Conclusie
Nummer24/03083
Inleiding
afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en in verband daarmee de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte opgelegd.
Het eerste middel
het arrest innerlijk tegenstrijdig althans onbegrijpelijk is” en bevat twee deelklachten.
(een) (grote) (hoeveelheid) geld”, terwijl het hof omtrent hetzelfde goed bewezen heeft verklaard dat het ‘een
grotehoeveelheid geld’ betrof.
De relevante delen van het arrest
hij op of omstreeks 14 januari 2022, te [plaats] , gemeente [plaats] ,
zich, voorzien van (een) geheel of gedeeltelijk over/voor zijn/hun hoofd/gezicht getrokken sjaal(s)/doek(en) en/of (bivak)muts(en)/capuchon(s), althans (in ieder geval) voorzien van (een) geheel of gedeeltelijk bedekt(e) gezicht(en) en/of voorzien van een of meer knuppels en/of (een) stalen pijp(en), althans een of meer slagwapens, naar/in de woning van die [slachtoffer] , gelegen aan de [a-straat 1] , heeft/hebben begeven,
(vervolgens) zich naar/in de slaapkamer - waar op dat moment die [slachtoffer] en diens partner, genaamd [medeslachtoffer] , lagen (te slapen) - heeft/hebben begeven,
(vervolgens) (wederom) in de richting van die [slachtoffer] en/of die [medeslachtoffer] heeft/hebben geroepen/geschreeuwd: “The keys, safe, money, money”,
(vervolgens) die [slachtoffer] (fysiek) heeft/hebben gedwongen naar beneden (naar de kelder) (mee) te lopen en/of
(vervolgens) die [slachtoffer] heeft/hebben gedwongen de (in de kelder aanwezige) kluis te openen,
op 14 januari 2022, te [plaats] , gemeente [plaats] ,
Mijn vriendin en ik zijn op 14 januari 2022 omstreeks 01.15 uur overvallen in onze woning. Ik woon samen met mijn vriendin [medeslachtoffer] aan de [a-straat 1] te [plaats] . Op 13 januari 2022 ben ik om ongeveer 22.45 uur naar bed gegaan. [medeslachtoffer] is om ongeveer 21.30 uur al naar bed gegaan. [medeslachtoffer] heeft toen de hond ook meegenomen naar onze slaapkamer. Wij slapen boven op de eerste verdieping.
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.000,00, bestaande uit € 20.000,- aan materiële schade (het buitgemaakte geld) en € 3.000,- aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 2.000,00 voor immateriële schade. De benadeelde is voor wat betreft het materiële deel van de schade niet-ontvankelijk verklaard.
De bespreking van het middel
(grote)” in een onderdeel van het
kwalificatieve deelvan de tenlastelegging, te weten “
(een) (grote) (hoeveelheid) geld” (uit de kluis van de aangevers), niet is overgenomen in de bewezenverklaring, zodat aldaar de woorden “
een hoeveelheid geld” zijn blijven staan. Tegelijkertijd heeft het hof diezelfde (uit de kluis afkomstige) hoeveelheid geld in het
feitelijke deelvan de bewezenverklaring – overeenkomstig de tenlastelegging – omschreven als “
eengrotehoeveelheid geld”.
Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden.
In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade. (…) In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.” [2]
De onder de post 'weggenomen geld uit kluis' opgevoerde schade van € 20.000,- is onvoldoende komen vast te staan omdat de gestelde schade, behalve de mededeling van de benadeelde over de hoogte van het bedrag, niet nader is onderbouwd, terwijl door of namens verdachte de omvang ervan gemotiveerd is betwist.” [3] Bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij is het hof klaarblijkelijk uitgegaan van de bewijsregels van het civiele recht.
voldoende gemotiveerd” is betwist, is om dezelfde reden niet aan de orde. [5]
tegenstrijdigheid” tussen (i) het bewijs van de afpersing van een (grote) hoeveelheid geld en (ii) het oordeel over de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij, tot vernietiging van dat eerste, het bewijsoordeel dus, zou moeten leiden. Bij vernietiging van het oordeel over de vordering van de benadeelde partij, waarbij geen vergoeding van materiële schade is toegekend, heeft de verdachte in zoverre immers geen belang. Vanwege het verschil in de toepasselijke wettelijk kaders, is het contrast tussen het oordeel dat de aangifte van afpersing van € 20.000 op zich betrouwbaar is, maar de omvang van de schade voor wat betreft de beslissing op de vordering van de benadeelde partij
nietis komen vast te staan, echter niet per definitie problematisch. Tot vernietiging van het bewijsoordeel hoeft de beslissing over de vordering van de benadeelde partij dus niet te leiden. Daarmee faalt ook de tweede deelklacht.