ECLI:NL:HR:2006:AU9125
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en geldigheid voorlopige dagvaarding bevestigd
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van invoer van cocaïne en deelneming aan een criminele organisatie. De dagvaarding was aanvankelijk een voorlopige dagvaarding conform art. 261, derde lid, Wetboek van Strafvordering (oud). De Officier van Justitie had de tenlastelegging later aangepast conform art. 314a Sv.
De verdediging stelde dat de dagvaarding nietig was omdat niet expliciet was vermeld dat het een voorlopige dagvaarding betrof, waardoor de latere aanpassing niet toegestaan zou zijn. De Hoge Raad oordeelde dat het vertrouwensbeginsel niet vereist dat een voorlopige dagvaarding expliciet als zodanig wordt aangeduid. De aanpassing van de tenlastelegging was daarom toegestaan.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro in cassatiefase was overschreden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaar naar vijf jaar en acht maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en bevestigde de overige onderdelen van het arrest, waaronder de geldigheid van de dagvaarding en de tenlastelegging.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vijf jaar en acht maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; overige klachten worden verworpen.