ECLI:NL:PHR:2026:587

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
25/02860
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1 WvggzArt. 4:2 WvggzArt. 4:1 lid 6 WvggzArt. 4:1 lid 7 WvggzArt. 5:17 lid 5 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling zorgmachtiging op basis van zelfbindingsverklaring onder Wvggz

Betrokkene stelde een zelfbindingsverklaring op onder de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), waarna de rechtbank Amsterdam een zorgmachtiging verleende voor zes maanden. Betrokkene stelde in cassatie dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de wilsbekwaamheid, het criterium van ernstig nadeel en de toegewezen vormen van verplichte zorg.

De Hoge Raad concludeert dat hoewel de verklaring omtrent de wilsbekwaamheid door een zorgverantwoordelijke was opgesteld in plaats van een onafhankelijke arts of klinisch psycholoog, dit geen cassatiegrond oplevert omdat de wilsbekwaamheid niet wordt bestreden. De rechtbank mocht het criterium van ernstig nadeel betrekken bij haar beoordeling, mede omdat de zelfbindingsverklaring niet expliciet de te voorkomen vormen van ernstig nadeel vermeldde.

Verder oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank terecht aansluiting zocht bij een redelijke uitleg van de zelfbindingsverklaring bij het bepalen van de toegestane vormen van verplichte zorg en dat zij met de nodige terughoudendheid bepaalde zorgvormen afwees of toewijst. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het beoordelingskader voor zorgmachtigingen op basis van zelfbindingsverklaringen wordt bevestigd.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging op basis van de zelfbindingsverklaring blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02860
Zitting12 juni 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen
de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft betrokkene een zelfbindingsverklaring opgesteld (art. 4:1 Wvggz Pro). Vervolgens heeft de rechtbank een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring verleend voor de duur van zes maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de voorwaarden die in de zelfbindingsverklaring zijn genoemd en is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Voor de opgelegde vormen van zorg heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij (een redelijke uitleg van) de zelfbindingsverklaring.
1.2
In cassatie wordt ten eerste geklaagd dat de rechtbank heeft miskend dat de verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene niet door een zorgverantwoordelijke, maar door een onafhankelijke arts of klinisch psycholoog opgesteld had moeten worden. Ten tweede wordt geklaagd dat de rechtbank ten onrechte in haar beoordeling betrokken heeft de vraag of sprake was van het in de wet bedoeld ernstig nadeel, nu de rechtbank alleen en zodra is voldaan aan de omstandigheden beschreven in de zelfbindingsverklaring een zorgmachtiging naar aanleiding van die verklaring kan en moet verlenen. Ten derde wordt geklaagd dat de rechtbank een verkeerde, want te ruime, uitlegmaatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van de op te leggen vormen van verplichte zorg. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte meer en andere vormen van verplichte zorg toegewezen dan in de zelfbindingsverklaring zijn vermeld, aldus deze klacht. Voor zover de rechtbank op grond van artikel 6:4 lid 2 Wvggz Pro meer zorgvormen dan genoemd in de zelfbindingsverklaring heeft toegewezen, heeft de rechtbank miskend dat deze bepaling hier toepassing mist, zo wordt geklaagd.
1.3
Ik meen dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden en concludeer tot verwerping van het cassatieberoep.
1.4
In deze zaak staan de eisen centraal die gelden voor de beoordeling door de rechter van een verzoek om een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring (art. 4:1 e.v. in verbinding met art. 6:4 Wvggz Pro). Niet eerder is het rechterlijk beoordelingskader dat voor dergelijke verzoeken geldt, voorgelegd aan de Hoge Raad. Dit hangt waarschijnlijk samen met het relatief weinig voorkomen van verzoeken om een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring. Ook onder de Wet Bopz heb ik in dit verband geen relevante rechtspraak van de Hoge Raad kunnen vinden. Ik grijp deze zaak dus aan om in deze conclusie uitgebreider in te gaan op de zelfbindingsverklaring als zodanig en op de eisen die gelden voor het verlenen van een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring. Daarbij komt ook de in het consultatievoorstel Evaluatiewet Wvggz en Wzd voorgestelde regelgeving voor de zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring aan de orde.
2.Feiten en procesverloop [1]
2.1
Betrokkene heeft met zijn zorgverantwoordelijke een zelfbindingsverklaring opgesteld, die door betrokkene op 16 augustus 2024 is ondertekend. De einddatum van de zelfbindingsverklaring is 28 september 2025.
2.2
Bij verzoekschrift, bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) ingekomen op 4 juni 2025, heeft de officier van justitie verzocht een zorgmachtiging aansluitend op een zelfbindingsverklaring te verlenen ten aanzien van betrokkene voor de duur van zes maanden voor verschillende vormen van verplichte zorg.
2.3
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 6 juni 2025 bij de zorginstelling waar betrokkene op dat moment verbleef. Gehoord zijn betrokkene en zijn advocaat, een arts en (telefonisch) de eerste contactpersoon zelfbindingsverklaring. [2] Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
2.4
Bij mondelinge uitspraak van 6 juni 2025, schriftelijk uitgewerkt op 16 juni 2025 (hierna: de bestreden beschikking), heeft de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 6 december 2025. Daarin heeft de rechtbank, voor zover in cassatie relevant, overwogen:
“2.1. Betrokkene heeft samen met zijn zorgverantwoordelijke een zelfbindingsverklaring opgesteld op grond van artikel 4:1 Wvggz Pro, vergezeld van een zorgplan. De zelfbindingsverklaring is op grond van artikel 4:2 Wvggz Pro op 16 augustus 2024 ondertekend door betrokkene, de zorgverantwoordelijke en de geneesheer-directeur. De [zorgverantwoordelijke] heeft op 30 augustus 2024 een verklaring op grond van artikel 4:1 lid 7 Wvggz Pro opgesteld waaruit blijkt dat betrokkene ten tijde van het opstellen van de zelfbindingsverklaring tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat was.
2.2.
In de zelfbindingsverklaring staat opgenomen:
Omstandigheden waaronder ik wil dat verplichte zorg aan mij wordt verleend:
(...)
- wanneer ik niet meer te volgen ben voor anderen en ik het niet meer kan uitleggen. Ook geen vragen meer kan beantwoorden;
- wanneer ik geen contact meer maak en te bereiken ben (apathisch);
- wanneer het in mijn huis een wanorde is, in combinatie met bovenstaande.
(…)
2.4
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofrenie. Voorts leidt het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis tot ernstig nadeel, gelegen in het bestaan van of het aanzienlijk risico op:
- gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen;
- gevaar voor onder invloed raken van anderen met een schadelijke invloed voor betrokkene;
- gevaar voor verwaarlozing van de woonomgeving;
- gevaar voor maatschappelijke teloorgang.
(…)
2.8.
De rechtbank verwerpt het pleidooi tot afwijzing van het verzoek van de advocaat. Met het hiervoor weergegeven ziektebeeld en de dreigende gevolgen daarvan is voldaan aan de voorwaarden die in de zelfbindingsverklaring zijn genoemd. Die verklaring kan daardoor de basis vormen voor een te verlenen rechterlijke machtiging. Het onmiddellijk ernstig nadeel was in de thuissituatie evident aan de orde en er was voldoende ernstig nadeel dat er ingegrepen moet worden om betrokkene te beschermen. De rechtbank acht het voldoende aannemelijk dat betrokkene een andere beleving van de werkelijkheid heeft dan de mensen om hem heen, die het gevolg is van een psychische stoornis. Betrokkene is het eigenlijk niet eens met de opname en herstart van de medicatie en hij wil absoluut geen depot terwijl dit volgens de behandelaren wel noodzakelijk is. Tenslotte zou afzien van medicamenteuze behandeling leiden tot verdere verslechtering. Deze zorgmachtiging biedt de behandelaars dan ook de mogelijkheid in te grijpen waar dat noodzakelijk is.
2.9.
Wat betreft de op te leggen vormen van zorg zal aansluiting moeten worden gezocht bij (een redelijke uitleg van) de zelfbindingsverklaring. Op dit punt is in die verklaring het volgende opgenomen:
8. Zorg en verplichte zorg die aan mij kunnen worden verleend
Beschrijf welke vormen van zorg (zowel zorg, als verplichte zorg) mogen worden verleend om de omstandigheden die noodzaken tot het verlenen van de (verplichte) zorg te voorkomen uw geestelijke gezondheid en te stabiliseren of te herstellen en het ernstig nadeel te voorkomen.
• Logeren bij [A] van HVO Querido
• Medicatie herstarten of Depot verhogen
• Frequenter huisbezoek door HVO en FACT NW
• Als het helemaal niet meer gaat, dan opname GGZ
9. Maximale duur verplichte zorg
Duur: 4 tot 6 weken
2.10.
De volgende vormen van verplichte zorg, die zijn genoemd in het verzoekschrift, zijn niet in overeenstemming met de zelfbindingsverklaring:
- insluiten,
- uitoefenen van toezicht op betrokkene,
- onderzoek aan kleding of lichaam,
- onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen,
- controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen en het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen. In zoverre kan de vordering op basis van de zelfbindingsverklaring dan ook niet worden toegewezen.
2.11.
De volgende in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op de medische verklaring en het advies van de geneesheer-directeur, acht de rechtbank wel binnen de grenzen van de zelfbindingsverklaringen noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden:
- toedienen van medicatie, medische controles en het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregel maar dan telkens voor maximaal 6 weken per toepassing;
- beperken van de bewegingsvrijheid, eveneens telkens voor maximaal 6 weken per toepassing;
- opnemen in een accommodatie, telkens voor maximaal 6 weken per toepassing.

3.Beslissing

verleent een zorgmachtiging (…) inhoudende dat gedurende de looptijd van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de in rechtsoverweging 2.11. genoemde maatregelen kunnen worden getroffen; (…).”
2.5
Namens betrokkene is op 8 september 2025 – tijdig [3] – cassatieberoep ingesteld tegen deze beschikking. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen. Het eerste onderdeel bestaat uit drie subonderdelen. Hoewel in de inleiding van het middel wordt aangekondigd dat het rechts- en motiveringsklachten bevat, lees ik in het middel geen motiveringsklachten.
3.2
Subonderdeel 1.ais gericht tegen r.o. 2.1 waarin de rechtbank overweegt dat de [zorgverantwoordelijke] op 30 augustus 2024 een verklaring op grond van artikel 4:1 lid Pro 7 [4] Wvggz heeft opgesteld waaruit blijkt dat betrokkene ten tijde van het opstellen van de zelfbindingsverklaring tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat was. Het subonderdeel klaagt dat het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de verklaring van de zorgverantwoordelijke van 30 augustus 2024 voldeed aan de eis van artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Daartoe wordt in het subonderdeel aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro vereist dat een
onafhankelijkarts of een klinisch psycholoog moet vaststellen dat betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is op het moment dat de zelfbindingsverklaring wordt opgesteld en ondertekend. Het subonderdeel voert verder aan dat de rechtbank ten onrechte niet ambtshalve heeft vastgesteld dat de in artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro bedoelde verklaring van een onafhankelijk arts of klinisch psycholoog en niet van de zorgverantwoordelijke had moeten zijn.
3.3
Subonderdeel 1.bis gericht tegen r.o. 2.4, 2.8 en 2.11. [5] Geklaagd wordt dat de oordelen van de rechtbank in deze rechtsoverwegingen getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, omdat de rechtbank voor de afgifte van de zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring ten onrechte de vraag heeft betrokken of sprake was van het in de wet bedoelde ernstig nadeel. Daartoe wordt aangevoerd dat alleen en zodra is voldaan aan de omstandigheden die in de zelfbindingsverklaring worden beschreven, de rechter een zorgmachtiging op basis van de verklaring kan en moet verlenen. De wet vereist niet (mede) dat (reeds) sprake is van ernstig nadeel. De rechtbank heeft het recht geschonden door met inachtneming van de in r.o. 2.4 vermelde gevaren als ernstig nadeel te oordelen en te beschikken als zij deed, aldus het subonderdeel.
3.4
Subonderdeel 1.cis gericht tegen r.o. 2.9, r.o. 2.11 en het dictum. Geklaagd wordt dat de rechtbank ten onrechte meer en andere vormen van verplichte zorg heeft opgenomen in de machtiging dan in de zelfbindingsverklaring zijn vermeld. Deze klacht valt, als ik het goed zie, in twee subklachten uiteen. De
eerste subklachthoudt in dat de rechtbank, door te oordelen dat zij de in r.o. 2.11 genoemde vormen van verplichte zorg “binnen de grenzen van de zelfbindingsverklaring” acht, een verkeerde, want te ruime uitlegmaatstaf heeft gehanteerd ten aanzien van de in de zelfbindingsverklaring genoemde vormen van verplichte zorg. Door met een “redelijke uitleg” (r.o. 2.9) andere verplichte zorg in de zorgmachtiging op te nemen dan in de zelfbindingsverklaring vermeld, betrachtte de rechtbank niet de vereiste grote terughoudendheid die gelet op het karakter van de zelfbindingsverklaring in acht moet worden genomen, aldus het subonderdeel.
Als de rechtbank van oordeel was dat zij, al dan niet naar analogische toepassing, op grond van artikel 6:4 lid 2 Wvggz Pro bevoegd was andere verplichte zorg op te nemen dan vermeld in de zelfbindingsverklaring, is dat kennelijke oordeel rechtens onjuist, aldus, naar ik begrijp, de
tweede subklacht. Daartoe wordt aangevoerd dat dit artikel in het geval van een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring toepassing mist.
3.5
Onderdeel 2bevat de klacht dat de rechtbank door het onder onderdeel 1 aangevoerde met haar bestreden oordelen in strijd met artikel 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM en de daarop gevormde (vaste) rechtspraak van de Hoge Raad en van het EHRM heeft geoordeeld en beslist. Dit onderdeel is verder niet toegelicht.
3.6
Bij de bespreking van de klachten stel ik het volgende voorop.
Inleiding
3.7
In deze zaak staan de eisen centraal die gelden voor de beoordeling door de rechter van een verzoek om een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring (art. 4:1 e.v. in verbinding met art. 6:4 Wvggz Pro). Niet eerder is het rechterlijk beoordelingskader dat voor dergelijke verzoeken geldt, voorgelegd aan de Hoge Raad. Dit hangt waarschijnlijk samen met het relatief weinig voorkomen van verzoeken om een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring. Ook onder de Wet Bopz heb ik in dit verband geen relevante rechtspraak van de Hoge Raad kunnen vinden. [6] Ik grijp deze zaak dus aan om in deze conclusie uitgebreider in te gaan op de zelfbindingsverklaring als zodanig en op de eisen die gelden voor het verlenen van een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring. Daarbij komt ook de in het consultatievoorstel Evaluatiewet Wvggz en Wzd voorgestelde regelgeving voor de zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring aan de orde.
Zelfbindingsverklaring: instrument om regie in eigen hand te houden
3.8
Op grond van artikel 4:1 lid 1 Wvggz Pro kan een persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is ter zake van zorg in verband met zijn psychische stoornis, zich met een zelfbindingsverklaring verbinden tot zorg.
3.9
De zelfbindingsverklaring is een instrument voor betrokkene om de regie in eigen hand te houden. [7] In de memorie van toelichting wordt dit als volgt toegelicht: [8]
“In hoofdstuk 4 is de zelfbinding geregeld. Waar normaal gesproken de omgeving van een persoon met een psychische stoornis het initiatief neemt voor een verzoek voor verplichte zorg, biedt de zelfbinding de patiënt zelf de mogelijkheid om te bepalen wanneer de noodzaak voor verplichte zorg ontstaat in de periode dat zijn psychische stoornis hem in de greep krijgt. Kern van de zelfbinding is dat een persoon met een psychische stoornis een verklaring opstelt waarin hij aangeeft onder welke omstandigheden hem verplichte zorg moet worden verleend en welke vormen van zorg dan mogen worden toegepast, ook als hij zich daar op dat moment tegen verzet. Kort gezegd maakt de zelfbinding het mogelijk voor een persoon met een psychische stoornis om in een goede periode te bepalen wat er in een slechte periode met hem moet gebeuren. Voorwaarde voor de zelfbinding is dat betrokkene op het moment dat hij met zijn psychiater de zelfbindingsverklaring opstelt in goede geestelijke gezondheid verkeert en de strekking en gevolgen van zijn verklaring overziet. Met deze regeling wordt de zelfbindingsregeling die nu in de Wet bopz is opgenomen (artikel 34a e.v.) gecontinueerd en op onderdelen vereenvoudigd.
(…)
De zelfbindingsverklaring veronderstelt dat betrokkene al eerder onderworpen is geweest aan (verplichte) zorg en voorkeuren heeft ontwikkeld op basis van eerdere negatieve en belastende ervaringen met de symptomen van zijn ziekte en de behandeling daarvan. Het gaat hierbij in de regel om personen die kampen met een fluctuerend ziektebeeld zoals een bipolaire stoornis, waarin goede perioden zich afwisselen met slechte perioden. Als iemand in een goede periode in staat is om aan te geven in welke specifieke situaties (gezondheids)schade voor hem dreigt en dit door een onafhankelijk psychiater kan worden geverifieerd en geobjectiveerd, kan deze schade met een zelfbindingsmachtiging worden weggenomen. Anders gezegd, met een zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring wordt een schadebeperkend optreden mogelijk gemaakt, dat tegemoet komt aan de persoonlijke wensen van betrokkene.”
Inhoud van de zelfbindingsverklaring
3.1
Betrokkene en de zorgverantwoordelijke stellen een zelfbindingsverklaring op waarin op grond van artikel 4:1 lid 2 Wvggz Pro worden beschreven:
a. onder welke omstandigheden verplichte zorg aan betrokkene moet worden verleend om ernstig nadeel te voorkomen;
b. de zorg en de verplichte zorg die onder die omstandigheden aan betrokkene kan worden verleend en de maximale duur van de verplichte zorg;
c. de omstandigheden waaronder de verplichte zorg wordt beëindigd;
d. de geldigheidsduur van de zelfbindingsverklaring;
e. de voor de continuïteit van zorg relevante familie en naasten met wie contact moet worden opgenomen als de onder a bedoelde omstandigheden zich voordoen.
3.11
Voor deze zaak zijn de in artikel 4:1 lid 2 Wvggz Pro onder a (omstandigheden ter voorkoming van ernstig nadeel) en b (de (verplichte) zorgvormen) genoemde eisen van belang. Deze eisen worden in de memorie van toelichting als volgt toegelicht: [9]
“Het tweede lid bepaalt de inhoud van de zelfbindingsverklaring. Allereerst zal de verklaring duidelijk de omstandigheden moeten beschrijven die noodzaken tot het verlenen van de (verplichte) zorg. Daarbij zal ook duidelijk moeten worden gemaakt welk aanzienlijk risico op ernstige schade onder die omstandigheden dreigt. Hierbij kan ook worden aangegeven onder welke omstandigheden naar het oordeel van betrokkene nog niet tot verplichte zorg kan worden overgegaan. Betrokkene geeft hiermee zelf invulling aan de criteria voor verplichte zorg (artikelen 3:3 en 3:4). De rechter zal bij de afgifte van een zorgmachtiging daarom de invulling door betrokkene van de artikelen 3:3 en 3:4 als uitgangspunt moeten nemen. (…) In de tweede plaats zal de verklaring duidelijk moeten aangeven welke vormen van zorg mogen worden verleend om het aanzienlijke risico op ernstige schade af te wenden. Om te voorkomen dat er bij de uitvoering van de zorgmachtiging onduidelijkheid ontstaat over wat al dan niet binnen de grenzen van de zelfbindingsverklaring valt, zal de verplichte zorg nauwkeurig moeten worden omschreven.”
3.12
In de zelfbindingverklaring moeten dus de
omstandighedenzijn genoemd die zich moeten voordoen om verplichte zorg te kunnen verlenen. Het gaat blijkens de wettekst om het onder die omstandigheden verlenen van verplichte zorg om
ernstig nadeel te voorkomen. Een zelfbindingsverklaring beoogt dus preventief ingrijpen mogelijk te maken om erger te voorkomen. [10] Ook moeten blijkens de memorie van toelichting zo nauwkeurig mogelijk de
vormen van verplichte zorgvermeld worden in de zelfbindingsverklaring.
Verklaring omtrent de wilsbekwaamheid
3.13
Op grond van artikel 4:1 lid 1 Wvggz Pro kan alleen een betrokkene die tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is ter zake van zorg in verband met zijn psychische stoornis, zich met een zelfbindingsverklaring tot zorg verbinden.
3.14
De zorgverantwoordelijke dient zich er bij het opstellen van de zelfbindingsverklaring van te vergewissen dat betrokkene wilsbekwaam is (vgl. art. 1:5 lid 1 Wvggz Pro). Daarnaast vereist artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro [11] dat een onafhankelijk arts of een persoon behorende tot een bij regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aangewezen categorie van deskundigen een verklaring opstelt waaruit blijkt of de betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is. De onafhankelijk arts zal vaak een psychiater zijn. [12] Noodzakelijk is dit echter niet, zoals blijkt uit de toelichting op artikel 3 Regeling Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg: [13]
“Het heeft de voorkeur om binnen de beroepsgroep van artsen een ter zake deskundige arts te raadplegen, met voldoende kennis van het GGZ-werkveld. Hoewel onder de Wet bopz alleen de psychiater ter zake deskundig werd geacht, valt bijvoorbeeld ook te denken aan een verslavingsarts wanneer betrokkene bekend is met verslavingsproblematiek.”
3.15
Op grond van artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro in verbinding met artikel 3 Regeling Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg kan de verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van de betrokkene ook worden opgesteld door een onafhankelijk klinisch psycholoog. [14]
Zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring
3.16
Tussenkomst van de rechter is verplicht voordat de in een zelfbindingsverklaring genoemde verplichte zorg verleend kan worden. De verplichte zorg waartoe een betrokkene zich heeft verbonden in een zelfbindingsverklaring kan slechts worden verleend op basis van een door de rechter afgegeven zorgmachtiging. [15] In artikel 5:17 lid 5 Wvggz Pro wordt deze zorgmachtiging een “zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring” genoemd. Ik hanteer voor het huidige recht deze terminologie. [16] In de praktijk wordt wel gesproken over “omzetting van een zelfbindingsverklaring”. [17]
3.17
De Wvggz bevat slechts enkele bepalingen waarin specifieke voorschriften staan voor de procedure voor een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring. Op grond van artikel 5:17 lid 5 Wvggz Pro moet de officier van justitie ook de zelfbindingsverklaring bij het verzoekschrift voegen. Verder bepaalt artikel 6:2 lid Pro 1, onder d, Wvggz dat de rechter uiterlijk binnen drie werkdagen na ontvangst van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring uitspraak doet. In geval van een dergelijk verzoek geldt dus niet de gewone beslistermijn van drie weken, maar een verkorte beslistermijn. Dit strookt met het preventieve karakter van het verlenen van verplichte zorg in geval van een zelfbindingsverklaring.
3.18
Ook wanneer de betrokkene een zelfbindingsverklaring heeft opgesteld, is nog een reguliere zorgmachtiging mogelijk. Dan is dus geen sprake van een zogeheten omzetting van een zelfbindingsverklaring door middel van een zorgmachtiging (zie hiervoor onder 3.16). Een verzoek om een reguliere zorgmachtiging zal worden ingediend, indien de in de zelfbindingsverklaring omschreven omstandigheden zich niet voordoen of indien meer of andere vormen van verplichte zorg of voor een langere duur dan voorzien in de zelfbindingsverklaring nodig worden geacht. [18] Bij het verzoekschrift voor een reguliere zorgmachtiging moet de officier van justitie het door de geneesheer-directeur opgestelde voorstel voor een zorgmachtiging indienen, waarin in elk geval vermeld staat de wijze waarop rekening wordt gehouden met de voorkeuren van betrokkene, zoals vastgelegd in de zelfbindingsverklaring (art. 5:17 lid Pro 4, aanhef en onder b, Wvggz).
Beoordeling door de rechter: ernstig nadeel
3.19
De Wvggz kent geen specifiek kader voor de beoordeling door de rechter van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring. Wel wordt hierop in de memorie van toelichting ingegaan (onderstreping van mij; A-G): [19]
“Op het moment dat de omstandigheden die in de zelfbindingsverklaring zijn omschreven zich voordoen, kan de zorgverantwoordelijke niet direct de verplichte zorg verlenen. Ook bij een zelfbindingsverklaring zal de verplichte zorg pas kunnen worden verleend nadat de rechter een zorgmachtiging heeft afgegeven.
De rechter toetst bij de afgifte van een zorgmachtiging niet of is voldaan aan het criterium voor verplichte zorg, maar of de omstandigheden die in zelfbindingsverklaring zijn beschreven zich ook daadwerkelijk voordoen.”
3.2
En vlak daarna blijkt uit de memorie van toelichting dat betrokkene door het beschrijven van de omstandigheden waaronder wel of juist nog niet verplichte zorg mag worden verleend, zelf invulling geeft aan de eisen van de artikelen 3:3 (criteria) en 3:4 (doel) Wvggz voor verplichte zorg, welke invulling de rechter tot uitgangspunt moet nemen (onderstreping van mij; A-G): [20]
“(…) Allereerst zal de verklaring duidelijk de omstandigheden moeten beschrijven die noodzaken tot het verlenen van de (verplichte) zorg. Daarbij zal ook duidelijk moeten worden gemaakt welk aanzienlijk risico op ernstige schade onder die omstandigheden dreigt. Hierbij kan ook worden aangegeven onder welke omstandigheden naar het oordeel van betrokkene nog niet tot verplichte zorg kan worden overgegaan.
Betrokkene geeft hiermee zelf invulling aan de criteria voor verplichte zorg (artikelen 3:3 en 3:4). De rechter zal bij de afgifte van een zorgmachtiging daarom de invulling door betrokkene van de artikelen 3:3 en 3:4 als uitgangspunt moeten nemen.”
3.21
Hoe verhouden deze passages uit de wetsgeschiedenis zich nu tot artikel 6:4 lid 1 Wvggz Pro? Op grond van deze bepaling verleent de rechter een zorgmachtiging, indien naar zijn oordeel is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:3 Wvggz Pro (waaronder het ernstig nadeel), en aan het doel van verplichte zorg, bedoeld in artikel 3:4, onderdelen b tot en met e, Wvggz. De wettekst zelf bevat geen aanwijzingen dat artikel 6:4 lid 1 Wvggz Pro niet van toepassing zou zijn in geval van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring.
3.22
In de literatuur is aandacht besteed aan de onduidelijkheid in de wet over wat de rechter bij de beoordeling van het verzoek om een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring nu moet toetsen voor wat betreft het ernstig nadeel. [21] Ik wijs in het bijzonder op het Verdiepingsonderzoek Uitvoering Wvggz van Plomp en Legemaate, waarin zij de volgende aanbeveling doen: [22]
“Daarbij zou het ook helpen als de wetgever duidelijk zou maken dat voor het verlenen van een ZM [zorgmachtiging; A-G] op basis van een zelfbindingsverklaring niet vereist is dat (reeds) sprake is van ernstig nadeel, om onnodige afwijzingen van de ZM te voorkomen. Zodra aan de in de zelfbindingsverklaring omschreven omstandigheden wordt voldaan, moet de rechter een ZM op basis van de zelfbindingsverklaring verlenen. De jurisprudentie biedt aanwijzingen dat hier, zeker in de beginperiode na de inwerkingtreding van de Wvggz nog wel eens misverstand over bestond en ZM-en op basis van een zelfbindingsverklaring soms ten onrechte werden afgewezen omdat het ernstig nadeel ontbrak.”
3.23
Ik zal in het navolgende uiteenzetten wat mijns inziens van de rechter verwacht wordt bij de beoordeling van het ernstig nadeel, als een van de criteria voor verplichte zorg, in geval van een verzoek om een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring.
3.24
Het basiscriterium voor verplichte zorg bedoeld in artikel 3:3 Wvggz Pro is dat het gedrag van de betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel. Daarbij wordt volgens artikel 1:1 lid 2 Wvggz Pro onder “ernstig nadeel” verstaan het bestaan van of
het aanzienlijk risicoop:
a. levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, ernstig verstoorde ontwikkeling voor of van betrokkene of een ander;
b. bedreiging van de veiligheid van betrokkene al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;
c. de situatie dat betrokkene met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept;
d. de situatie dat de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
3.25
Blijkens artikel 4:1 lid Pro 2, onder a, Wvggz gaat het in de zelfbindingsverklaring om omstandigheden waaronder aan de betrokkene verplichte zorg verleend moet worden om
ernstig nadeel te voorkomen. Voornoemde definitie van ernstig nadeel in artikel 1:1 lid 2 Wvggz Pro omvat ook “het aanzienlijk risico” op een van de aldaar onder a-d genoemde vormen van ernstig nadeel. Daarmee zit in de wettelijke definitie van ernstig nadeel ook al een preventief element. Met de beschrijving van de omstandigheden in de zelfbindingsverklaring onder welke verplichte zorg verleend moet worden, zal de betrokkene mijns inziens dan ook veelal aangeven wanneer sprake is van
het aanzienlijk risicoop een van de vormen van ernstig nadeel, zoals genoemd in artikel 1:1 lid Pro 2, onder a-d, Wvggz. Eigenlijk gaat het in artikel 4:1 lid Pro 2, onder a, Wvggz daarmee dus om het voorkomen van
het bestaanvan een van die onder artikel 1:1 lid Pro 2, onder a-d, Wvggz genoemde
vormen, en niet om het ernstig nadeel als zodanig. Indien immers onder de in de zelfbindingsverklaring beschreven omstandigheden een
aanzienlijk risicobestaat op vormen van ernstig nadeel, is strikt genomen al sprake van ernstig nadeel in de zin van artikel 1:1 lid 2 Wvggz Pro. Van het voorkomen van ernstig nadeel in de zin van artikel 4:1 lid 2 Wvggz Pro door het onder de beschreven omstandigheden verlenen van verplichte zorg zou dan dus eigenlijk geen sprake meer kunnen zijn. Maar dit is wel heel veel fijnslijperij.
3.26
De betrokkene kan in de zelfbindingsverklaring mijns inziens dus zelf bepalen onder welke omstandigheden dit aanzienlijk risico in de zin van artikel 1:1 lid 2 Wvggz Pro bestaat, waarmee preventief ingrijpen in een door betrokkene zelf bepaald vroeg stadium mogelijk is. Objectief gezien, hoeft er dan wellicht nog geen aanzienlijk risico op een vorm van ernstig nadeel te bestaan, maar voor de desbetreffende betrokkene mogelijk wel, gelet op eerdere ervaringen. Westenberg beschrijft dit aldus: [23]
“De ‘eigen regie’ houdt ook in dat de patiënt in de zelfbindingsverklaring zelf bepaalt waar de lat ligt. Voor de patiënt zal het uitgangspunt zijn dat hij behoed wil worden voor wat in zijn ogen geldt als ernstig nadeel. Daarbij kunnen tal van concrete situaties worden beschreven, die op zichzelf niet direct beschouwd hoeven te worden als ‘ernstig nadeel’. Dat een patiënt in een bepaalde fase bijvoorbeeld zeer onverzorgd over straat gaat zou wellicht objectief nog niet als ernstig nadeel kunnen worden gezien in de zin van de wet, maar de patiënt zelf kan het van groot belang vinden om voor dergelijk verlies aan decorum behoed te blijven, ook omdat hij de ervaring heeft dat dit het begin zal zijn van een spiraal naar beneden.”
3.27
Gelet op het voorgaande, meen ik dat de hiervoor onder 3.19 en 3.20 weergegeven wetsgeschiedenis zo begrepen moet worden dat de rechter kan volstaan met beoordelen of de in de zelfbindingsverklaring beschreven omstandigheden zich voordoen. Als die omstandigheden zich naar het oordeel van de rechter voordoen, staat daarmee in beginsel vast dat is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg van artikel 3:3 Wvggz Pro, waaronder het ernstig nadeel, en aan het doel van verplichte zorg van artikel 3:4 Wvggz Pro. Dan is immers voldaan aan de invulling die de betrokkene zelf heeft gegeven aan die eisen voor verplichte zorg. Dit past bij het karakter van de zelfbindingsverklaring als instrument van eigen regie door de betrokkene (zie hiervoor onder 3.9).
3.28
Als de in de zelfbindingsverklaring beschreven omstandigheden zich naar het oordeel van de rechter voordoen, is daarmee in beginsel dus ook gegeven dat voldaan is aan het wettelijk criterium van het ernstig nadeel. De rechter hoeft dan niet ook nog afzonderlijk te toetsen of sprake is van het bestaan van of het aanzienlijk risico op een van de vormen van ernstig nadeel, tenzij hij daartoe aanleiding ziet.
3.29
Bij deze stand van zaken zou het mijns inziens de voorkeur verdienen dat in de zelfbindingsverklaring duidelijk en concreet wordt aangeven welke vorm(en) van ernstig nadeel de beschreven omstandigheden moeten voorkomen. Daarbij zou dan aansluiting moeten worden gezocht bij de vormen van ernstig nadeel van artikel 1:1 lid Pro 2, onder a-d, Wvggz. Het ernstig nadeel, zoals genoemd in artikel 4:1 lid Pro 2, onder a, Wvggz, wordt immers ook in artikel 1:1 lid 2 Wvggz Pro gedefinieerd.
3.3
Hierbij moet bedacht worden dat blijkens de wetsgeschiedenis verondersteld wordt dat van de zelfbindingsverklaring gebruik gemaakt zal worden in gevallen waarin de betrokkene al eerder onderworpen is geweest aan (verplichte) zorg en voorkeuren heeft ontwikkeld op basis van eerdere negatieve en belastende ervaringen met de symptomen van zijn ziekte en de behandeling daarvan (zie hiervoor onder 3.9). Het in de termen van artikel 1:1 lid Pro 2, onder a-d, Wvggz benoemen van het te voorkomen ernstig nadeel in de zelfbindingsverklaring zal daarmee doorgaans goed mogelijk moeten zijn. Daarbij moet verder bedacht worden dat de betrokkene de zelfbindingsverklaring opstelt samen met de zorgverantwoordelijke. Van laatstgenoemde zal verwacht mogen worden dat hij de betrokkene helpt bij het vertalen van het te voorkomen ernstig nadeel naar de in artikel 1:1 lid Pro 2, onder a-d, Wvggz genoemde vormen.
3.31
Op deze wijze is ook voor de rechter meteen duidelijk welke van de onder a-d van artikel 1:1 lid 2 Wvggz Pro genoemde vormen van ernstig nadeel de betrokkene beoogt te voorkomen door zich te binden aan het verlenen van verplichte zorg onder de in de zelfbindingsverklaring beschreven omstandigheden.
3.32
Dan kom ik nu toe aan het consultatievoorstel Evaluatiewet Wvggz en Wzd (hierna: het consultatievoorstel). Ik ben van mening dat het consultatievoorstel en de toelichting daarop nog steeds niet de gewenste duidelijkheid bieden over wat nu van de rechter verwacht wordt in geval van een verzoek om een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring, en in het bijzonder ten aanzien van het ernstig nadeel.
3.33
De zelfbindingsverklaring is blijkens het voorgestelde artikel 4:1 lid 2 Wvggz Pro onverminderd een instrument waarbij gedwongen zorg [24] preventief ingezet kan worden om ernstig nadeel te voorkomen.
De nieuwe paragraaf “Aanvraag en voorbereiding zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring” [25] (voorgestelde art. 4:4-art. 4:10 Wvggz Pro) gaat ervan uit dat voor het verlenen van een zorgmachtiging moet zijn voldaan aan zowel de
omstandighedenzoals beschreven in de zelfbindingsverklaring als aan de
criteriavoor gedwongen zorg, waaronder dus het ernstig nadeel. [26] Voorgesteld artikel 4:10 lid 4 Wvggz Pro bevat bovendien een schakelbepaling die buiten twijfel stelt dat ook artikel 6:4 lid 1 Wvggz Pro van toepassing is voor de behandeling van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring door de rechter. Op grond van laatstgenoemde bepaling moet de rechter beoordelen of aan de criteria voor gedwongen zorg, waaronder het ernstig nadeel, is voldaan.
3.34
Ook in het algemeen deel van de concept memorie van toelichting bij het consultatievoorstel wordt ervan uitgegaan dat de rechter zowel toetst of voldaan is aan de criteria voor gedwongen zorg als toetst of voldaan is aan de in de zelfbindingsverklaring beschreven omstandigheden (onderstreping van mij; A-G): [27]
“Met de zelfbindingsverklaring kan betrokkene vooraf aangeven welke gedwongen zorg in het uiterste geval en onder door hem omschreven omstandigheden aan hem kan worden verleend. Op een wilsbekwaam moment wordt het gesprek gevoerd over de wensen van betrokkene in het geval dat gedwongen zorg onvermijdelijk wordt. Zo kan worden geanticipeerd op mogelijke (crisis)situaties in de toekomst. Indien een dergelijke situatie ontstaat en is voldaan aan de vereisten die zijn vastgelegd in de zelfbindingsverklaring, dan kan via een versnelde procedure een zorgmachtiging op basis van de zelfbindingsverklaring worden aangevraagd.
De rechter toetst of de criteria voor gedwongen zorg en de omstandigheden die zijn vastgelegd in de zelfbindingsverklaring zich voordoen, en of de vastgelegde gedwongen zorgvormen het ernstig nadeel kunnen wegnemen. Als dat zo is, dan heeft betrokkene feitelijk in goeden doen zijn eigen versneld afgegeven zorgmachtiging vormgegeven, en kan bovendien de afgifte van een crisismaatregel worden voorkomen. In de huidige wet staat de procedure die dient te worden gevolgd bij een aanvraag van een zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring echter niet volledig uitgeschreven. Deze onduidelijkheid leidt ertoe dat in de praktijk weinig gebruik wordt gemaakt van de zelfbindingsverklaring en zekerheidshalve een reguliere zorgmachtiging of crisismaatregel wordt aangevraagd. Daarnaast duurt in de praktijk de aanvraag van de zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring te lang op basis van de huidige wet en moet soms alsnog een crisismaatregel worden aangevraagd. Dat is nu juist de situatie die de betrokkene wil voorkomen met de zelfbindingsverklaring.”
3.35
Zo blijft ook in het consultatievoorstel de onduidelijkheid bestaan waarvoor in de literatuur aandacht is gevraagd (zie hiervoor onder 3.22). Want hoe verhoudt de toets of voldaan is aan de in de zelfbindingsverklaring beschreven omstandigheden enerzijds zich nu tot de toets of voldaan is aan de criteria voor gedwongen zorg anderzijds? Het zou goed zijn als tijdens het wetgevingsproces alsnog de gewenste duidelijkheid op dit punt wordt verschaft. Ik heb in het voorgaande alvast een poging tot nadere verduidelijking gedaan.
3.36
Ik ga in deze conclusie uit van de uitleg van de huidige wet zoals ik hiervoor onder 3.27 en 3.28 heb toegelicht. Deze uitleg komt er in de kern op neer dat de rechter in beginsel kan oordelen dat aan het criterium van ernstig nadeel is voldaan, indien hij vaststelt dat de omstandigheden zoals beschreven in de zelfbindingsverklaring zich voordoen. Daarmee heeft de betrokkene immers zelf invulling gegeven aan dit criterium, welke invulling de rechter tot uitgangspunt moet nemen.
3.37
Rest in dit verband nog de vraag of het oordeel van de rechter dat niet slechts sprake is van het
aanzienlijk risicoop bepaalde vormen van ernstig nadeel, maar van het reeds
bestaandaarvan, [28] het verlenen van een zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring in de weg staat. Het is immers goed denkbaar dat met de zelfbindingsverklaring te voorkomen vormen van ernstig nadeel zich reeds hebben gerealiseerd op het moment van beoordeling door de rechter.
Zolang aan de omstandigheden zoals beschreven in de zelfbindingsverklaring is voldaan, kan de rechter mijn inziens het verzoekschrift voor een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring toewijzen, ook als vormen van ernstig nadeel inmiddels een feit zijn. Het verlenen van verplichte zorg is dan niet meer uitsluitend preventief, maar het kan wel verder ernstig nadeel voorkomen.
Beoordeling door de rechter: vormen van zorg
3.38
Dan kom ik nu toe aan de vraag welke vormen van verplichte zorg de rechter kan toewijzen in geval van een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring. Net als bij de beoordeling van de criteria voor verplichte zorg is de rechter ook voor de vormen van zorg en de duur ervan in beginsel gebonden aan hetgeen daarover in de zelfbindingsverklaring is beschreven. Dit vloeit ook weer voort uit het karakter van de zelfbindingsverklaring als eigen regie-instrument. In de memorie van toelichting staat hierover: [29]
“(…) In de tweede plaats zal de verklaring [zelfbindingsverklaring; A-G] duidelijk moeten aangeven welke vormen van zorg mogen worden verleend om het aanzienlijke risico op ernstige schade af te wenden. Om te voorkomen dat er bij de uitvoering van de zorgmachtiging onduidelijkheid ontstaat over wat al dan niet binnen de grenzen van de zelfbindingsverklaring valt, zal de verplichte zorg nauwkeurig moeten worden omschreven.”
3.39
Om die door de wetgever genoemde onduidelijkheid – en daarmee misverstanden en uitlegproblemen – te voorkomen, verdient het mijns inziens de voorkeur om in de zelfbindingsverklaring zoveel mogelijk aan te sluiten bij de in artikel 3:2 lid Pro 2, aanhef en onder a-k, Wvggz genoemde vormen van verplichte zorg, zoals ook de onderhavige zaak leert.
3.4
Op grond van artikel 6:4 lid 2 Wvggz Pro kan de rechter, onder meer in afwijking van de zelfbindingsverklaring, [30] echter andere verplichte zorg in de zorgmachtiging opnemen. [31] Deze mogelijkheid blijft ook in het consultatievoorstel bestaan. De nieuwe schakelbepaling van voorgesteld artikel 4:10 lid 4 Wvggz Pro verklaart ook artikel 6:4 lid 2 Wvggz Pro van toepassing op de behandeling door de rechter van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring. Blijkens de artikelsgewijze toelichting bij het consultatievoorstel past de rechter hier wel grote terughoudendheid: [32]
“Dat betrokkene in goeden doen een zelfbindingsverklaring heeft opgesteld over gedwongen zorg in een toekomstig scenario, betekent dat hij bijzonder vertrouwen in zijn behandelaars heeft gesteld dat daar ook op de vastgelegde wijze gevolg aan wordt gegeven. Dat vertrouwen mag niet zomaar met voeten worden getreden. Er dient daarom groot gewicht te worden toegekend aan het mogelijk maken van een zorgmachtiging op basis van de zelfbindingsverklaring wanneer gedwongen zorg noodzakelijk blijkt; tot het terzijde leggen van de zelfbindingsverklaring kan niet lichtvaardig worden besloten.
(…)
De rechter kan op grond van het verzoekschrift, in samenhang met de bevindingen van de geneesheer-directeur en zijn bevindingen ter zitting, andere gedwongen zorg in de zorgmachtiging opnemen. Zoals hiervoor is toegelicht zal hier echter vanwege het bijzondere karakter van de zelfbindingsverklaring grote terughoudendheid in moeten worden betracht.
(…)
Dat betekent dat in de zelfbindingsverklaring nauwkeurig moet zijn vastgelegd welke vormen van gedwongen zorg onder welke omstandigheden gedurende welke duur aan betrokkene mogen worden verleend, en onder welke omstandigheden wordt de gedwongen zorg moet worden beëindigd. Bij de afgifte van de zorgmachtiging door de rechter (…) zal de zelfbindingsverklaring opnieuw in acht moeten worden genomen. Daarbij wordt opgemerkt dat hoewel de rechter op grond van artikel 6:4, tweede lid, ambtshalve bevoegd is om ten opzichte van het verzoekschrift andere (…) vormen van gedwongen zorg in de zorgmachtiging op te nemen, hij vanuit civiele lijdelijkheid, maar des te meer vanwege het bijzondere karakter van de zelfbindingsverklaring, daar grote terughoudendheid in moet betrachten. Betrokkene heeft bij het opstellen van de verklaring vooraf duidelijke grenzen aangegeven in de zorg die hem in een gedwongen kader mag worden verleend, en daarbij groot vertrouwen gesteld in de eerbiediging daarvan in de omschreven omstandigheden. Als die grenzen eenvoudig terzijde kunnen worden geschoven, verliest dit eigen regie-instrument zijn waarde. Afwijking van het verzoekschrift kan echter in beeld komen als dat evidente (ter zitting) opgekomen praktische problemen kan oplossen, of kan worden voorkomen dat de zelfbindingsverklaring geheel terzijde moet worden geschoven.”
3.41
Ik keer terug naar de bespreking van de klachten.
Onderdeel 1
3.42
Subonderdeel 1.avan het middel klaagt dat het kennelijke oordeel van de rechtbank dat de verklaring van de zorgverantwoordelijke van 30 augustus 2024 voldeed aan de eis van artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, nu deze verklaring op grond van genoemde bepaling opgesteld moet worden door een onafhankelijk arts of een klinisch psycholoog. Dit laatste had de rechtbank ambtshalve moeten vaststellen, aldus de klacht.
3.43
Artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro vereist dat een onafhankelijk arts of aangewezen deskundige een verklaring opstelt ten aanzien van de wilsbekwaamheid van de betrokkene. Een zorgverantwoordelijke valt daar niet onder, nu een zorgverantwoordelijke bij uitstek betrokken is bij de behandeling van een betrokkene en zodoende niet onafhankelijk is. Wel moet ook een zorgverantwoordelijke de wilsbekwaamheid van de betrokkene beoordelen, op het moment dat deze samen met de betrokkene de zelfbindingsverklaring opstelt, gelet op artikel 4:1 lid 2 in Pro verbinding met artikel 1:5 Wvggz Pro (zie hierboven onder 3.14).
3.44
De rechtbank overweegt in r.o. 2.1 dat de
[zorgverantwoordelijke]op 30 augustus 2024 op grond van artikel 4:1 lid 7 Wvggz Pro [33] een verklaring heeft opgesteld waaruit blijkt dat betrokkene ten tijde van het opstellen van de zelfbindingsverklaring tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat was.
3.45
Deze door [zorgverantwoordelijke] opgestelde verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene is in cassatie niet overgelegd. Deze verklaring maakte echter wel deel uit van de processtukken in eerste aanleg. De verklaring is immers genoemd als bijlage bij het verzoekschrift van de officier van justitie. En ook in de bestreden beschikking is deze verklaring als een bij het verzoekschrift overgelegde bijlage genoemd onder het procesverloop.
3.46
In het verzoekschrift van de officier van justitie wordt [zorgverantwoordelijke] niet als zorgverantwoordelijke aangeduid. Het verzoekschrift luidt op dit punt:
‘”Op 30 augustus 2024 heeft [zorgverantwoordelijke] een verklaring op grond van artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro opgesteld waaruit blijkt dat betrokkene ten tijde van het opstellen van de zelfbindingsverklaring tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat was (bijlage: Verklaring arts).”
3.47
De naam [zorgverantwoordelijke] komt, behalve in het verzoekschrift van de officier van justitie en in de bestreden beschikking, verder niet voor in het in cassatie overgelegde procesdossier. Het overgelegde procesdossier bevat dus geen verdere aanwijzingen dat [zorgverantwoordelijke] inderdaad zorgverantwoordelijke van betrokkene zou zijn, zoals in de bestreden beschikking staat.
3.48
In het procesdossier komen wel twee andere namen van zorgverantwoordelijken van betrokkene voor. Daarbij gaat het in de eerste plaats om psychiater A. Schaap die als zorgverantwoordelijke het zorgplan van 30 juli 2024 heeft opgesteld. Ook heeft zij, samen met betrokkene, de zelfbindingsverklaring opgesteld, die zij op 20 augustus 2024 heeft ondertekend. Zij wordt ook in de medische verklaring van 21 mei 2025 als een van de twee zorgverantwoordelijken genoemd. De andere in de medische verklaring genoemde zorgverantwoordelijke is M. Kraaijkamp. Dit is de arts die tijdens de mondelinge behandeling aanwezig was.
3.49
Gelet op het voorgaande is niet uitgesloten dat de aanduiding van [zorgverantwoordelijke] in de bestreden beschikking als zorgverantwoordelijke een verschrijving door de rechtbank betreft. Nu de verklaring van [zorgverantwoordelijke] niet in cassatie is overgelegd, is dit echter niet te controleren. Bij deze stand van zaken moet er dus, met de klacht, van uit worden gegaan dat de rechtbank in r.o. 2.1 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door genoegen te nemen met een door een zorgverantwoordelijke opgestelde verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene.
3.5
Ik heb nog overwogen om de door [zorgverantwoordelijke] opgestelde verklaring alsnog op te vragen om te kunnen controleren of deze inderdaad zorgverantwoordelijke was zoals de rechtbank overweegt, maar heb hiervan afgezien, gelet op het hiernavolgende.
3.51
Hoewel de bestreden rechtsoverweging van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, kan het subonderdeel betrokkene mijns inziens namelijk niet baten. Het in de bestreden overweging van de rechtbank besloten liggende oordeel dat betrokkene wilsbekwaam was ten tijde van het opstellen van de zelfbindingsverklaring wordt in cassatie immers niet bestreden. Evenmin wordt in cassatie de geldigheid van de zelfbindingsverklaring bestreden. Sterker nog, in de twee andere subonderdelen 1.b en 1.c wordt, onvoorwaardelijk, juist uitgegaan van de geldigheid van de zelfbindingsverklaring.
3.52
Nu de voor de beslissing van de rechtbank dragende oordelen, dat betrokkene wilsbekwaam was ten tijde van het opstellen van de zelfbindingsverklaring en dat deze zelfbindingsverklaring geldig is, in cassatie niet bestreden zijn, heeft betrokkene geen belang bij zijn op zichzelf terechte klacht dat de verklaring omtrent de wilsbekwaamheid van betrokkene in de zin van artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro niet door een zorgverantwoordelijke opgesteld mag worden.
3.53
Hoewel subonderdeel 1.a terecht is voorgesteld, kan het dus niet tot cassatie leiden.
3.54
Subonderdeel 1.bklaagt dat de rechtbank ten onrechte in haar beoordeling betrokken heeft de vraag of sprake was van het in de wet bedoeld ernstig nadeel, omdat niet (rechtens) relevant is dat (ook) sprake is van het volgens de wet vereiste (situaties van) ernstig nadeel voor betrokkene.
3.55
De toets die de rechter bij de beoordeling van een verzoekschrift voor een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring moet aanleggen, is of de omstandigheden die in de zelfbindingsverklaring zijn beschreven, zich voordoen. De rechtbank heeft dit beoordeeld in r.o. 2.8, waarbij zij tot het oordeel komt dat voldaan is aan de voorwaarden die in de zelfbindingsverklaring zijn genoemd. Dat de rechtbank in die beoordeling ook heeft betrokken dat reeds ernstig nadeel – zowel het bestaan van als het aanzienlijk risico op de in r.o. 2.4 genoemde gevaren – aan de orde was, maakt deze beoordeling niet onjuist (zie hiervoor onder 3.37).
3.56
Daarbij merk ik overigens op dat in de zelfbindingsverklaring, onder 5, wel de omstandigheden zijn vermeld die noodzaken tot het verlenen van de (verplichte) zorg (geciteerd in de bestreden beschikking, zie hiervoor onder 2.4). Onder 5 van de zelfbindingsverklaring wordt ook gevraagd duidelijk te maken welk ernstig nadeel onder die omstandigheden dreigt. Deze vraag is echter niet beantwoord in de zelfbindingsverklaring. Zoals ik hiervoor onder 3.29 heb aangegeven, zou het mijns inziens de voorkeur verdienen de te voorkomen vorm(en) van ernstig nadeel expliciet in de zelfbindingsverklaring te vermelden. Zo zou het ook voor de rechter duidelijk zijn ter voorkoming van welke vorm(en) van ernstig nadeel de betrokkene zich in de zelfbindingsverklaring tot verplichte zorg verbindt en welke invulling betrokkene in de zelfbindingsverklaring zelf aan het criterium van ernstig nadeel geeft. Dat de rechtbank in deze zaak bij gebrek aan deze eigen invulling door betrokkene op dit punt zelf heeft beoordeeld of sprake is van het bestaan van of aanzienlijk risico op bepaalde vormen van ernstig nadeel, is mede in dit licht bezien bovendien niet onjuist.
3.57
Subonderdeel 1.b slaagt dus niet.
3.58
Subonderdeel 1.cklaagt dat de rechtbank meer en andere zorgvormen heeft toegewezen dan door betrokkene zelf zijn beschreven in de zelfbindingsverklaring. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechtbank een te ruime uitlegmaatstaf heeft gehanteerd. Daarmee heeft de rechtbank volgens de klacht niet de grote terughoudendheid betracht, die vereist is, gelet op het karakter van de zelfbindingsverklaring.
Voor zover de rechtbank op grond van artikel 6:4 lid 2 Wvggz Pro meer en andere vormen van zorg heeft toegewezen dan beschreven zijn in de zelfbindingsverklaring, is dit rechtens onjuist, nu dit artikel toepassing mist, aldus het subonderdeel.
3.59
De
eerste subklachtbetreft de uitleg door de rechtbank van hetgeen in de zelfbindingsverklaring over de (verplichte) zorgvormen is beschreven. Deze zou te ruim zijn. Gelet op het hiernavolgende is deze subklacht tevergeefs voorgesteld.
3.6
Naar het oordeel van de rechtbank in r.o. 2.9 moet wat betreft de op te leggen vormen van zorg aansluiting worden gezocht bij (een redelijke uitleg van) de zelfbindingsverklaring, waarna de rechtbank de inhoud van de zelfbindingsverklaring op dit punt citeert:
“8. Zorg en verplichte zorg die aan mii kunnen worden verleend
Beschrijf welke vormen van zorg (zowel zorg, als verplichte zorg) mogen worden verleend om de omstandigheden die noodzaken tot het verlenen van de (verplichte) zorg te voorkomen uw geestelijke gezondheid en te stabiliseren of te herstellen en het ernstig nadeel te voorkomen.

Logeren bij [A] van HVO Querido

Medicatie herstarten of Depot verhogen

Frequenter huisbezoek door HVO en FACT NW

Als het helemaal niet meer gaat, dan opname GGZ
9. Maximale duur verplichte zorg
Duur: 4 tot 6 weken”
3.61
In r.o. 2.10 oordeelt de rechtbank dat zes van de verzochte vormen van verplichte zorg niet in overeenstemming zijn met de zelfbindingsverklaring. Zij wijst deze vormen van verplichte zorg niet toe (zie hiervoor onder 2.4).
3.62
In r.o. 2.11 overweegt de rechtbank dat het de volgende in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg, die zijn gebaseerd op de medische verklaring en het advies van de geneesheer-directeur, wel binnen de grenzen van de zelfbindingsverklaring en noodzakelijk om het ernstig nadeel af te wenden, acht:
- toedienen van medicatie, medische controles en het verrichten van andere medische handelingen en therapeutische maatregel maar dan telkens voor maximaal 6 weken per toepassing;
- beperken van de bewegingsvrijheid, eveneens telkens voor maximaal 6 weken per toepassing;
- opnemen in een accommodatie, telkens voor maximaal 6 weken per toepassing.
3.63
Door aansluiting te zoeken bij een redelijke uitleg van de zelfbindingsverklaring en op grond daarvan een deel van de verzochte vormen van verplichte zorg af te wijzen en een deel toe te wijzen, heeft de rechtbank mijns inziens de vereiste grote terughoudendheid in acht genomen.
3.64
Het oordeel van de rechtbank over de vormen van zorg die op de zelfbindingsverklaring kunnen worden gebaseerd, en de redelijke uitleg van de zelfbindingsverklaring, betreft een feitelijk oordeel dat in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst. In cassatie is niet geklaagd dat dit oordeel onbegrijpelijk is. Overigens acht ik het oordeel, gelet op de stukken van het geding waarop de rechtbank zich baseert en het verhandelde ter zitting, ook niet onbegrijpelijk.
3.65
Deze zaak leert bovendien dat het raadzaam is in de zelfbindingsverklaring zo concreet mogelijk aan te geven tot welke vormen van verplichte zorg de betrokkene zich verbindt, waarbij voor alle duidelijkheid zoveel mogelijk aansluiting gezocht zou moeten worden bij de terminologie van de in artikel 3:2 lid 2 Wvggz Pro genoemde vormen van verplichte zorg (zie hiervoor onder 3.39). Het valt me overigens op dat in deze zaak, onder verwijzing naar het zorgplan, veel vormen van zorg zijn verzocht, waarna de rechter het verzochte met de benodigde terughoudendheid heeft toegewezen.
3.66
De
tweede subklachtis voorgesteld voor het geval de rechtbank van oordeel was dat zij op grond van artikel 6:4 lid 2 Wvggz Pro bevoegd was andere vormen van verplichte zorg toe te wijzen dan beschreven in de zelfbindingsverklaring. Dit geval doet zich hier mijns inziens niet voor, nu de rechtbank bij het beoordelen van de verzochte zorgvormen juist aansluiting heeft gezocht bij de zelfbindingsverklaring (zie r.o. 2.9). Alleen al hierom kan de subklacht niet slagen.
3.67
Daar komt bij dat deze subklacht uitgaat van de onjuiste rechtsopvatting dat artikel 6:4 lid 2 Wvggz Pro hier niet van toepassing zou zijn. Artikel 6:4 lid 2 Wvggz Pro geldt immers ook in geval van een zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring (zie immers hiervoor onder 3.40).
3.68
Omdat bij het toewijzen van verplichte vormen van zorg geen rechtsregel is geschonden, mist subonderdeel 1.c doel.
Onderdeel 2
3.69
Nu subonderdeel 1.a weliswaar terecht is voorgesteld, maar niet tot cassatie kan leiden en de subonderdelen 1.b en 1.c falen, slaagt de klacht van
onderdeel 2niet.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De feiten en het procesverloop zijn ontleend aan de in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2025, met zaaknummer C/1 3/770378 FA RK 25-4217. De beschikking is niet gepubliceerd op rechtspraak.nl.
2.Volledigheidshalve merk ik op dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en de bestreden beschikking een andere naam vermelden dan de naam die in de zelfbindingsverklaring, onder 6, als eerste contactpersoon staat vermeld.
3.De cassatietermijn is op grond van art. 1 lid 1 Algemene Pro termijnenwet verlengd tot en met maandag 8 september 2025.
4.Bedoeld moet zijn door de rechtbank: art. 4:1
5.Vermeld is ook r.o. 2.4 t/m 2.14, maar uit de toelichting volgt dat het specifiek gaat om r.o. 2.4, 2.8 en 2.11.
6.Art. 34a Wet Bopz kende ook een regeling over de zelfbindingsverklaring.
10.Zoals ook in de literatuur wordt benadrukt. Zie bijvoorbeeld H. Molenaar, R. de Roode en S. Attema, ‘Eigen regie en de Wvggz’,
11.Bij de op 6 november 2021 in werking getreden zogeheten Reparatiewet Wvggz en Wzd (
12.Zo wordt ook opgemerkt door de wetgever in
13.Toelichting bij de Regeling verplichte geestelijke gezondheidszorg van 31 oktober 2019,
15.Aldus ook
16.Vgl. voor de gewijzigde terminologie in het consultatievoorstel Evaluatiewet Wvggz en Wzd, hierna onder 3.33, voetnoot 25.
17.Concept memorie van toelichting bij het consultatievoorstel: artikelsgewijze toelichting, p. 13.
18.Vgl. concept memorie van toelichting bij het consultatievoorstel: artikelsgewijze toelichting, p. 14-15. Dit betreft weliswaar de toelichting bij het nieuw voorgestelde art. 4:7 Wvggz Pro, maar blijkens de artikelsgewijze toelichting (p. 13) gaat het hier niet om nieuw beleid, maar om “verduidelijking van de procedure door codificatie van de huidige praktijk”.
21.F. Westenberg in zijn JGz-noot onder rb. Noord-Nederland 10 oktober 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4287,
22.E. Plomp en J. Legemaate,
23.F. Westenberg in zijn JGz-noot onder rb. Noord-Nederland 10 oktober 2024,
24.In het consultatievoorstel wordt de term “verplichte zorg” vervangen door de term “gedwongen zorg”.
25.De huidige term “zorgmachtiging naar aanleiding van een zelfbindingsverklaring” (art. 5:17 lid 5 Wvggz Pro) wordt in het consultatievoorstel vervangen door de term “zorgmachtiging op basis van een zelfbindingsverklaring”. Zie ook hiervoor onder 3.16.
26.Voorgesteld art. 1:1 lid Pro 1, aanhef en onder f, Wvggz in verbinding met art. 3:3 Wvggz Pro.
27.Concept memorie van toelichting bij het consultatievoorstel: algemeen deel, p. 8-9.
28.Vgl. art. 1:1 lid 2 Wvggz Pro.
30.Immers de bijlage als bedoeld in art. 5:17 vijfde Pro lid, Wvggz, zoals genoemd in art. 6:4 lid 2 Wvggz Pro.
31.Vgl. hierover ook F. Westenberg in zijn JGz-noot onder rb. Noord-Nederland 10 oktober 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4287,
32.Concept memorie van toelichting bij het consultatievoorstel: artikelsgewijze toelichting, p. 15-16 en p. 18.
33.Zoals al vermeld, moet de rechtbank hier artikel 4:1 lid 6 Wvggz Pro bedoeld hebben (zie hiervoor in de voetnoten 4 en 11)