Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:500

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
24/00506
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 68 SrArt. 313 SvArt. 314a SvArt. 359 lid 2 SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt wijziging tenlastelegging en strafvermindering wegens termijnoverschrijding bij handel in cocaïne

De zaak betreft een verdachte die werd veroordeeld voor meerdere Opiumwetdelicten, waaronder handel in cocaïne over een periode van een jaar, medeplegen van wapendelicten en witwassen. De rechtbank Limburg legde een gevangenisstraf van 15 maanden op, welke door het hof 's-Hertogenbosch werd bevestigd. De tenlastelegging was in eerste aanleg beperkt tot een periode van twee weken, maar werd door de rechtbank gewijzigd en uitgebreid tot een jaar.

De verdediging stelde in cassatie dat deze verruiming van de tenlastelegging onterecht was omdat de gedragingen onvoldoende samenhang vertoonden en het niet hetzelfde feit zou betreffen in de zin van art. 68 Sr Pro. De Hoge Raad oordeelde dat het hof het juiste toetsingskader had toegepast en dat de gedragingen voldoende samenhang vertoonden, omdat de verdachte gedurende de gehele periode op soortgelijke wijze aan dezelfde afnemers cocaïne had verkocht. Dit werd gezien als één voortdurende strafbare situatie.

Daarnaast klaagde de verdediging dat het hof onvoldoende had gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt over de strafoplegging, met name vanwege het ontbreken van justitiële documentatie, de ouderdom van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn. De Hoge Raad stelde dat het hof dit standpunt toereikend had gemotiveerd verworpen, mede omdat de rechtbank in haar vonnis uitgebreid had gemotiveerd waarom de termijnoverschrijding was verdisconteerd in de straf.

De Hoge Raad vernietigde het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase en bepaalde dat de straf verminderd moest worden. Voor het overige werd het beroep verworpen. De straf werd vastgesteld op 15 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het hofarrest voor de strafoplegging wegens termijnoverschrijding en vermindert de straf tot 15 maanden gevangenisstraf, het overige beroep wordt verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00506
Zitting19 mei 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
Bij arrest van 8 februari 2024 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch (parketnummer 20/000932-23) het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht , van 22 maart 2023 bevestigd. Bij dat vonnis is de verdachte in de zaak met parketnummer 03/720987-18 wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”, 4. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod” en 5. “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod”, en in de zaak met parketnummer 03/866020-20 wegens 1. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en 2. “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr Pro. De rechtbank heeft voorts de teruggave aan de verdachte gelast van een inbeslaggenomen geldbedrag van € 740,-.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00510 en 24/00507. De Hoge Raad heeft bij uitspraken van 15 april 2025 het cassatieberoep in deze zaken niet-ontvankelijk verklaard.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.L. L'Homme en O.F. Qane, beiden advocaat in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel komt op tegen (de motivering van) het oordeel van het hof dat de rechtbank op juiste gronden de vordering tot wijziging van de tenlastelegging (ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03/720987-18 als feit 4 ten laste gelegde) heeft toegestaan. Het tweede middel klaagt dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aangaande de strafoplegging.

2.Bewezenverklaring en bewijsvoering

2.1
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 03/720987-18 als feit 4 bewezenverklaard dat hij:
“in de periode van 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018 in [plaats] en in [plaats] opzettelijk heeft verkocht en verstrekt een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;”
2.2
Aan deze bewezenverklaring is het volgende ten grondslag gelegd (met overneming van voetnoten):

Zaak 03/720987-18, feit 4: handel in cocaïne
De witte Nokia telefoon die op de bank lag, werd onderzocht. Hierin zat een Vodafone simkaart met [telefoonnummer 1] . In deze telefoon stonden 195 berichten. Veel van deze berichten hadden kennelijk betrekking op de verkoop van verdovende middelen.
Aan de hand van deze berichten werden mogelijke drugskopers via de telefoonnummers achterhaald en gehoord. [1]
[getuige 1] heeft op 18 juni 2018 als getuige verklaard dat zij sinds een jaar cocaïne bij haar dealer bestelde en hem € 25,- betaalde voor een halve gram. Hij reed in een zwarte of grijze auto. Ze spraken dan af bij station [plaats] . Aan haar werd een fotoblad getoond met foto’s van drie personen, waarbij zij verklaart dat zij denkt dat het persoon 2 was die haar steeds de cocaïne verkocht. [2]
Op het fotoblad is de verdachte de persoon op foto nummer 2. [3]
[getuige 2] heeft op 19 juni 2018 als getuige verklaard dat hij in het verleden cocaïne gebruikte en kocht bij iemand die hij ‘Bro’ noemde. Meestal spraken ze af bij de [A] of bij de ABN AMRO bank op [B] . Hij heeft de afgelopen drie jaar alleen bij hem gekocht, tientallen keren. De dealer kwam in een zwarte Kia met Nederlands kenteken. Meestal gebruikte hij een halve of een hele gram per dag en dan meerdere keren per week, soms wel vijf tot zes dagen per week. Het telefoonnummer van de dealer betrof [telefoonnummer 2] . De dealer kwam altijd zelf. Aan de getuige worden drie foto’s getoond. De getuige herkent voor 100% de persoon op foto nummer 2 als zijnde zijn dealer. [4] Later bleek dat het telefoonnummer waarmee [getuige 2] contact had gehad, het nummer [telefoonnummer 1] betrof. [5]
Op het fotoblad is de verdachte de persoon op foto nummer 2. [6]
[getuige 3] heeft op 20 juni 2018 als getuige verklaard dat hij sinds twee jaar cocaïne koopt bij zijn dealer, die hij kent als ‘ [naam 1] ’. Deze dealer heeft het [telefoonnummer 1] . Soms koopt hij één keer per week, soms meerdere keren per week, maar gemiddeld één keer per week. Aan de getuige worden een aantal foto’s getoond. De getuige herkent de persoon op foto 2 als de man die hij [naam 1] noemt. [7]
Op het fotoblad is de verdachte de persoon op foto nummer 2. [8]
Tevens is op 6 juli 2018 een getuige onder nummer gehoord. Deze getuige heeft verklaard dat hij of zij sinds een jaartje cocaïne bij de dealer koopt, meestal 0,4 gram, soms om de week of om de drie weken. Hij of zij noemt de dealer ‘ [naam 2] ’. Hij reed in verschillende auto’s. De laatste keren kwam hij in een zwarte Kia. Aan de getuige wordt een fotoblad getoond met vier foto’s. De getuige herkent de personen op foto 1 en 3. De getuige verklaart dat volgens hem de persoon op foto 1 de persoon is die zich [naam 2] noemt.
Opmerking verbalisant: de persoon op foto 1 betreft [verdachte] .
De persoon op foto 3 kwam ook wel eens af en toe. Getuige belde dan naar [naam 2] , de man van foto 1, en dan kwam de man van foto 3 afleveren.
Opmerking verbalisant: de persoon op foto 3 betreft [naam 3] . [9]

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de rechtbank op juiste gronden de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 03/720987-18 als feit 4 tenlastegelegde heeft toegestaan, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.
3.2
In de zaak met parketnummer 03/720987-18 was aan de verdachte als feit 4 aanvankelijk ten laste gelegd dat:
“hij in of omstreeks de periode van
30 mei 2018 tot en met 11 juni 2018 [10] in [plaats] en/of in [plaats] , in elk geval in het arrondissement [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
3.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 8 maart 2023 heeft de rechtbank op die zitting een vordering van de officier van justitie tot wijziging van voornoemde tenlastelegging toegewezen. Na wijziging luidde de tenlastelegging dat:
“hij in of omstreeks de periode van
11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018 [11] in [plaats] en/of in [plaats] , in elk geval in het arrondissement Limburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
3.4
De raadsman van de verdachte heeft – nadat hij zich in eerste aanleg heeft verzet tegen wijziging van de tenlastelegging – ten overstaan van het hof geklaagd dat de rechtbank de vordering tot wijziging van de tenlastelegging ten onrechte heeft toegewezen. Blijkens zijn aan het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 25 januari 2024 gehechte pleitnotities, heeft hij in dit kader het volgende naar voren gebracht:

Wijziging tenlastelegging
1. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de vordering tot wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03/720987-18 ten onrechte heeft toegewezen. Die vordering hield verband met het vierde ten laste gelegde feit, te weten – kort gezegd – de handel in cocaïne. In het bijzonder zag de vordering op het uitbreiden van de ten laste gelegde periode: van minder dan twee weken naar een periode van een jaar.
2. De verdediging blijft bij haar standpunt dat deze wijziging een aanzienlijk verschil oplevert in de gedragingen, welk verschil tot de slotsom leidt dat geen sprake meer is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr Pro. Hoewel de uitbreiding van de periode dezelfde juridische kwalificatie heeft, is naar ons oordeel sprake van onvoldoende samenhang tussen de verweten gedragingen. Hierbij is van belang de aard en strekking van de gedragingen en de tijd, plaats en omstandigheden waaronder zij zijn verricht. Bij voortdurende delicten kan gesteld worden dat sprake is van hetzelfde feitencomplex, denk aan vrijheidsberoving of het voorhanden hebben van verdovende middelen. Het dealen van drugs is niet aan te merken als voortdurend delict. Hiervoor moet immers telkens een aparte handeling plaatsvinden waarbij die handelingen vaak ook op verschillende plaatsen worden verricht.
3. Door de uitbreiding van de periode voor de duur van een jaar wordt het feitencomplex aangevuld met wezenlijk andere feitelijke handelingen die in een te ver verwijderd verband staan van de oude ten laste gelegde handelingen (van twee weken).”
3.5
Het hof heeft dit standpunt als volgt verworpen:
“Standpunt verdediging met betrekking tot toegestane wijziging tenlastelegging.
Oorspronkelijk was aan verdachte onder feit 4 van parketnummer 03/720987-18 als delictsperiode ten laste gelegd de periode van 30 mei 2018 tot en met 11 juni 2018. De rechtbank heeft ter zitting van 8 maart 2023 een vordering wijziging tenlastelegging toegestaan waarbij de delictsperiode werd gewijzigd en uitgebreid naar de periode van 11 juni 2017 naar 11 juni 2018. Het gaat hierbij om – kort gezegd – de handel in cocaïne gedurende de ten laste gelegde periode in welke delictsomschrijving door de wijziging verder geen verandering is gebracht.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat door de uitbreiding van de delictsperiode het feitencomplex is aangevuld met wezenlijk andere feitelijke handelingen die in een te ver verwijderd verband staan van de oude ten laste gelegde handelingen gedurende een periode van twee weken. Kort gezegd is er volgens de verdediging door de uitbreiding van de delictsperiode niet langer sprake van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr Pro op grond waarvan de vordering tot wijziging van de tenlastelegging niet had mogen worden toegewezen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof stelt het volgende voorop.
Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit”, dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr Pro ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten, en in de situatie waarop art. 313 Sv Pro ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken.
Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.
(A) De juridische aard van de feiten.
Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft
(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en
(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.
(B) De gedraging van de verdachte.
Het hof is gelet op voormeld beoordelingskader van oordeel dat door de enkele uitbreiding van de periode waarin verdachte in cocaïne heeft gehandeld, de juridische aard noch de gedraging van de verdachte zodanig is gewijzigd dat daardoor geen sprake meer zou zijn van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr Pro. Gelet hierop heeft de rechtbank op juiste gronden de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegestaan en verwerpt het hof het andersluidende standpunt van de verdediging.”
3.6
Voorafgaand aan de bespreking van het eerste middel merk ik op dat het hof voor de beoordeling van het standpunt van de verdediging over de wijziging van de tenlastelegging het kader uit art. 313 Sv Pro heeft toegepast, waarin wordt verwezen naar art. 68 Sr Pro (zie hierna randnummer 3.7 e.v.). Gelet op de fase waarin de aanvankelijke tenlastelegging in deze zaak is opgesteld, namelijk op het moment dat de geldigheidsduur van het bevel tot gevangenhouding d.d. 21 juni 2018 niet meer kon worden verlengd, en gelet op hetgeen de officier van justitie over de aanvankelijke tenlastelegging heeft opgemerkt op de terechtzitting van de rechtbank van 8 maart 2023 (“er was destijds sprake van een voorlopige tenlastelegging”), heb ik mij afgevraagd of de aanvankelijke tenlastelegging in deze zaak niet moe(s)t worden beschouwd als een voorlopige omschrijving van de feiten ex art. 261 lid 3 Sv Pro, waarop het kader van art. 314a Sv van toepassing is. In de stukken die op de voet van art. 434 lid 1 Sv Pro naar de strafgriffie van de Hoge Raad zijn toegezonden, vind ik echter onvoldoende aanknopingspunten om dat vermoeden te staven; [12] in ieder geval hebben de rechtbank en het hof de aanvankelijke omschrijving van de feiten blijkens hun overwegingen daarover opgevat als een definitieve tenlastelegging, waarop het kader uit art. 313 Sv Pro van toepassing is.
3.7
In het eerste lid van art. 313 Sv Pro is bepaald dat in het geval de officier van justitie van oordeel is dat de tenlastelegging moet worden gewijzigd, hij de inhoud van de door hem noodzakelijk geachte wijzigingen schriftelijk aan de rechtbank overlegt, met de vordering dat die wijzigingen zullen worden toegelaten. Uit het tweede lid van art. 313 Sv Pro volgt dat de vordering tot wijziging van de tenlastelegging wordt getoetst naar de maatstaven van art. 68 Sr Pro: het lid houdt in dat wijziging in geen geval is toegelaten, als ten gevolge van die wijziging niet langer sprake is van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr Pro.
3.8
De Hoge Raad heeft ter beoordeling van de in de tenlastelegging en in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten een aantal vergelijkingsfactoren geformuleerd. [13] Deze betreffen (A) de juridische aard van de feiten en (B) de gedraging van de verdachte. De Hoge Raad overweegt over de gedraging van de verdachte dat indien de tenlastelegging en de vordering tot wijziging daarvan niet dezelfde gedraging beschrijven, de mate van verschil tussen de gedragingen van belang kan zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. In algemene zin geldt, aldus de Hoge Raad, dat uit de bewoordingen van het begrip “hetzelfde feit” voortvloeit dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Daarbij geldt als vuistregel dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van “hetzelfde feit” in de zin van art. 68 Sr Pro. Ik merk op dat het hof door weergave van voornoemde vergelijkingsfactoren in het bestreden arrest (zie randnummer 3.5, onder A en B) het juiste toetsingskader heeft aangelegd. Het oordeel van het hof getuigt in zoverre dus niet van een onjuiste rechtsopvatting.
3.9
In de onderhavige zaak houdt de wijziging van de tenlastelegging een verruiming van de pleegperiode in (van twee weken naar een jaar). [14] De juridische aard van het aanvankelijk ten laste gelegde feit (kort gezegd: de handel in cocaïne) wordt daarmee niet aangetast; de centrale vraag is of met de wijziging van de pleegperiode nog kan worden gesproken van dezelfde (feitelijke)
gedraging van de verdachte.
3.1
Volgens de stellers van het middel heeft het hof die vraag ten onrechte bevestigend beantwoord. Zij voeren in de toelichting op het middel aan dat de uitbreiding van de pleegperiode ertoe leidt dat – gelet op de aard van het tenlastegelegde feit – onvoldoende samenhang bestaat tussen de verweten gedragingen, nu in de verlengde pleegperiode verschillende handelingen (kunnen) hebben plaatsgevonden op verschillende plaatsen, onder van elkaar verschillende omstandigheden. Dat leidt er volgens de stellers van het middel toe dat “niet kan worden aangenomen dat sprake is van een zodanig verband met betrekking tot de gelijktijdigheid van die gedragingen en de wezenlijke samenhang in het handelen en de schuld van rekwirant, dat de gedachte achter de in art. 313, tweede lid, Sv opgenomen beperking – die naar art. 68 Sr Pro verwijst – meebrengt dat de gevorderde wijziging toelaatbaar is.”
3.11
De vraag of na verruiming van de tenlastegelegde pleegperiode nog gesproken kan worden van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr Pro, is al enkele malen eerder voorgelegd aan de Hoge Raad. In de strafzaak die voorafging aan het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE3728) had het hof de verdachte onder meer veroordeeld voor het “als bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”. Ten aanzien van dit feit had de rechtbank een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, inhoudende een verruiming van de tenlastegelegde pleegperiode met ruim 4,5 jaar, toegewezen. Het hof oordeelde dat de rechtbank de gevorderde wijziging terecht had toegelaten, omdat het tenlastegelegde feit een voortdurend delict betrof, dat zich – blijkens de gevorderde wijziging – uitstrekte over een langere periode en eerder bleek te zijn begonnen, maar waarbij sprake is van dezelfde deelnemers aan de organisatie en soortgelijke gedragingen, zodat sprake is van “hetzelfde feit” in de zin van art. 68 Sr Pro. Dat oordeel getuigde volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting. [15]
3.12
In een zaak die later dat jaar aan de Hoge Raad voorlag (HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9043) had het hof een (door de rechtbank niet toegelaten) wijziging van de tenlastelegging toegestaan, waarmee onder meer de tenlastegelegde pleegperiode van – feitelijk samengevat – het plegen van ontucht met een minderjarige jongen met twee jaren werd verlengd. Het middel dat klaagde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de gevorderde wijziging toelaatbaar was, faalde volgens de Hoge Raad. Daarbij wees de Hoge Raad erop dat het hof had geoordeeld dat een wezenlijke samenhang bestond in de gedragingen en de schuld van de verdachte en dat in de omstandigheden van dit geval de desbetreffende gedragingen moesten worden aangemerkt als één feitencomplex, voortvloeiend uit een en dezelfde (mede) seksueel georiënteerde duurzame relatie tussen de verdachte en dezelfde minderjarige. De Hoge Raad merkte voorts op dat in de overwegingen van het hof besloten lag dat de aan de verdachte verweten seksuele contacten in het door de wijziging van de tenlastelegging toegevoegde deel van de pleegperiode naar aard, plaats en frequentie op gelijksoortige wijze plaatvonden als in de periode van de oorspronkelijke tenlastelegging en gelijkelijk voortvloeiden uit die reeds bestaande relatie en dat aldus de situatie waarin de ontuchtige handelingen in de in de aanvankelijke tenlastelegging opgenomen periode telkens zouden zijn gepleegd gedurende de periode nadien ten aanzien van een of meer van de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven vormen van ontucht ongewijzigd is blijven voortduren. Een en ander gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, en was ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. [16]
3.13
De voornoemde zaken hebben met de onderhavige zaak gemeen dat een aanzienlijke verruiming van de tenlastegelegde pleegperiode werd toegestaan. In de zaken uit 2002 overwogen de hoven over de verruiming van de tenlastegelegde periode in relatie tot het criterium uit art. 68 Sr Pro dat sprake was van een “voortdurend delict” (als bestuurder deelnemen aan een criminele organisatie) en het “ongewijzigd […] voortduren” van de in de tenlastelegging omschreven vormen van ontucht. [17] De hoven beschouwden de in de aanvankelijke en de gewijzigde tenlastelegging opgenomen gedragingen als één voortdurende strafbare situatie (één feitencomplex), zodat sprake was van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr Pro. Aan dat oordeel legde het hof in de onder 3.11 besproken zaak ten grondslag dat sprake was van dezelfde deelnemers aan de criminele organisatie en dezelfde gedragingen. In de onder 3.12 besproken zaak lag in de overwegingen van het hof besloten dat de gedragingen in het bij wijziging van de tenlastelegging toegevoegde deel van de pleegperiode naar aard, plaats en frequentie op gelijksoortige wijze plaatsvonden als in de periode van de oorspronkelijke tenlastelegging, en gelijkelijk voortvloeiden uit de reeds bestaande relatie tussen de verdachte en het slachtoffer.
3.14
In de onderhavige zaak volstaat het hof met het oordeel dat vanwege de enkele uitbreiding van de periode waarin de verdachte in cocaïne heeft gehandeld, de juridische aard noch de gedraging van de verdachte zodanig is gewijzigd dat daardoor geen sprake meer zou zijn van hetzelfde feit als bedoeld in art. 68 Sr Pro. In de bewijsvoering die aan de veroordeling van de verdachte voor het onderhavige feit ten grondslag ligt, ligt besloten dat de verdachte in de gehele bewezenverklaarde pleegperiode (die de aanvankelijk tenlastegelegde periode includeert) zeer frequent en op soortgelijke wijze cocaïne heeft verkocht aan steeds dezelfde afnemers. Er zijn geen afnemers die niet in de aanvankelijke tenlastegelegde periode, maar wel in de gewijzigde periode drugs hebben gekocht bij de verdachte. Anders gezegd: de verdachte wordt in de gewijzigde tenlastelegging slechts verweten dat hij langer (en dus vaker) cocaïne heeft verkocht aan dezelfde mensen. Dat het hof heeft geoordeeld dat sprake is van voldoende samenhang tussen de verweten gedragingen en deze handelingen – die blijkens de verklaringen van de getuigen naar aard en strekking sterk overeenkomen – kennelijk heeft opgevat als één voortdurende strafbare situatie, zodat feitelijk sprake is van dezelfde gedraging, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.
3.15
Het eerste middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel behelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359 lid 2 Sv Pro heeft nagelaten in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunt aangaande de strafoplegging.
4.2
Over de strafoplegging is door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van het hof van 25 januari 2024 aangevoerd:
“Mocht u tot een strafoplegging komen, verzoek ik u rekening te houden met het gegeven dat cliënt geen relevante documentatie heeft. Daarnaast is van belang dat – voor zover het onderzoek AUDI betreft – sprake is van zeer oude feiten en de redelijke termijn ruimschoots is overschreden terwijl dit niet aan cliënt kan worden toegerekend. Dit dient te worden verdisconteerd in een op te leggen straf.”
4.3
Het hof heeft dit standpunt in zijn arrest van 8 februari 2024 als volgt verworpen:
“De verdediging heeft voor wat betreft de strafoplegging nog aangevoerd dat vanwege het ontbreken van justitiële documentatie, de ouderdom van de feiten en de overschrijding van de redelijke termijn verdisconteerd dienen te worden in een op te leggen straf (
hof begrijpt dient te leiden tot een lagere dan de rechtbank opgelegde straf).
Het hof verwerpt het standpunt, onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in het bestreden vonnis onder punt 6 (pagina 9 e.v. van het vonnis) heeft overwogen, waar het hof zich achter schaart.”
4.4
Het vonnis van de rechtbank houdt onder punt 6 in:

6 De straf
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 16 maanden met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit om bij de bepaling van de straf rekening te houden met het gegeven dat de verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft, en met de overschrijding van de redelijke termijn.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft gedurende een jaar gehandeld in harddrugs, heeft gedurende drie jaren grote sommen geld witgewassen en heeft verdovende middelen, alsmede een vuurwapen, voorhanden gehad.
De hoeveelheid van in totaal ruim 200 gram harddrugs en softdrugs die verdachte voorhanden had, vertegenwoordigt een aanzienlijke straatwaarde. Het behoeft geen betoog dat met name harddrugs grote gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor de gebruikers en zorgen voor overlast in de samenleving. De handel in verdovende middelen gaat bovendien gepaard met grote zwarte geldstromen die de legale economie ondermijnen. Naast de verdovende middelen had de verdachte ook een semiautomatisch gaspistool voorhanden. Het ongecontroleerde bezit van een vuurwapen brengt een onaanvaardbaar risico met zich voor de veiligheid van personen, en tast het gevoel van veiligheid in de maatschappij aan. Met name de combinatie van de verdovende middelen en het vuurwapen met munitie baart de rechtbank ernstige zorgen.
Tevens heeft hij zich niet alleen zelf schuldig gemaakt aan deze strafbare feiten: hij heeft ook zijn vriendin, zijn ex-vrouw en twee van zijn vrienden/kennisen bij zijn criminele activiteiten betrokken.
Houding verdachte
De verdachte heeft, zo volgt uit de gegevens van de Belastingdienst, sinds 2015 geen legale inkomen vergaard of hiervan aangifte gedaan. Kennelijk was de handel in verdovende middelen zo lucratief dat hij hiermee kon voorzien in zijn levensonderhoud. De verdachte heeft op geen enkel moment de verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Ook ter terechtzitting heeft de rechtbank geen andere indruk gekregen van de verdachte dan van een man die het laakbare van zijn handelen niet inziet, en die zelfs als dealer de publiciteit opzoekt. Bovendien heeft de verdachte, terwijl de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 03/720987-18 geschorst was, zich opnieuw schuldig gemaakt aan Opiumwetdelicten. Het lijkt erop dat de verdachte meent dat hij boven de wet staat en regels voor hem niet gelden. De enige passende reactie hierop is afstraffing in de vorm van een langdurige gevangenisstraf.
Redelijke termijn
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het recht van de verdachte op een berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, is overschreden en dat deze overschrijding verdisconteerd moet worden in de strafoplegging.
De Hoge Raad heeft in zijn uitleg van de redelijke termijn als uitgangspunt genomen dat de behandeling van een zaak in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De redelijke termijn is aangevangen op het moment waarop verdachte door de politie is aangehouden en (in de zaak met parketnummer 03/720987-18) in verzekering is gesteld, te weten op 11 juni 2018. De rechtbank had derhalve in beginsel vóór 11 juni 2020 vonnis moeten wijzen.
Ter gelegenheid van de eerste terechtzitting d.d. 25 september 2018, in de zaak met parketnummer 03/720987-18, is door de rechtbank het verzoek tot het horen van drie getuigen op verzoek van de verdediging toegewezen. Twee van hen zijn op 7 februari 2019 gehoord bij de rechter-commissaris: van een derde getuige bleek op 11 december 2019 dat deze niet meer te traceren was. De rechtbank had desondanks vóór 11 juni 2020 uitspraak kunnen doen. Zij zal echter pas uitspraak doen op 22 maart 2023. Dit betekent dat de redelijke termijn met twee jaren en ruim negen maanden is overschreden.
Met deze forse overschrijding zal de rechtbank, overeenkomstig de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, rekening houden bij de bepaling van de straf.
Straf
In beginsel acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden passend. Zij zal echter, gelet op de forse termijnoverschrijding, volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet of tot het moment dat de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde is, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering.”
4.5
De jurisprudentie van de Hoge Raad over de motivering van de strafoplegging houdt, voor zover voor de bespreking van dit middel van belang, het volgende in. In de eerste plaats geldt dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid, wat inhoudt dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. Aan het voorgaande ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is. [18]
4.6
Waar het gaat om de motiveringsverplichting van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv past de hiervoor genoemde terughoudendheid van de Hoge Raad als cassatierechter bij de eisen die in de rechtspraak van de Hoge Raad in het algemeen worden gesteld aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en de invulling van de responsieplicht van de feitenrechter als hij afwijkt van zo’n standpunt. Van belang hierbij is in het bijzonder het arrest van 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130. Zo levert een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de feitenrechter daarvan juist zou moeten afzien. De feitenrechter moet dan op grond van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door de feitenrechter genoemde gronden voor de opgelegde straf. [19]
4.7
De verdediging heeft in hoger beroep verzocht om – indien zou worden besloten tot oplegging van een straf – rekening te houden met (i) het ontbreken van (relevante) justitiële documentatie (ii) de ouderdom van de feiten en (iii) de overschrijding van de redelijke termijn die niet aan de verdachte kan worden toegerekend.
4.8
Blijkens het bestreden arrest heeft het hof dit verweer – dat feitelijk niet meer inhoudt dan een opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen (vgl. randnummer 4.6) – opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aangaande de straftoemeting. Het hof heeft het verweer vervolgens verworpen onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank in het vonnis onder punt 6 heeft overwogen. In die strafmaatoverwegingen is de rechtbank ingegaan op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, de houding van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn. Uit de bespreking van de overschrijding van de redelijke termijn kan worden afgeleid dat de vervolging op zichzelf kort na het begaan van de bewezenverklaarde feiten is ingesteld, en dat de overschrijding van de redelijke termijn is gelegen in de lange looptijd van de zaak bij de rechtbank. De rechtbank heeft vervolgens inzichtelijk gemaakt op welke wijze zij de termijnoverschrijding (waarmee de ouderdom van de feiten op het moment van de veroordeling dus sterk samenhangt) in de strafoplegging heeft betrokken. Voor de goede orde merk ik op dat van een overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep geen sprake was.
4.9
Het hof heeft het verweer van de verdediging aangaande de strafoplegging onder verwijzing naar deze overwegingen toereikend gemotiveerd verworpen. Dat het hof (of de rechtbank) daarbij niet expliciet aandacht heeft besteed aan het ontbreken van relevante justitiële documentatie, maakt dat niet anders: het hof is niet gehouden bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder onderdeel van de argumentatie in te gaan. [20]
4.1
Het tweede middel faalt.

5.Slotsom

5.1
Beide middelen falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met een aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak gaat doen nadat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak, zoals bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, op 15 februari 2026 is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Andere gronden die ambtshalve tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik niet aangetroffen.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2018, pagina 482.
2.Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 18 juni 2018, pagina 479 tot en met 481.
3.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2018, pagina 483.
4.Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 juni 2018, pagina 488 tot en met 491.
5.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2018, pagina 492.
6.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2018, pagina 494.
7.Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 3] d.d. 20 juni 2018, pagina 498 tot en met 501.
8.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 juli 2018, pagina 503.
9.Het proces-verbaal van getuige 890935 d.d. 6 juli 2018, pagina 512 tot en met 515.
10.Onderstreping VS.
11.Onderstreping VS.
12.Zo wordt in de dagvaarding – hoewel ook niet vereist, zie HR 21 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9125 – niet vermeld dat deze een voorlopige tenlastelegging bevat en legt de officier van justitie aan zijn vordering tot wijziging van de tenlastelegging (enkel) art. 313 Sv Pro ten grondslag.
13.Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102,
14.Een tweede wijziging betreft het arrondissement waarin het tenlastegelegde delict zou zijn gepleegd: de aanvankelijk tenlastegelegde pleegplaats, zijnde “in [plaats] en/of in [plaats] , in elk geval in het arrondissement [plaats] ” is gewijzigd in “in [plaats] en/of in [plaats] , in elk geval in het arrondissement Limburg”. Daarover klaagt het middel niet.
15.HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728, rov. 3.2-3.3.
16.HR 24 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9043,
17.Bij de toewijzing van de vordering tot wijziging van de tenlastelegging op de zitting van de rechtbank van 8 maart 2023 omschrijft de rechtbank het onderhavige feit ook als een voortdurend delict.
18.HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:294,
19.HR 11 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:294,
20.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,