ECLI:NL:PHR:2026:568

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
24/01398
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138a SrArt. 551a SvArt. 9a SrArt. 359a SvArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens medeplegen kraken diplomatiek gebouw ondanks onrechtmatige ontruiming

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens medeplegen van kraken van een gebouw aan de Surinamestraat 20 te Den Haag, dat deel uitmaakt van de Egyptische diplomatieke zending. Het pand was sinds 3 november 2018 gekraakt en werd op 6 november 2018 ontruimd door de politie, zonder voorafgaande schriftelijke aankondiging. De ontruiming werd door het hof als onrechtmatig beoordeeld omdat de verdachte niet de mogelijkheid had om binnen zeven dagen een kort geding aan te spannen, zoals voorgeschreven in het beleid.

De verdediging voerde aan dat deze onrechtmatigheid tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie of tot bewijsuitsluiting moest leiden, en dat de ontruiming in strijd was met artikel 22 lid 2 van Pro het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. Het hof oordeelde echter dat de ontruiming proportioneel was en dat het pand, ondanks dat het niet in gebruik was, onder de bescherming van het verdrag viel vanwege de geplande renovatie. De schending van artikel 8 EVRM Pro werd als niet ernstig genoeg beschouwd om strafvermindering toe te passen.

Verder werd het verzoek van de verdediging om het volledige kraakdossier toe te voegen aan de processtukken afgewezen, omdat het hof beschikte over voldoende informatie om de proportionaliteitstoets uit te voeren. Ten slotte legde het hof een geheel voorwaardelijke geldboete van €250 op, passend geacht gezien de ernst van het feit en de omstandigheden van de verdachte. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van €250 wegens medeplegen kraken ondanks onrechtmatige ontruiming.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/01398

Zitting9 juni 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 27 maart 2024 (parketnummer 22-000206-20) door het gerechtshof Den Haag wegens "
medeplegen van kraken" veroordeeld tot een geldboete van € 250 te vervangen door vijf dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest.
2. De zaak hangt samen met de zaak tegen de [medeverdachte 1] , nr. 24/01389, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. van Lunen, advocaat in Den Haag, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld. In de zaak van de medeverdachte heeft C.J.M. van den Brûle, advocaat in Den Haag, eveneens drie middelen van cassatie voorgesteld. De middelen zijn identiek.

De zaak: de bewezenverklaring en bewijsvoering

4. De verdachte en zijn medeverdachten zijn veroordeeld wegens het kraken van een gebouw van de Egyptische zending in Den Haag.
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezen verklaard dat:

hij omstreeks 6 november 2018 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, in een woning aan de Surinamestraat 20 , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd”. [1]
6. De bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. Eenproces-verbaal van aangifted.d. 6 november 2018 van de politie, Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018300079-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 53-54):

als de op 6 november 2018 afgelegde verklaring van [aangever] :

Om 17.30 uur verscheen voor mij een persoon, die mij opgaf te zijn:
Achternaam: [aangever]
Voornamen: [aangever]
‘Ik werk voor de ambassade van Egypte. Ik ben gemandateerd voor het doen van aangifte.
Onze ambassade heeft drie gebouwen die officieel zijn aangemerkt als gebouw van de ambassade van Egypte. De Surinamestraat 20 is één van de gebouwen van ons. Dit gebouw stond gepland om te worden gerenoveerd. De ambassade is druk bezig met het proces om dat te kunnen realiseren. Een week geleden, dinsdag 30 oktober 2018, van 12.00 tot 14.00 uur is er voor het laatst personeel van de ambassade in het gebouw geweest. Toen was alles nog in orde en zagen wij niks afwijkends.
Vandaag omstreeks 14.00 uur, wilde een personeelslid van de ambassade het gebouw aan de Surinamestraat 20 betreden. Hij bemerkte dat het slot veranderd was.’
2. Eenproces-verbaal van bevindingend.d. 6 november 2018 van de politie, Eenheid Den Haag, met nr. PL1500-2018300079-14. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 59-60):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 6 november 2018 omstreeks 14.40 uur werd ik samen met mijn collega gestuurd naar de Surinamestraat 20 te Den Haag.
Daar zou een medewerker van de ambassade van Egypte het pand aan de Surinamestraat 20 niet in kunnen. De sloten zouden veranderd zijn.
Ik hoorde de woordvoerder van de krakers, [woordvoerder] , verklaren dat er sinds zaterdag(het hof begrijpt: zaterdag 3 november 2018
) vijf à zes personen in het pand wonen. Kort daarna zag ik een Mercedes met chauffeur aan komen rijden. Een persoon (later bleek: de ambassadeur van Egypte) stapte uit.
Wij hebben de collega’s van het Diplomatic Front Office ter plaatse gevraagd.
3. Eenproces-verbaal van bevindingend.d. 6 november 2018 van de politie, Eenheid Den Haag, met nr. PL1500-2018300079-11. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 61-62):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ik hoorde betrokkene [woordvoerder] zeggen dat het pand, welke al geruime tijd leeg zou staan, vanaf 3 november wederom bewoond zou zijn.
Wij hoorden dat werd besloten het pand te ontruimen. Hierna is het Parate Peloton binnengetreden en heeft vervolgens drie personen aangehouden.
4. Eenproces-verbaal van aanhoudingd.d. 6 november 2.018 van de politie, Eenheid Den Haag-, met nr. PL1500-2018300079-5. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 32-33) :

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op 6 november 2018 hield ik op de locatie Surinamestraat 20 als verdachte aan:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Ik was in dienst als groepscommandant. Ik was in ME-uniform.
Ter plaatse op de Surinamestraat werd ik aangesproken door de officier van dienst, [betrokkene 3] . Ik hoorde dat [betrokkene 3] zei dat het volgens de teamleiding van politiebureau Jan Hendrikstraat heterdaad was.
5. Eenproces-verbaal van bevindingend.d. 4 april 2019. van de politie, Eenheid Den Haag, met nr. PL1500-2018300079-32. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 98):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ik, [betrokkene 4] , werd gebeld door de officier van dienst, [betrokkene 3] . Ik hoorde dat deze [betrokkene 3] mij belde vanuit mijn rol als districtsleiding voor het district Centrum Den Haag. Ik hoorde hem zeggen dat hij ter plaatse stond bij een pand dat gekraakt was.
Ik heb de situatie beoordeeld als heterdaad en heb dit aangegeven aan [betrokkene 3] en hem verzocht het pand te laten ontruimen en weer ter beschikking te stellen aan de rechtmatige eigenaar.
6. Eenproces-verbaal van de raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij het gerechtshof te Den Haag. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - :
als de op 12 oktober 2022 tegenover deze raadsheer-commissaris afgelegde verklaring van [betrokkene 4] :
Ik was plaatsvervangend districtschef van het district A, de binnenstad Den Haag. Ik dacht,, ik kom er even bij staan.
7. Eenproces-verbaal van verhoor getuigevan de politie, Eenheid Den Haag, met nr. PL1500-2018300079-4. Dit proces-verbaal houdt onderlmeer in - zakelijk weergegeven - (blz... 55-56):

als de op 6 november 2018 afgelegde verklaring van [getuige] :

Op 6 november 2018 omstreeks 14.00 uur zag ik drie man op de stoep zitten tegenover perceel 20. Ik ben naar binnen gegaan en in de brievenbus zat een soort actiefolder. Daarin stond dat het pand, wat van de Egyptische ambassade is, dat daar nu nieuwe bewoners, in zaten. Ik wist dat dat niet de bedoeling was en heb een bericht gestuurd naar de makelaar van het pand.
8. Eenproces-verbaal van bevindingen, d.d. 18 maart 2019 van de politie, Eenheid .Den Haag, met nr. PL1500-2018300079-29 (met fotobijlagen.). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 92 e.v.):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Ik zag dat op Twitter-account [username] 6 foto's waren geplaatst. Ik zag dat de foto's vanaf 4 tot en met 6 november 2018 waren geplaatst.
[D.A.: de foto’s heb ik niet opgenomen]
9. Eenproces-verbaal van bevindingend.d. 7 november 2018 van de politie, Eenheid Den Haag, met nr. PL1500-2018300079-19. Dit proces verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 67):

als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:

Op woensdag 7 november 2018, omstreeks 10:30 uur had ik, [verbalisant] , telefonisch contact met collega [betrokkene 1] . Hij is de collega geweest die de verdachten [verdachte] geboren [geboortedatum] 1994, [medeverdachte 2] geboren [geboortedatum] 1992 en [medeverdachte 1] geboren [geboortedatum] 2018[bedoeld zal zijn: 1994, D.A.]
op last van Officier van Dienst heeft aangehouden op de Surinamestraat 20 te Den Haag.
Ik vroeg aan de collega of hij gezien had of er in het pand goederen aanwezig waren, waardoor bewoning mogelijk was. Ik hoorde [betrokkene 1] zeggen dat de begane grond helemaal leeg was en dat daar alleen de drie bovengenoemde verdachten stonden. Een andere collega genaamd [betrokkene 2] , is naar de eerste en de tweede verdieping gegaan.
Op woensdag 7 november 2018, omstreeks 10:56 uur had ik telefonisch contact opgenomen met collega [betrokkene 2] . Ik vroeg aan hem of het klopte dat hij op de eerste en tweede verdieping was geweest op de Surinamestraat 20 te Den Haag. Ik hoorde hem zeggen dat hij inderdaad op die verdiepingen geweest is. Ik vroeg aan [betrokkene 2] of er op de verdiepingen goederen aanwezig waren waardoor bewoning mogelijk was. Ik hoorde hem zeggen dat er op de eerste etage alleen kasten stonden welke leeg waren. Op de tweede etage trof hij aan de voorzijde een klein kamertje aan waar twee matrassen op de grond lagen, hier lagen dekbedden en dekens op. Tevens lagen er kleding, schoenen en boodschappen.
Na overleg met de Officier van Dienst zijn de boodschappen en rugtassen met persoonlijke spullen, uit het pand gehaald en teruggegeven. De matrassen, dekbedden en dekens liggen nog in het kamertje.
10.De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 4 maart 2024 verklaard - zakelijk weergegeven -:
U houdt mij voor dat ik zes jaar geleden wederrechtelijk het pand aan de Surinamestraat 20 zou hebben gekraakt. Wij woonden daar.
Ik verbleef daar zonder toestemming van de eigenaar. U vraagt mij wanneer wij in het pand zijn getrokken. Dat zou wel een paar dagen voordat wij eruit werden gezet zijn geweest. We zijn in de nacht naar binnen gegaan.
7. Voor de bewijsvoering zijn ook de overwegingen van het hof van belang waarmee het is ingegaan op de ter terechtzittingen gevoerde verweren:
“Feiten en omstandigheden
Het hof gaat op grond van de bewijsmiddelen uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Omstreeks 3 november 2018 hebben de verdachte en zijn medeverdachten het pand aan de Surinamestraat 20 te Den Haag betrokken, dat als een officieel gebouw van de ambassade van Egypte is aangemerkt.
Vanaf 4 november 2018 zijn op het Twitter-account [username] foto’s gedeeld van de verdachte en zijn medeverdachten, waar onder meer op is te zien dat er werd ontbeten, schoongemaakt en gelezen in het pand. Op 6 november 2018 is op dit Twitter-account het bericht ‘ Surinamestraat 20 weer bewoond!’ verschenen en vonden buurtbewoners een flyer in hun brievenbus waarin stond dat het pand aan de Surinamestraat 20 nieuwe bewoners heeft.
Op 6 november 2018 omstreeks 14:00 heeft de [getuige] personen op de stoep tegenover het pand aan de Surinamestraat 20 zien zitten. Omdat hij wist dat het pand leeg stond en aan de Egyptische ambassade toebehoorde, heeft hij een melding gemaakt bij de makelaar van het pand.
Omstreeks 14:40 uur zijn twee opsporingsambtenaren ter plaatse gekomen, nadat zij een melding hadden gekregen dat een medewerker van de Egyptische ambassade het pand niet in kon, omdat de sloten veranderd zouden zijn. Zij hebben ter plaatse overleg gevoerd met de woordvoerder van de nieuwe bewoners van de Surinamestraat 20 , [woordvoerder] . Kort hierop is de ambassadeur van Egypte bij het pand aangekomen en hebben de opsporingsambtenaren bijstand gevraagd van het Diplomatic Front Office van de politie Eenheid Den Haag.
Omstreeks 15.30 uur is door de officier van dienst, [betrokkene 3] in samenspraak met de eveneens ter plaatse gekomen plaatsvervangend districtchef voor het district centrum Den Haag, [betrokkene 4] , besloten dat sprake was van een heterdaad-situatie en dat het pand moest worden ontruimd. Hierop is het Parate Peloton in het pand binnengetreden en zijn de verdachte en zijn medeverdachten aangehouden. De ontruiming van het pand is niet (tijdig en schriftelijk) aangekondigd aan de verdachten alvorens is overgegaan tot de ontruiming van het pand.
Om 17.30 werd door een medewerker van de Egyptische ambassade aangifte gedaan van overtreding van artikel 138a van het Wetboek van Strafrecht (Sr) (kraken).
Toetsing van (on) rechtmatigheid van de ontruiming
De verdediging heeft - een en ander zoals verwoord in de pleitnotitie - primair onder de noemer van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, en deels met verwijzing naar artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) een groot aantal verweren gevoerd waarin de rechtmatigheid van het overheidsoptreden ten aanzien van de ontruiming van het gebouw ter discussie wordt gesteld.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Artikel 138a Sr bevat de strafbepaling van kraken. Op grond daarvan is het strafbaar om wederrechtelijk een woning of gebouw binnen te dringen waarvan het gebruik door de rechthebbende is beëindigd.
Op grond van artikel 551a Sv (oud) kan iedere opsporingsambtenaar de woning of het gebouw betreden en alle personen die daar wederrechtelijk vertoeven, verwijderen of doen verwijderen.
Artikel 551a is bij wet van 19 mei 2021, Stb. 2021, 285, ingrijpend gewijzigd (zie hierna). De nieuwe procedureregels zijn echter op de onderhavige zaak niet van toepassing nu de wetswijziging op 1 juli 2022 in werking is getreden en de onderhavige feiten voor deze datum zijn gepleegd. Het hof zal daarom bij de beoordeling van de zaak uitgaan van artikel 551a (oud) en de daarop gebaseerde regelgeving en jurisprudentie.
Bij brief van het College van procureurs-generaal van 30 november 2010 (Stcrt. 2010, nr 19500) zijn beleidsregels vastgesteld en gepubliceerd die, tot de wetswijziging van artikel 551a, voorschrijven hoe dient te worden omgegaan met strafrechtelijke ontruimingen ingevolge bovengenoemd artikel.
Hoofdregel is dat het kraakverbod, dat vanaf 1 oktober 2010 van kracht is, door politie en Openbaar Ministerie onverkort zal worden gehandhaafd. Krakers hebben wel de mogelijkheid om vooraf de (on)rechtmatigheid van de uitoefening van de strafvorderlijke bevoegdheid van artikel 551a Sv (oud) ter toetsing aan de onafhankelijk rechter voor te leggen middels een civiel kort geding. Ingevolge genoemde beleidsbrief wordt een ontruiming in beginsel schriftelijk bij de bewoners van het te ontruimen pand aangekondigd en wordt gewacht met ontruimen, totdat de voorzieningenrechter in een tijdig aanhangig gemaakt kort geding zich over een voorgenomen ontruiming heeft uitgelaten, tenzij sprake is van een aantal nader in de beleidsbrief omschreven bijzondere omstandigheden.
Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden leidt het hof af dat de verdachte en zijn medeverdachten het pand feitelijk als woning in gebruik hadden, op het moment dat bij de politie van hun aanwezigheid melding werd gemaakt. Er was op dat moment sprake van een onrechtmatige vestiging in het pand.
Voorts stelt het hof vast dat de ontruiming niet conform de genoemde beleidsbrief heeft plaatsgevonden. Als gevolg van het feit dat de ontruiming niet van tevoren was aangekondigd, is de verdachte niet in de gelegenheid geweest om de voorgenomen ontruiming binnen een termijn van 7 dagen aan de voorzieningenrechter voor te leggen. Naar het oordeel van het hof is voorts niet gebleken dat zich een van de in de beleidsbrief genoemde bijzondere omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het noodzakelijk zou zijn geweest om direct tot ontruiming over te gaan. Naar het oordeel van het hof is derhalve sprake van een onrechtmatige ontruiming.
Op grond van het dossier kan het hof niet vaststellen dat met deze onrechtmatige ontruiming doelbewust of met grove veronachtzaming een zodanige inbreuk is gemaakt op het recht op een eerlijk proces van de verdachte dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Het verweer voor zover het ziet op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt daarom verworpen.
Ook het verweer dat het verzuim als vormverzuim ex artikel 359a Sv moet leiden tot bewijsuitsluiting treft geen doel. Daartoe overweegt het hof het volgende. De Hoge Raad heeft bij arrest van 10 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1753) overwogen dat de (on)rechtmatigheid van een op de voet van artikel 551a Sv (oud) verrichte ontruiming in beginsel, met het oog op het zwaarwegende belang van aan een kraker toekomend huisrecht, bij een onafhankelijk rechter ten toets moet kunnen komen. Indien, zoals in dit geval, voorafgaande toetsing door de burgerlijke rechter ontbreekt, kan de vraag of de ontruiming rechtmatig was aan de strafrechter worden voorgelegd in het kader van een strafzaak tegen de verdachte inzake het kraken.
Indien de strafrechter vervolgens bevindt dat de verdachte (ten onrechte) niet de gelegenheid heeft gehad tegen een voorgenomen ontruiming een kort geding aan te spannen, geldt dit verzuim niet als een vormverzuim dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek zoals bedoeld in artikel 359a Sv naar de in de strafzaak aan de verdachte tenlastegelegde overtreding van artikel 138a Sr. Bij de vaststelling van een dergelijk verzuim kan de vereiste belangenafweging voor de proportionaliteitstoets door de strafrechter worden gemaakt.
Niet valt in te zien dat de strafrechter onvoldoende zou zijn toegerust om deze belangenafweging te maken, zoals de verdediging heeft betoogd. Ook de strafrechter kan als onafhankelijk rechter de proportionaliteit van een inbreuk op grondrechten toetsen, zoals gebruikelijk is bijvoorbeeld bij voorlopige hechtenis en het doorzoeken van woningen. Anders dan de verdediging heeft gesteld is er dan ook geen sprake van dat in deze toetsing onvoldoende waarborgen worden geboden voor een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) dan wel dat daarmee geen daadwerkelijk rechtsmiddel (‘effective remedy’) voor een nationale rechter zou bestaan tegen een verdedigbare klacht (‘arguable claim’) dat een verdragsrecht als artikel 8 EVRM Pro is geschonden. In dit verband wijst het hof nog op de huidige tekst van artikel 551a Sv dat voorschrijft dat de officier van justitie voorafgaande aan de ontruiming een vordering tot machtiging van ontruiming indient bij de rechter commissaris in strafzaken. Van de rechter-commissaris wordt verwacht dat hij een afweging maakt van de in het geding zijnde belangen. In zoverre is thans sprake van een nieuwe procedure waarin ten aanzien van de vraag naar de rechtmatigheid van de (voorgenomen) ontruiming in beginsel geen rol meer is weggelegd voor de voorzieningenrechter in kort geding.
Proportionaliteitstoetsing en belangenafweging
Gelet op de arresten van de Hoge Raad van 10 december 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1753) en 28 oktober 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BQ9880) is het aldus aan de strafrechter om te onderzoeken of de in abstracto door de wetgever gegeven voorrang aan het belang van de openbare orde, het beëindigen van strafbare feiten en de bescherming van de rechten van derden boven het huisrecht van de kraker, in het concrete geval de proportionaliteitstoets kan doorstaan. Die belangenafweging kan alleen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.
Komt de strafrechter met betrekking tot de ontruiming op basis van artikel 551a Sv (oud) tot het oordeel dat de rechter in kort geding de ontruiming eerst tegen een later tijdstip of in het geheel niet zou hebben toegestaan, kan de strafrechter een schending van artikel 8 EVRM Pro constateren en eventueel, indien de ernst van de schending dit rechtvaardigt, daaraan het rechtsgevolg van strafvermindering verbinden.
De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep zich subsidiair zich op het standpunt gesteld dat indien de strafrechter de proportionaliteit van de inbreuk op het huisrecht van de verdachte toetst, deze belangenafweging in het voordeel van de verdachte dient uit te vallen.
Voorts is aangevoerd dat de verdachte en zijn medeverdachten een zwaarwegend belang hebben bij de beschikbaarheid van het pand als woonruimte nu er vanwege de situatie op de woningmarkt geen betaalbare woonruimte voorhanden is. Hier komt bij dat het pand, dat staatseigendom is van Egypte, al jarenlang aan het verkrotten is. Door bewoning zou verdere verkrotting en leegstand worden tegengegaan.
De zorgelijke staat van onderhoud van het pand aan de Surinamestraat 20 betreft niet een persoonlijk belang van de verdachte dat in de belangenafweging gewicht in de schaal kan leggen. Voor wat betreft de verdere aangevoerde persoonlijke belangen bij voortzetting van het gebruik van het pand, geldt dat deze niet anders zijn dan de belangen die al door de wetgever in abstracto zijn meegewogen bij de strafbaarstelling van kraken en de ontruimingsbevoegdheid van art. 551a Sv (oud). Bovendien zijn zij niet zo uitzonderlijk te noemen dat hierin rechtvaardiging kan worden gevonden om ten nadele van de rechten van anderen af te wijken van de rechtsnorm ten aanzien van kraken. Het uitgangspunt is immers dat de eigenaar van het pand het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.
De conclusie luidt dat de ontruiming de proportionaliteitstoets van de voorzieningenrechter had kunnen doorstaan.
Het hof ziet zich voorts gesteld voor de vraag of de voorzieningenrechter de ontruiming eerst tegen eenlater tijdstip
zou hebben toegestaan.
In dit verband acht het hof van belang dat het pand aan de Surinamestraat 20 deel uitmaakt van de diplomatieke zending van Egypte en dat het als zodanig bescherming geniet van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. [2] Dat het pand op het moment van het kraken niet werd gebruikt, doet - anders dan de verdediging heeft gesteld - daar niet aan af. Het gaat er namelijk om of op het moment van het kraken het pand bestemd was om (op enig moment) te worden gebruikt in de uitoefening van de diplomatieke zending van de buitenlandse staat (HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45 rov.3.6.2). Uit de aangifte van 6 november 2018 blijkt dat er plannen waren om het pand aan de Surinamestraat te renoveren. Het pand had derhalve zijn publieke functie niet verloren. Ingevolge het bepaalde in artikel 22, tweede lid van het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer rust op de ontvangende staat (i.c. Nederland) de bijzondere verplichting om alle geëigende maatregelen te nemen om de gebouwen van de zending tegen indringers en tegen het toebrengen van schade te beschermen en te verhinderen dat de zending op enigerlei wijze wordt verstoord of aan haar waardigheid afbreuk wordt gedaan. Gelet op deze verplichting zal naar het oordeel van het hof, de voorzieningenrechter de ontruiming niet tegen een later tijdstip hebben toegestaan.
Alles overwegende komt het hof tot het oordeel dat de inbreuk op het huisrecht van de verdachten, en daarmee de schending van artikel 8 EVRM Pro, niet zodanig ernstig is geweest dat in dat kader het rechtsgevolg van strafvermindering moet worden verbonden. In dit verband heeft het hof ook meegewogen de omstandigheid dat de verdachten slechts een korte tijd in het pand hebben verbleven (2 à 3 dagen) en zich nog niet of nauwelijks hadden geïnstalleerd. Er was sprake van een zeer beperkt opgebouwd ongestoord woongenot.

De deelklachten van het eerste middel

8. Het eerste middel komt met drie deelklachten op tegen het oordeel om aan de onrechtmatige ontruiming geen rechtsgevolg te verbinden. De eerste deelklacht houdt in dat het hof bij de beoordeling van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de inmenging in de door artikel 8 EVRM Pro beschermde belangen niet heeft voldaan aan het vereiste van gekwalificeerd onderzoek en motivering. De tweede deelklacht komt op tegen het oordeel dat de voorzieningenrechter de ontruiming van het gekraakte pand niet tegen een later tijdstip zou hebben toegestaan gelet op de verplichting in artikel 22 lid 2 van Pro het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer. De derde deelklacht houdt in dat het hof heeft verzuimd te motiveren waarom de inbreuk op artikel 8 EVRM Pro niet zodanig ernstig is geweest dat daaraan strafvermindering moet worden verbonden.

Het beoordelingskader

9. Voor de beoordeling van het middel is het goed eerst de taak van de strafrechter weer te geven zoals die naar voren komt in het arrest van de Hoge Raad van 10 december 2013, waarnaar het hof ook verwijst. Daarbij wijs ik erop dat op de voorliggende zaak artikel 551a (oud) Sv van toepassing is dat van 1 juli 2013 tot 1 juli 2022 als volgt luidde:

In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan iedere opsporingsambtenaar de desbetreffende plaats betreden. De opsporingsambtenaar is bevoegd alle personen die daar wederrechtelijk vertoeven, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen.
10. In zijn arrest van 10 december 2013 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

3.3. (…) In art. 551a Sv, geplaatst in Titel VIII van Boek IV van het Wetboek van Strafvordering ("Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het wetboek van Strafrecht") en gemodelleerd naar art. 55, tweede lid, Sv, wordt iedere opsporingsambtenaar de bevoegdheid toegekend tot het betreden van plaatsen en tot het (doen) verwijderen van aldaar vertoevende personen onder de in die bepaling genoemde voorwaarden. De (on)rechtmatigheid van de uitoefening van deze strafvorderlijke bevoegdheid moet in beginsel met het oog op het zwaarwegend belang van aan een kraker toekomend huisrecht bij de onafhankelijke rechter ten toets kunnen komen. Indien, zoals hier, voorafgaande toetsing door de burgerlijke rechter ontbreekt, moet in deze bijzondere gevallen worden aanvaard dat de vraag of de ontruiming onrechtmatig was aan de strafrechter kan worden voorgelegd in het kader van de strafzaak tegen de verdachte van kraken, zoals blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 551a Sv de wetgever uitdrukkelijk voor ogen had.
3.4.
Aantekening verdient daarbij het volgende.
Verweren die ertoe strekken dat een ontruiming op de voet van art. 551a Sv onrechtmatig is, zullen doorgaans erop zijn gebaseerd dat de ontruiming, in strijd met de in de (hiervoor in 2.3.3 weergegeven) beleidsbrief van het openbaar ministerie gestelde regels, heeft plaatsgevonden zonder dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad tegen een voorgenomen ontruiming een kort geding aan te spannen.
Indien de strafrechter bevindt dat zulk een verzuim heeft plaatsgevonden, kan dit verzuim niet gelden als een vormverzuim dat is begaan in het kader van het voorbereidend onderzoek als bedoeld in art. 359a Sv naar de in de strafzaak aan de verdachte tenlastegelegde overtreding van art. 138a Sr.
Indien in een dergelijk bijzonder geval de strafrechter heeft vastgesteld dat door of namens het openbaar ministerie ten onrechte geen (voldoende) gelegenheid is gegeven een kort geding aanhangig te maken, zal bij de beoordeling door de strafrechter hoe in het bijzonder de door de rechter in kort geding te verrichten proportionaliteitstoets zou zijn uitgevallen, zoals is overwogen in rov. 3.5.7 van het hiervoor in 2.3.5 vermelde arrest van de Hoge Raad, de daarvoor vereiste belangenafweging alleen kunnen plaatsvinden als de kraker feiten of omstandigheden aanvoert en aannemelijk maakt die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen, waarbij als uitgangspunt zal hebben te gelden dat een eigenaar het recht heeft om over zijn pand te beschikken zoals hij wil.
Komt de strafrechter tot het oordeel dat de rechter in kort geding de ontruiming eerst tegen een later tijdstip of in het geheel niet zou hebben toegestaan, kan de strafrechter een schending van art. 8 EVRM Pro constateren en eventueel, indien de ernst van de schending dit rechtvaardigt, daaraan het in de geschiedenis van de totstandkoming van art. 551a Sv genoemde rechtsgevolg van strafvermindering verbinden. [3]

De bespreking van het eerste middel

De eerste deelklacht
11. De klacht dat het hof bij de beoordeling van de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de inbreuk op artikel 8 EVRM Pro niet heeft voldaan aan het vereiste van gekwalificeerd onderzoek en motivering, berust in de kern op het ontbreken van het zogenoemde ‘kraakdossier’. Gesteld wordt dat het hof door het ontbreken van informatie niet in staat was om de proportionaliteitstoets adequaat uit te voeren.
12. Het hof heeft onderdelen van wat wordt aangemerkt als het kraakdossier voor de bewijsvoering gebruikt. Het gaat om ‘de aangifte met bijlagen’ en ‘een proces-verbaal van de bevindingen over de kraakactie’. In de schriftuur wordt niet uiteengezet welke (andere) documenten die tot het kraakdossier zouden behoren, ontbreken. Daardoor faalt de eerste deelklacht. Het is aan de kraker om “
feiten of omstandigheden aan te voeren en aannemelijk te maken die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen”, aldus de Hoge Raad.
De tweede deelklacht
13. De tweede deelklacht betreft de verplichting van artikel 22 lid 2 van Pro het Verdrag van Wenen om inzake diplomatiek verkeer “
alle geëigende maatregelen te nemen om de gebouwen van de zending tegen indringers en tegen het toebrengen van schade te beschermen en te verhinderen dat de rust van de zending op enigerlei wijze wordt verstoord of aan haar waardigheid afbreuk wordt gedaan.” Met een beroep op deze verplichting heeft het hof geoordeeld dat de voorzieningenrechter de ontruiming van het gekraakte pand niet tegen een later tijdstip zou hebben toegestaan.
14. Artikel 22 van Pro het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer, luidt:

1. The premises of the mission shall be inviolable. The agents of the receiving State may not enter them, except with the consent of the head of the mission.
2. The receiving State is under a special duty to take all appropriate steps to protect the premises of the mission against any intrusion or damage and to prevent any disturbance of the peace of the mission or impairment of its dignity.
3. The premises of the mission, their furnishings and other property thereon and the means of transport of the mission shall be immune from search, requisition, attachment or execution.” [4]
15. In de kern komt de klacht erop neer dat artikel 22 lid 2 van Pro het verdrag “
niet, althans niet zonder meer, een grondslag [kan] bieden om tot een strafrechtelijke ontruiming over te gaan of deze te rechtvaardigen” omdat het pand leegstond en al lange tijd niet werd gebruikt. Het pand was daarom bij aanvang van de kraak niet als “
premises of the mission” in gebruik. Daarbij wordt een beroep gedaan op artikel 1 onder Pro (i) van het verdrag. Daarin worden gebouwen van de zending omschreven als “
the buildings or parts of buildings and the land ancillary thereto, irrespective of ownership, used for the purposes of the mission including the residence of the head of the mission”. Het gaat in artikel 22 dus Pro alleen om gebouwen die
gebruikt worden. [5] Het hof zou voor zijn opvatting ten onrechte verwijzen naar HR 28 juni 2013, omdat dat arrest betrekking heeft op artikel 22
lid 3van het verdrag en niet op de in lid 2 neergelegde verplichting, aldus de steller van het middel. [6]
16. Uit HR 28 juni 2013 volgt dat ‘immuniteit van executie’ (artikel 22
lid 3van het verdrag) niet is beperkt tot gebouwen van de zending die daadwerkelijk in gebruik zijn maar mede een gebouw bestrijkt
“dat is bestemd om (op enig moment) te worden gebruikt in de uitoefening van de werkzaamheden van de diplomatieke zending van de buitenlandse staat, maar ten tijde van het treffen van de executiemaatregelen niet daadwerkelijk als zodanig in gebruik is. [7] Daaraan legt de Hoge Raad ten grondslag de in Nederland als ongeschreven volkenrecht aanvaarde regel dat staatseigendommen met een publieke bestemming in elk geval niet vatbaar zijn voor gedwongen executie en dat in dit verband niet de nadere eis geldt dat die staatseigendommen daadwerkelijk worden gebruikt voor publieke doeleinden. [8]
17. Ik neig naar een bevestigend antwoord op de vraag die het middel oproept, namelijk of de hiervoor bedoelde gebouwen van de diplomatieke zending die niet daadwerkelijk in gebruik zijn maar wel zijn bestemd om op enig moment voor publieke doeleinden te worden gebruikt, niet alleen onder artikel 22
lid 3, maar
ookvallen onder de reikwijdte van artikel 22
lid 2van het verdrag. Bespreking van deze vraag is niet nodig. Ik meen dat de klacht reeds om een andere reden faalt. In aanmerking genomen dat het pand staatseigendom is van Egypte en er plannen voor renovatie zijn, zoals het hof heeft vastgesteld, heeft het hof sowieso
kunnenoordelen dat de voorzieningenrechter vanwege de belangen die aan het diplomatiek verkeer worden toegekend de ontruiming van het gekraakte pand niet tegen een later tijdstip zou hebben toegestaan.
De derde deelklacht
18. Het hof heeft uiteengezet dat en waarom de inbreuk op artikel 8 EVRM Pro
niet zodanig ernstig is geweest dat in dat kader het rechtsgevolg van strafvermindering moet worden verbonden” en daarbij “
meegewogen dat de omstandigheid dat de verdachten slechts een korte tijd in het pand hebben verbleven (2 à 3 dagen) en zich nog niet of nauwelijks hadden geïnstalleerd”. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en wat mij betreft toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat de rechter niet gehouden is om aan een schending van artikel 8 EVRM Pro strafvermindering te verbinden. [9]
19. Nu ook de derde deelklacht faalt, faalt het middel in alle onderdelen.

Het tweede middel

De klacht
20. Op de terechtzittingen van 18 mei 2022 en 4 maart 2024 heeft de raadsvrouw verzocht het ‘kraakdossier’ bij de processtukken te voegen. Het tweede middel bevat een klacht over de afwijzing van deze verzoeken. Aangevoerd wordt dat het hof daardoor is belemmerd bij de proportionaliteitstoets “
alle relevante factoren met betrekking tot de evenredigheid van de inmenging”in artikel 8 EVRM Pro
“in detail te onderzoeken en de beslissing afdoende te motiveren”.
De procesgang
21. Aan het verzoek tot voeging van het kraakdossier heeft de raadsvrouw van de verdachte volgens haar (op de zitting van 18 mei 2022 overgelegde) pleitnota het volgende ten grondslag gelegd:

20. Indien Uw Hof meent dat de beslissing op het verzoek van appellanten om op grond van de onrechtmatige inbreuk op hun huisrecht tot strafvermindering over te gaan, afhangt van een door U uit te voeren proportionaliteitstoets cq belangenafweging, vraagt de verdediging om opdracht te geven aan het O.M. tot het overleggen van het zogeheten kraakdossier. Zie hierover de pleitnota van Van den Brûle in eerste aanleg, randnummers 4 t/m 6. [10] 21. Immers is voor de juiste uitvoering van deze toets noodzakelijk dat appellanten vooraleerst kennis kunnen nemen van het kraakdossier in de zaak. Het kraakdossier bestaat -zo beschrijft het evaluatierapport van de Wet kraken en leegstand- uit een aantal vaste gegevens, te weten: de aangifte met bijlagen, de omschrijving van het plan voor heringebruikname, met onderbouwende stukken, bij een niet recente aangifte (langer dan 3 maanden oud) een proces-verbaal of ander stuk (email of brief eigenaar) waaruit blijkt dat de aangever nog steeds wil dat het pand wordt ontruimd, een proces-verbaal van de bevindingen over de kraakactie (en met eventueel de leegstandscontrole) en een proces-verbaal over de huidige situatie in en om het gekraakte pand. Het is op basis van deze gegevens dat de krakers ten aanzien van deze toetsing feiten en gegevens in het geding kunnen brengen die aannemelijk moeten maken dat de te maken proportionaliteitstoets in hun voordeel uit dient te vallen. Namens cliënten verzoeken wij (in dat geval) dan ook overlegging van dit kraakdossier.
22. Het proces-verbaal van de terechtzitting bevat in aanvulling hierop het volgende:

Mr. [betrokkene 5] deelt in aanvulling op zijn deel van de pleitnota [11] het volgende mede:
Punt 21
Het ziet op de vraag of er aanleiding bestond om gebruik te maken van de strafvorderlijke bevoegdheid tot ontruiming. Het zogeheten kraakdossier zou beschikbaar moeten zijn dan wel opgemaakt moeten kunnen worden.
Mr. Van Lunen deelt mede dat een strafrechter thans in een strafzaak de proportionaliteitstoets verricht terwijl deze toets normaliter in een civiele procedure plaatsvindt en dat de verdediging van mening is dat de strafrechter over de zich in het kraakdossier bevindende stukken dient te beschikken teneinde die proportionaliteitstoets te kunnen verrichten.
Mr. [betrokkene 5] deelt in aanvulling hierop mede dat het primaire standpunt van de verdediging nog altijd is dat de strafrechter überhaupt niet is aangewezen om de proportionaliteitstoets te verrichten.
23. De ter terechtzitting van 4 maart 2024 overgelegde pleitnota van Van Lunen houdt het volgende in:

26. Over het Beleid van het OM het Korpsvoorschrift en het Evaluatierapport Wet Kraken en Leegstand is in eerste aanleg het volgende aangevoerd. (Pleitnota Van den Brûle randnummers 3 t/m 11) Verzocht wordt om dit als hier herhaald en ingelast beschouwen. (akte vragen).
(…)
41. (…) Er heeft in het geheel geen onderzoek plaatsgevonden naar de belangen van de ambassade bij ontruiming enerzijds en de belangen van cliënten anderzijds. Ondanks het verzoek van de verdediging daartoe hebben wij, noch heeft uw hof, van het OM een zogenoemd kraakdossier ontvangen.”
24. In de pleitnota wordt onder randnummer 26 geciteerd uit de door Van den Brûle in eerste aanleg overgelegde pleitnota. Ik citeer daaruit het deel dat van belang is voor de beoordeling van de klacht:

4. Volgens het RIGO-rapport van juli 2015 "Evaluatie van de Wet Kraken en Leegstand’ (ik overhandig een exemplaar) overlegt het OM beslissingen tot ontruimen van gekraakte panden altijd in de driehoek. Volgens de Evaluatie van de Wet Kraken en Leegstand beslist het OM of en hoe zij strafrechtelijk gaat handhaven na een aangifte van een kraakincident dat via de politie bij het Openbaar Ministerie terecht komt. Het OM komt pas in actie nadat er aangifte is gedaan.
5. Meldingen van overtredingen van 138a Sr (kraken) komen binnen via de politie, aldus de Evaluatie van de Wet Kraken en Leegstand. De politie gaat ter plaatse kijken, beoordeelt de situatie en onderzoekt de bedoelingen van de krakers. Ook informeert de politie bij de eigenaar en doet navraag naar zijn plannen met het pand. Tot slot brengt de politie in beeld of er sprake is van overlast en gevaar voor de omgeving, of betrokkenen in het pand. De politie maakt van haar bevindingen een proces verbaal op, dat wordt toegevoegd aan het kraakdossier.Het kraakdossier bestaat derhalve uit een aantal vaste gegevens, te weten: de aangifte met bijlagen, de omschrijving van het plan voor heringebruikname, met onderbouwende stukken, bij een niet recente aangifte (langer dan 3 maanden oud) een proces-verbaal of ander stuk (email of brief eigenaar) waaruit blijkt dat de aangever nog steeds wil dat het pand wordt ontruimd, een proces-verbaal van de bevindingen over de kraakactie (en met eventueel de leegstandscontrole)en een proces-verbaal over de huidige situatie in en om het gekraakte pand.
6.Een omschrijving van het plan voor heringebruikname met onderbouwende stukken, een proces-verbaal over de huidige situatie in en om het gekraakte pand enz.Dit alles is niet terug te vinden in het dossier. Volgens de Evaluatie van de Wet Kraken en Leegstand kijkt het OM bij de te nemen vervolgstappen o.a. naar de volgende overwegingen: De toekomst van het pand, wat zijn de plannen van de eigenaar? Is er sprake van een verkoopplan, een verbouwplan, een sloopplan, beheer door antikraak? Bij aangiftes die binnenkomen bij het OM langer dan 24 uur na de kraakactie, wordt niet meteen besloten tot ontruiming. Een beslissing tot ontruiming en vervolging van de krakers hangt af van de belangenafweging aan de hand van de verzamelde informatie in het kraakdossier. Ook is relevant of er sprake is van gevaar in het pand of overlast voor de omgeving en of er sprake is van gebruik door de eigenaar dan wel concrete plannen voor heringebruikname. Is hiervan geen sprake, dan gaat het OM niet over tot vervoIging en ontruiming.Wij moeten vaststellen dat politie en OM de geldende regelgeving en praktijk in deze zaak met voeten heeft getreden.
25. Het hof heeft het verzoek in het arrest afgewezen en daarbij het volgende overwogen:

In het kader van de hierboven uiteengezette proportionaliteitstoets heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het voegen van het kraakdossier.
Het hof wijst dit verzoek af, nu het hof zich op grond van de beschikbare informatie uit het procesdossier voldoende geïnformeerd acht om de genoemde toets uit te voeren.
De bespreking van het middel
26. In het RIGO-rapport waarnaar wordt verwezen ter onderbouwing van de noodzaak om het kraakdossier toe te voegen, wordt het ‘kraakdossier’ beschreven als informatie die verzameld moet worden waarna het OM moet beslissen welke volgende stappen gezet moeten worden met het oog op een eventuele ontruiming. [12] Het kraakdossier wordt dus samengesteld met het oog op een nog te nemen beslissing over de ontruiming van het gekraakte pand. Dat verklaart waarom het in geval van “
een niet recente aangifte (langer dan 3 maanden oud)”mede bestaat uit “
een proces-verbaal of ander stuk (email of brief eigenaar) waaruit blijkt dat de aangever nog steeds wil dat het pand wordt ontruimd”. Ten tijde van de terechtzitting had die ontruiming al lang en breed plaatsgevonden zodat het kraakdossier niet meer relevant was voor zover het betrekking had op de toen te nemen beslissing. De andere documenten waarnaar wordt verwezen en die relevant waren voor de door het hof uit te voeren proportionaliteitstoets – de aangifte met bijlagen en een proces-verbaal van de bevindingen over de kraakactie – heeft het hof voor de bewijsvoering gebruikt. Daaruit volgt dat het hof daarover beschikte.
27. In de toelichting op het middel wordt niet uiteengezet welke andere documenten die tot het kraakdossier zouden behoren ontbreken en evenmin over kennis van welke factoren het hof (daardoor) niet zou hebben beschikt om de proportionaliteitstoets uit te voeren.
28. De klachten falen.

Het derde middel

29. Het derde middel bevat een klacht over de oplegging van een voorwaardelijke geldboete.
30. Over de op te leggen straf heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze samen met anderen schuldig gemaakt aan kraken. Kraken is een onaanvaardbare vorm van eigenrichting, waarbij het eigendomsrecht van derden op ontoelaatbare wijze wordt aangetast.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 februari 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.
Voorts stelt het hof vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De termijn in hoger beroep is aangevangen op 20 januari 2020,de datum van het instellen van het hoger beroep, terwijl het eindarrest is gewezen op 27 maart 2024. Dat maakt dat in hoger beroep sprake is van een termijnoverschrijding van ongeveer 2 jaar en 2 maanden.
Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn ziet het hof aanleiding om te kiezen voor een andere strafmodaliteit. Gelet op de ernst van het feit ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a is bepleit van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de verdediging is bepleit.
Het hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.”
31. Aangevoerd wordt dat het oordeel “
dat gelet op de ernst van het feit geen aanleiding is voor toepassing van artikel 9a Sr, en strafoplegging van een voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is” blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting en dat de motivering ervan onbegrijpelijk en/of ontoereikend is. In de kern komt de klacht erop neer dat het hof toepassing had moeten geven aan artikel 9a Sr. Ter onderbouwing hiervan wordt in de schriftuur een beroep gedaan op achtereenvolgens (i) arresten in andere zaken waarbij toepassing werd gegeven aan artikel 9a Sr wegens de onrechtmatigheid van de ontruiming en overschrijding van de redelijke termijn, (ii) vergelijkbare zaken die zijn geseponeerd, onder meer vanwege de geringe ernst van het feit, waarop ter terechtzitting van het hof een beroep is gedaan, en (iii) op een (betrekkelijk) recent verschenen rapport van Bureau Ateno (in opdracht van het WODC)
Evaluatie Wet Handhaving Kraakverbod, waarin is opgenomen dat krakers in beginsel niet worden aangehouden en vervolgd tenzij zij zich tegen een door de rechter gemachtigde ontruiming verzetten of sprake is van “
stelselmatig kraken”. [13] Ook wordt er in de schriftuur op gewezen dat (iv) de verdachte “
first offender” was, en (v) ten tijde van de terechtzitting bij het hof geen nieuwe verdenkingen van strafbare feiten bestonden.
32. De klachten stuiten af op de straftoemetingsvrijheid van de feitenrechter. [14] Een beroep in cassatie op de onder (iv) en (v) aangegeven persoonlijke feiten en omstandigheden maakt dat niet anders, net zomin als een na het arrest verschenen evaluatierapport (iii). Dat betreft allemaal napleiten. Verder zijn de rechtsklachten niet nader onderbouwd.

Slotsom

33. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
34. Ambtshalve wijs ik erop dat inmiddels meer dan twee jaren zijn verstreken nadat op 10 april 2024 cassatieberoep is ingesteld. Dit betekent dat tijdens de behandeling van de zaak in cassatie inbreuk is gemaakt op het in artikel 6 lid 1 EVRM Pro gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Gelet op de geheel voorwaardelijk opgelegde geldboete kan de Hoge Raad volstaan met die enkele vaststelling. [15]
35. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
36. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Het gebouw aan de Surinamestraat 20 in Den Haag is ook bekend als het ouderlijk huis van Louis Couperus waar hij
2.In het arrest is hierbij de volgende voetnoot opgenomen: “
3.HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1753,
6.HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45.
7.HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45, r.o. 3.6.2.
8.HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:45, r.o. 3.6.1.
9.HR 10 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1753,
10.Randnummers 5 en 6 uit de pleitnota zijn hieronder weergegeven bij randnummer 25.
11.Mr. [betrokkene 5] is raadsman van een andere medeverdachte dan die in de in cassatie aanhangige samenhangende zaak. Uit de inhoud van de pleitnota blijkt dat de drie advocaten van de drie verdachten (waaronder naast de verdachte in de voorliggende zaak, de medeverdachte in de in cassatie aanhangige samenhangende zaak, en een derde medeverdachte waarvan de zaak niet in cassatie aanhangig is) ter terechtzitting van 18 mei 2022 gebruik hebben gemaakt van dezelfde daar overgelegde pleitnota, zoals met zoveel woorden is aangegeven in het proces-verbaal dat is opgemaakt van de terechtzitting van 4 maart 2024, p. 5.
12.RIGO = Research en Advies Woon-, werk- en leefomgeving. Zie het eindrapport: RIGO,
13.P. Kruize & P. Gruter,
14.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975.
15.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.1.3.