ECLI:NL:PHR:2026:571

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
8 juni 2026
Zaaknummer
24/03531
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 317 SrArt. 27 lid 1 SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 312 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen afpersing onder bedreiging met geweld met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, wegens medeplegen van afpersing onder bedreiging met geweld. In eerste aanleg was de verdachte vrijgesproken omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat de aangever door geweld of bedreiging met geweld was gedwongen tot afgifte van goederen en geld.

In hoger beroep stelde het hof vast dat de aangever onder een dreigende sfeer, gecreëerd door de verdachte en medeverdachte, werd gedwongen tot afgifte van diverse goederen en geld. Het hof achtte de verklaringen van de aangever betrouwbaar en concludeerde dat de bedreiging met geweld wettig en overtuigend was bewezen, mede door de fysieke overmacht en de dreigende uitlatingen.

In cassatie werd geklaagd over een innerlijke tegenstrijdigheid in het arrest en over overschrijding van de inzendtermijn. De Hoge Raad verwierp de klacht over de innerlijke tegenstrijdigheid omdat de bedreigende sfeer voldoende was vastgesteld, maar gaf wel gehoor aan de klacht over de termijnoverschrijding. Dit leidde tot vernietiging van het arrest voor zover het de strafduur betreft en tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor de strafduur en vermindert de gevangenisstraf wegens overschrijding van de inzendtermijn, terwijl het beroep voor het overige wordt verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03531
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij arrest van 17 september 2024 (parketnr. 21-004442-22) wegens 1 primair “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 75 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro en onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals in het bestreden arrest zijn vermeld. Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen deel een schadevergoedingsmaatregel opgelegd en de tul-vordering afgewezen, een en ander op de wijze zoals in het bestreden arrest is vermeld. In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het medeplegen van afpersing.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is veroordeeld wegens het samen met een ander afpersen van de aangever. In eerste aanleg is de verdachte voor dit feit vrijgesproken, omdat de rechtbank niet met zekerheid kon vaststellen dat de aangever de spullen door middel van geweld en/of bedreiging met geweld aan de verdachten heeft afgegeven. Het hof is wel tot een veroordeling voor dit feit gekomen. In cassatie wordt in het eerste middel geklaagd over een innerlijke tegenstrijdigheid in het bestreden arrest en in het tweede middel over schending van de inzendtermijn in de cassatiefase.
2.2
Deze conclusie strekt ertoe dat het eerste middel faalt en het tweede middel slaagt.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel houdt in dat het bestreden arrest innerlijk tegenstrijdig is, omdat de feitenvaststelling door het hof – op een niet ondergeschikt punt – niet strookt met hetgeen is bewezenverklaard. Meer in het bijzonder komt de klacht erop neer dat de vaststelling “[m]edeverdachte zei op dreigende toon dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen” niet strookt met de vrijspraak van het “(dreigend)” gezegd zijn van die soortgelijke tenlastegelegde bewoordingen.
3.2
Aan de verdachte is in eerste aanleg onder 1 tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 31 januari 2022 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten op/aan/nabij de [a-straat] , (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en/of een jas en/of handschoenen en/of een scooterhelm en/of oordopjes en/of een identiteitsbewijs en/of een rijbewijs en/of een geldbedrag van (ongeveer) 150 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde] toebehoorde(n), door geweld en/of bedreiging met geweld door:
- met een of meerdere perso(o)n(en) op die [benadeelde] af te lopen en/of die [benadeelde] te dwingen/zeggen dat hij in de auto moest stappen en/of achterin moest gaan zitten en/of
- (dreigend) tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij nog 500 euro verschuldigd was en/of dat hij dan niet thuis zou komen en/of
- (dreigend) tegen die [benadeelde] te zeggen: “Geef je telefoon!” en/of die [benadeelde] te dwingen om zijn mobiele telefoon en/of zijn pincode af te geven en/of (vervolgens) (op de mobiele telefoon) op de bankrekening van die [benadeelde] te kijken en/of
- met de telefoon van die [benadeelde] (Snapchat) berichten te versturen naar een of meerdere personen (in de contactenlijst van die [benadeelde] ) met de vraag of die [benadeelde] geld kon lenen omdat hij problemen had en/of
- die [benadeelde] te dwingen om zijn vader te bellen en/of
- met de telefoon van die [benadeelde] betaalverzoeken (“tikkies”) te versturen naar een of meerdere personen in de contactenlijst van die [benadeelde] en/of
- (dreigend) tegen die [benadeelde] te zeggen: “Geef je jas!” en/of “Ik vraag het niet nog een keer!” en/of die [benadeelde] te dwingen tot afgifte van zijn jas en/of een of meerdere (andere) spullen en/of
- die [benadeelde] te dwingen om geld te gaan pinnen van zijn bankrekening en/of dit geldbedrag af te staan en/of
- tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij 330 euro moest geven voor aanstaande vrijdag;”
3.3
De rechtbank heeft de verdachte integraal vrijgesproken van dit feit omdat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat [benadeelde] door middel van (het voor art. 317 Sr Pro vereiste) geweld of bedreiging met geweld tot afgifte is gedwongen. Anders dan de officier van justitie vond de rechtbank – met de raadsvrouw – dat de opgenomen feitelijkheid “tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij nog 500 euro verschuldigd was en/of dat hij dan niet thuis zou komen” op meerdere wijze te interpreteren valt (bijv. het langer in de auto houden van [benadeelde] of het rondrijden in die auto met [benadeelde] ), terwijl verder geen van de andere in de tenlastelegging opgenomen feitelijkheden betrekking heeft op het gebruik van geweld of de dreiging daarmee.
3.4
In hoger beroep is blijkens de door de raadsvrouw overgelegde en aan het proces-verbaal van de terechtzitting gehechte pleitnota voor zover van belang het volgende aangevoerd:
“• Op grondslag van de tll. Iets wat al vroeg wordt geleerd tijdens de rechtenstudie.
• Afgaande op de gedachtenstreepjes in de t.l.l. wederom muv gedachtenstreepje 5, omdat vader zelf belde, wordt niet betwist dat het zo gegaan is.
• Maar ook staat vast dat er t.a.v. die situatie geen geweld gebruikt is tegen [benadeelde] of daarmee is gedreigd. Immers rept de aangifte daar met geen enkel woord over + de uitdrukkelijke bevestiging daarvan bij de R.C. en client heeft – vanaf het moment dat hij ging praten – steeds gezegd dat er geen geweld is gebruikt of daarmee is gedreigd.
• Zoals ook in 1e aanleg aangevoerd wil de verdediging best aannemen dat er sprake was van “dwingen” maar tussen dwingen aan de ene kant en “bedreigen” aan de andere kant zit ruimte. Een zin op gebiedende wijs en op harde toon uitgesproken kan al snel dwingend overkomen: kook eten, ruim op, geef me geld. Dwingen is niet automatisch dreigen, daar zit een nuance in. En zoals vaker in het strafrecht the devil is in details. Een veroordeling valt of staat soms door een nuance. En tussen “bedreigen”, en “bedreigen met geweld” zit wederom een gradatie c.q. nuance. Dat er sprake is geweest van bedreigen met geweld kan op basis van dit zaaksdossier niet wettig en overtuigend bewezen worden. Er is niet aan de vereisten van 312 Sr en/of 317 Sr voldaan en daarom dient wat de verdediging betreft ook in hoger beroep vrijspraak dient te volgen.”
3.5
Na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep luidde het onder 1 primair ten laste gelegde als volgt (met weergave van de in de vordering vetgedrukte passages en toevoeging van de laatste twee weggevallen gedachtestreepjes zoals die wel zijn opgenomen in de in het bestreden arrest weergegeven tenlastelegging):
“hij op of omstreeks 31 januari 2022 te [plaats] , gemeente [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, op de openbare weg, te weten op aan/nabij de [a-straat] , (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld[benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en/of een jas en/of handschoenen en/of een scooterhelm en/of oordopjes en/of een identiteitsbewijs en/of een rijbewijs en of een geldbedrag van (ongeveer) 150 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [benadeelde] toebehoorde(n), door
- met een of meerdere perso(o)n(en) op die [benadeelde] af te lopen en/of die [benadeelde] te dwingen/zeggen dat hij in de auto moest stappen en/of achterin moest gaan zitten
en/of de auto af te sluiten waardoor die [benadeelde] niet vrijwillig de auto kon verlatenen/of
-
(terwijl die [benadeelde] tegen zijn wil in de afgesloten auto werd gehouden)(dreigend) tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij nog 500 euro verschuldigd was en/of dat hij dan niet thuis zou komen en/of
- (dreigend) tegen die [benadeelde] te zeggen: “Geef je telefoon!” en/of die [benadeelde] te dwingen om zijn mobiele telefoon en/of zijn pincode af te geven en/of (vervolgens) (op de mobiele telefoon) op de bankrekening van die [benadeelde] te kijken en/of
- met de telefoon van die [benadeelde] (Snapchat) berichten te versturen naar een of meerdere personen (in de contactenlijst van die [benadeelde] ) met de vraag of die [benadeelde] geld kon lenen omdat hij problemen had en/of
- die [benadeelde] te dwingen om zijn vader te bellen en/of
- met de telefoon van die [benadeelde] betaalverzoeken (“tikkies”) te versturen naar een of meerdere personen in de contactenlijst van die [benadeelde] en of
- (dreigend) tegen die [benadeelde] te zeggen: “Geef je jas!” en/of “Ik vraag het niet nog een keer!” en/of
- die [benadeelde] te dwingen tot afgifte van zijn jas en/of een of meerdere (andere) spullen en/of
- die [benadeelde] te dwingen om geld te gaan pinnen van zijn bankrekening en/of dit geldbedrag af te staan en/of
- tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij 330 euro moest geven voor aanstaande vrijdag;”
3.6
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij op
of omstreeks31 januari 2022 te [plaats] ,
gemeente [plaats] , althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een
of meerander
en, althans alleen,op de openbare weg, te weten op
/aan/nabijde [a-straat] , (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door
geweld en/ofbedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon en
/ofeen jas en
/ofhandschoenen en
/ofeen scooterhelm en
/ofoordopjes en
/ofeen identiteitsbewijs en
/ofeen rijbewijs en
/ofeen
geldbedrag van
(ongeveer)150 euro,
in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten deleaan die [benadeelde] toebehoorde
(n
), door
-
met een of meerdere perso(o)n(en)op die [benadeelde] af te lopen en
/ofdie [benadeelde] te
dwingen/zeggen dat hij in de auto moest stappen en
/ofachterin moest gaan zitten
en/of de auto af te sluiten waardoor die [benadeelde] niet vrijwillig de auto kon verlatenen
/of
-
(terwijl die [benadeelde] tegen zijn wil in de afgesloten auto werd gehouden) (dreigend)tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij
nog500 euro verschuldigd was en
/ofdat hij dan niet thuis zou komen en
/of
-
(dreigend)tegen die [benadeelde] te zeggen: “Geef je telefoon!” en
/ofdie [benadeelde] te dwingen om zijn mobiele telefoon en
/ofzijn pincode af te geven en
/of (vervolgens
) (op de mobiele telefoon
)op de bankrekening van die [benadeelde] te kijken en
/of
- met de telefoon van die [benadeelde]
(Snapchat)berichten te versturen naar
een of meerderepersonen (in de contactenlijst van die [benadeelde] ) met de vraag of die personen [benadeelde] geld konden lenen omdat hij problemen had e
n/of die [benadeelde] te dwingen om zijn vader te bellenen
/of- met de telefoon van die [benadeelde] betaalverzoeken (tikkies) te versturen naar
een of meerderepersonen in de contactenlijst van die [benadeelde] en
/of
-
(dreigend)tegen die [benadeelde] te zeggen: “Geef je jas!” en
/of“Ik vraag het niet nog een keer!” en
/of
- die [benadeelde] te dwingen tot afgifte van zijn jas en/
of een of meerdere (andere
)spullen en
/of
- die [benadeelde] te dwingen om geld te gaan pinnen van zijn bankrekening en
/ofdit geldbedrag af te staan en
/of
- tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij 330 euro moest geven voor aanstaande vrijdag.”
3.7
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering (met weglating van de voetnoten):
“Het hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van wat er op 31 januari 2022 is gebeurd, uitgaat van de lezing van aangever. Het hof acht diens verklaringen betrouwbaar en gedetailleerd. Bovendien vinden zijn verklaringen steun in andere bewijsmiddelen.
Het hof stelt daarover het volgende vast.
Op 31 januari 2022 is aangever op uitnodiging van [betrokkene 4] (via een Snapchatbericht) naar de [a-straat] in [plaats] gegaan. Toen hij daar aankwam, zag hij opeens twee personen op hem aflopen, te weten verdachte en medeverdachte ‘ [medeverdachte] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte] ).
Verdachte kwam achter het stuur van een auto vandaan en de medeverdachte zat aanvankelijk achterin. Ze gingen dicht om aangever heen staan. Aangever moest in de auto stappen en naast medeverdachte achterin gaan zitten. Op de bijrijdersstoel zat nog een derde persoon. (NB: uit de stukken is niet gebleken dat deze derde persoon enige rol in dit incident heeft gespeeld, anders dan alleen het aanwezig zijn in die auto.) Medeverdachte (hof: [medeverdachte] ) deed geïrriteerd en boos omdat aangever met diens vriendin zou hebben afgesproken en zei opeens dat aangever hem € 500,- verschuldigd was. Medeverdachte zei op dreigende toon dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen. Ook moest aangever zijn telefoon en pincode aan medeverdachte geven, waarna medeverdachte op de bankrekening van aangever keek. Hierop heeft hij de telefoon aan verdachte gegeven, waarna beide verdachten uit naam van aangever verschillende contacten hebben aangeschreven met de vraag om hem geld te lenen. Verdachte typte en verstuurde de berichten. Toen er een reactie op zo’n bericht kwam, moest aangever deze jongen in het bijzijn van verdachten bellen. Verdachten hebben de contacten van aangever Tikkies gestuurd met aangevers telefoon. Uiteindelijk hebben meerdere mensen geld overgemaakt, in totaal een bedrag van € 170,-. Aangever voelde zich bedreigd en had het gevoel dat hij geen kant op kon. Verdachten hebben de spullen van aangever (zijn telefoon, helm, oortjes, rijbewijs, ID-kaart, handschoenen en jas) afgepakt en bekeken. Die spullen, uiteindelijk met uitzondering van de jas, werden door beide verdachten als een soort onderpand in de auto gehouden terwijl aangever geld moest gaan pinnen. Dat heeft aangever gedaan, waarna hij € 150,- door het portierraam aan verdachte heeft gegeven. Daarop kreeg hij zijn spullen terug. Medeverdachte zei dat aangever voor vrijdag nog eens € 330,- moest geven. In totaal heeft dit incident ongeveer anderhalf uur geduurd.
Verdachte heeft verklaard dat het kan kloppen dat hij op de [a-straat] uit de auto is gestapt. Het kan ook kloppen dat hij het geld heeft aangepakt, maar dat weet hij niet zeker. In het dossier bevinden zich uitdraaien van de bankrekening van aangever waaruit blijkt dat hij op de ten laste gelegde datum Tikkies heeft ontvangen van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en dat hij € 150,- heeft gepind.
Bewijsoverweging feit 1
Het hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van artikel 317 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr.) moet vaststaan dat iemand door geweld of bedreiging met geweld ergens toe gedwongen is. Het opzet van een verdachte moet daar ook op gericht zijn. Volgens vaste jurisprudentie is voor een bewezenverklaring van bedreiging met geweld het oproepen van een dreigende sfeer voldoende.
Op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen stelt het hof vast dat aangever onder bedreiging met geweld geld en goederen aan verdachten heeft afgegeven. Kijkend naar het samenstel van uitlatingen en gedragingen, namelijk dat aangever ‘niet thuis zou komen’ als hij geen geld betaalde, wat werd gezegd terwijl aangever net daarvoor door beide verdachten op indringende wijze gevraagd was om in een auto te stappen waarin zich nog een derde persoon bevond – waardoor sprake was van een getalsmatige en fysieke overmacht – is het hof van oordeel dat hiermee door verdachten een dusdanig bedreigende sfeer is gecreëerd dat de uitlating kan worden opgevat als een bedreiging in de zin van art. 317 Sr Pro. Ook de daarop volgende uitlating “Ik vraag het niet nog een keer”, heeft in de hiervoor beschreven context bijgedragen aan de bedreigende sfeer.
Naar het oordeel van het hof is sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten. De bijdrage van verdachte – bestaande uit het samen met medeverdachte op indringende wijze bewerkstelligen dat aangever in de auto zou gaan zitten, de auto tijdens een rondrit met aangever besturen, het getalsmatig versterken van de groep, het versturen van berichten en Tikkies en het fysieke aanpakken van het afgeperste geld door het geopende bestuurdersraam van de auto getuigt van een dusdanige bijdrage aan het incident dat naar het oordeel van het hof sprake is geweest van een gezamenlijke uitvoering.
Het hof acht het medeplegen van afpersing daarom wettig en overtuigend bewezen.”
3.8
Volgens de stellers van het middel heeft het hof in het onderhavige geval geoordeeld dat sprake is van de tenlastegelegde “bedreiging met geweld” omdat de verdachte een dermate dreigende situatie heeft gecreëerd dat de vrees van de aangever voor geweld van de zijde van de verdachte gerechtvaardigd was. In cassatie wordt – ofschoon de Hoge Raad zulks nog niet expliciet heeft overwogen ten aanzien van art. 317 Sr Pro [1] – niet betwist dat een dergelijke situatie valt te kwalificeren als bedreiging met geweld als bedoeld in art. 317 Sr Pro.
3.9
In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat daar waar de tenlastelegging betrekking heeft op het “(dreigend)” tegen [benadeelde] zeggen van bepaalde bewoordingen, het hof de verdachte steeds van dit dreigend gezegd zijn van de bewoordingen heeft vrijgesproken. Geklaagd wordt dat het arrest om die reden innerlijk tegenstrijdig is daar waar het hof bij de feitenvaststelling overweegt dat een medeverdachte “op dreigende toon” tegen de aangever heeft gezegd dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen. Volgens de stellers van het middel gaat het hierbij niet om een tegenstrijdigheid die van ondergeschikt belang is, omdat de rechtbank de verdachte integraal heeft vrijgesproken op de grond dat de opgenomen feitelijkheid “tegen die [benadeelde] te zeggen dat hij nog 500 euro verschuldigd was en/of dat hij dan niet thuis zou komen” op meerdere wijze te interpreteren valt, zodat dit niet kan worden aangemerkt als een bedreiging met geweld als bedoeld in art. 317 Sr Pro.
3.1
Het hof heeft – anders dan de rechtbank – vastgesteld dat de aangever onder bedreiging met geweld geld en goederen aan de verdachten heeft afgegeven. Daarbij heeft het hof gekeken naar het samenstel van uitlatingen en gedragingen, meer in het bijzonder dat de uitlating dat de aangever “niet thuis zou komen” als hij geen geld betaalde werd gezegd terwijl de aangever net daarvoor door beide verdachten op indringende wijze gevraagd was om in een auto te stappen waarin zich nog een derde persoon bevond, waardoor sprake was van een getalsmatige en fysieke overmacht. Volgens het hof is hiermee door de verdachten een dusdanige bedreigende sfeer gecreëerd dat de uitlating “dat hij dan niet thuis zou komen” kan worden opgevat als een bedreiging in de zin van art. 317 Sr Pro. Daarbij merkt het hof nog op dat in deze context ook de daaropvolgende uitlating “Ik vraag het niet nog een keer” aan de bedreigende sfeer heeft bijgedragen.
3.11
In genoemd oordeel van het hof en de daarbij betrokken feiten en omstandigheden ligt mijns inziens besloten dat de tenlastegelegde bewoordingen “dat hij dan niet thuis zou komen” niet – zoals is tenlastegelegd – “dreigend” (door de medeverdachte) tegen de aangever zijn gezegd. Daarom moet worden aangenomen dat ten gevolge van een kennelijke vergissing in de bewijsvoering is opgenomen dat de medeverdachte “op dreigende toon” zei “dat aangever niet thuis zou komen als hij niet zou betalen” terwijl het hof kennelijk slechts heeft bedoeld duidelijk te maken dat deze door de medeverdachte gebezigde bewoordingen aan de bedreigende sfeer hebben bijgedragen. Ik meen dat de verdachte door de ongelukkige formulering van het hof niet in zijn belangen is geschaad, omdat uit de onder 3.10 weergegeven vaststellingen in voldoende mate kan worden afgeleid dat sprake is geweest van een bedreiging met geweld als bedoeld in art. 317 Sr Pro. Uit het samenstel van de vastgestelde uitlatingen en gedragingen – waarbij ook de geïrriteerde en boze houding van de medeverdachte die genoemde bewoordingen heeft gezegd een rol speelt – heeft het hof immers kunnen afleiden dat de vrees van de aangever voor geweld gerechtvaardigd was (hetgeen in cassatie ook niet wordt betwist). Dat de bewezenverklaarde (gewraakte) bewoordingen niet op dreigende wijze zijn gezegd doet daar niet af. Bij het voorgaande neem ik mede in aanmerking dat het hof blijkens het bestreden arrest is uitgegaan van de lezing van de aangever over hetgeen op 31 januari 2022 is gebeurd en het hof ook heeft vastgesteld dat de aangever zich bedreigd voelde en het gevoel had dat hij geen kant op kon.
3.12
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel houdt in dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Namens de verdachte is op 19 september 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 27 augustus 2025 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van acht maanden met iets meer dan drie maanden is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld. Nu een voortvarende behandeling die de overschrijding van de inzendtermijn zou kunnen compenseren niet meer mogelijk is, moet dit leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf in een mate die de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

5.Afronding

5.1
Het eerste middel faalt. Gezien de vrijspraak door de rechtbank ligt het niet in de rede om het middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro. Het tweede middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie in twee zaken waarin het ging om het medeplegen van een poging tot afpersing de conclusies van A-G Machielse voor HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1296 (randnr. 3.5) en voor HR 10 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1119 (randnr. 5.4). In eerstgenoemde zaak merkte Machielse – onder verwijzing naar HR 28 maart 1995,