Conclusie
1.[verweerder 1] ,
[eiseres]respectievelijk (gezamenlijk)
[verweerders], en de laatsten individueel als
[verweerder 1]en
[verweerder 2].
1.Inleiding en samenvatting
RCCS) verleende verschillende diensten op het gebied van waardetransport, waaronder het leveren van (contant) wisselgeld. [eiseres] heeft op 12 oktober 2020 een raamovereenkomst gesloten met RCCS met betrekking tot de levering van wisselgeld. Op dinsdag 1 maart 2022, rond 09:45 uur, hebben RCCS en RCCS Holding B.V. (hierna:
RCCS Holding) per e-mail aan de rechtbank Den Haag een verzoekschrift, zonder bijlagen, tot het verlenen van surseance van betaling toegezonden. Op 1 maart 2022, om 11:06 uur, heeft [eiseres] via het online portal van RCCS een wisselgeldbestelling geplaatst voor € 500.000,- en dat bedrag diezelfde dag overgemaakt. Een dag later, op 2 maart 2022, heeft de advocaat van RCCS het verzoekschrift, met bijlagen, fysiek ingediend bij de rechtbank. Eveneens op 2 maart 2022, om 16:50 uur, heeft de rechtbank Den Haag voorlopige surseance van betaling verleend aan RCCS en RCCS Holding. Op maandag 7 maart 2022 heeft de rechtbank Den Haag de voorlopige surseance van betaling ingetrokken en het faillissement van RCCS en RCCS Holding uitgesproken. De curatoren hebben [eiseres] geïnformeerd dat zij een concurrente vordering in het faillissement van RCCS heeft. [eiseres] heeft de (indirecte) bestuurders van RCCS, [verweerders] , aansprakelijk gesteld voor haar schade.
2.Feiten
CiT);
DNB) wisselgeld bij.
de betaalrekening);
de wisselgeldrekening); en
Privatbank) voor de verwerking van de CiT-gelden en de SmartSafe-gelden.
het CiT-tekort).
Ziemann) met – voor zover hier van belang – de volgende inhoud:
de update). Hierin was, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
(…)”
de begeleidende brief) is – voor zover van belang – het volgende vermeld:
3.Procesverloop
het hof) in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank. In principaal appel heeft [eiseres] geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – alsnog haar vorderingen zal toewijzen.
het bestreden arrest) heeft het hof in principaal appel het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daartoe heeft het overwogen dat voor [verweerders] vóór 1 maart 2022 onvoldoende voorzienbaar was dat RCCS haar verplichtingen jegens [eiseres] niet zou kunnen nakomen, zodat aan hen als indirecte bestuurders hiervan niet persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Voorts heeft het hof overwogen dat de beslissing om, teneinde het beoogde akkoord te kunnen bereiken, op 2 maart 2022 een formeel surseanceverzoek in te dienen niet als zo onzorgvuldig kan worden beschouwd dat [verweerders] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt in de zin dat zij daarmee verhaal door [eiseres] hebben gefrustreerd (rov. 5.18).
4.Bespreking van het cassatiemiddel
samtliche Betriebsmittel,Verträge, Personal,Kunden, Pipeline, Goodwill etc” [onderstreping door hof]. Dat dit, anders dan [verweerders] stellen, niet zou meebrengen dat Ziemann ook de wisselgeldschulden zou overnemen, is door [eiseres] onvoldoende onderbouwd. Dat deze schulden in het plan niet met name worden genoemd, is daarvoor onvoldoende. [verweerders] hebben bovendien voldoende gemotiveerd gesteld dat Ziemann er belang bij had zoveel mogelijk klanten te behouden. Nu veel klanten zowel CiT- en SmartSafe-diensten als wisselgelddiensten afnamen, had Ziemann er belang bij om jegens hen de openstaande wisselgeldverplichtingen na te komen. Daarbij hebben [verweerders] onweersproken gesteld dat de daarmee gemoeide schuld op de totale schuldenlast gering was. Ook de omstandigheid dat in het surseance-verzoek geen melding wordt gemaakt van de wisselgeldschulden is voor de stelling van [eiseres] niet redengevend. De wisselgeld-activiteiten vormden, in relatie tot de CiT- en SmartSafe-diensten een betrekkelijk klein onderdeel van RCCS en stonden los van die activiteiten. Uiteraard zouden ook de wisselgeldactiviteiten in gevaar komen als RCCS de CiT- en SmartSafe-diensten zouden moeten staken, omdat RCCS in dat geval haar hele onderneming zou moeten staken, maar dit bedrijfsonderdeel verkeerde zelf niet in moeilijkheden. De omstandigheid dat in het verzoekschrift niet wordt gesproken over de wisselgeldactiviteiten kan in het licht van het voorgaande niet worden uitgelegd als een aanwijzing dat deze activiteiten niet zouden worden gered.
ten eerstedat het oordeel in rov. 5.16 onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat het niet gedragen kan worden door de motivering in rov. 5.14 dat Ziemann er belang bij had om zoveel mogelijk klanten te behouden, nu veel klanten zowel CiT- en SmartSafe-diensten als wisselgelddiensten afnamen, en Ziemann er belang bij had om
jegens hende openstaande wisselgeldverplichtingen na te komen. Het middel voert aan dat [eiseres] , anders dan de meeste andere klanten, [4] geen CiT- en SmartSafe-diensten van RCCS afnam, maar slechts wisselgelddiensten. [5] Die diensten vormden bovendien maar een zeer beperkt deel van de activiteiten van RCCS. [6] Het middel betoogt dat het argument dat RCCS er belang bij had om wisselgelddiensten na te komen teneinde klanten te behouden, daarom niet opgaat voor [eiseres] .
ten derdebetoogd dat het oordeel ook ontoereikend is gemotiveerd omdat het hof niet heeft gerespondeerd op [eiseres] ’ essentiële stelling dat Ziemann geen belang erbij had om de € 500.000,- over te nemen in verband met de beperkte omzet die daarmee kon worden gemaakt. [8] Volgens het middel is deze stelling essentieel, omdat, indien zij juist is, hieruit volgt dat Ziemann er geen belang bij had om [eiseres] als klant te behouden.
De Beklamelnorm’, te weten: rov. 5.13-5.15. Er staat in rov. 5.16 immers: “
De conclusie van het voorgaande luidt …”. Verder merk ik op dat rov. 5.13 in cassatie niet wordt bestreden. Daarin oordeelt het hof dat [verweerders] voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij, in de periode vóór 1 maart 2022, een regeling met DNB en de andere banken en een akkoord over volledige overname door Ziemann als een reële mogelijkheid zagen om een faillissement van RCCS af te wenden en RCCS aan haar betalingsverplichtingen te laten voldoen.
going concerndoor te starten in een nieuwe entiteit. Bij zo'n plan is vereist dat de doorstartende entiteit voldoende klanten en omzet heeft, omdat een doorstart anders bedrijfseconomisch niet levensvatbaar is. Een groot deel van RCCS’ klanten nam naast de CiT- of SmartSafe-diensten ook wisselgelddiensten af. De wisselgeldactiviteiten waren voor veel klanten net zo belangrijk als de CiT- en SmartSafe-diensten. Als de wisselgeldactiviteiten en -verplichtingen zouden achterblijven en met een afboeking zouden worden geconfronteerd of zelfs in faillissement zouden belanden, zou dat tot grote onvrede en conflicten met klanten hebben geleid, die ook CiT- en SmartSafe-klanten afnamen en die cruciaal waren voor het welslagen van een doorstart. Het is daarom nooit overwogen om de surseance aan te grijpen om de wisselgeldactiviteiten en -verplichtingen, zoals jegens [eiseres] , achter te laten en niet meer na te komen.”
jegens haarzou overnemen [16] en dat Ziemann geen belang had om specifiek [eiseres] als klant te behouden. Dit heeft het hof kennelijk niet relevant en dus ook niet essentieel geacht, nu onweersproken door [verweerders] was aangevoerd dat in de afweging van het bestuur de positie van kleine, individuele klanten geen rol speelden. [17] Het ging, met andere woorden, niet om de vraag of Ziemann er belang bij had om elke individuele klant over te nemen, maar of Ziemann er belang bij had de dienstverlening als zodanig over te nemen. Ook hebben [verweerders] onweersproken gesteld dat er geen redenen waren voor het bestuur om bijzondere aandacht te besteden aan de positie van [eiseres] . [18] In het licht hiervan is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en is er ook geen sprake van een of meer essentiële stellingen waarop het hof had moeten responderen.
informeelsurseance-verzoek naar de rechtbank is verzonden met het verzoek om de namen van de beoogde bewindvoerders mede te delen,
opdatde gesprekken tussen RCCS, DNB en Ziemann onder de leiding van de beoogde bewindvoerders zouden kunnen worden voortgezet. Het hof heeft hier kennelijk mee bedoeld dat op 1 maart 2022, 9:45 uur, het plan (“
de beoogde marsroute”, rov. 5.13 en 5.15) was om
vóór de aanvraag(rov. 5.13, waarmee het hof kennelijk heeft bedoeld ‘de
formeleaanvraag’) van de surseance een akkoord te hebben bereikt met Ziemann. [21] Ook als deze beoogde marsroute niet legitiem is, kan volgens het hof [verweerders] geen persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt, omdat zij zijn afgegaan op de adviezen van de advocaat van RCCS (rov. 5.15).
informeelsurseance-verzoek te doen om onder leiding van de beoogde bewindvoerders tot een akkoord te komen, ertoe zou leiden dat op 2 maart 2022
formeelvoorlopige surseance zou worden verleend. Anders dan [eiseres] in cassatie betoogt, [22] ligt in rov. 5.13 en 5.15 besloten dat het voor [verweerders] ook niet voorzienbaar was dat het informele surseance-verzoek uiterlijk op 7 maart 2022 tot formele surseanceverlening zou leiden. Ik licht dat toe.
hoe dan ook” [23] surseance zou zijn uitgesproken op 7 maart 2022 (en dus vóór de geplande levering van het wisselgeld op 8 maart 2022). In het oordeel van het hof ligt besloten dat [verweerders] op het peilmoment het als een reële mogelijkheid zagen dat vóór 7 maart 2022 een akkoord zou zijn bereikt (rov. 5.13). In het licht van de gedingstukken is dat oordeel niet onbegrijpelijk. [24]
slechts via automatische incasso konden betalen, deze inrichting van de portal niet (zonder meer) geleid zou hebben tot klachten en onrust onder klanten. Deze inrichting zou daarom niet (zonder meer) een negatief effect hebben gehad op de gesprekken met DNB en daarmee op de kansen op een redding van RCCS.
aangaan van de verbintenissenwist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden (behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt kan worden gemaakt); zie rov. 5.9. In casu ging het om een overeenkomst die tot stand was gekomen via de portal (rov. 3.20 en 5.12). Het hof overweegt in rov. 5.13 e.v. (nogmaals: in cassatie onbestreden) dat [verweerders]
nietredelijkerwijs konden voorzien dat op het peilmoment geplaatste bestellingen niet meer zouden worden nagekomen en dat RCCS niet meer aan haar betalingsverplichtingen zou kunnen voldoen. In dat licht oordeelt het hof dat [verweerders] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt dat RCCS de verbintenis is aangegaan.
sluitenvan de portal ertoe leidt dat de overeenkomst
nietwordt aangegaan. Immers, ook indien [verweerders] een extra drempel hadden opgeworpen, zou de portal open zijn geweest en zou het mogelijk zijn geweest om een verbintenis aan te gaan. De beoordeling die het hof dan had moeten maken, zou niet anders zijn geweest. De stelling dat de klanten van RCCS en Ziemann mogelijk anders hadden gereageerd op het opwerpen van obstakels dan bij het sluiten van de portal, zou het hof bovendien niet tot een ander oordeel hebben gebracht. Ik lees in de overwegingen niet dat het hof deze omstandigheid relevant heeft geacht bij het bepalen van de voorzienbaarheid.