Conclusie
Nummer24/01389
Inleiding
medeplegen van kraken" veroordeeld tot een geldboete van € 250 te vervangen door vijf dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest.
De zaak: de bewezenverklaring en bewijsvoering
hij omstreeks 6 november 2018 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, in een woning aan de Surinamestraat 20 , waarvan het gebruik door de rechthebbende was beëindigd wederrechtelijk is binnengedrongen en wederrechtelijk aldaar heeft vertoefd”. [1]
1. Eenproces-verbaal van aangifted.d. 6 november 2018 van de politie, Eenheid Den Haag met nr. PL1500-2018300079-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 53-54):
als de op 6 november 2018 afgelegde verklaring van [aangever] :
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
vijf à zes personen in het pand wonen. Kort daarna zag ik een Mercedes met chauffeur aan komen rijden. Een persoon (later bleek: de ambassadeur van Egypte) stapte uit.
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
als de op 6 november 2018 afgelegde verklaring van [getuige] :
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
zou hebben toegestaan.
De deelklachten van het eerste middel
Het beoordelingskader
In geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in de artikelen 138, 138a en 139 van het Wetboek van Strafrecht kan iedere opsporingsambtenaar de desbetreffende plaats betreden. De opsporingsambtenaar is bevoegd alle personen die daar wederrechtelijk vertoeven, alsmede alle voorwerpen die daar ter plaatse worden aangetroffen, te verwijderen of te doen verwijderen.”
3.3. (…) In art. 551a Sv, geplaatst in Titel VIII van Boek IV van het Wetboek van Strafvordering ("Bijzondere bepalingen omtrent opsporing van feiten, strafbaar gesteld bij het wetboek van Strafrecht") en gemodelleerd naar art. 55, tweede lid, Sv, wordt iedere opsporingsambtenaar de bevoegdheid toegekend tot het betreden van plaatsen en tot het (doen) verwijderen van aldaar vertoevende personen onder de in die bepaling genoemde voorwaarden. De (on)rechtmatigheid van de uitoefening van deze strafvorderlijke bevoegdheid moet in beginsel met het oog op het zwaarwegend belang van aan een kraker toekomend huisrecht bij de onafhankelijke rechter ten toets kunnen komen. Indien, zoals hier, voorafgaande toetsing door de burgerlijke rechter ontbreekt, moet in deze bijzondere gevallen worden aanvaard dat de vraag of de ontruiming onrechtmatig was aan de strafrechter kan worden voorgelegd in het kader van de strafzaak tegen de verdachte van kraken, zoals blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 551a Sv de wetgever uitdrukkelijk voor ogen had.
De bespreking van het eerste middel
feiten of omstandigheden aan te voeren en aannemelijk te maken die in het concrete geval tot een andere dan de door de wetgever gemaakte afweging nopen”, aldus de Hoge Raad.
alle geëigende maatregelen te nemen om de gebouwen van de zending tegen indringers en tegen het toebrengen van schade te beschermen en te verhinderen dat de rust van de zending op enigerlei wijze wordt verstoord of aan haar waardigheid afbreuk wordt gedaan.” Met een beroep op deze verplichting heeft het hof geoordeeld dat de voorzieningenrechter de ontruiming van het gekraakte pand niet tegen een later tijdstip zou hebben toegestaan.
1. The premises of the mission shall be inviolable. The agents of the receiving State may not enter them, except with the consent of the head of the mission.
niet, althans niet zonder meer, een grondslag [kan] bieden om tot een strafrechtelijke ontruiming over te gaan of deze te rechtvaardigen” omdat het pand leegstond en al lange tijd niet werd gebruikt. Het pand was daarom bij aanvang van de kraak niet als “
premises of the mission” in gebruik. Daarbij wordt een beroep gedaan op artikel 1 onder Pro (i) van het verdrag. Daarin worden gebouwen van de zending omschreven als “
the buildings or parts of buildings and the land ancillary thereto, irrespective of ownership, used for the purposes of the mission including the residence of the head of the mission”. Het gaat in artikel 22 dus Pro alleen om gebouwen die
gebruikt worden. [5] Het hof zou voor zijn opvatting ten onrechte verwijzen naar HR 28 juni 2013, omdat dat arrest betrekking heeft op artikel 22
lid 3van het verdrag en niet op de in lid 2 neergelegde verplichting, aldus de steller van het middel. [6]
lid 3van het verdrag) niet is beperkt tot gebouwen van de zending die daadwerkelijk in gebruik zijn maar mede een gebouw bestrijkt
“dat is bestemd om (op enig moment) te worden gebruikt in de uitoefening van de werkzaamheden van de diplomatieke zending van de buitenlandse staat, maar ten tijde van het treffen van de executiemaatregelen niet daadwerkelijk als zodanig in gebruik is.” [7] Daaraan legt de Hoge Raad ten grondslag de in Nederland als ongeschreven volkenrecht aanvaarde regel dat staatseigendommen met een publieke bestemming in elk geval niet vatbaar zijn voor gedwongen executie en dat in dit verband niet de nadere eis geldt dat die staatseigendommen daadwerkelijk worden gebruikt voor publieke doeleinden. [8]
lid 3, maar
ookvallen onder de reikwijdte van artikel 22
lid 2van het verdrag. Bespreking van deze vraag is niet nodig. Ik meen dat de klacht reeds om een andere reden faalt. In aanmerking genomen dat het pand staatseigendom is van Egypte en er plannen voor renovatie zijn, zoals het hof heeft vastgesteld, heeft het hof sowieso
kunnenoordelen dat de voorzieningenrechter vanwege de belangen die aan het diplomatiek verkeer worden toegekend de ontruiming van het gekraakte pand niet tegen een later tijdstip zou hebben toegestaan.
niet zodanig ernstig is geweest dat in dat kader het rechtsgevolg van strafvermindering moet worden verbonden” en daarbij “
meegewogen dat de omstandigheid dat de verdachten slechts een korte tijd in het pand hebben verbleven (2 à 3 dagen) en zich nog niet of nauwelijks hadden geïnstalleerd”. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk en wat mij betreft toereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat de rechter niet gehouden is om aan een schending van artikel 8 EVRM Pro strafvermindering te verbinden. [9]
Het tweede middel
alle relevante factoren met betrekking tot de evenredigheid van de inmenging”in artikel 8 EVRM Pro
“in detail te onderzoeken en de beslissing afdoende te motiveren”.
20. Indien Uw Hof meent dat de beslissing op het verzoek van appellanten om op grond van de onrechtmatige inbreuk op hun huisrecht tot strafvermindering over te gaan, afhangt van een door U uit te voeren proportionaliteitstoets cq belangenafweging, vraagt de verdediging om opdracht te geven aan het O.M. tot het overleggen van het zogeheten kraakdossier. Zie hierover de pleitnota van Van den Brûle in eerste aanleg, randnummers 4 t/m 6. [11] 21. Immers is voor de juiste uitvoering van deze toets noodzakelijk dat appellanten vooraleerst kennis kunnen nemen van het kraakdossier in de zaak. Het kraakdossier bestaat -zo beschrijft het evaluatierapport van de Wet kraken en leegstand- uit een aantal vaste gegevens, te weten: de aangifte met bijlagen, de omschrijving van het plan voor heringebruikname, met onderbouwende stukken, bij een niet recente aangifte (langer dan 3 maanden oud) een proces-verbaal of ander stuk (email of brief eigenaar) waaruit blijkt dat de aangever nog steeds wil dat het pand wordt ontruimd, een proces-verbaal van de bevindingen over de kraakactie (en met eventueel de leegstandscontrole) en een proces-verbaal over de huidige situatie in en om het gekraakte pand. Het is op basis van deze gegevens dat de krakers ten aanzien van deze toetsing feiten en gegevens in het geding kunnen brengen die aannemelijk moeten maken dat de te maken proportionaliteitstoets in hun voordeel uit dient te vallen. Namens cliënten verzoeken wij (in dat geval) dan ook overlegging van dit kraakdossier.”
Mr. [betrokkene 5] deelt in aanvulling op zijn deel van de pleitnota het volgende mede:
26. Over het Beleid van het OM het Korpsvoorschrift en het Evaluatierapport Wet Kraken en Leegstand is in eerste aanleg het volgende aangevoerd. (Pleitnota Van den Brûle randnummers 3 t/m 11) Verzocht wordt om dit als hier herhaald en ingelast beschouwen. (akte vragen).
4. Volgens het RIGO-rapport van juli 2015 "Evaluatie van de Wet Kraken en Leegstand’ (ik overhandig een exemplaar) overlegt het OM beslissingen tot ontruimen van gekraakte panden altijd in de driehoek. Volgens de Evaluatie van de Wet Kraken en Leegstand beslist het OM of en hoe zij strafrechtelijk gaat handhaven na een aangifte van een kraakincident dat via de politie bij het Openbaar Ministerie terecht komt. Het OM komt pas in actie nadat er aangifte is gedaan.
In het kader van de hierboven uiteengezette proportionaliteitstoets heeft de verdediging een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het voegen van het kraakdossier.
een niet recente aangifte (langer dan 3 maanden oud)”mede bestaat uit “
een proces-verbaal of ander stuk (email of brief eigenaar) waaruit blijkt dat de aangever nog steeds wil dat het pand wordt ontruimd”. Ten tijde van de terechtzitting had die ontruiming al lang en breed plaatsgevonden zodat het kraakdossier niet meer relevant was voor zover het betrekking had op de toen te nemen beslissing. De andere documenten waarnaar wordt verwezen en die relevant waren voor de door het hof uit te voeren proportionaliteitstoets – de aangifte met bijlagen en een proces-verbaal van de bevindingen over de kraakactie – heeft het hof voor de bewijsvoering gebruikt. Daaruit volgt dat het hof daarover beschikte.
Het derde middel
De verdachte heeft zich op de bewezenverklaarde wijze samen met anderen schuldig gemaakt aan kraken. Kraken is een onaanvaardbare vorm van eigenrichting, waarbij het eigendomsrecht van derden op ontoelaatbare wijze wordt aangetast.
dat gelet op de ernst van het feit geen aanleiding is voor toepassing van artikel 9a Sr, en strafoplegging van een voorwaardelijke geldboete met een proeftijd van twee jaar passend en geboden is” blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting en dat de motivering ervan onbegrijpelijk en/of ontoereikend is. In de kern komt de klacht erop neer dat het hof toepassing had moeten geven aan artikel 9a Sr. Ter onderbouwing hiervan wordt in de schriftuur een beroep gedaan op achtereenvolgens (i) arresten in andere zaken waarbij toepassing werd gegeven aan artikel 9a Sr wegens de onrechtmatigheid van de ontruiming en overschrijding van de redelijke termijn, (ii) vergelijkbare zaken die zijn geseponeerd, onder meer vanwege de geringe ernst van het feit, waarop ter terechtzitting van het hof een beroep is gedaan, en (iii) op een (betrekkelijk) recent verschenen rapport van Bureau Ateno (in opdracht van het WODC)
Evaluatie Wet Handhaving Kraakverbod, waarin is opgenomen dat krakers in beginsel niet worden aangehouden en vervolgd tenzij zij zich tegen een door de rechter gemachtigde ontruiming verzetten of sprake is van “
stelselmatig kraken”. [13] Ook wordt er in de schriftuur op gewezen dat (iv) de verdachte “
first offender” was, en (v) ten tijde van de terechtzitting bij het hof geen nieuwe verdenkingen van strafbare feiten bestonden.