen blauwe vaten van 20 liter met als inhoud ethanol, aceton in het schuurtje. Een collega-verbalisant heeft hierop contact gezocht met Landelijke Faciliteit Ontmantelen. Gezien het bovenstaande rees het vermoeden dat er zich in de kelder een drugslab kon bevinden. Vervolgens is er met de officier van justitie, contact geweest en deze gaf toestemming om de woning te betreden. Vlak daarna kwam verdachte toevallig aanrijden. Verdachte heeft de huissleutels gegeven en hierop werd de woning binnengetreden. In de kelder trof men pillen en poeder aan.
In die voetnoot wordt verwezen naar: ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.4.4, D.P.] blijkt dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) ligt, onder meer omdat van een opsporingsonderzoek nog geen sprake was. Uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 12 september 2023 blijkt voorts dat zo nodig ook een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling door andere personen dan opsporingsambtenaren. Daarvoor is vereist dat (i) de resultaten van een onrechtmatige handeling zijn gebruikt bij het opsporingsonderzoek haar of de vervolging van een verdachte voor ten laste gelegde feiten en (ii) de resultaten door dit gebruik van bepalende invloed zijn geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of van de vervolging. Als daarvan sprake is, is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan het gebruik van de resultaten van een onrechtmatige handeling en, zo ja, welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van de inbreuk die dit gebruik maakt op de rechten van de verdachte. Bij het bepalen van een rechtsgevolg kan aansluiting worden gezocht bij de in art. 359a tweede lid Sv genoemde factoren, terwijl ook het uitgangspunt van subsidiariteit in acht moet worden genomen. De rechter kan tot het oordeel komen dat de onrechtmatige handeling door de andere persoon dan de opsporingsambtenaar, die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging, dwingt tot bewijsuitsluiting. Dat is allereerst aan de orde als bewijsuitsluiting noodzakelijk is om de schending van het in art. 6 EVRM Pro bedoelde recht op eerlijk proces te voorkomen. Daarnaast kan bewijsuitsluiting in aanmerking komen als de opsporingsambtenaar direct of indirect betrokken is bij de onrechtmatige handeling door een andere persoon en het gebruik van de resultaten, mede gelet op wijze waarop die zijn verkregen, een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel zou opleveren. Van een zodanige betrokkenheid van een opsporingsambtenaar kan sprake zijn als deze het gedrag van de betreffende persoon heeft geïnitieerd of gefaciliteerd, daaronder mede begrepen dat de opsporingsambtenaar het onrechtmatige gedrag van die persoon welbewust heeft laten begaan en/of voortduren.
geen enkele invloedheeft gehad op het verloop van het opsporingsonderzoek of de vervolging van verdachte. De gemeentelijke toezichthouder is de bedrijfsruimte rechtmatig binnen gegaan en heeft een constatering gedaan die leidde tot het vermoeden van een strafbaar feit. Als de politiefunctionaris niet mee naar binnen was gegaan maar buiten was blijven wachten, was deze slechts enkele momenten later op de hoogte geraakt van de bevinding van de toezichthouder. Het resultaat was hetzelfde geweest. Ook de ernst van het verzuim acht het hof gering. De toezichthouder betrad rechtmatig een niet-afgesloten bedrijfsruimte. De politiefunctionaris die de toezichthouder volgde, is verder niet actief opgetreden en heeft op het moment van en direct na zijn binnentreden zeker geen opsporings- of onderzoekshandelingen verricht. De vaten zijn ook niet als eerste door de betreffende politiefunctionaris opgemerkt. Het verzuim heeft zich vermoedelijk voorgedaan doordat niemand in het team zich op dat moment realiseerde dat men even had moeten afwegen of er een legitieme reden was dat de politie meteen mee naar binnen liep. Dan had die afweging achteraf ter controle kunnen worden geverbaliseerd. Voor de volledigheid merkt het hof nog op dat van enige opzettelijke onrechtmatige sturing door de politie of van het bewust of onbewust schenden van het recht op een eerlijk proces van verdachte niet is gebleken.
uitsluitendkan worden aangemerkt als opsporing in de zin van art. 132a Sv (dus als onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen) levert dat een vormverzuim op. [7] Daarvan zal bij een integrale controle niet snel sprake zijn, omdat daarmee in de regel ook andere dan strafrechtelijke belangen zijn gediend die de toepassing van toezichtbevoegdheden op basis van de Awb rechtvaardigen.
rechtmatigde bedrijfsruimte binnen is gegaan – welk oordeel blijkens hetgeen ik in het kader van de bespreking van het tweede middel uiteen heb gezet juist is – en de in het verlengde daarvan liggende overwegingen dat het de toezichthouder is die de constatering heeft gedaan die leidde tot het vermoeden van een strafbaar feit, zodat de politiefunctionaris hooguit enkele momenten eerder op de hoogte is geraakt van het strafbare feit dan in het scenario waarin hij – conform art. 5:15 lid 3 jo Pro. art. 5:13 Awb Pro – buiten was blijven wachten. Ik wijs er in dit verband op dat het hof heeft overwogen dat de politiefunctionaris zich niet actief heeft opgesteld, direct na het binnentreden geen opsporingshandelingen heeft verricht en dat van enige opzettelijke onrechtmatige sturing door de politie of van het bewust of onbewust schenden van het recht op een eerlijk proces van de verdachte geen sprake is.
4.Het vierde middel
criminaliteiten signalen van strafbare feiten binnen krijgt in een gebied dat men als hotspot heeft bestempeld. Vormen van criminaliteit die door de overheid op goede wijze moet kunnen worden aangepakt, oftewel een leuk bedachte samenwerking tussen diverse partijen waarbij bestuursrecht- en strafrecht worden vermengd om in te kunnen grijpen en criminaliteit op te kunnen sporen.
Voorwaardelijk verzoek van de verdediging
Noodzakelijkheidscriterium