ECLI:NL:PHR:2026:507

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
24/03834
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 27 lid 1 SrArt. 344 SvArt. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieverwerping in zaak diefstal met valse sleutel en herkenning verdachte op camerabeelden en DNA

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij gebruik is gemaakt van een valse sleutel. Het hof legde een gevangenisstraf van acht maanden op en kende gedeeltelijke schadevergoeding toe.

In cassatie klaagde de verdediging over het gebrek aan motivering van het hof bij de beoordeling van de herkenning van de verdachte op camerabeelden en de verwerping van een alternatief scenario omtrent de DNA-spoor op een wit bakje. Ook werd aangevoerd dat het gebruik van een valse sleutel niet uit de bewijsvoering zou volgen.

De advocaat-generaal concludeert dat de klachten falen. Het hof heeft de herkenningen door politieambtenaren gemotiveerd beoordeeld en de alternatieve verklaring voor het DNA-spoor als niet aannemelijk verworpen. De bewezenverklaring van het gebruik van een valse sleutel is voldoende onderbouwd, en het ontbreken van een nadere motivering leidt niet tot vernietiging omdat de strafbedreiging gelijk blijft.

De Hoge Raad volgt deze conclusie en verwerpt het cassatieberoep. Er zijn geen gronden voor vernietiging van het arrest van het hof. De strafoplegging is niet onbegrijpelijk en de motivering voldoet aan de wettelijke eisen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot acht maanden gevangenisstraf blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03834
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1979,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem bij arrest van 9 oktober 2024 (parketnr. 21-000158-24) veroordeeld wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel”. Het hof heeft daarvoor een gevangenisstraf opgelegd van 8 maanden met aftrek van voorarrest zoals bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro. Verder heeft het hof de vordering van de [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen, een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de duur van de gijzeling bepaald op ten hoogste 65 dagen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. F. Visser, advocaat in Utrecht , heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is in hoger beroep veroordeeld wegens kort gezegd het medeplegen van diefstal met een valse sleutel. Het hof heeft onder meer processen-verbaal van “herkenning persoon door politieambtenaar” en een DNA-match aan de bewezenverklaring ten grondslag gelegd. In cassatie wordt geklaagd dat de verwerping door het hof van de verweren over het gebruik van deze bewijsmiddelen onvoldoende met redenen is omkleed. Daarnaast is de cassatie gericht tegen de bewezenverklaring van de diefstal met een valse sleutel op de grond dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de deur is geopend met een stuk plastic en/of een ander voorwerp.
2.2
Volgens deze conclusie faalt het eerste middel en is het tweede middel tevergeefs voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel houdt in dat het gebruik voor het bewijs van de processen-verbaal van herkenning en de DNA-match in het licht van wat de verdediging heeft aangevoerd onbegrijpelijk is. Het middel valt uiteen in twee deelklachten. Volgens de eerste deelklacht heeft het hof verzuimd te reageren op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging over de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de processen-verbaal van herkenning. De tweede deelklacht richt zich tegen de verwerping door het hof van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario dat het DNA van de verdachte op het bakje terecht is gekomen doordat zij dit bakje heeft aangeraakt in een IKEA-winkel.
3.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“zij op 20 oktober 2023 te [plaats] , uit een woning gelegen aan de [a-straat 1] tezamen en in vereniging met een ander een geldbedrag en sierraden en toiletpapier en schuursponsjes en een fles Glassex en een usb-stick en kleding die aan [benadeelde] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en haar mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten de deur van die woning hebben geopend met een stuk plastic (flipperen) en/of een ander voorwerp.”
3.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van de verwijzingen):
“1. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van
aangifte van [benadeelde][…], gesloten en (elektronisch) ondertekend op 21 oktober 2023, door [verbalisant 1] , Hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende:
Op vrijdag 20 oktober 2023, omstreeks 18:30 uur, vertrok ik uit mijn woning. Ik heb de voordeur dichtgedaan, maar niet op slot gedaan. Ik woon in een flat op de vierde verdieping.
Op diezelfde dag, omstreeks 22:30 uur, kwam ik terug in mijn woning. Ik wilde een papieren zakdoek uit een lade in de woonkamer pakken. Toen ik de lade opendeed, zag ik dat de spullen anders lagen en er iets niet klopte. Ik opende vervolgens een lade eronder en zag dat er verschillende spullen door elkaar lagen. Ik liep vervolgens naar de werkkamer en opende daar een kast, waarin een geldkistje ligt. Ik opende het geldkistje en zag dat deze leeg was. In het geldkistje zat ongeveer 500 euro aan cashgeld.
Ik keek vervolgens in mijn meterkast, omdat daar de huissleutel van de buren ligt. Ik zag dat de huissleutel van de buren er nog hing. Even later ging ik mijn slaapkamer kijken, omdat daar in de kledingkast verschillende sieraden lagen. Ik opende de meest linker kastdeur en zag dat alle sieradendoosjes verspreid in de kast lagen. Ik heb nog niet gekeken welke sieraden er allemaal weg waren, omdat ik wilde wachten op de politie.
Ik weet dat er bij de ingang van de flat en in de parkeergarage camera's hangen. Ik zal op een later moment kijken wat er allemaal weg is en dit doorgeven aan de politie.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
2. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van
aanvullend verhoor van aangeefster [benadeelde], […], gesloten en (digitaal) ondertekend op 27 november 2023 door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende:
Naar aanleiding van mijn eerder gedane aangifte, heb ik nog wat toevoegingen. Na forensisch onderzoek van de politie bleken al mijn lades en kasten doorzocht te zijn.
Ook bleek er het volgende te zijn weggenomen:
-een aangebroken pak 12-rols toiletpapier;
-een fles Glassex;
-een aangebroken pakje schuursponsjes;
-een usb-stick 32 gb;
-panty’s van het merk Oroblu;
-twee sporttopjes van de Hema.
In de parkeergarage onder mijn woning is diezelfde avond ook ingebroken. Ik hoorde dit van VVE(vereniging van eigenaren).
Met als bijlage
een lijst van de weggenomen goederen[…], gesloten en (elektronisch) ondertekend op 4 december 2023, door [verbalisant 1] , hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende:
 Goed: Geld (biljetten) 500 EUR
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad goudkleurig, bouwjaar 2002, peridot, waarde EUR 85
 Goed: Sieraden/tafelzilver, ketting goudkleurig, bouwjaar 2002, 38 cm, waarde EUR 84
 Goed: Sieraden/tafelzilver, ring goudkleurig, bouwjaar 2007, met grote peridot, waarde EUR 350
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad goudkleurig, bouwjaar 2011, waarde EUR 140
 Goed: Sieraden/tafelzilver, ketting goudkleurig, goldplated 38 cm
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad goudkleurig, bouwjaar 2009, met parel, waarde EUR 125
 Goed: Sieraden/tafelzilver, ketting goudkleurig, 38 cm
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad goudkleurig, witgouden solitait oorknoppen met briljanten
 Goed: Sieraden/tafelzilver, ketting zilverkleurig, 38 cm
 Goed: Sieraden/tafelzilver, bedel, hartje met briljantjes
 Goed: Sieraden/tafelzilver, medaillon goudkleurig, hartvormig met foto erin, ongeveer 1 cm
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad goudkleurig, gouden creolen ongeveer 3 cm
 Goed: Sieraden/tafelzilver, hanger goudkleurig, golplated met zirkonia
 Goed: Sieraden/tafelzilver, zilveren ring met bloedkoraal
 Goed; Sieraden/tafelzilver, zilveren armband, min of meer rechthoekig
 Goed; Sieraden/tafelzilver, zilveren oorstekers
 Goed: Sieraden/tafelzilver, zilveren oorhangers met grote ovale onyx
 Goed: Sieraden/tafelzilver, zilveren ring met ovale onyx
 Goed: Sieraden/tafelzilver, zilveren ring met rechthoekige onyx
 Goed: Sieraden/tafelzilver, zilveren ‘box’ halsketting ongeveer 38 cm
 Goed: Sieraden/tafelzilver, zilveren hanger met twee onyx balletjes
 Goed: Sieraden/tafelzilver, ring met hartvormige zwarte steen
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad goudkleurig, oorstekers kruisje, waarde EURO 200
 Goed: Sieraden/tafelzilver, platinum ring met banden van wit en rood goud
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad Buckley, goldplates creooltjes met zirkonia steen, ongeveer 1 cm
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad, bouwjaar 2019, Akiri goldplated 22crt oorhangers met jade, Nieuw Zeeland, waarde EUR 50
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad goudkleurig, bouwjaar 2019, Akiri goldplated 22crt oorhangers met paua shell, waarde EUR 50
 Goed: Sieraden/tafelzilver, Swarovski roze ronde oorknopjes, gekocht op Batumi Airport, bouwjaar 2019, waarde EUR 50
 Goed: Sieraden/tafelzilver, zilveren ijsbeer oorstekers, gullsmid Marina van Dijk, bouwjaar 2022 Spitsbergen, waarde EUR 49
 Goed: Sieraden/tafelzilver, goudkleurige ring met citrien, bouwjaar 2022, waarde EUR4 5
 Goed: Sieraden/tafelzilver, goudkleurige ring met peridot, bouwjaar 2022, waarde EUR 45
 Goed: Sieraden/tafelzilver, armbandenset bruin/goud, kralen met elastiek
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorstekers in de vorm van een soort golf, goudkleurig
 Goed; Sieraden/tafelzilver, gouden slavenarmband voorziek van bakslot en veiligheidsachtje
 Goed: Sieraden/tafelzilver, 18 karaats gouden bedel, tand, 1 gram
 Goed: Sieraden/tafelzilver, goudkleurige bedel met peridot bouwjaar 2002, waarde EUR 99
 Goed: Sieraden/tafelzilver, ketting goudkleurig, gourmette collier, 2,7 gram
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorstekers met bloedkoraal, goudkleurig, 1,1 gram
 Goed: Sieraden/tafelzilver, witgouden oorknoppen, 2 stuks, voorzien van briljant 0,2 crt, 0,8 gram
 Goed: Sieraden/tafelzilver, oorsieraad 2 stuks, goudkleurig, 4,3 gram
 Goed: Sieraden/tafelzilver, gouden ring met tijgeroog, bouwjaar 2023, waarde EUR 200
 Goed: Sieraden/tafelzilver, gouden ring met bloedkoraal
 Goed: Sieraden/tafelzilver, goudkleurige ring voorzien van drie bloedkoralen, 2,3 gram
Voor alle goederen geldt:
Eigenaar/Houder/Rechthebbende
Achternaam : [benadeelde]
Voornaam: : [benadeelde]
Adres : [a-straat 1]
Postcode plaats : [postcode 1] [plaats]
3. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen[…], gesloten en (elektronisch) ondertekend op 13 december 2023, door [verbalisant 2] , hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende:
Op woensdag 13 december 2023, heb ik [verbalisant 2] , om 12.31 uur, telefonisch contact opgenomen met de aangeefster [benadeelde] .
Ik vertelde de aangeefster dat er DNA is aangetroffen op een wit bakje. Ik vroeg aan haar waar dit bakje stond, wat voor bakje dit was, waar ze dit bakje heeft gekocht en hoe lang dit bakje er al stond.
Ik hoorde haar zeggen dat dit bakje in een kast in de werkkamer stond, dat ze dit bakje zelf heeft gekocht bij de Ikea, het een wit bewaarbakje was en dit al zeker een jaar in de kast stond.
4. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van forensisch onderzoek woning [a-straat 1] [plaats] )[…], gesloten en ondertekend op 25 oktober 2023, door [verbalisant 3] , inspecteur bij de landelijke eenheid en [verbalisant 4] , hoofdagent van de politie Eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende:
Op zaterdag 21 oktober 2023 om 12:45 uur kwamen wij, naar aanleiding van een diefstal in/uit woning (niet gekwalificeerd), voor forensisch onderzoek aan op de locatie [a-straat 1] , [postcode 1] [plaats] .
Op de [a-straat 1] te [plaats] is gisteravond een insluiping geweest. Hierbij zijn verschillende goederen weggenomen. [benadeelde] heeft alles laten liggen zoals zij het heeft aangetroffen.
Ik, [verbalisant 4] , heb geprobeerd of ik de woning, middels ‘flipperen’ kon binnenkomen. Ik heb een stuk buigzaam plastic tussen de naad van de deur geschoven en daarmee getracht de dagschoot opzij te duwen. Op deze manier lukte het mij de voordeur te openen.
Wij, verbalisanten, hoorden de bewoonster zeggen dat witte plastic bakjes in de studeerkamer doorzocht waren. Wij zagen op deze bakjes vermoedelijk handschoensporen zitten. Ik, [verbalisant 3] , heb twee van deze handschoensporen bemonsterd middels een wattenstaafje op de aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal om de donor hiervan te identificeren. Deze wattenstaafjes heb ik veiliggesteld, verpakt en gewaarmerkt, met SIN AAQD3827NL en AAQD3826NL.
De insluiper(s) heeft(/hebben) zich vermoedelijk toegang tot de woning verschaft middels flipperen. Er zijn vier handschoensporen bemonsterd op de aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal.
5. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een
deskundigenrapport Forensisch DNA-onderzoek, opgemaakt door dr. [deskundige] , NRGD-geregistreerd forensisch DNA deskundige bij The Maastricht Forensic Institute, gedateerd 2 november 2023, […], voor zover inhoudende:
Van het onderzoeksmateriaal zijn DNA-profielen opgesteld met de NGM SElect kit of de GlobalFiler kit. Hiermee kunnen de DNA-kenmerken van 16 of 23 loci en een DNA- kenmerk, voor het X- en Y-chromosoom (geslachtsbepaling) worden aangetoond.
Een DNA-hoofdprofiel is een op basis van de piekhoogte duidelijk te bepalen DNA-profiel in een DNA-mengprofiel. Van het celmateriaal waaruit een DNA-hoofdprofiel is opgesteld, is duidelijk een grotere hoeveelheid aanwezig dan van het celmateriaal van overige donoren.
6. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingen[…], gesloten en ondertekend op 13 december 2023, door [verbalisant 2] , hoofagent bij de eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende:
Ik, verbalisant, [verbalisant 2] , hoofdagent van politie Midden-Nederland, verklaar het volgende:
Op woensdag 13 december 2023 stelde ik een onderzoek in waarbij het volgende is bevonden. Op 20 oktober 2023 vond er een diefstal uit woning in vereniging plaats doormiddel van insluiping. Dit betrof de [a-straat 1] te [plaats] . Dit betreft een flat en de woning bevind zich op de vierde verdieping.
Door de VVE is ook aangifte gedaan van insluiping in de garage en het pand. Door de VVE zijn beelden ter beschikking gesteld waarop de mogelijke verdachte zichtbaar zijn.
Er zijn 3 verschillende beelden aangeleverd.
Beeld 1 20 oktober 2023 van 19:53.32 uur tot 19:54.46 uur.
Beeld 2 20 oktober 2023 van 20:58.23 uur tot 20:58.56 uur.
Beeld 3 22 juni 2023 van 16:27.43 uur tot 16:28.43 uur.
Omschrijving: Beeld 2: Komen de verdachten weer terug. De voorste verdachte loopt met een wit/rode tas en de achterste verdachte met een donkerkleurige tas en een pak wc-rollen.
Omschrijving: Beeld 2: Verdachten verlaten de garage en lopen uit beeld. Verdachte loopt: met wc-rollen die ook zijn weggenomen
7. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van aanhouding[…], gesloten en ondertekend op 13 december 2023, door [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , aspiranten bij de eenheid Midden-Nederland, voor zover inhoudende:
Op woensdag 13 december 2023 om 09:16 uur, werd door ons op de locatie [b-straat 1] ,
[postcode 2] [plaats] , aangehouden als verdachte:
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboren : [geboortedatum] 1979
Geboorteplaats : [geboorteplaats]
Geslacht : Vrouw
Nationaliteit : […]
Adres : [c-straat 1]
Postcode plaats : [postcode 3] [plaats]
8. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van herkenning persoon door politieambtenaar[…], gesloten en ondertekend op 20 december 2023, door [verbalisant 7] , hoofdagent van de politie Eenheid Midden- Nederland, voor zover inhoudende:
Op woensdag 13 december 2023 kreeg ik via briefing en e-mail een aandachtvestiging van [verbalisant 2] , basisteam […] . Daarin werd op basis van videobeelden en drie stills de herkenning van een persoon gevraagd.
Op still 1, de persoon op still 2 loopt de verdachte voorop met een rode sjaal om. Ik herken hierbij verdachte als [verdachte] . Ik herken haar aan het totaalbeeld van verschillende kenmerken. Zoals haar kleine lengte, moedervlekken in het gezicht en haardracht.
Ik herken haar vanuit mijn werkzaamheden als generalist belast met het onderzoek en de voorbereiding van de aanhouding. Persoon nog niet eerder gezien.
Ik herkende haar onmiddellijk toen ik de stills zag. Over haar (mogelijke) identiteit was mij door anderen geen informatie verstrekt. Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.
9. Het in wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van herkenning persoon door politieambtenaar, […], gesloten en ondertekend op 19 december 2023, door [verbalisant 5] , aspirant van de politie Eenheid Midden- Nederland, voor zover inhoudende:
Op maandag 18
(het hof constateert dat het hier gaat om een verschrijving: dit moet zijn “13”)december 2023 kreeg ik via e-mail verzoek een verdachte aan te houden buiten heterdaad. De verdachte was gematched via een DNA match aan een insluiping. Daarnaast waren er camerabeelden beschikbaar vanuit het complex waar de insluiping was. Deze heb ik nagekeken en gecontroleerd. Mede op basis van deze camerabeelden herkende ik de verdachte bij aanhouding.
In een aandachtvestiging werd op basis van videobeelden en twee stills om herkenning van een persoon gevraagd. Op basis van de twee video’s herkende ik de verdachte, welke wij later hebben aangehouden buiten heterdaad.
Ik droeg geen voorkennis van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.”
3.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2024 heeft de raadsman als volgt het woord tot verdediging gevoerd:
“Ik vind dat wat de advocaat-generaal vandaag naar voren brengt “oude wijn in nieuwe zakken” is. De politierechter heeft een duidelijk gemotiveerd vonnis gewezen. Men blijft echter hameren op het feit dat de processen-verbaal op ambtseed zijn opgemaakt. Dat lijkt een soort magisch woord. ‘Als het op ambtseed is opgemaakt dan is het waar’, lijkt de gedachte. Het gaat mij er niet om de integriteit van de verbalisanten ter discussie te stellen; het gaat mij om de wijze waarop de herkenning tot stand is gekomen.
Ik wil ook wijzen op wat ik in eerste aanleg heb gezegd. De verbalisanten herkennen cliënte aan haar moedervlek. Ik zou de advocaat-generaal graag uitnodigen om aan te wijzen waar de moedervlek te zien is. Het is niet te zien. Het lijkt erop alsof men de politiefoto omschrijft. Twee verbalisanten die cliënte nog nooit hebben gezien, leggen haar foto naast de beelden. Zij weten op dat moment dat er een DNA-match is en hebben dus voorkennis. De herkenningen zijn niet betrouwbaar.
Ik hoor het Openbaar Ministerie wel eens zeggen dat “gekkigheden” in de herkenning niet per definitie betekent dat de herkenning onbetrouwbaar is. Dat is de omgekeerde wereld. Alle procesdeelnemers weten dat
confirmation biaseen probleem vormt bij de betrouwbaarheid van herkenningen. Het is aan de advocaat- generaal om uit te leggen waarom de herkenningen − ondanks de
confirmation biasen ondanks het feit dat de verbalisanten zeggen dingen gezien te hebben die er simpelweg niet zijn − wel betrouwbaar zijn.
Op de beelden zou ook te zien zijn dat er een persoon met een ontblote enkel loopt. Ik heb de beelden ook bekeken en ik kan niet vaststellen of het gaat om een persoon die steunkousen draagt of om een persoon waarbij de ene broekspijp hoger zit dan de ander. Dat kan de advocaat-generaal volgens mij ook niet zeggen. Cliënte heeft bovendien verklaard dat zij normaal gesproken twee steunkousen draagt. Op het moment dat de politie kwam, was zij zich nog aan het aankleden. De politie wilde niet wachten tot zij haar andere steunkous aanhad.
Ten aanzien van de DNA-match merkt de advocaat-generaal op dat het niet voor te stellen is dat DNA op een IKEA bakje blijft zitten gedurende een periode van een jaar. De verklaring van cliënte zou daarom ongeloofwaardig zijn. Als dat het speerpunt is van de advocaat-generaal zou je verwachten dat het Openbaar Ministerie daarover een deskundige laat rapporteren. We hebben echter te maken met een ongewijzigd dossier. Ik put uit openbare bronnen als ik zeg dat het wél goed mogelijk is. Er bestaan genoeg strafzaken waarbij met nieuwe technieken oude DNA-sporen zijn onderzocht. Zo lang het DNA niet te vaak is blootgesteld aan UV kan het blijven voortbestaan. Als advocaat zeg je in dit soort zaken vaak tegen een cliënt dat ze aan het begin beter kunnen zwijgen. Op het moment dat je nog niets weet, moet je maar gokken dat de persoon die aangifte heeft gedaan in zijn huis een bakje van de IKEA heeft staan die jij wel eens hebt aangeraakt. Cliënte had dus niet eerder dan na het zien van de aangifte met een verklaring kunnen komen. Haar is ook tegengeworpen dat zij niet zou kunnen verklaren bij welke IKEA zij het bakje heeft aangeraakt. Dit berust deels op een verkeerde lezing van het proces verbaal en deels op de invulling van de advocaat-generaal. Er is een IKEA in de buurt van [plaats] en [plaats] . Ik kan mij niet voorstellen dat het bakje van aangeefster van een andere IKEA afkomstig is. Cliënte heeft verklaard dat zij rondom de geboorte van haar kleinkind bij die IKEA is geweest. Ik verzoek u het vonnis van de politierechter te bevestigen. […]”
3.5
Het bestreden arrest bevat de volgende bewijsoverweging:

Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof komt, anders dan de politierechter, tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de hierboven genoemde bewijsmiddelen te twijfelen.
De verbalisanten herkennen de verdachte, elk afzonderlijk, op grond van een gezichtsvergelijking. Hoewel het hof behoedzaam omgaat met (deze) gezichtsvergelijkingen, ziet het hof geen reden om aan de herkenningen door de verbalisanten te twijfelen. De verdachte past in de omschrijving die wordt gegeven en in het signalement. Op de beelden waarop verdachte wordt herkend, is te zien dat verdachte de garage uitloopt met een pak wc-rollen, die volgens aangeefster ook zijn weggenomen.
De beelden en de herkenningen zijn bovendien niet het enige bewijs in het dossier. Op een van de witte plastic bakjes in de studeerkamer van aangeefster is celmateriaal van verdachte aangetroffen. De door verdachte daarvoor gegeven verklaring, dat zij in enige vestiging van Ikea op enig moment wel eens een dergelijk bakje heeft aangeraakt, vormt naar het oordeel van het hof geen afdoende verklaring voor het aantreffen van het celmateriaal van verdachte. Het hof betrekt hierbij ook de constatering dat het aangetroffen DNA-materiaal afkomstig is van een zogenaamd “handschoenspoor”. Het door verdachte geschetste alternatieve scenario is daarmee niet aannemelijk geworden.
De hierboven genoemde bewijsmiddelen in samenhang bezien maken dat het hof van oordeel is dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is om tot een bewezenverklaring te komen.”
3.6
Voor de beoordeling van het middel is van belang dat de feitenrechter beslist welk bewijsmateriaal hij betrouwbaar en bruikbaar acht en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. [1] Hij hoeft de beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in beginsel niet te motiveren. Dat is anders wanneer door de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen over het gebruikte bewijsmateriaal. [2] Wanneer de rechter dit standpunt niet aanvaardt, moet hij dit in de uitspraak beargumenteerd weerleggen. Hoe ver die motiveringsplicht gaat, hangt onder meer af van de inhoud en indringendheid van de argumenten die zijn aangevoerd. De motiveringsplicht van de feitenrechter gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. Het geval kan zich voordoen dat de nadere motivering besloten ligt in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen. [3]
3.7
Verder is van belang dat als een verdachte het tenlastegelegde bestrijdt met een alternatieve lezing van de gebeurtenissen, die niet met de bewezenverklaring strookt, de rechter – indien hij tot een bewezenverklaring komt – die aangedragen alternatieve gang van zaken moet weerleggen. Dat kan geschieden door opneming van bewijsmiddelen of vermelding van aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden die de alternatieve lezing van de verdachte uitsluiten. Een dergelijke weerlegging is echter niet steeds vereist. In voorkomende gevallen zal de rechter ter weerlegging kunnen oordelen dat de door de verdachte gestelde alternatieve toedracht niet aannemelijk is geworden dan wel dat de lezing van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld. [4]
De eerste deelklacht: gezichtsherkenningen
3.8
Volgens de toelichting op het middel heeft de verdediging het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen dat de in bewijsmiddel 8 en 9 beschreven herkenningen niet betrouwbaar en niet bruikbaar zijn, nu de verbalisanten voorafgaand aan hun herkenning wisten dat de te herkennen persoon door een DNA-match in de zaak naar voren was gekomen. Het hof zou niet op dit standpunt hebben gereageerd, waardoor de verwerping van het verweer onbegrijpelijk zou zijn. Daarnaast voert de steller van het middel aan dat de overweging van het hof dat de verdachte past in de omschrijving en in het signalement onbegrijpelijk is, omdat de herkenning (mede) heeft plaatsgevonden op basis van een moedervlek die niet op de beelden te zien is. De overwegingen van het hof dat op de beelden te zien is dat de verdachte de garage uitloopt met een pak wc-rollen die volgens aangeefster ook zijn weggenomen en de overweging dat er ander bewijs is in de vorm van een DNA-match zeggen daarbij niets over de betrouwbaarheid van de herkenning, aldus de steller van het middel.
3.9
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer aangevoerd dat de herkenningen onbetrouwbaar zijn op de grond dat de verbalisanten de verdachte herkennen aan haar moedervlek maar dat geen moedervlek te zien is, dat de verbalisanten de verdachte nog nooit hebben gezien, haar foto naast de beelden hebben gelegd, wisten dat er op dat moment een DNA-match was en dus voorkennis hadden en dat alle procesdeelnemers weten dat
confirmation biaseen probleem vormt bij de betrouwbaarheid van herkenningen.
3.1
Uit het proces-verbaal van herkenning van de verdachte door [verbalisant 7] (bewijsmiddel 8) volgt dat [verbalisant 7] een aandachtsvestiging had ontvangen waarin op basis van videobeelden en drie stills om herkenning van een persoon werd gevraagd, dat hij vanuit betrokkenheid bij het onderzoek en de aanhouding van de verdachte de verdachte meteen herkende “aan het totaalbeeld van verschillende kenmerken. Zoals haar kleine lengte, moedervlekken in het gezicht en haardracht”, dat aan hem over de mogelijke identiteit van de verdachte geen informatie verstrekt was en dat hij geen voorkennis van de zaak droeg. Uit het proces-verbaal van herkenning van de verdachte door [verbalisant 5] (bewijsmiddel 9) volgt dat [verbalisant 5] het verzoek kreeg de verdachte aan te houden, dat hij wist dat de verdachte via DNA aan een insluiping was gekoppeld, dat hij camerabeelden van de insluiping heeft bekeken en gecontroleerd en dat hij op basis van die beelden de verdachte herkende bij de aanhouding, dat in een aandachtsvestiging op basis van videobeelden en twee stills om herkenning werd gevraagd, dat hij de verdachte daarin herkende en dat hij geen voorkennis droeg van de zaak waarin herkenning van de persoon werd gevraagd.
3.11
Onder het cursiefkopje “Overweging met betrekking tot het bewijs” merkt het hof allereerst op dat het geen reden heeft om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de bewijsmiddelen te twijfelen. Over de herkenning van de verdachte overweegt het hof onder meer dat de verbalisanten de verdachte elk afzonderlijk herkennen op grond van een “gezichtsvergelijking”, dat het hof behoedzaam omgaat met (deze) gezichtsvergelijkingen maar geen reden zien om aan de herkenningen te twijfelen, dat de verdachte past in de omschrijving die wordt gegeven en in het signalement, en dat op de beelden waarop de verdachte wordt herkend te zien is dat de verdachte de garage uitloopt met een pak wc-rollen die volgens de aangeefster ook zijn weggenomen.
3.12
De eerste deelklacht mist gezien het voorgaande feitelijke grondslag voor zover die ertoe strekt dat door het hof niet is gereageerd op de bezwaren van de verdediging tegen het gebruik van de processen-verbaal inzake de gezichtsherkenningen door verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 5] . Gelet op het onder 3.6 vooropgestelde en in aanmerking genomen hetgeen door de verdediging is aangevoerd over de betrouwbaarheid van processen-verbaal van herkenning, is het oordeel van het hof dat het geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de betreffende herkenningen bovendien niet onbegrijpelijk. De raadsman heeft over de herkenningen van de verdachte slechts aangevoerd dat de verbalisanten voorkennis hadden (over de DNA-match) terwijl hij niet duidelijk heeft gemaakt waarom de herkenningen op basis van gezichtsvergelijking daarmee onbetrouwbaar zouden zijn. Daarnaast heeft de raadsman in algemene zin en zonder nadere onderbouwing aangevoerd dat
confirmation biaseen probleem vormt bij de betrouwbaarheid van herkenningen. Uit de overwegingen van het hof volgt dat de verbalisanten elk afzonderlijk de verdachte hebben herkend. Verder blijkt daaruit dat deze herkenningen niet alleen zijn gebaseerd op gezichtsvergelijkingen maar ook op het passen van de verdachte in het gegeven signalement, waarbij het hof met de overweging dat op “de beelden waarop verdachte wordt herkend, is te zien dat verdachte de garage uitloopt met een pak wc-rollen, die volgens aangeefster ook zijn weggenomen” kennelijk onder meer beoogt vast te stellen dat de beelden niet zijn beperkt tot het gezicht maar dat daarop veel meer van de gefilmde persoon is te zien en ook dat deze daarop loopt. [5] In lijn hiermee is dat [verbalisant 7] de verdachte van de beelden herkent aan het totaalbeeld van verschillende kenmerken, zoals haar kleine lengte, moedervlekken in het gezicht en haardracht (bewijsmiddel 8). Ook [verbalisant 5] herkent de verdachte mede op basis van verschillende camerabeelden / twee video’s (bewijsmiddel 9). Dat op de beelden geen moedervlek te zien zou zijn, zoals de raadsman in hoger beroep heeft aangevoerd en in cassatie naar voren is gebracht, maakt het bovenstaande niet anders. Uit het voorgaande blijkt dat de moedervlekken – waarvan alleen melding wordt gemaakt door [verbalisant 7] (bewijsmiddel 8) – geen wezenlijke rol spelen in de bewijsconstructie en meer in het bijzonder in de identificering van de verdachte als zijnde de persoon die het bewezenverklaarde feit heeft gepleegd. Het punt omtrent de moedervlekken maakt het oordeel van het hof dus niet onbegrijpelijk. Daarbij komt dat het hof – gelet op wat onder 3.6 is vooropgesteld – ook niet was gehouden om op ieder detail van de argumentatie in te gaan. Ten overvloede merk ik op dat [verbalisant 7] spreekt over “moedervlekken in het gezicht” en niet over een specifieke of bijvoorbeeld grote moedervlek. Bij een blik achter de papieren muur blijkt dat op gezichtsfoto’s van de verdachte moedervlekjes zichtbaar zijn die dusdanig klein zijn dat ook wanneer deze niet te zien zijn op van grotere afstand gemaakte beelden zoals deze zich in het dossier bevinden, dit nog niet impliceert dat deze beelden niet eveneens van de verdachte zouden kunnen zijn.
3.13
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht: DNA-match
3.14
Volgens de tweede deelklacht zou de verwerping door het hof van het verweer dat de DNA-match op het bakje in de woning terecht is gekomen doordat de verdachte dit bakje in een IKEA-winkel heeft aangeraakt onbegrijpelijk zijn. Volgens de steller van het middel is het onmogelijk voor de verdachte om te verklaren waar en wanneer zij het bakje heeft aangeraakt. Voor zover het hof heeft bedoeld dat de persoon die het DNA heeft achtergelaten, handschoenen heeft aangehad, is dat oordeel onbegrijpelijk nu het handschoenspoor ook na het celmateriaal op het bakje kan zijn terechtgekomen, er meerdere handschoensporen zijn gevonden en in slechts één handschoenspoor het DNA-materiaal van verdachte is aangetroffen.
3.15
Over de DNA-match heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat het goed mogelijk is dat DNA gedurende een jaar kan blijven voortbestaan zolang het DNA niet te vaak is blootgesteld aan uv-straling, dat de verdachte heeft verklaard dat zij rondom de geboorte van haar kleinkind bij de IKEA in de buurt van [plaats] en [plaats] is geweest en dat de raadsman zich niet kan voorstellen dat het bakje van aangeefster afkomstig is van een andere IKEA.
3.16
Het hof oordeelt in het bestreden arrest dat het door de verdachte geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden. Daaraan legt het hof ten grondslag dat op één van de witte plastic bakjes in de studeerkamer van aangeefster celmateriaal van de verdachte is aangetroffen, dat het aangetroffen DNA-materiaal afkomstig is van een zogenaamd “handschoenspoor” en dat de verklaring van de verdachte dat zij in enige vestiging van IKEA op enig moment wel eens een dergelijk bakje heeft aangeraakt geen afdoende verklaring vormt voor het aantreffen van het celmateriaal van de verdachte.
3.17
Dat het hof heeft geoordeeld dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden acht ik niet onbegrijpelijk, gelet op hetgeen door de verdediging is aangevoerd en de motivering die het hof aan diens oordeel ten grondslag heeft gelegd. Daarbij merk ik op dat het door de verdediging geschetste alternatieve scenario – dat erop neerkomt dat het mogelijk is dat het DNA van de verdachte op het bakje terecht is gekomen bij een bezoek aan een IKEA – zeer algemeen is en niet noemenswaardig met feiten en omstandigheden is gestaafd, terwijl de omstandigheid dat het DNA is aangetroffen op een handschoenspoor een sterke contra-indicatie oplevert voor het scenario dat het DNA is overgebracht tijdens een IKEA-bezoek. Bovendien is de verdachte door twee afzonderlijke verbalisanten herkend op de beelden van de diefstal en kan zij dus geplaatst worden op de plaats delict.
3.18
De tweede deelklacht strandt eveneens en daarmee het middel.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel houdt in dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed nu uit de bewijsvoering van het hof niet kan volgen dat de deur van de woning is geopend met een stuk plastic en/of een ander voorwerp.
4.2
Volgens de toelichting op het middel blijkt uit de bewijsmiddelen dat de aangeefster bij haar vertrek de voordeur heeft gesloten maar niet op slot heeft gedaan en dat het [verbalisant 4] is gelukt de voordeur te openen door een stuk buigzaam plastic tussen de naad van de deur te schuiven. Deze vaststellingen zouden echter niet de conclusie kunnen dragen dat de deur met een valse sleutel is geopend nu uit de bewijsmiddelen immers niet blijkt of de woning nog op een andere manier dan via de voordeur kon worden betreden of dat de voordeur op een andere manier kon worden geopend. Volgens de steller van het middel heeft de verdachte belang bij de klacht omdat bewezenverklaring van diefstal met een valse sleutel een strafverzwaring oplevert ten opzichte van diefstal zonder valse sleutel. Zo zou volgens de LOVS-oriëntatiepunten het oriëntatiepunt voor “insluiping woning” één tot twee maanden lager liggen dan dat voor “inbraak woning”.
4.3
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich tezamen en in vereniging schuldig heeft gemaakt aan diefstal uit een woning waarbij gebruikt is gemaakt van een valse sleutel, waarbij over de valse sleutel in de bewezenverklaring is opgenomen dat de deur is geopend met een stuk plastic (flipperen) en/of een ander voorwerp (zie onder 3.2). Het hof heeft geen nadere bewijsoverweging gewijd aan het gebruik van de valse sleutel. Onder het kopje “Oplegging van straf en/of maatregel” overweegt het hof onder meer dat het bij de straftoemeting in aanmerking heeft genomen dat verdachte zich in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan een brutale insluiping, dat het feit grote gevolgen heeft gehad voor aangeefster en dat uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte in het verleden vaker wegens soortelijke feiten is veroordeeld.
4.4
De klacht is terecht voorgesteld. Bij gebrek aan belang hoeft dit echter niet tot cassatie te leiden. Daartoe is het volgende relevant.
4.5
Volgens art. 311 lid 1 onder Pro 3° Sr wordt diefstal in een woning door iemand die zich daar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vijfde categorie. Hetzelfde strafmaximum geldt voor diefstal door twee of meer verenigde personen (onder 4°) en diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels (onder 5°). Volgens lid 2 wordt een gevangenisstraf van ten hoogste negen jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd indien de onder 3° omschreven diefstal vergezeld gaat van één van de onder 4° en 5° vermelde omstandigheden.
4.6
Het hof heeft bewezenverklaard dat de diefstal in de woning in vereniging en met een valse sleutel is gepleegd. Hierbij is de verhoging van lid 2 dus van toepassing. Dat is echter niet anders wanneer de bewezenverklaring van de valse sleutel komt te vervallen, aangezien dan nog altijd de diefstal in de woning door twee verenigde personen overblijft en dus nog steeds dezelfde strafbedreiging van lid 2 geldt. Dat het LOVS-oriëntatiepunt – een niet-bindende regel en geen recht in de zin van art. 79 RO Pro [6] – voor “insluiping woning” van een lagere strafoplegging uitgaat dan voor “inbraak woning” maakt het bovenstaande niet anders nu niet blijkt dat het hof de straftoemeting daarop heeft gebaseerd. Het hof spreekt juist van een brutale insluiping en het op schaamteloze wijze binnengaan van de woning van aangeefster. Ook los daarvan blijkt uit de strafmotivering van het hof niet dat het gebruik van de valse sleutel in aanmerking is genomen bij de oplegging van de straf en/of strafverzwarend heeft gewerkt.
4.7
Het cassatiemiddel is in zoverre tevergeefs voorgesteld.

5.Afronding

5.1
Het eerste middel faalt en het tweede middel is tevergeefs voorgesteld. Vanwege de vrijspraak in eerste aanleg ligt het niet in de rede om de middelen af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413,
2.Betrouwbaarheidsverweren vallen ook onder het bereik van art. 359 lid 2 tweede Pro volzin Sv. Voor die verweren geldt de zware stelplicht van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Een betrouwbaarheidsverweer moet derhalve serieus de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal aanvechten, voordat de feitenrechter tot een uitdrukkelijke weerlegging is gehouden. Zie hierover A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
3.Zie ook HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
4.HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864,
5.Bij een blik achter de papierenmuur blijkt het dossier inderdaad beelden te bevatten waarop een met WC-papier lopende persoon in het geheel is te zien; zie proces-verbaal van bevindingen 2023323048-14 (fotobijlage).
6.HR 29 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2745,