ECLI:NL:PHR:2026:598

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
26/00863
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 5.4.3 SvArt. 5.4.4 SvArt. 5.4.6 SvArt. 5.4.7 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid uitvoering Europees onderzoeksbevel ondanks doorzoeking tweede adres

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Limburg waarin een klaagschrift van de klager werd afgewezen. De klager vorderde opheffing van beslag en teruggave van in beslag genomen goederen die waren genomen in het kader van de uitvoering van een Europees onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd door Duitse autoriteiten.

De klager stelde dat het EOB onrechtmatig was uitgevaardigd omdat het niet door een Duitse rechter maar door het Duitse Openbaar Ministerie was afgegeven, en dat de doorzoeking van een tweede adres, niet genoemd in het EOB, onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat het EOB was uitgevaardigd door een bevoegde autoriteit en dat de doorzoeking van het tweede adres rechtmatig was, mits de Nederlandse waarborgen waren nageleefd.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het systeem van het EOB is gebaseerd op wederzijdse erkenning, waardoor de ruimte voor toetsing door de uitvoerende staat beperkt is. De Hoge Raad overweegt dat de Duitse officier van justitie bevoegd is een EOB uit te vaardigen en dat de Nederlandse rechter slechts formeel toetst aan de voorwaarden voor erkenning en uitvoering. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer26/00863 Br
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij beschikking van 3 maart 2026 (raadkamernummer 26-002877) het op grond van art. 552a Sv in verbinding met art. 5.4.10 Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag en tot teruggave aan de klager van vier telefoons, een Apple Watch, € 17.500,- aan kasgeld en 150,- aan privégeld, ongegrond verklaard.
1.2
Het cassatieberoep is op 10 maart 2026 ingesteld namens de klager. S.T. van Berge Henegouwen, advocaat in Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. In het eerste middel wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het Europees onderzoeksbevel (hierna: EOB) is uitgevaardigd door een bevoegde autoriteit. In het tweede middel wordt opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat de doorzoeking op het niet in het EOB opgenomen adres rechtmatig is geschied.
1.3
De uitkomst van deze conclusie is dat de middelen falen.

2.Het verloop van de zaak

2.1
Chronologisch is de zaak – voor zover daarvan blijkt uit de in cassatie ter beschikking staande stukken – als volgt verlopen.
2.2
Op 15 december 2025 heeft een Duitse officier van justitie namens het Duitse Openbaar Ministerie in Dortmund een EOB uitgevaardigd. [1] Het EOB heeft betrekking op een in Duitsland lopend strafrechtelijk onderzoek naar beroepsmatige teelt en handel in hennep. In dat onderzoek is onder anderen de klager als verdachte aangemerkt. Het EOB bevat onder meer een verzoek tot het doorzoeken van de woning van de klager aan de [a-straat 1] in [plaats] .
2.3
Op 21 januari 2026 heeft ter uitvoering van het EOB een doorzoeking op de [a-straat 1] in [plaats] plaatsgevonden. Daarnaast heeft een doorzoeking van het pand aan de [b-straat 1] in [plaats] plaatsgevonden. Bij deze doorzoekingen zijn onder meer de in randnr. 1.1 genoemde voorwerpen in beslag genomen.
2.4
Op 29 januari 2026 is namens de klager op grond van art. 552a Sv in verbinding met art. 5.4.10 Sv een klaagschrift ingediend. Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klager van (onder meer) de in randnr. 1.1 genoemde goederen.
2.5
Op 18 februari 2026 is het klaagschrift van de klager behandeld door de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank. Het proces-verbaal van die zitting houdt het volgende in:
“De raadsman voert het woord:
(…) Ik ben primair van mening dat het Europees onderzoeksbevel (hierna: het EOB) onrechtmatig is afgegeven. Subsidiair stel ik mij op het standpunt dat de Nederlandse politie te ver is gegaan in de uitvoering ervan.
Het EOB is in Duitsland ondertekend door het Duitse Openbaar Ministerie in plaats van door een Duitse rechter. Het Europees Hof heeft op 16 december 2021 geoordeeld dat een EOB alleen kan worden uitgevaardigd door de instantie die daartoe bevoegd is. Het is opmerkelijk dat het Duitse Openbaar Ministerie van de rechter toestemming moet (…) krijgen voor onderzoekshandelingen in Duitsland, maar dit zonder tussenkomst van een rechter wel aan Nederland kan verzoeken. Slechts als er sprake is van een spoedgeval kan het Openbaar Ministerie zonder tussenkomst van de rechter een EOB uitvaardigen. In dit geval kan er echter niet gesproken worden van een spoedgeval. Het EOB is op 5 januari 2026 aangevraagd en op 21 januari 2026 ten uitvoer gelegd. Er was ruim voldoende tijd om het EOB door een Duitse onderzoeksrechter te laten beoordelen en ondertekenen.
Daarnaast is het EOB uitgevaardigd voor een specifiek adres in Nederland terwijl er op twee adressen een doorzoeking heeft plaatsgevonden. Er was geen juridische basis voor het doorzoeken op een tweede locatie.
De goederen die in beslag zijn genomen moeten worden teruggegeven aan de klager.
De officier van justitie antwoordt als volgt:
De onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd op basis van een Duits EOB naar aanleiding van een onderzoek naar grootschalige cannabisteelt. Bij een beslag op grond van een EOB moet op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en vertrouwen worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het EOB. Het EOB is ten uitvoer gelegd en strekt ook tot het doorzoeken van andere panden die gelieerd zijn aan het onderzoeksobject. De rechtmatigheid van het EOB kan worden aangevochten in de inhoudelijke procedure. In deze beklagprocedure is daarvoor geen plaats. Het beklag moet daarom ongegrond worden verklaard.
De raadsman repliceert:
De vraag of het Duitse Openbaar Ministerie bevoegd was om het EOB uit te vaardigen, is een vraag die zich bij uitstek leent om in deze procedure beantwoord te worden. Als daarover twijfel bestaat, dan verzoek ik het onderzoek in raadkamer te schorsen zodat het Duitse Openbaar Ministerie opheldering kan geven op dit punt.
De officier van justitie persisteert bij zijn eerder ingenomen standpunt.
De rechter verklaart vervolgens het onderzoek gesloten en deelt mede dat uitspraak zal worden gedaan ter openbare zitting van deze rechtbank van 3 maart 2026 om 09:00 uur.”
2.6
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 3 maart 2026 hetgeen door de partijen is aangevoerd als volgt samengevat:

Beklag
Het beklag strekt tot teruggave van de in beslag genomen voorwerpen.
Namens de klager is aangevoerd dat het EOB onrechtmatig is afgegeven. Het EOB is niet door een rechter maar door het Duitse Openbaar Ministerie afgegeven. Een EOB kan alleen zonder tussenkomst van een rechter worden afgegeven in geval van spoed. Aangezien het EOB op 5 januari 2026 is afgegeven en de doorzoekingen pas op 21 januari 2026 hebben plaatsgevonden, kan niet worden gesproken van spoed. Daarnaast is het EOB afgegeven voor één adres, terwijl er vervolgens op twee adressen is doorzocht en in beslag genomen.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond moet worden verklaard. Hiertoe is aangevoerd dat het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave, nu de autoriteiten om overdracht van de voorwerpen hebben gevraagd. Op basis van wederzijds vertrouwen moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het EOB. Bij de uitvoering van het bevel kan worden gezocht in panden die gelieerd zijn aan het in het EOB genoemde onderzoeksobject. Eventuele verweren over de rechtmatigheid kunnen bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in Duitsland worden gevoerd.”
2.7
De rechtbank heeft het klaagschrift ongegrond verklaard en heeft in dat verband overwogen:

Beoordeling
Bij de beoordeling van een klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 Sv in verbinding met artikel 552a Sv stelt de rechtbank het volgende voorop.
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en tenuitvoerlegging van een EOB beperkt is. Alleen als één van de in Richtlijn 2014/41/EU opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, wordt erkenning en uitvoering van een EOB geweigerd. Het is aan de uitvaardigende staat om te beoordelen of er grond bestaat een EOB uit te vaardigen. Het is ook aan de uitvaardigende staat om te bepalen welke onderzoeksbevoegdheid het meest geschikt is voor de bewijsverkrijging en of de toepassing van die bevoegdheid proportioneel is gelet op de ernst van het strafbare feit. De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten.
Bij de behandeling van het klaagschrift dat is ingediend op grond van artikel 5.4.10 lid 1 Sv in verbinding met 552a Sv doet de rechter dan ook geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift. De rechter toetst, mede gelet op artikel 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal [vormen] waarop het EOB betrekking heeft. Het staat wel ter beoordeling aan de rechter of zich – gelet op de artikelen 5.4.3, 5.4.4 en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten.
De rechtbank stelt vast dat de Duitse autoriteiten een EOB hebben uitgevaardigd ten behoeve van de waarheidsvinding in het kader van een onderliggend opsporingsonderzoek in Duitsland. Dit EOB is door de officier van justitie erkend en tenuitvoergelegd.
Er doen zich geen weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.4.4 Sv voor.
De stelling van de raadsman dat de Duitse officier van justitie niet bevoegd was tot het indienen van het EOB, is op geen enkele wijze onderbouwd.
Uit artikel 9 van Pro Richtlijn 2014/41/EU ziende op het EOB volgt dat ‘de uitvoerende autoriteit’ zorgt voor de tenuitvoerlegging ervan op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat. Deze bepaling is vastgelegd in artikel 5.4.7 Sv.
De rechtbank stelt voorts, op basis van de beschikbare stukken, vast dat conform het EOB is opgetreden. De in beslag genomen goederen zijn van belang in het kader van de waarheidsvinding en vallen daarmee binnen het bereik van het EOB.
Wanneer bij het uitvoeren van het EOB blijkt dat de verdachte ook over een ander, niet in het EOB genoemd adres beschikt, kan naar dat adres worden ‘doorgestapt’, mits voor dit tweede adres de waarborgen die de Nederlandse wet aan die doorzoeking stelt, in acht zijn genomen. Niet is gesteld of gebleken dat dit niet is gebeurd. De inzet van de bevoegdheden is aldus rechtmatig geschied. De Duitse autoriteiten hebben niet meegedeeld af te zien van het beslag. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook een voortdurend belang van strafvordering, zodat het beklag ongegrond moet worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beklag ongegrond.”

3.Het eerste middel

3.1
In het middel wordt geklaagd dat “de rechtbank heeft geoordeeld dat het Openbaar Ministerie en/of de Nederlandse autoriteiten en/of de Nederlandse rechter het Europees onderzoeksbevel (verder: EOB) konden toestaan respectievelijk het EOB konden uitvoeren, terwijl de rechtbank miskent dat een EOB moet worden gegeven door [een] daartoe bevoegde (buitenlandse) autoriteit, bij gebreke waarvan het ‘EOB’ dient te worden teruggestuurd en dat het EOB derhalve niet ten uitvoer dient te worden gelegd, waardoor de beslissing van de rechtbank op dit punt onjuist, althans onbegrijpelijk is te achten en blijk geeft van een onjuiste toepassing van het recht.” De toelichting op het middel bevat verder het voorwaardelijke verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het juridisch kader
3.2
De begrippen “rechterlijke autoriteit” en “uitvaardigende autoriteit” in de zin van art. 1 lid 1 en Pro art. 2, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2014/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken [2] (hierna: Richtlijn 2014/41/EU) zien ook op de officier van justitie of, meer in het algemeen, het Openbaar Ministerie van een lidstaat, ongeacht of er juridisch mogelijkerwijs sprake is van een ondergeschiktheidsrelatie tussen die officier van justitie/dat Openbaar Ministerie en de uitvoerende macht van die lidstaat, die maakt dat zij het risico lopen om bij de vaststelling van een EOB direct of indirect te worden aangestuurd door of individuele instructies te ontvangen van de uitvoerende macht. [3] De officier van justitie van een lidstaat is bevoegd een EOB uit te vaardigen, mits die officier van justitie krachtens het nationale recht van de uitvaardigende lidstaat de in het bevel genoemde onderzoeksmaatregel in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak had kunnen bevelen. [4]
3.3
Het systeem van het EOB is gestoeld op het beginsel van wederzijdse erkenning. Dat brengt met zich dat de ruimte om af te zien van erkenning en uitvoering van een EOB beperkt is. Alleen als één van de in Richtlijn 2014/41/EU opgenomen weigeringsgronden van toepassing is, wordt erkenning en uitvoering van een EOB geweigerd. Het is aan de uitvaardigende staat om te beoordelen of er grond bestaat een EOB uit te vaardigen. Ook is het aan de uitvaardigende staat om te bepalen welke onderzoeksbevoegdheid het meest geschikt is voor de bewijsverkrijging en of de toepassing van die bevoegdheid proportioneel is gelet op de ernst van het strafbare feit, behoudens voor zover Richtlijn 2014/41/EU ruimte laat aan de uitvoerende staat om de keuze van of de wijze van toepassing van een bevoegdheid te bepalen. De materiële gronden voor het uitvaardigen van het EOB kunnen alleen in de uitvaardigende staat worden aangevochten. [5]
3.4
De Nederlandse officier van justitie is op grond van artikel 5.4.2 lid 1 Sv bevoegd tot erkenning en uitvoering van een EOB. Een EOB is vatbaar voor erkenning als het voldoet aan de eisen van artikel 5.4.3 Sv en zich geen grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB (artikel 5.4.4 Sv), dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB (artikel 5.4.6 Sv). Een voor erkenning en uitvoering vatbaar EOB wordt door de officier van justitie uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften van artikel 5.4.5 Sv. Nadat het bevel is uitgevoerd, kan de betrokkene in de in artikel 5.4.10 lid 1 Sv genoemde gevallen een klaagschrift indienen. [6]
3.5
De betrokkene bij wie ter uitvoering van een EOB voorwerpen in beslag zijn genomen, kan op grond van art. 5.4.10 lid 1 Sv in verbinding met art. 552a Sv een klaagschrift indienen. Bij de behandeling van dit klaagschrift doet de rechter geen onderzoek naar de gronden voor het uitvaardigen van het EOB, waarvan de uitvoering heeft geleid tot indiening van het klaagschrift (art. 5.4.10 lid 3 Sv). De rechter toetst, mede gelet op art. 5.4.7 lid 1 Sv, ook niet de proportionaliteit van de inbeslagneming en van de daarop volgende overdracht van voorwerpen die het bewijsmateriaal vormen waarop het EOB betrekking heeft. Bij de beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 Sv in samenhang met art. 552a Sv beoordeelt de rechter wel of zich – gelet op artikelen 5.4.3 Sv, 5.4.4 Sv en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB, dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. De rechter betrekt bij deze beoordeling de inhoud van het EOB. De rechter slaat acht op de inhoud van het klaagschrift en wat daarover door de officier van justitie en door of namens de klager naar voren is gebracht bij de behandeling van het klaagschrift. De rechter hoeft echter niet ambtshalve te doen blijken te hebben onderzocht of de officier van justitie, na de ontvangst van het EOB, alle voorschriften van artikel 5.4.2 tot en met 5.4.5 Sv in acht heeft genomen voordat hij tot de erkenning en de uitvoering van het EOB is overgegaan. Daarnaast kan de rechter in voorkomende gevallen ook beoordelen of de bevoegdheid waarmee uitvoering is gegeven aan het EOB, rechtmatig is toegepast. De rechter moet zich daarbij beperken tot een onderzoek naar de formaliteiten waaraan de inbeslagneming moet voldoen. Verweren die raken aan de rechtmatigheid van het voortduren van het beslag moeten, gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning, door de rechter van de uitvoerende staat buiten beschouwing worden gelaten. [7]
De bespreking van het eerste middel
3.6
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het EOB niet is uitgevaardigd door een Duitse rechter, maar door een Duitse officier van justitie. Daardoor hadden het Nederlandse Openbaar Ministerie en de Nederlandse beklagrechter moeten onderzoeken of het EOB door de bevoegde autoriteit is uitgevaardigd. Dat geldt volgens de steller van het middel temeer aangezien namens de klager hieromtrent uitdrukkelijk verweer is gevoerd en is verzocht het Duitse Openbaar Ministerie hierover om opheldering te vragen.
3.7
Gelet op het beginsel van wederzijdse erkenning en de taakverdeling tussen de uitvaardigende en de uitvoerende lidstaat, is de rol van de Nederlandse beklagrechter beperkt tot de beoordeling van de vraag of een grond tot weigering of uitstel van de erkenning of uitvoering van het EOB van toepassing is. Hierover heeft de Hoge Raad bepaald dat de Nederlandse beklagrechter niet ambtshalve hoeft te laten blijken van een onderzoek naar de toepasselijkheid van de gronden tot weigering en uitstel. Dat kan anders liggen wanneer de klager gemotiveerd uiteenzet dat en waarom een grond tot weigering of uitstel van toepassing is.
3.8
In de onderhavige zaak is namens de klager het standpunt ingenomen dat het EOB onrechtmatig is uitgevaardigd. In dat verband is enkel gesteld dat de Duitse officier van justitie die het EOB heeft uitgevaardigd, daartoe niet bevoegd was. Volgens de raadsman van de klager zou het opmerkelijk zijn dat het Duitse Openbaar Ministerie voor onderzoekshandelingen in Duitsland toestemming van de Duitse rechter moet krijgen, maar dit zonder tussenkomst van een [A-G: ik begrijp Duitse] rechter wel aan Nederland kan verzoeken. Slechts als sprake zou zijn van een spoedgeval, zou het Duitse Openbaar Ministerie zonder tussenkomst van de Duitse rechter een EOB kunnen uitvaardigen. Daarvan is volgens de raadsman van de klager in dit geval geen sprake.
3.9
Blijkens de hiervoor onder randnr. 2.7 geciteerde overwegingen van de rechtbank heeft zij het juiste toetsingskader vooropgesteld. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of zich een grond voor het weigeren van de erkenning of uitvoering van het EOB voordoet. De rechtbank heeft geoordeeld dat zich geen weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.4.4 Sv voordoen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd mede in aanmerking genomen dat niet door of namens de klager is aangevoerd dat zo’n grond van toepassing is.
3.1
Voorts overweegt de rechtbank dat de stelling van de raadsman van de klager dat de Duitse officier van justitie niet bevoegd was tot het uitvaardigen van het EOB, op geen enkele wijze is onderbouwd. Daarin ligt als oordeel van de rechtbank besloten dat in overeenstemming met art. 5.4.3 lid 3 Sv het EOB is uitgevaardigd door een bevoegde buitenlandse autoriteit en het dus voor erkenning vatbaar is. Dat oordeel acht ik eveneens niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De Duitse officier van justitie is – anders dan waarvan in de schriftuur wordt uitgegaan – wel degelijk een “rechterlijke autoriteit” in de zin van art. 1 lid 1 Richtlijn Pro 2014/41/EU. Hij is bevoegd een EOB uit te vaardigen, mits hij krachtens het nationale recht van Duitsland de in het EOB genoemde onderzoeksmaatregel in dezelfde omstandigheden in een vergelijkbare binnenlandse zaak had kunnen bevelen. In het EOB is onder andere opgenomen dat het door een bevoegde autoriteit is uitgevaardigd en dat de verlangde onderzoeksmaatregelen onder dezelfde omstandigheden in een vergelijkbaar binnenlands geval ook hadden kunnen worden gevraagd. Bovendien blijkt uit het EOB dat de doorzoeking van de woning van de klager door de Duitse rechter is bevolen. [8] Van een situatie waarin de Duitse officier van justitie zonder tussenkomst van een Duitse rechter middels een EOB heeft verzocht om uitvoering van onderzoekshandelingen is derhalve geen sprake. Namens de klager is slechts gesteld dat de Duitse officier van justitie niet bevoegd zou zijn tot het uitvaardigen van het EOB. Die stelling is niet (nader) onderbouwd. Die niet (nadere) onderbouwde stelling noopte, mede gelet op de inhoud van het EOB, de rechtbank niet tot het verrichten van nader onderzoek naar de toepasselijkheid van een grond tot weigering of uitstel van de erkenning of uitvoering van het EOB.
3.11
Gelet op het voorgaande, getuigt het oordeel van de rechtbank dat zich geen grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.12
Het middel faalt.
Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag
3.13
In de toelichting op het middel wordt ten slotte – íngeval de Hoge Raad van oordeel zou zijn dat het Nederlandse Openbaar Ministerie en/of de Nederlandse beklagrechter niet hoeven te onderzoeken of het EOB door een bevoegde buitenlandse autoriteit is uitgevaardigd – aan de Hoge Raad het voorwaardelijke verzoek gedaan om via een prejudiciële procedure aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de vraag voor te leggen of dat oordeel van de Hoge Raad in overeenstemming is met Richtlijn 2014/41/EU. Volgens de steller van het middel gaat het hierbij namelijk om de reikwijdte van de instructienorm van art. 9 lid 3 van Pro die richtlijn respectievelijk om de richtlijnconforme interpretatie van de instructienorm van art. 5.4.3 lid 3 Sv.
3.14
Van het stellen van een prejudiciële vraag kan worden afgezien wanneer de nationale rechter heeft vastgesteld dat de opgeworpen vraag niet relevant is voor de oplossing van het geschil dan wel dat deze kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie of dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de manier waarop deze vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost. [9]
3.15
In art. 9 Richtlijn Pro 2014/41/EU is de erkenning en de uitvoering van een EOB geregeld. Het derde lid van die bepaling houdt in dat als een uitvoerende autoriteit een EOB ontvangt dat niet door een bevoegde autoriteit is uitgevaardigd, de uitvoerende autoriteit het EOB terugstuurt naar de uitvaardigende staat. Art. 9 lid 3 Richtlijn Pro 2014/41/EU is geïmplementeerd in art. 5.4.3 lid 3 Sv. De laatstgenoemde bepaling houdt in dat de officier van justitie het EOB terugzendt indien het bevel is verzonden door een onbevoegde buitenlandse autoriteit. In art. 11 Richtlijn Pro 2014/41/EU zijn de facultatieve gronden voor de weigering van de erkenning of de uitvoering van een EOB opgesomd. In art. 5.4.4 Sv en art. 5.4.6 Sv zijn de gronden voor de weigering respectievelijk opschorting van de erkenning en de uitvoering van een EOB geregeld. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat de erkenning en de uitvoering van een EOB onder meer bestaat uit het controleren of het EOB voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in art. 5.4.3 Sv, waaronder de voorwaarde dat het EOB afkomstig moet zijn van een bevoegde buitenlandse autoriteit, en of er wellicht gronden tot weigering of opschorting bestaan als bedoeld in art. 5.4.4 Sv en art. 5.4.6 Sv.
3.16
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat bij een beoordeling van een klaagschrift als bedoeld in art. 5.4.10 lid 1 Sv in samenhang met art. 552a Sv de rechter beoordeelt of zich – gelet op de artikelen 5.4.3 Sv, 5.4.4 Sv en 5.4.6 Sv – een grond voordoet voor het weigeren van de erkenning of de uitvoering van het EOB dan wel voor uitstel van de erkenning of de uitvoering van het EOB. Derhalve is niet voldaan aan de aan het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag verbonden voorwaarde. Verder wijs ik erop dat het mij voorkomt dat in dezen geen sprake is van twijfel over de uitleg van het Unierecht die aanleiding zou geven tot het stellen van prejudiciële vragen. De hierboven bedoelde vaste rechtspraak van de Hoge Raad is namelijk in lijn met de uit art. 9 lid 3 Richtlijn Pro 2014/41/EU voortvloeiende verplichting voor de uitvoerende autoriteit om te controleren of het EOB door een bevoegde buitenlandse autoriteit is uitgevaardigd. Ten slotte meen ik dat de vraag zelfs irrelevant is voor de oplossing van het geschil. Zoals bij de bespreking van het middel uiteengezet, heeft de rechtbank namelijk – anders dan waarvan in (de toelichting op) het middel wordt uitgegaan – beoordeeld of het EOB door een bevoegde buitenlandse autoriteit is uitgevaardigd en of zich weigeringsgronden als bedoeld in art. 5.4.4 Sv voordoen.

4.Het tweede middel

4.1
In het middel wordt geklaagd dat “de rechtbank heeft geoordeeld dat in de onderhavige zaak het EOB tevens de bevoegdheid gaf om nog een tweede woning te doorzoeken, terwijl die woning niet in het EOB genoemd werd en er evenmin een grondslag naar Nederlands recht was om zonder nadere machtiging deze tweede doorzoeking te doen. De daar plaatsgevonden inbeslagnames waren aldus onrechtmatig.”
Het juridisch kader
4.2
Op grond van art. 9 lid 1 Richtlijn Pro 2014/41/EU zorgt de uitvoerende autoriteit voor de tenuitvoerlegging van een EOB op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als waren de betrokken onderzoeksmaatregelen bevolen door een autoriteit van de uitvoerende staat. Deze bepaling is geïmplementeerd in art. 5.4.7 lid 1 Sv op grond waarvan ter uitvoering van een EOB opsporingsbevoegdheden kunnen worden toegepast onder dezelfde voorwaarden waaronder deze kunnen worden toegepast in een Nederlands onderzoek naar dezelfde feiten op grond van het Wetboek van Strafvordering.
4.3
Op grond van art. 16 lid Pro 2, aanhef en onder b, Richtlijn 2014/41/EU geeft de uitvoerende autoriteit bericht aan de uitvaardigende autoriteit, indien de uitvoerende autoriteit het tijdens de tenuitvoerlegging van het EOB zonder verdere navraag passend acht onderzoeksmaatregelen uit te voeren waarin oorspronkelijk niet was voorzien – of die op het ogenblik waarop het EOB werd uitgevaardigd niet konden worden bepaald – opdat de uitvaardigende autoriteit ter zake verdere maatregelen kan nemen. Deze bepaling is geïmplementeerd in art. 5.4.5 lid 7 Sv op grond waarvan tijdens de uitvoering van een EOB, teneinde het onderzoek in de uitvaardigende lidstaat te bevorderen, ook bevoegdheden kunnen worden uitgeoefend die door de uitvaardigende autoriteit niet zijn voorzien in het bevel of die ten tijde van het uitvaardigen van het bevel niet konden worden bepaald.
4.4
Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat ingeval tijdens het uitvoeren van een EOB blijkt dat de klager (ook) over een ander dan in het EOB opgenomen adres beschikt, ook op dat andere, niet in het EOB opgenomen adres (de in het EOB verzochte) opsporingsbevoegdheden kunnen worden uitgeoefend. Daarbij moeten wel de waarborgen die de Nederlandse wet stelt aan het uitoefenen van die opsporingsbevoegdheden in acht worden genomen.
De bespreking van het tweede middel
4.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat namens de klager het verweer is gevoerd dat het ontbreken van het tweede adres in het EOB maakt dat de doorzoeking op dat adres onrechtmatig is. Volgens de steller van het middel lijkt de rechtbank bij de verwerping van het verweer te verwijzen naar (de rechtspraak over) de doorstapbevoegdheid als bedoeld in art. 94 Sv Pro en art. 96c Sv, terwijl de rechtbank over het hoofd ziet dat die bevoegdheid betrekking heeft op bedrijfspanden en niet (ook) op woningen. Een algemene doorstapbevoegdheid voor doorzoekingen in woningen, zoals voor bedrijfspanden is neergelegd in art. 96c Sv, kent de wet niet. Bij woningen is nog steeds een machtiging als bedoeld in art. 110 Sv Pro vereist, zodat – naast die machtiging – ten minste ook een aanvullend EOB is vereist.
4.6
De steller van het middel vindt mij niet aan zijn zijde. Blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 18 februari 2026 heeft de raadsman van de klager subsidiair aangevoerd dat er geen juridische basis was voor de doorzoeking op het tweede adres omdat dat adres niet is opgenomen in het EOB. De rechtbank heeft in reactie daarop overwogen dat wanneer bij het uitvoeren van het EOB blijkt dat de klager ook over een ander, niet in het EOB genoemd adres beschikt, naar dat adres kan worden ‘doorgestapt’, mits voor dit tweede adres de waarborgen die de Nederlandse wet aan die doorzoeking stelt, in acht zijn genomen. Gelet op hetgeen onder randnrs. 4.2-4.4 is vooropgesteld, getuigt dit oordeel van de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting. Verder heeft de rechtbank – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd – overwogen dat niet is gesteld of gebleken dat de waarborgen die de Nederlandse wet stelt aan de doorzoeking op het tweede adres niet in acht zijn genomen, zodat de inzet van die bevoegdheid rechtmatig is geschied.
4.7
Voor zover in (de toelichting op) het middel nog wordt geklaagd dat de doorzoeking op het tweede adres onrechtmatig is geschied, omdat een machtiging van de rechter-commissaris tot doorzoeking ter inbeslagneming als bedoeld in art. 110 Sv Pro ontbreekt, merk ik op dat die klacht niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd. De beoordeling daarvan hangt namelijk samen met waarderingen van feitelijke aard waarvoor in cassatie geen plaats is.
4.8
Het middel faalt.

5.Slotsom

5.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging. Daarbij geef ik de Hoge Raad in overweging ook toe te lichten waarom in het onderhavige geval kan worden afgezien van het stellen van prejudiciële vragen. [10]
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Blijkens het proces-verbaal van de raadkamerzitting van 18 februari 2026 en de bestreden beschikking van 3 maart 2026 gaat de raadsman van de klager er ten onrechte van uit dat het EOB op 5 januari 2026 is uitgevaardigd.
2.PbEU 2014, L 130/1.
3.HvJ EU 8 december 2020, C-584/19, ECLI:EU:C:2020:1002, punt 75.
4.HvJ EU 16 december 2021, C-724-19, ECLI:EU:C:2021:1020, punten 27-45.
5.HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940,
6.HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1234, rov. 2.3.1.
7.HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1940,
8.In het EOB wordt verzocht om “uitvoering van de door de rechter verordende doorzoeking van de woning van de beklaagde [klager] , geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats], woonachtig te [a-straat 1] , [plaats] , Nederland.”
9.HvJ EU 15 oktober 2024, C-144/23, ECLI:EU:C:2024:881, punt 36.
10.HvJ EU 24 maart 2026, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, punt 32.