Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
De hoofdzaak
De declaratie van Administratiekantoor K. Bakker belichaamt geen redelijke kosten ter vaststelling van schade omdat haar werkzaamheden daaraan niet hebben bijgedragen” (rov. 3.14. van het vonnis van het GEA van 30 oktober 2017). Het GEA heeft daarbij verwezen naar rov. 3.2. van zijn vonnis, waarin het heeft geoordeeld dat de post ‘verlies arbeidsvermogen’ van € 91.508,00 niet toewijsbaar is, onder meer omdat – volgens mijn samenvatting – de verklaring van Administratiekantoor K. Bakker te veel vragen onbeantwoord laat.
3.Processuele aspecten van schadebegroting
moetworden uitgeoefend zodra deze is geactiveerd, is in de rechtspraak van Uw Raad onderstreept en streng gehandhaafd. [11] Als aannemelijk is dat er schade is geleden, dan moet die schade ook door de rechter worden begroot, ook als dat moeilijk is, zo wordt ook in de literatuur over schadebegroting algemeen aangenomen. [12] Als dat kan, begroot de rechter de schade in de hoofdzaak en anders, zoals hier, veroordeelt hij tot schadevergoeding op te maken bij staat. [13]
en de omvangvan de schade op de benadeelde, zo heeft Uw Raad ten aanzien van inkomensschade bij letsel meermaals overwogen of geïmpliceerd. [33] Aan de benadeelde mogen in dit verband geen strenge eisen worden gesteld. [34]
door(maar niet zonder meer: tot) de feiten en omstandigheden die volgens de gewone bewijsregels vast staan, omdat zij zijn gesteld en niet (voldoende gemotiveerd) zijn betwist, of zijn komen vast te staan, omdat zij zijn bewezen. [36] Dat geldt dus ook voor de omvang van de schade. [37] Stelt de benadeelde bijvoorbeeld dat hij € 750,00 heeft moeten betalen voor de reparatie van zijn beschadigde auto en wordt dat door de aansprakelijke niet of niet voldoende gemotiveerd betwist, dan is het een vaststaand feit. De rechter moet dan bij de schadebegroting ervan uitgaan dat de benadeelde € 750,00 heeft moeten betalen voor de reparatie. Wordt de stelling wel voldoende gemotiveerd betwist, dan wordt in beginsel aan bewijs toegekomen. In zoverre is de rechter gebonden aan de gewone bewijsregels. Als het partijdebat en de eventuele bewijslevering de rechter geen ruimte laten, dan kan de eigen rol van de rechter bij de schadebegroting klein worden. Het initiatief om die ruimte te beperken, ligt bij partijen. [38]
moetbegroten zodra de schadebegrotingsbevoegdheid is geactiveerd, zelfs als partijen weinig informatie verschaffen. [39] De rechter kan – zo meen ik – niet zonder meer volstaan met het gadeslaan van het partijdebat over de hoogte van de schade, ook niet in de schadestaatprocedure. De rechter zal indien nodig actief informatie moeten verlangen van partijen, waarbij het doorgaans voor de hand zal liggen om van de benadeelde informatie te verlangen. [40] Schiet een partij tekort, dan kan deze daarop door de rechter bij wijze van geraden gevolgtrekking worden afgerekend, door een schatting die voor haar mogelijkerwijs nadelig is of door gehele of gedeeltelijke afwijzing of juist gehele of gedeeltelijke toewijzing van een schadepost.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
vermogenis verloren en zij vordert ook niet, bijvoorbeeld, een (gekapitaliseerde) som terzake van misgelopen toekomstige inkomsten. [42] Ik zal hierna dan ook spreken van ‘gederfde inkomsten’ in plaats van ‘verlies van/aan arbeidsvermogen’.
“[o]ok in hoger beroep(…)
onvoldoende [is] gesteld hoe de gestelde studievertraging van een jaar, en de in hoger beroep gestelde vertraging van drie jaar bij de opstart van [verzoekster] thans goed lopende bedrijf, heeft geleid tot het gevorderdebedragaan verlies aan arbeidsvermogen (dat het Hof evenals het GEA, gezien het daaraan ten grondslag gelegde, opvat als gederfde inkomsten over 2011 tot en met 2016).” (onderstreping van mij, A-G). Het hof heeft in rov. 3.2 verder – gelet op het woord “
overigens” kennelijk ten overvloede – overwogen dat “
ook indien het(…)
uitgaat van een vertraging van drie jaar bij de opstart van haar bedrijf als gevolg van het incident en er van uit gaat dat dat heeft geleid tot gederfde inkomsten(…)
het(…)
niet tot een ander oordeel[komt]”. Het hof vervolgt: “
In dat geval zou [verzoekster][lees: [verzoekster] , A-G]
immers door een (inkomens)vergelijking tussen de feitelijke situatie met incident en de hypothetische situatie zonder incident de omvang van die gederfde inkomsten aannemelijk hebben moeten maken.”
posten het condicio-sine-qua-non-verband tussen het ongeval en deze schadepost aannemelijk maar is van oordeel dat [verzoekster] te weinig concrete stellingen heeft ingenomen met betrekking tot het schade
bedrag.
bedragaan gederfde inkomsten volgt. Weliswaar overweegt het hof in rov. 3.2 ook dat het “
indien het(…)
uitgaat van een vertraging van drie jaar bij de opstart van haar bedrijf als gevolg van het incident en er van uit gaat dat dat heeft geleid tot gederfde inkomsten(…)
niet tot een ander oordeel[komt]”, maar daaruit kan mijns inziens niet duidelijk worden opgemaakt dat het hof in de daaraan voorafgaande overwegingen daadwerkelijk ervan is uitgegaan dat het bestaan van de schadepost ‘gederfde inkomsten’ in geheel niet aannemelijk is. (Is het hof daar wel van uitgegaan, dan is dat niet begrijpelijk, zoals in randnummer 4.10 aan de orde zal komen.) Het hof heeft dus – zoals ik het begrijp – óf (i) tot uitgangspunt genomen dat [verzoekster] – wat alleszins voor de hand ligt – als gevolg van het ongeval in ieder geval in verminderde mate in staat was te werken als danslerares en enige vertraging heeft opgelopen bij het volgen van haar opleiding en bij het opstarten van haar praktijk (waaruit de aannemelijkheid van de schadepost en van het condicio-sine-qua-non-verband tussen het ongeval en deze schadepost dwingend voortvloeit) óf (ii) de hiervoor bedoelde stellingen van [verzoekster] in het midden gelaten. Voor zover het hof de hiervoor genoemde stellingen van [verzoekster] in het midden heeft gelaten, kunnen zij in cassatie als hypothetische feitelijke grondslag dienen. Volgens mij moet daarom in cassatie linksom of rechtsom ervan worden uitgegaan dat het aannemelijk is dat [verzoekster] als gevolg van het oogletsel schade heeft geleden in de vorm van gederfde inkomsten. [46]
zelfte begroten, met lege handen stond. Het hof heeft immers niet duidelijk gemaakt dat het te weinig informatie had om, mede aan de hand van feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels, desnoods schattenderwijs, tot een zinvolle schadebegroting te komen. Het hof lijkt daarentegen juist te miskennen dat het zijn taak was om de schade te begroten en daarvoor informatie te verzamelen. Het heeft volgens mijn lezing in essentie volstaan met een beoordeling van de stellingen van [verzoekster] over het bedrag van deze schadepost en de onderbouwing daarvan. Dat brengt mij tot de conclusie dat het hof, zoals in de klacht in de derde alinea van subonderdeel 1.1 besloten ligt, art. 6:97 BW Pro Curaçao heeft miskend.
noch aannemelijk heeft kunnen makenen de vordering daarom (in eerste aanleg) terecht is afgewezen. Dit is inderdaad zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk tegen de achtergrond van de hiervoor bedoelde stellingen. Subonderdeel 2.2 slaagt in zoverre.